Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2024:618 ECLI:NL:PHR:2024:618 AI generated

ECLI:NL:PHR:2024:618 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2024:618
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/01346 Zitting 11 juni 2024 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 12 april 2022 door het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:1133) in zaak A veroordeeld wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” (art. 266 lid 1 jo. 267 lid 1 onder 2º Sr).

Legislator headnote

AI generated

art. 10 EVRM, artikel 10 EVRM, artikel 27 Sv, artikelen 180 Sr, art. 180 Sr, art. 27 Sv; ECLI:NL:PHR:2024:618 · Parket bij de Hoge Raad: Vrijheid van meningsuiting artikel 10 EVRM Het onder meer in artikel 10, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van eenvoudige belediging in de zin van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM toegelaten - te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke - beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.

Keywords

AI generated
art. 10 EVRM artikel 10 EVRM artikel 27 Sv artikelen 180 Sr art. 180 Sr art. 27 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 10 EVRM
Het derde middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de uiting “A.C.A.B.” niet wordt beschermd door de vrijheid van expressie als bedoeld in art. 10 EVRM.
artikel 10 EVRM
Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de tenlastegelegde uiting “A.C.A.B.” in het licht van de vrijheid van meningsuiting zoals bedoeld in artikel 10 EVRM geen belediging oplevert.
artikel 27 Sv
Een redelijk vermoeden van schuld, als bedoeld in artikel 27 Sv, kan immers ook hebben bestaan indien na de aanhouding mocht blijken dat iemand het feit waarvan hij is verdacht niet heeft begaan of dat feit niet een volgens de wet strafbaar feit oplevert.
artikelen 180 Sr
Het begrip komt als bestanddeel tevens voor in de artikelen 180 Sr (wederspannigheid) en 185 Sr (belemmeren ambtshandeling).
art. 180 Sr
304 Sr - in zoverre van art. 180 en 185 Sr afwijkt dat in eerstgenoemde artikelen niet slechts wordt gesproken van het beledigen onderscheidenlijk het (zwaar) mishandelen van een ambtenaar “gedurende” de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, maar ook strafbaar is gesteld het beledigen c.q.
art. 27 Sv
Een redelijk vermoeden van schuld, