Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2024:619 ECLI:NL:PHR:2024:619 AI generated

ECLI:NL:PHR:2024:619 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2024:619
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/03854 Zitting 11 juni 2024 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 4 oktober 2022 door het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:2843) veroordeeld wegens het "wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen" (art. 139 Sr). Het gerechtshof heeft aan de verdachte geen straf of maatregel opgelegd (art. 9a Sr). 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 22/03695 en 22/01346.

Legislator headnote

AI generated

art. 139 Sr, art. 9a Sr; ECLI:NL:PHR:2024:619 · Parket bij de Hoge Raad: Daarmee is ook gezegd dat het hof kon oordelen dat het oproepen van de verzochte getuigen niet noodzakelijk was. De afwijzing van dit verzoek is dan ook niet onbegrijpelijk. 5.7 Ook het tweede middel faalt. Afronding 6.1 Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 6.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 6.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv.

Keywords

AI generated
art. 139 Sr art. 9a Sr

Cited Legislation

AI generated
art. 139 Sr
Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 4 oktober 2022 door het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:2843) veroordeeld wegens het "wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen" (art. 139 Sr).
art. 9a Sr
Het gerechtshof heeft aan de verdachte geen straf of maatregel opgelegd (art. 9a Sr).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2022:2843
afdeling strafrecht parketnummer: 23-004049-19 datum uitspraak: 4 oktober 2022 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-106379-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats, in dezen voor poststukken domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2022. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij, op of omstreeks 2 mei 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het gemeentehuis van Amsterdam, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Bespreking van een bewijsverweer De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft hij – kort samengevat – aangevoerd dat niet blijkt dat de vordering zich te verwijderen door of namens de rechthebbende is gedaan. Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft zich op 2 mei 2019 kort voor sluitingstijd naar het gemeentehuis van de gemeente Amsterdam begeven met als doel daar te overnachten. Het was hem niet gelukt om ergens anders een slaapplek te regelen. De medewerkers van het gemeentehuis konden hem niet helpen en daarom wilde de verdachte het pand niet verlaten, totdat hij een slaapplaats had. De verdachte is meermalen door een beveiliger gevorderd om het pand te verlaten, maar dat weigerde hij. Ook toen de verdachte vervolgens, na te zijn gewaarschuwd voor de consequenties van verdere weigering, door een ter plaatse gekomen politieambtenaar is gevorderd het pand te verlaten, weigerde de verdachte. Hierop is de verdachte aangehouden op verdenking van lokaalvredebreuk. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat uit het dossier voldoende blijkt dat de verdachte door een bevoegde ambtenaar is gevorderd zich uit het gemeentehuis te verwijderen. Eerst is de verdachte, zoals hij zelf ook heeft verklaard, door de beveiliging van het gemeentehuis gevorderd om het gemeentehuis te verlaten. Aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevoegdheid van de beveiliger om de verdachte te vorderen het gemeentehuis te verlaten, zijn er niet. Behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, mag er vanuit worden gegaan dat een beveiliger optreedt namens de rechthebbende van het lokaal, in dit geval de gemeente Amsterdam. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte door een bevoegde ambtenaar is gevorderd om het gemeentehuis te verlaten. Nu de verdachte aan de vorderingen herhaaldelijk geen gehoor heeft gegeven, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Voorwaardelijk verzoek De raadsman heeft ter terechtzitting het voorwaardelijke verzoek gedaan tot het horen als getuigen van de beveiligers [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], indien het hof het vrijspraakverweer verwerpt. De onderbouwing van het verzoek ziet op het vraagstuk van de bevoegdheid van de beveiliging. Het hof is van oordeel dat het dossier op dat punt voldoende informatie bevat, zodat het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuigen wordt afgewezen, nu de noodzaak hiertoe niet is gebleken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij, op 2 mei 2019 te Amsterdam, in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het gemeentehuis van Amsterdam, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, waarnaar in de hiervoor vermelde voetnoten is verwezen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Geen straf of maatregel De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 150,00, subsidiair 3 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 6 uren, te vervangen door 3 dagen hechtenis. Het hof stelt voorop dat de verdachte door zijn handelen een hinderlijke belasting voor de autoriteiten heeft gevormd. Het handelen van de verdachte komt echter over als een oprecht eenmansprotest om als dakloze aandacht te vragen voor zijn situatie en die van andere daklozen. Nu voorts niet is gebleken dat de verdachte al eerder een soortgelijk feit heeft begaan, acht het hof het raadzaam te bepalen dat in verband met de omstandigheden waaronder het feit is begaan geen straf of maatregel zal worden opgelegd. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd. Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. onder CJIB nummer [nummer]. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. R. Kuiper en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 oktober 2022. ========================================================================= […] De bewijsmiddelen waarnaar hieronder wordt verwezen zijn in de wettelijke vorm door bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal. Proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde p. 7. Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde p. 3-4.
ECLI:NL:GHAMS:2022:2844
afdeling strafrecht parketnummer: 23-002360-20 datum uitspraak: 4 oktober 2022 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (locatie Amsterdam) van 9 oktober 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-137408-20 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats, in dezen voor de post domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2022. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 24 mei 2020 te Amsterdam, heeft gehandeld in strijd met een door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland gegeven voorschrift en/of beperking op grond van artikel 5 lid 1 en/of 6 Wet Openbare Manifestaties, immers heeft verdachte -gedemonstreerd en/of deelgenomen aan een demonstratie en/of betoging en/of een/die demonstratie en/of betoging georganiseerd (Pro-Palestina en/of tegen Israël) in een oneven week op zondag op de Dam, terwijl hij krachtens een besluit van de burgemeester van Amsterdam van 1 februari 2019 en/of een besluit van de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland van 21 mei 2020, alleen op de even weken op zondag mag demonstreren (Pro-Palestina en/of tegen Israël) op de Dam; en/of - ( vervolgens) zich voor het houden van een/die demonstratie en/of betoging (Pro-Palestina en/of tegen Israël) niet begeven naar de door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland toegestane en aangewezen locatie, zijnde het Museumplein; 2.hij op of omstreeks 5 juli 2020 te Amsterdam, heeft gehandeld in strijd met een door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland gegeven voorschrift en/of beperking en/of aanwijzing op grond van de artikelen 5 lid 1 en/of 6 van de Wet Openbare Manifestaties, immers heeft verdachte -in een oneven week op zondag op de Dam gedemonstreerd en/of deelgenomen aan een demonstratie en/of betoging en/of een/die demonstratie en/of betoging georganiseerd (Pro-Palestina en/of tegen Israël), terwijl hij krachtens een besluit van de burgemeester van Amsterdam van 1 februari 2019 en/of een besluit van de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland van 21 mei 2020, alleen op de even weken op zondag mag demonstreren (Pro-Palestina en/of tegen Israël) op de Dam en/of -(vervolgens) zich voor het houden van/deelnemen aan een/die demonstratie en/of betoging (Pro-Palestina en/of tegen Israël) niet begeven naar de door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland toegestane en aangewezen locatie, zijnde het Museumplein. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Geldigheid van de dagvaarding De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde partieel nietig moet worden verklaard, nu de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is. De tenlastelegging mag niet zo zijn opgesteld dat het zogenoemde kwalificatieve deel niet aansluit bij de feitelijke omschrijving; dat levert een te grote discrepantie op. De onderdelen van de tenlastelegging onder 1 en 2, na het laatste gedachtestreepje, kunnen nimmer worden gekwalificeerd als handelen in strijd met een ‘voorschrift en/of beperking op grond van artikel 5 lid 1 en/of 6 Wet openbare manifestaties (Wom)’, nu de betreffende Wom-bepalingen niet de bevoegdheid omvatten te bepalen dat men zich dient te verplaatsen naar een andere locatie. Het hof leest en begrijpt de tenlastelegging onder 1 en 2 in haar geheel en tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier waaruit blijkt dat de verdachte, kort gezegd, is voorgeschreven dat hij door hem te houden demonstraties om de week op de Dam mag houden en dat hij voor het houden van de door hem aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 is verwezen naar het Museumplein. Verder geldt dat de aan het verweer ten grondslag liggende stelling dat de artikelen 5 en 6 Wom geen basis bieden om aanwijzingen te geven ten aanzien van de plaats waar een demonstratie wel en waar deze niet mag plaatsvinden, geen steun vindt in het recht. Van de gestelde innerlijke tegenstrijdigheid is dan ook geen sprake. Het verweer wordt verworpen. Vrijspraak feit 2 De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2. Hiertoe heeft hij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de Wom op 5 juli 2020 niet op de verdachte van toepassing was, nu hij niet kan worden aangemerkt als een deelnemer aan de demonstratie. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gezet dat het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdachte heeft zich op 5 juli 2020 anderhalf uur op de Dam in de nabijheid van andere pro-Palestina demonstranten bevonden. Dit, in samenhang bezien met de achtergrond van de verdachte als frequente pro-Palestina demonstrant, maakt dat het niet anders kan dan dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het collectief in het openbaar uitdragen van een mening en dus heeft deelgenomen/bijgedragen aan een betoging in de zin van de Wom. Het hof stelt op basis van de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken vast, dat de verdachte op 5 juli 2020 op de Dam aanwezig was. De verdachte heeft verklaard dat hij daar optrad als adviseur voor de heer [naam 1] en de heer [naam 2], die ieder aan een andere zijde van de Dam een eenmansdemonstratie pro-Palestina hielden. De verdachte heeft zich naar zijn zeggen van de ene kant van de Dam naar de andere kant van de Dam bewogen om [naam 1] en [naam 2] te adviseren, maar heeft zelf geen mening uitgedragen. Iets anders blijkt niet uit het dossier. Naar het oordeel van het hof blijkt niet uit het dossier dat de rol die de verdachte heeft gespeeld van dien aard was dat hij moet worden aangemerkt als deelnemer of iemand een bijdrage heeft geleverd aan een betoging in de zin van de Wom. Daarom moet de verdachte van hetgeen hem onder 2 is tenlastegelegd worden vrijgesproken. Bewijsvoering feit 1 en bespreking van gevoerde bewijsverweren Feiten en omstandigheden Op basis van de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 1 februari 2019 heeft de burgemeester van Amsterdam de verdachte een brief gestuurd met onder meer de volgende inhoud: “Geachte meneer [verdachte], U maakt al weer enige tijd met grote regelmaat gebruik van uw grondrecht om te betogen op onder meer de Dam. U heeft eerder aangegeven in een kennisgeving en tijdens het inspreken in de commissie Algemene Zaken dat u voornemens bent uw protest op de Dam de komende jaren op deze wijze voort te zetten. Bij de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting past dat een ieder zich mag uitspreken over elk buitenlands conflict, zolang men zich houdt aan de Nederlandse wet. Daarbij mogen deze grondwettelijke vrijheden niet misbruikt worden om een ander diezelfde vrijheid te ontnemen. Als burgemeester van Amsterdam ben ik ook verantwoordelijk voor de openbare orde en de veiligheid van al haar bewoners en bezoekers. Ik heb uw recht om te protesteren op de Dam tot op heden op geen enkele wijze in tijd of plaats beperkt. Voor de Amsterdamse driehoek van burgemeester, hoofdofficier van justitie en hoofdcommissaris is echter nu een grens bereikt. Op basis van de Wet openbare manifestaties (Wom) zal ik vanaf nu voorschriften aan uw demonstratie verbinden. In deze brief leg ik u uit waarom. Grens bereikt De politie en het openbaar ministerie hebben mij geïnformeerd over de wijze waarop u gebruik maakt van uw demonstratierecht. Hieruit blijkt dat uw demonstraties op met name de Dam bij herhaling leiden tot overlast, spanningen, ophef, (fysieke) confrontaties, wanordelijkheden, geweld, strafbare feiten en overtredingen. Dit heeft tot gevolg dat de afgelopen weken veelvuldig politie is ingezet en aangiftes zijn gedaan en er handhavend moest worden opgetreden. De politie geeft aan dat ongeacht politietoezicht de demonstraties zowel verbaal, non-verbaal als fysiek escaleren. Zowel u als de Pro Israël sympathisanten gedragen zich op de Dam steeds meer op onaanvaardbare wijze én dat heeft invloed op een ieder die zich daar begeeft. Verder blijkt uit politie informatie dat sprake is van een toenemende gegronde vrees dat bovenstaande incidenten zich zullen blijven herhalen en mogelijk verergeren. Uw protest op de Dam over geweld dat buiten Amsterdam plaatsvindt, leidt zo uiteindelijk ook tot geweld op de Dam. Om verdere escalatie te voorkomen is besloten maatregelen te nemen. Hierbij wegen het beschermingsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de bijzondere omstandigheden van de demonstratielocatie zwaar mee. Bescherming van ieders belang en grondrecht U houdt uw demonstraties bij voorkeur op de Dam en in het weekend. Het plein behoort een ieder toe en als burgemeester dien ik naast uw belang ook de vrijheden en (grond-)rechten van andere gebruikers en bezoekers te beschermen. Het is onacceptabel dat met grote regelmaat slechts een handje vol mensen de Dam gebruikt voor één thema, als deze activiteiten regelmatig leiden tot wanordelijkheden en strafbare feiten. Dit raakt uiteindelijk ook de grondrechten van anderen. Voorschrift op basis van de wet De Wom biedt ruimte om de overweging om wel of geen voorschriften te stellen mede te laten bepalen door de specifieke omstandigheden, het tijdstip en de locatie waar de demonstratie plaatsvindt. Dit impliceert dat afhankelijk van de plaats van de demonstratie en de activiteiten die daar op dat moment plaatsvinden, beperkingen gerechtvaardigd kunnen zijn ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden en in het belang van het verkeer. Door toenemende drukte in de stad is het van belang de doorstroming van (voetgangers-) verkeer en het voorkomen van overcrowding mee te laten wegen bij de besluitvorming van uw demonstratie. De in deze brief omschreven belangen en omstandigheden en de toename van de door de politie geschetste incidenten leveren bovendien een legitieme vrees voor wanordelijkheden op. Ter voorkoming van confrontaties en strafbare feiten en in het belang van het verkeer en ter voorkoming van verdere wanordelijkheden, stel ik wel op basis van artikel 5 lid 1 van de Wom dat u en uw sympathisanten enkel nog op en rond de Dam (zie kaartje: binnen het rood omlijnde gebied) mogen demonstreren op de zondagen van de even weken, mits er op de Dam geen andere grootschalige evenementen of demonstraties plaats vinden en u binnen het blauw omlijnde gebied aan de paleiszijde blijft op de Dam. U blijft buiten het rood omlijnde gebied vrij om in de rest van Amsterdam te betogen, mits u 50 meter afstand houdt van andere protestvormen en evenementen. Uw betogingen dienen altijd vooraf op reguliere wijze aangemeld via het digitale formulier die te vinden is op amsterdam.nl. Uw demonstratie mag nergens langer dan drie uur per dag duren. Amsterdam staat voor het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting en het recht om te demonstreren. Deze grondrechten gaan echter wel samen met verantwoordelijkheden. Mocht blijken dat u en/of uw sympathisanten niet voldoen aan bovenstaande voorschriften, strafbare feiten plegen en/of wanordelijkheden (dreigen) plaats (te) vinden, dan zal ik opdracht geven de demonstratie(s) te beëindigen.” In reactie op de kennisgeving door de verdachte van zijn voorgenomen demonstratie op de Dam van 24 mei 2020 is hem door de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio op 21 mei 2020 een brief gestuurd met onder meer de volgende inhoud: “Geachte heer [verdachte], U heeft kennisgeving gedaan van uw voornemen om op zondag 24 mei van 13:00 tot 17:00 uur op de Dam een demonstratie te organiseren ‘voor de Palestijnen en tegen Israël’. U verwacht voor die demonstratie 30 deelnemers. Op 1 februari 2019 heeft u van de burgemeester van Amsterdam een brief ontvangen die betrekking heeft op uw betogingen op de Dam in het kader van steun aan de Palestijnen. In de brief wordt ook de bredere context geschetst van de wijze waarop het gedrag van pro-Israël en pro-Palestina protesten en demonstraties leiden tot overlast, spanningen, ophef, (fysieke) confrontaties, wanordelijkheden, geweld strafbare feiten en overtredingen. Helaas moet ik op basis van informatie van de politie vaststellen dat de situatie op de Dam niet is verbeterd. Sterker nog, recent zijn er meerdere incidenten geweest op de Dam in het kader van pro-Israël en pro-Palestina demonstraties en lijkt opnieuw sprake te zijn van escalatie. Derhalve zie ik geen mogelijkheid om het besluit van 1 februari vorig jaar te heroverwegen. Dat betekent dat de voorschriften die in die brief zijn gesteld op basis van artikel 5 lid 1 van de Wom, ter voorkoming van confrontaties en strafbare feiten en verdere wanordelijkheden, van kracht blijven. Een van die voorschriften is dat u enkel in de even weken op de zondag voor maximaal drie uur mag demonstreren op de Dam. Ik stel vast dat de datum van uw voorgenomen demonstratie valt in een oneven weekend. Dat betekent dat uw demonstratie op dat moment niet kan plaatsvinden op de Dam. Dat geldt ook voor andere pro-Palestina demonstraties. Derhalve verwijs ik uw demonstratie naar het Museumplein. Het staat u vrij daar te betogen zolang u daarbij de verdere voorschriften in acht neemt, zoals omschreven in de brief uit 2019. Voor de volledigheid heb ik die brief bijgevoegd. Aanvullend wijs ik u op de RIVM-richtlijn dat eenieder 1,5 meter afstand dient te houden van anderen. In het belang van de gezondheid dient u er zorg voor te dragen dat deelnemers aan uw demonstratie gedurende de gehele demonstratie 1,5 meter afstand tot elkaar houden, en dat anderen zich niet in uw demonstratie begeven.” Op 22 mei 2020 heeft de verdachte op zijn facebookpagina gemeld dat hij het niet eens was met de verplaatsing van zijn demonstratie naar het Museumplein en riep hij een ieder op om 24 mei 2020 naar de Dam te komen om te protesteren tegen Israël. Op 24 mei 2020 arriveerde de verdachte op de Dam met in zijn kielzog een tiental andere demonstranten, van wie enkelen Palestijnse vlaggen en een bord met daarop teksten gericht tegen Israël vasthielden. De verdachte sprak met een megafoon in zijn handen de andere demonstranten toe. De verdachte is door politieambtenaren aangesproken en aangezegd om zijn demonstratie te houden op het Museumplein. Vervolgens is de verdachte en zijn mede-betogers door politieambtenaren gevorderd te vertrekken. Nadat zij weigerden te vertrekken zijn zij aangehouden. Bespreking van verweren De raadsman heeft – overeenkomstig zijn pleitnota – op een aantal gronden bepleit dat de besluiten van 1 februari 2019 en 21 mei 2020, en daarmee de daarin gegeven aanwijzingen en beperkingen, onrechtmatig zijn. Het bestanddeel ‘voorschrift en/of beperking op grond van artikel 5 lid 1 en/of 6 Wet Openbare Manifestaties’ kan dan ook niet worden bewezenverklaard. Het hof zal hieronder de nummering van de verweren in de pleitnota aanhouden. III Het hof honoreert het verweer onder III, omdat geen sprake is van tijdens een betoging gegeven aanwijzingen, zodat artikel 6 Wom niet van toepassing is. IV Het hof verwerpt het verweer onder IV dat sprake zou zijn van een wettelijk niet toelaatbaar integraal demonstratieverbod, waarbij de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 niet op zijn merites is beoordeeld. In de brief van 21 mei 2020, in samenhang met de daarbij opnieuw meegestuurde brief van 1 februari 2019, is toereikend – want voldoende concreet en met feiten onderbouwd – gemotiveerd dat en waarom de gestelde voorschriften en beperkingen aan de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 noodzakelijk zijn ter bescherming van de gezondheid en in het belang van het verkeer en ter bestrijding van en voorkoming van verdere wanordelijkheden. De voorschriften en beperkingen zijn door daartoe bevoegde autoriteiten gegeven. Dit leverde geen ontoelaatbare beperking op van het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door art. 10 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De beperking was bij wet voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving ter voorkoming van onder meer wanordelijkheden, zoals bedoeld in het tweede lid van die verdragsbepaling. Voor de beperking bestond een dringende maatschappelijke noodzaak en zij was niet disproportioneel. In het verweer is ook de feitelijke grondslag van de besluiten in de brieven van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 bestreden. De verdachte heeft daarmee echter niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke grondslag van de genoemde besluiten gebrekkig is. Dat wordt niet anders doordat in de brief van 21 mei 2020 niet uitdrukkelijk is ingegaan op het idee van de verdachte dat het besluit over de verdeling van de zondagen tussen pro-Israël en pro-Palestina betogers niet langer gold. Uit de motivering van het besluit van 24 mei 2020 blijkt dat van een disproportionele beperking van het recht van de verdachte om te demonstreren geen sprake is. Wat betreft het besluit van 1 februari 2019 verdient opmerking dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in zijn beslissing van 7 maart 2019 heeft geweigerd om het besluit van 1 februari 2019 te schorsen. V De raadsman heeft aangevoerd dat de autoriteiten moeten faciliteren dat demonstraties van personen met tegengestelde standpunten bij voorkeur ‘within sight and sound’ van elkaar kunnen plaatsvinden. Alleen wanneer ordehandhaving volstrekt disproportionele politie-inzet zou vergen, is een preventief demonstratieverbod gerechtvaardigd. Dergelijke bestuurlijke overmacht is ter zake van de demonstratie van 24 mei 2020 niet aannemelijk. Op de gronden zoals hiervoor bij de bespreking van het verweer onder IV weergegeven, verwerpt het hof ook dit verweer. VI t/m VIII De raadsman heeft in zijn pleitnota onder VI betoogd dat het besluit van 21 mei 2020 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Onbegrijpelijk is dat de situatie op de Dam sinds de brief van 1 februari 2019 niet zou zijn verbeterd en dat sprake lijkt van escalatie, omdat demonstranten en tegendemonstranten sindsdien niet meer tegelijk mochten demonstreren. Niet is gemotiveerd dat meerdere incidenten zouden hebben plaatsgevonden en dat verdachte of zijn mede-betogers daarmee iets te maken hadden. Onder VII is betoogd dat het besluit van 21 mei 2020 onrechtmatig is, omdat het is gebaseerd op het onrechtmatige generieke demonstratieverbod van 1 februari 2019. Onder VIII is aangevoerd dat de gestelde beperkingen niet in overeenstemming zijn met artikelen 19 en 21 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikelen 10 en 11 van het EVRM. De aan de demonstratie verbonden voorschriften waren niet ‘necessary’ in de zin van artikelen 10 en 11 EVRM, althans berusten dezen niet op ‘relevant and sufficient reasons’. Het hof verwerpt deze verweren op de gronden zoals hiervoor bij de bespreking van het verweer onder IV weergegeven. Daarbij verdient opmerking dat niet nodig is dat de verdachte of zijn mede-betogers bij eerdere incidenten betrokken zijn geweest om – ook voor hem – de gelegenheid om te demonstreren op een specifieke locatie te beperken, zoals dat is gebeurd. Van een onrechtmatig generiek demonstratieverbod is geen sprake en de beperking van de grondrechten van de verdachte kan de toets aan de genoemde verdragen doorstaan. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 24 mei 2020 te Amsterdam, heeft gehandeld in strijd met een door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland gegeven voorschrift en beperking op grond van artikel 5 lid 1 Wet openbare manifestaties, immers heeft verdachte - deelgenomen aan een demonstratie en die demonstratie georganiseerd (pro-Palestina) in een oneven week op zondag op de Dam, terwijl hij krachtens een besluit van de burgemeester van Amsterdam van 1 februari 2019 en een besluit van de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland van 21 mei 2020, alleen op de even weken op zondag mag demonstreren (Pro-Palestina) op de Dam; en - zich voor het houden van die demonstratie (pro-Palestina) niet begeven naar de door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland toegestane en aangewezen locatie, zijnde het Museumplein. Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, waarnaar in de voormelde voetnoten is verwezen. Het daar genoemde proces-verbaal is in de wettelijke vorm door een bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt. De daar genoemde geschriften zijn tot het bewijs gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties. Strafbaarheid van de verdachte De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De arrestatie en politiedetentie vormen een niet-noodzakelijke, althans disproportionele inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM. Het hof verenigt zich niet met het standpunt van de raadsman en overweegt als volgt. Uit het dossier volgt dat de verdachte tweemaal is gevorderd de Dam te verlaten. De verdachte heeft hier vervolgens telkens geen gehoor aan gegeven. Dat de verbalisanten de verdachte daarop hebben gearresteerd, acht het hof geen disproportionele inbreuk op het betogingsrecht van de verdachte. Uit de bespreking van de verweren tegen de besluiten vloeit voort dat de daarbij gegeven beperking van de grondrechten van de verdachte de toets aan de artikelen 10 en 11 EVRM kan doorstaan. Toen bleek dat de verdachte zich aan die beperking niet hield, was zijn arrestatie een noodzakelijk en proportioneel middel. De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De kantonrechter heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis en voor het onder 2 tenlastegelegde tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid, Wom. Ondanks dat hij wist dat een pro-Palestina demonstratie niet was toegestaan in de oneven weken op zondag op de Dam, en dat de kennisgeving van zijn voorgenomen demonstratie bij besluit van de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio was verboden op de Dam en verwezen naar het Museumplein, heeft de verdachte op 24 mei 2020 gedemonstreerd op de Dam. Toen hem is gevorderd de demonstratie te beëindigen en zich te begeven naar het Museumplein, weigerde hij. De verdachte heeft daarmee kenbaar gemaakt geen gehoor te geven aan regels en besluiten van het bevoegde gezag. Het hof acht in beginsel een geldboete passend en geboden. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn beperkte financiële draagkracht, acht het hof echter raadzaam om een taakstraf op te leggen. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Wet openbare manifestaties. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. R. Kuiper en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 oktober 2022. ========================================================================= […] Geschrift, doorgenummerde p. 5-6 van het politiedossier. Geschrift, doorgenummerde p. 8-9 van het politiedossier. Proces-verbaal van bevindingen, p. 1-3 doorgenummerd politiedossier.
ECLI:NL:GHAMS:2022:1133
afdeling strafrecht parketnummer: 23-002568-21 datum uitspraak: 12 april 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 september 2021 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-226303-20 (zaak A) en 13-028555-21 (zaak B) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd in zaak A dat: 1.hij op of omstreeks 8 september 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent van de politie Eenheid Amsterdam) en/of [slachtoffer 2] (hoofdagent van de politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: ‘‘ACAB’’, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; in zaak B dat: 1.hij in of omstreeks de periode van 7 tot en met 8 september 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent) gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middels [account] ‘‘ [verdachte] ’’ berichten en/of afbeeldingen en/of videobeelden op [website] te plaatsen en te delen met als inhoud:  op 7 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Ik ben weer vrij. Nieuwe strategie Politie Amsterdam. De handboeien lekker strak aandraaien… Man man man wat ben je zielig. Morgen weer naar de Dam net zolang totdat het Openbaar Ministerie de zaken voor de rechter brengt.. Stop het traineren OM!!’’  op 7 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Dit is een extreem foute gast. Zijn naam is [slachtoffer 1] . Al vaker met hem te maken gehad.. En er zijn meer mensen die door hem veels te agressief benaderd zijn. We proberen ff grip op zijn trackrecord te krijgen. Dus graag delen. Laat mensen contact met me opnemen als ze ook slechte ervaringen hebben.’’  op 8 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Agent [slachtoffer 1] heeft me vanmiddag wederom hardhandig aangehouden. Deze video was net niet meer op tijd gepost. Ik ben weer vrij. Straks meer info..’’  op 8 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Agent [slachtoffer 1] in actie. De ambtsinstructie bepaalt dat handboeien alleen aangelegd mogen worden als dat nodig is.. Niet echt nodig bij mij.. En dan lekker draaien.. Dat is [slachtoffer 1] .. In de politiebus schepte hij op dat hij altijd handboeien aanlegt.. Rotte appel bij Politie Amsterdam dus…’’ en/of ‘‘Yup. Dat smerige lachje zegt alles..’’ althans woorden en/of afbeeldingen en/of videobeelden van soortgelijke aard en/of strekking; 2.hij in of omstreeks de periode 7 tot en met 8 september 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in het openbaar bij geschrift heeft beledigd, door middels [account] ‘‘ [verdachte] ’’ berichten op [website] te plaatsen en te delen met als inhoud:  op 7 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Dit is een extreem foute gast. Zijn naam is [slachtoffer 1] . Al vaker met hem te maken gehad.. En er zijn meer mensen die door hem veels te agressief benaderd zijn. We proberen ff grip op zijn trackrecord te krijgen. Dus graag delen. Laat mensen contact met me opnemen als ze ook slechte ervaringen hebben.’’  op 8 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Agent [slachtoffer 1] in actie. De ambtsinstructie bepaalt dat handboeien alleen aangelegd mogen worden als dat nodig is.. Niet echt nodig bij mij.. En dan lekker draaien.. Dat is [slachtoffer 1] .. In de politiebus schepte hij op dat hij altijd handboeien aanlegt.. Rotte appel bij Politie Amsterdam dus…’’ en/of ‘‘Yup. Dat smerige lachje zegt alles..’’. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en deels andere kwalificatie komt dan de politierechter. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging De raadsman heeft in zijn ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof overgelegde pleitnotities verwezen naar een tweetal door hem ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde pleitnota’s en daarbij vermeld dat die pleitnota’s aan de pleitnota in hoger beroep zijn gehecht, daarvan deel uitmaken en dat de verweren zoals gevoerd in eerste aanleg integraal worden herhaald. Uitgangspunt in strafzaken is dat de rechter dient te beraadslagen en te beslissen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Dat brengt mee dat verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ter terechtzitting dienen te worden voorgedragen. Het hof is van oordeel dat de raadsman naar de in eerste aanleg door hem gevoerde verweren slechts in algemene zin heeft verwezen en de door hem bedoelde verweren ter terechtzitting in hoger beroep niet (uitdrukkelijk) heeft voorgedragen, terwijl ter terechtzitting door het hof evenmin is ingestemd met een bekorting van het door de raadsman gevoerde pleidooi. In de voornoemde door de raadsman gedane algemene verwijzing naar de inhoud van de in eerste aanleg overgelegde pleitnota’s ziet het hof dan ook geen aanleiding tot het nemen van enige gemotiveerde beslissing. Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof ambtshalve niet gebleken van een aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing – in die zin dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn – die zou meebrengen dat een vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur. Evenmin is gebleken dat ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, noch dat sprake is van een situatie waarbij een zodanig ernstige inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ook indien achteraf bezien de aanhouding van de verdachte onrechtmatig zou zijn geweest. Voorts geldt dat hetgeen door de raadsman in eerste aanleg is aangevoerd betreffende een mogelijke schending van artikel 7 van de Grondwet en/of artikel 10 van het EVRM, gezien de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad inzake artikel 359a Sv, geen grond kan opleveren voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging. Bewijsoverweging zaak A De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de ambtenaren op het moment van de tenlastegelegde uiting niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, omdat zowel de aanhouding van de verdachte als de aanleg van de transportboeien bij de verdachte onrechtmatig hebben plaatsgevonden. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij niet A.C.A.B. (oftewel: All Cops Are Bastards) maar A-A.C.A.B. (oftewel: Almost All Cops Are Bastards) heeft gezegd. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de tenlastegelegde uiting “A.C.A.B.” in het licht van de vrijheid van meningsuiting zoals bedoeld in artikel 10 EVRM geen belediging oplevert. Feiten Door de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland is in juli 2020 bepaald dat pro-Palestina en pro-Israël demonstraties – die reeds waren aangemerkt als risicovol omdat deze demonstraties regelmatig aanleiding gaven tot overlast, confrontaties en geweld – in coronatijd niet op de Dam maar slechts elders in de stad mochten plaatsvinden. Op 8 september 2020 zagen de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op toezichtcamera’s dat de verdachte pro-Palestina aan het protesteren was op de Dam terwijl zij wisten dat hem een zogenaamde ‘WOM-brief’ was uitgereikt waarin hem was meegedeeld dat een dergelijke demonstratie niet was toegestaan op de Dam. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kregen van hun meerdere de opdracht om op te treden tegen voornoemde situatie vanwege een, mede gelet op de historie van de verdachte, grote mate van dreiging van verstoring van de openbare orde en veiligheid. De opdracht was om op grond van artikel 2.2, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amsterdam (APV) te vorderen dat de verdachte de Dam zou verlaten of anders, indien hij niet aan die vordering zou voldoen, hem aan te houden. Ter plaatste hebben zij, nadat de verdachte tot tweemaal toe weigerde aan die vordering gevolg te geven, de verdachte op verdenking van overtreding van artikel 2.2, derde lid, van de APV aangehouden. Ten behoeve van het vervoer naar het politiebureau zijn bij de verdachte transportboeien aangelegd, volgens het door [slachtoffer 1] opgemaakte proces-verbaal omdat het hier de situatie van een pro-Palestina/pro-Israël demonstratie betrof die vaak gedoe opleverde met agressie en geweld, en omdat de verdachte twee stokken (met aan één van die stokken een vlag) bij zich droeg. Toen hij werd aangehouden begon de verdachte te schreeuwen en bewoog hij in een andere richting dan die waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hem probeerden te geleiden. Bij het aanleggen van de transportboeien zakte hij direct door zijn knieën. Vervolgens is de verdachte door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] per politieauto vervoerd naar het politiebureau. Beoordeling Het doen van de uitlating A.C.A.B. en de beledigende aard daarvan Het hof is van oordeel dat op basis van het (mede) door de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van 8 september 2020 wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte ten tijde van het transport na diens aanhouding met luide stem tegen voornoemde politieambtenaren heeft gezegd “A.C.A.B.”. Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij niet “A.C.A.B.” maar “A-A.C.A.B.” zou hebben gezegd, waarbij de eerste letter “A” volgens de verdachte een afkorting zou zijn voor “Almost”. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben immers hun bevindingen kort na voornoemd incident gerelateerd in een door hen op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakt proces-verbaal en het hof ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid daarvan. Integendeel, [slachtoffer 1] heeft – daarover bij de rechter-commissaris bevraagd – ontkend dat de verdachte de uitlating “A-A.C.A.B.” heeft gedaan waarbij [slachtoffer 1] heeft verklaard te weten waar de afkorting “A-A.C.A.B.” voor staat. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze uitlating als beledigend jegens de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kan worden beschouwd. In dit geval staat vast dat de verdachte na zijn aanhouding en nadat hem transportboeien waren aangelegd, waarmee hij het hartgrondig oneens was, tijdens diens transport naar het politiebureau tegen de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de lettercombinatie “A.C.A.B.” heeft gezegd. Deze lettercombinatie vormt volgens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een afkorting van “All Cops Are Bastards”, welke afkorting naar zijn aard de algemene strekking heeft om politiefunctionarissen in diskrediet te brengen, en dus een beledigende strekking heeft. Uit de verklaring van de verdachte – gezien zijn beweerdelijke toevoeging van de “A” voor “Almost” – leidt het hof af dat hij met die betekenis bekend was. De uitlating “A.C.A.B.” is met luide stem door de verdachte gedaan terwijl hij zich met beide ambtenaren in een politievoertuig bevond. Onder deze omstandigheden kan deze uiting niet anders dan als beledigend richting beide politieambtenaren persoonlijk bedoeld zijn geweest, terwijl [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ook hebben verklaard zich door de uitlating “A.C.A.B.” aangetast te hebben gevoeld in hun eer en goede naam. Vrijheid van meningsuiting artikel 10 EVRM Het onder meer in artikel 10, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van eenvoudige belediging in de zin van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens belediging dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Ook dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is. Het hof is van oordeel dat de strafbaarstelling van belediging in artikel 266, tweede lid, Sr valt onder de beperkingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, EVRM: de beperking is bij wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de bescherming van de goede naam van anderen. Daarnaast valt, gelet op hetgeen ten aanzien van de feiten en omstandigheden is overwogen, niet in te zien hoe de door de verdachte gedane uitlating, gelet op de bewoordingen en de context waarin zij is gedaan, moet worden beschouwd als een bijdrage aan het publiek debat. De uitlating is immers gedaan ten overstaan van twee politieambtenaren in de beslotenheid van een politievoertuig zonder dat daarbij nadere toehoorders aanwezig waren en omdat de verdachte het oneens was met diens aanhouding en het bij hem aanleggen van transportboeien. Behalve dat de verdachte met die uitlating de politieambtenaren op onnodig grievende wijze in diskrediet heeft gebracht, dient deze uitlating dan ook veeleer worden aangemerkt als een tegen de betreffende individuele politieambtenaren gerichte actie op dat moment. Bij het hof bestaat dan ook geen enkele aanleiding te vermoeden dat deze uitlating sloeg op de politie-eenheid in haar totaliteit en moest uitnodigen tot een open gedachtenwisseling. Het verweer wordt verworpen. Rechtmatige uitoefening van de bediening Het hof stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de politieambtenaar die in het kader van de aanhouding van een verdachte uitvoeringshandelingen verricht, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De omstandigheid dat achteraf gezien geen sprake was van het strafbare feit op grond waarvan de verdachte is aangehouden heeft tot gevolg dat de verdachte niet ter zake van dat feit kan worden veroordeeld. Die enkele omstandigheid brengt evenwel nog niet met zich dat de politieambtenaar ten tijde van de aanhouding niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam was. Een redelijk vermoeden van schuld, als bedoeld in artikel 27 Sv, kan immers ook hebben bestaan indien na de aanhouding mocht blijken dat iemand het feit waarvan hij is verdacht niet heeft begaan of dat feit niet een volgens de wet strafbaar feit oplevert. Voorts overweegt het hof dat een ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd op grond van artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren, ten behoeve van het vervoer transportboeien kan aanleggen indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op bijvoorbeeld gevaar voor de veiligheid van de ambtenaar. De omstandigheden die hiertoe blijkens de bijbehorende Nota van toelichting aanleiding kunnen geven kunnen onder meer gelegen zijn in de persoon van de arrestant. Daarbij kan worden gedacht aan zijn gedrag en mogelijk eerdere ervaringen van de politie met deze persoon op grond waarvan moeilijkheden moeten worden gevreesd. Het hof ziet zich vervolgens, gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en voornoemde kaders, voor de vraag gesteld of [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op het moment van de uitlating in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren. Het hof is van oordeel dat op het moment dat de verdachte werd aangehouden bij de politieambtenaren – mede gelet op de bij hen bekende inhoud van de ‘WOM-brief’, de door hen waargenomen protestactie van de verdachte en de instructie die zij van hun meerdere hadden gekregen – sprake kon zijn van een redelijk vermoeden dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan een overtreding van artikel 2.2, derde lid, APV. Verder is het hof van oordeel dat, gezien voornoemde feiten en omstandigheden, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de beslissing om bij de verdachte ten behoeve van het vervoer transportboeien aan te leggen in redelijkheid hebben kunnen nemen. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij de verdachte kende van eerdere aanhoudingen waarbij de verdachte onnodig tumult maakte, een enorme show opvoerde en schreeuwde. Uit het voorgaande volgt dat de politieambtenaren op het moment dat de verdachte de beledigende uitlating tegen hen deed werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde belediging van de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] terwijl zij in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren. Bewijsoverweging zaak B De raadsman heeft gedeeltelijke vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit. Hij heeft daartoe, onder verwijzing naar hetgeen in zaak A naar voren is gebracht, aangevoerd dat de ambtenaar op het moment van de handelingen waarop de ten laste gelegde uitingen zien niet werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Feiten Op 7 en 8 september 2020 heeft de verdachte diverse filmpjes op [website] geplaatst waarop onder meer is te zien dat de verdachte door politieambtenaar [slachtoffer 1] wordt gevorderd om de Dam te verlaten en/of door hem wordt aangehouden. Bij die filmpjes, waarin [slachtoffer 1] herkenbaar in beeld is gebracht, zijn door de verdachte berichten geplaatst die onder meer betrekking hebben op de aanhoudingen en de wijze waarop door [slachtoffer 1] transportboeien zijn aangelegd bij de verdachte. Deze berichten zijn toegankelijk voor alle bezoekers van de [account] van de verdachte. Beoordeling Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of in de onder feit 1, onder de verschillende gedachtestreepjes ten laste gelegde filmpjes en berichten, (telkens) sprake is van de tenlastelegging van een bepaald feit als bedoeld in artikel 261, eerste lid, Sr. Daarvan is sprake indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is ten laste gelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van een ander aanwijst, waarvan geen sprake is indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging van een bepaald persoon. Het hof is van oordeel dat de berichten en bijhorende filmpjes zoals die onder feit 1 onder het eerste en het vierde gedachtestreepje zijn ten laste gelegd, (telkens) een tenlastelegging opleveren van een bepaald feit als bedoeld in artikel 261, eerste lid, Sr, nu deze kunnen worden geconcretiseerd naar tijd, plaats en persoon, en ten aanzien van die berichten sprake is van een duidelijk te onderkennen concrete gedraging. Door het plaatsen van die berichten op [website] heeft de verdachte deze berichten openlijk tentoongesteld en politieambtenaar [slachtoffer 1] naar maatschappelijke opvattingen in een kwaad daglicht gesteld met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven. Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift. Het hof is van oordeel dat het onder feit 1 onder het tweede en derde gedachtestreepje ten laste gelegde geen voldoende geconcretiseerde gedraging opleveren, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte door het plaatsen van de onder 2 ten laste gelegde berichten, waarin politieambtenaar [slachtoffer 1] met de naar hun aard beledigende woorden ‘extreem foute gast’ en ‘rotte appel bij Politie Amsterdam’ wordt aangeduid, die [slachtoffer 1] in het openbaar in zijn eer en goede naam heeft aangetast alsmede dat deze politieambtenaar op het moment van de handelingen waarop de onder 1 en 2 ten laste gelegde uitingen zien, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van zaak A is overwogen, werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belediging terwijl die belediging is aangedaan aan een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande in zaak A dat: 1.hij op 8 september 2020 te Amsterdam, opzettelijk meerdere ambtenaren, te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent van de politie Eenheid Amsterdam) en [slachtoffer 2] (hoofdagent van de politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen toe te voegen: ‘‘A.C.A.B.’’; in zaak B dat: 1.hij in de periode van 7 tot en met 8 september 2020 te Amsterdam opzettelijk de eer en de goede naam van een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middels [account] ‘‘ [verdachte] ’’ berichten en videobeelden op [website] te plaatsen en te delen met als inhoud:  op 7 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Ik ben weer vrij. Nieuwe strategie Politie Amsterdam. De handboeien lekker strak aandraaien… Man man man wat ben je zielig. Morgen weer naar de Dam net zolang totdat het Openbaar Ministerie de zaken voor de rechter brengt.. Stop het traineren OM!!’’  op 8 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Agent [slachtoffer 1] in actie. De ambtsinstructie bepaalt dat handboeien alleen aangelegd mogen worden als dat nodig is.. Niet echt nodig bij mij.. En dan lekker draaien.. Dat is [slachtoffer 1] .. In de politiebus schepte hij op dat hij altijd handboeien aanlegt.. Rotte appel bij Politie Amsterdam dus…’’ en ‘‘Yup. Dat smerige lachje zegt alles..’’; 2.hij in de periode 7 tot en met 8 september 2020 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in het openbaar bij geschrift heeft beledigd, door middels [account] ‘‘ [verdachte] ’’ berichten op [website] te plaatsen en te delen met als inhoud:  op 7 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Dit is een extreem foute gast. Zijn naam is [slachtoffer 1] .’’  op 8 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Dat is [slachtoffer 1] . Rotte appel bij Politie Amsterdam.’’ Hetgeen in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte in zaak A van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat een strafrechtelijke veroordeling een ontoelaatbare inbreuk zou vormen op de vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 10 van het EVRM, en subsidiair dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld. Het hof overweegt als volgt. Het verweer dat een strafrechtelijke veroordeling een ontoelaatbare inbreuk zou vormen op de vrijheid van meningsuiting wordt verworpen, op de gronden zoals hiervoor in zaak A onder ‘Vrijheid van meningsuiting artikel 10 EVRM’ weergegeven. Met betrekking tot het namens de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde gedane beroep op noodweer overweegt het hof dat onder omstandigheden sprake kan zijn van de aanranding van een ‘‘lijf’’ in de zin van artikel 41 Sr indien de bewegingsvrijheid wederrechtelijk wordt beperkt. Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van zaak A is overwogen volgt echter dat ten tijde van het bewezenverklaarde geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, zodat het beroep op noodweer reeds om die reden wordt verworpen. Nu (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zijn die feiten strafbaar. Kwalificatie Het hof is, met de raadsman en anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat ten aanzien van het in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde sprake is van eendaadse samenloop, omdat de onder 1 en 2 bewezenverklaarde gedragingen een samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend, feitencomplex opleveren en de strekkingen van de te onderscheiden strafbepalingen waaronder deze gedragingen vallen niet wezenlijk uiteenlopen. Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. Het in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op: de eendaadse samenloop van smaadschrift, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd en eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte in zaak A moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van psychische overmacht. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte redelijkerwijs geen weerstand had hoeven bieden aan de drang om in felle bewoordingen zijn mening te geven over het optreden van de politieambtenaren. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht als bedoeld in artikel 40 Sr sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van het in zaak A bewezenverklaarde sprake was van een zodanige van buiten komende drang bij de verdachte dat redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd af te zien van de belediging van de politieambtenaren, zodat het beroep op psychische overmacht om die reden wordt verworpen. Nu (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, is hij strafbaar. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in de zaken A onder 1 en B onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis, waarvan € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsman heeft verzocht op grond van artikel 9a Sr te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verdachte zich door de stelselmatige beperkingen van zijn vrijheid van expressie en persoonlijke vrijheid alsmede de inperking van zijn klachtrecht dusdanig gefrustreerd voelde dat hij daarop felle kritiek heeft geuit. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft tijdens zijn transport naar het politiebureau tegen politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de lettercombinatie A.C.A.B. (oftewel: All Cops Are Bastards) gezegd. Daarnaast heeft de verdachte op [website] berichten over en filmpjes met politieambtenaar [slachtoffer 1] geplaatst waarin hij [slachtoffer 1] vergaande verwijten maakt en hem onder meer uitmaakt voor ‘rotte appel bij Politie Amsterdam’ en ‘extreem foute gast’. [slachtoffer 1] heeft daarover verklaard dat hij zich in zijn goede naam en eer voelt aangetast nu hetgeen de verdachte over hem heeft geschreven suggereert dat [slachtoffer 1] een slechte agent of corrupt zou zijn en de verdachte publiekelijk onwaarheden over [slachtoffer 1] heeft verspreid. Door aldus te handelen heeft de verdachte de betreffende politieambtenaren, die gewoon bezig waren hun werk uit te voeren, in hun eer en goede naam aangetast en heeft hij [slachtoffer 1] bij het publiek in een kwaad daglicht gesteld. Dat getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. In het bijzonder rekent het hof de verdachte aan dat hij [slachtoffer 1] in een kwetsbare positie heeft gebracht door hem herkenbaar in beeld en met voor- en achternaam op [website] bloot te stellen aan mogelijke negatieve of zelfs agressieve reacties van anderen, welke negatieve reacties blijkens de uitdraai van het [account] van de verdachte ook daadwerkelijk zijn gevolgd. Hiermee raakt het handelen van de verdachte dus ook de mogelijkheden van de politieambtenaar om zijn functie naar behoren te kunnen vervullen. De verdachte heeft er ter terechtzitting in hoger beroep geen blijk van gegeven het kwalijke van zijn gedragingen in te zien. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met het bepaalde in artikel 55 en 63 Sr. Het voorwaardelijk deelt dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw soortgelijke feiten te plegen. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd heeft het hof aldus, en met name gelet op de hiervoor weergegeven ernst van het in zaak B bewezenverklaarde, geen reden gezien te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Wel is het onvoorwaardelijk gedeelte van de geldboete gematigd, gelet op de beperkte draagkracht van de verdachte. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 55, 57, 63, 261, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-226303-20 (zaak A) onder 2 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak (A) met parketnummer 13-226303-20 onder 1 en in de zaak met parketnummer 13-028555-21 (B) onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak (A) met parketnummer 13-226303-20 onder 1 en in de zaak (B) met parketnummer 13-028555-21 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 (dertien) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Abels, mr. C.N. Dalebout en mr. H.A.G. Nijman, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 april 2022. ========================================================================= […]
ECLI:NL:HR:2018:2100
Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal aanhouding, d.d.
ECLI:NL:HR:2004:AO2599
De bestreden uitspraak 1.1.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/03854 Zitting 11 juni 2024 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 4 oktober 2022 door het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:2843) veroordeeld wegens het "wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen" (art. 139 Sr). Het gerechtshof heeft aan de verdachte geen straf of maatregel opgelegd (art. 9a Sr). 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 22/03695 en 22/01346.

In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Zaak 22/03695 betreft een cassatieberoep ingesteld tegen een eveneens op 4 oktober 2022 gewezen arrest van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:2844). Zaak 22/01346 betreft een arrest van hetzelfde hof van 12 april 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:1133). In alle drie de zaken gaat het om dezelfde verdachte. In de onderhavige zaak heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.. De cassatiemiddelen in het kort 2.1 Het eerste middel heeft betrekking op de bewijsvoering ter zake van feit 1, in het bijzonder van het bestanddeel “de bevoegde ambtenaar”.

Het tweede middel bevat een klacht over de afwijzing van getuigenverzoeken. De middelen liggen in elkaars verlengde, omdat de verzochte getuigen zouden hebben kunnen verklaren over de (on)bevoegdheid van de betrokken ambtenaren. Ik kom daar na het weergeven van de relevante onderdelen uit het arrest op terug. Bewezenverklaring, bewijsvoering en procesverloop 3.1 Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij: “op 2 mei 2019 te Amsterdam, in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het gemeentehuis van Amsterdam, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd.” 3.2 Het hof heeft onder het kopje “bespreking van een bewijsverweer” de volgende overweging opgenomen (voetnoten als in origineel):

“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft hij - kort samengevat - aangevoerd dat niet blijkt dat de vordering zich te verwijderen door of namens de rechthebbende is gedaan. Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft zich op 2 mei 2019 kort voor sluitingstijd naar het gemeentehuis van de gemeente Amsterdam begeven met als doel daar te overnachten. Het was hem niet gelukt om ergens anders een slaapplek te regelen. De medewerkers van het gemeentehuis konden hem niet helpen en daarom wilde de verdachte het pand niet verlaten, totdat hij een slaapplaats had.

De verdachte is meermalen door een beveiliger gevorderd om het pand te verlaten, maar dat weigerde hij. Ook toen de verdachte vervolgens, na te zijn gewaarschuwd voor de consequenties van verdere weigering, door een ter plaatse gekomen politieambtenaar is gevorderd het pand te verlaten, weigerde de verdachte. Hierop is de verdachte aangehouden op verdenking van lokaalvredebreuk. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat uit het dossier voldoende blijkt dat de verdachte door een bevoegde ambtenaar is gevorderd zich uit het gemeentehuis te verwijderen.

Eerst is de verdachte, zoals hij zelf ook heeft verklaard, door de beveiliging van het gemeentehuis gevorderd om het gemeentehuis te verlaten. Aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevoegdheid van de beveiliger om de verdachte te vorderen het gemeentehuis te verlaten, zijn er niet. Behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, mag er vanuit worden gegaan dat een beveiliger optreedt namens de rechthebbende van het lokaal, in dit geval de gemeente Amsterdam. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte door een bevoegde ambtenaar is gevorderd om het gemeentehuis te verlaten.

Nu de verdachte aan de vorderingen herhaaldelijk geen gehoor heeft gegeven, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Voorwaardelijk verzoek De raadsman heeft ter terechtzitting het voorwaardelijke verzoek gedaan tot het horen als getuigen van de beveiligers [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , indien het hof het vrijspraakverweer verwerpt. De onderbouwing van het verzoek ziet op het vraagstuk van de bevoegdheid van de beveiliging. Het hof is van oordeel dat het dossier op dat punt voldoende informatie bevat, zodat het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuigen wordt afgewezen, nu de noodzaak hiertoe niet is gebleken.” Het eerste middel 4.1 Het middel bevat de klacht dat het hof “op onjuiste, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft bewezenverklaard dat [de verdachte] is gevorderd door ‘de bevoegde ambtenaar’”.

Uit de toelichting op het middel maak ik op dat de steller van het middel meent dat het hof ten aanzien van het bewijs van het onderdeel ‘bevoegde ambtenaar’ in zijn bewijsmotivering blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 4.2 Met betrekking tot de feiten waarvan moet worden uitgegaan stel ik het volgende voorop. In (de toelichting op) het middel wordt de (PROMIS-)bewijsvoering van het hof als zodanig niet aangevochten. De feitelijke gang van zaken die ook de steller van het middel bij zijn betoog tot uitgangspunt heeft genomen is aldus dat de verdachte eerst meermaals door “de beveiliging” van het gemeentehuis is gevorderd zich te verwijderen (hetgeen de verdachte weigerde), waarna de politie is gebeld die de verdachte eveneens en tot twee maal toe heeft gevorderd zich te verwijderen.

Na het volharden in zijn weigering is de verdachte door de politie aangehouden. 4.3 Voor de beoordeling van het middel wijs ik om te beginnen op een arrest van 13 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2100), op welk arrest ook door de steller van het middel een beroep wordt gedaan. In deze zaak ging het om een verdachte die eerst in een politiebureau te Winschoten en daarna tweemaal in twee gerechtsgebouwen in Groningen had geweigerd zich te verwijderen na een daartoe strekkende vordering van politieambtenaren. De Hoge Raad ging in dit arrest in op de wetsgeschiedenis van onder andere art. 139 Sr en oordeelde over het bestanddeel “bevoegde ambtenaar” dat:

“[t]egen deze achtergrond bezien moet worden aangenomen dat de woorden 'vordering van den "bevoegden" ambtenaar' in art. 139, eerste lid, Sr enkel tot uitdrukking brengen dat de vordering moet zijn gedaan vanwege de rechthebbende - bijvoorbeeld de Staat of de gemeente - van het voor de openbare dienst bestemde lokaal. Onder "ambtenaar" is tevens begrepen degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd (vgl. HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2599).” 4.4 Uit dit arrest volgt aldus dat ‘bevoegde ambtenaar’ ruim moet worden uitgelegd en dat het niet alleen gaat om personen aan wie door een geformaliseerd mandaat een specifieke bevoegdheid is toegekend, maar dat het bijvoorbeeld ook kan gaan om personen die door de betreffende overheidsinstantie met een bepaalde taak zijn belast of die zijn gevraagd op te treden tegen de ongewenste aanwezigheid van een ‘binnendringer’.

Het eerste zal in de regel samenvallen met de hoedanigheid van een persoon die “onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd.” 4.5 De steller van het middel leest in dit arrest de eis dat “ten minste moet worden bewezen dat degene die de vordering doet vanwege de rechthebbende bevoegd is”. Hieruit leidt hij - zo begrijp ik - af dat het hof gehouden was nadere vaststellingen te doen over de bevoegdheid van de individuele ambtenaar of ambtenaren die de verdachte gevorderd hebben te vertrekken. 4.6 Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen.

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte door de “beveiliging” van het gemeentehuis is gevorderd te vertrekken. Dat in (publieke) gebouwen doorgaans beveiliging aanwezig is die daartoe onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld lijkt mij een feit van algemene bekendheid. Met het bewijs dat iemand door zo’n beveiligingsmedewerker is gevorderd zich te verwijderen, lijkt mij het bewijs dat diegene door een “bevoegde ambtenaar” is gevorderd zich te verwijderen dan ook in beginsel te zijn gegeven. 4.7 Dit is wat het hof tot uitdrukking heeft gebracht in de overweging dat “[b]ehoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel (…) vanuit [mag] worden gegaan dat een beveiliger optreedt namens de rechthebbende”.

Dit oordeel getuigt gelet op het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover in het middel wordt betoogd dat het hof een op het recht gestoeld bewijsvermoeden heeft toegepast, mist het feitelijke grondslag. 4.8 Uiteraard kunnen specifieke omstandigheden reden zijn te oordelen dat in een geval als dit de vordering toch niet vanwege de rechthebbende is gedaan. Het ontbreken daarvan hoeft echter niet afzonderlijk te worden bewezen. 4.9 Enigszins ten overvloede merk ik nog op dat in cassatie niet de strijd wordt aangebonden met het oordeel van het hof dat geen sprake was van dergelijke “[a]anknopingspunten om te twijfelen aan de bevoegdheid van de beveiliger om de verdachte te vorderen het gemeentehuis te verlaten.” In feitelijke aanleg is ook geen reden genoemd waarom de beveiliging in de onderhavige zaak niet bevoegd zou zijn.

Hieruit volgt dat het feitelijke oordeel van het hof dat van dergelijke aanknopingspunten geen sprake was niet onbegrijpelijk is. 4.10 Het eerste middel faalt. Het tweede middel 5.1 Het middel is gericht tegen de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en (opnieuw) [betrokkene 3] te horen. Alle drie genoemde personen zijn - zo begrijp ik - werkzaam in de beveiliging van het gemeentehuis. 5.2 Het voorwaardelijke verzoek voornoemde personen als getuige te horen is door de raadsman van de verdachte op de zitting van 20 september 2022 als volgt gemotiveerd:

“Motivering: [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dienen te verklaren of zij bij het tenlastegelegde feit van 2 mei 2019 aanwezig zijn geweest. Ook dienen zij te verklaren of zij een blouse of een overhemd droegen, en zo ja, welke kleur dit had. Tot slot dienen zij te verklaren of zij in naam van de rechthebbende hebben gevorderd dat cliënt het gebouw diende te verlaten. [betrokkene 3] dient te worden gevraagd of [betrokkene 2] bij het voorval aanwezig is geweest en zo ja of hij een blouse of een overhemd droeg, en welke kleur dit had.” 5.3 Tegen de hierboven weergegeven afwijzing van dit verzoek wordt in cassatie opgekomen met een aantal deelklachten.

Ik onderscheid in de schriftuur de klacht dat het hof het verzoek heeft afgewezen terwijl het “niet heeft vastgesteld wie [van de verzochte getuigen, MvW] de vordering jegens [de verdachte] heeft gedaan” (randnummer 10 van de schriftuur) en de klacht dat de verdediging zo niet heeft kunnen “onderzoeken” of de ambtenaar die de verdachte heeft gevorderd te vertrekken bevoegd was (randnummer 11). 5.4 Een en ander zou temeer onbegrijpelijk zijn in het licht van de overweging van het hof dat “behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel” uitgegaan zou moeten worden van de bevoegdheid van de vorderende ambtenaar.

Door de getuigenverzoeken niet toe te wijzen zou de verdediging “de pas [zijn] afgesneden” om die concrete aanwijzingen boven water te halen, aldus de steller van het middel. 5.5 Het middel kan niet slagen. Niet betwist wordt dat nergens tijdens de feitelijke aanleg is gebleken van aanwijzingen dat de ambtenaar die het vertrek van de verdachte heeft gevorderd niet bevoegd zou zijn. De verdediging heeft in hoger beroep ook niet meer gesteld dan dat ze de hypothetische onrechtmatigheid zou willen “onderzoeken” door het horen van dit drietal getuigen. 5.6 Het hof heeft bij gebrek aan enige aanwijzing voor de plausibiliteit van de mogelijke “onbevoegdheid” van de betrokken ambtenaren een onderzoek in die richting als niet noodzakelijk kunnen beoordelen.

Daarmee is ook gezegd dat het hof kon oordelen dat het oproepen van de verzochte getuigen niet noodzakelijk was. De afwijzing van dit verzoek is dan ook niet onbegrijpelijk. 5.7 Ook het tweede middel faalt. Afronding 6.1 Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 6.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 6.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv.

AG De bewijsmiddelen waarnaar hieronder wordt verwezen zijn in de wettelijke vorm door bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal. Proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde p.

7. Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde p. 3-4. Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte verweer gevoerd “aan de hand van zijn pleitnotities” (p. 2 proces-verbaal van de zitting van 20 september 2022). In die pleitnotities tref ik een dergelijke reden niet aan. In cassatie wordt hieromtrent ook niets aangevoerd.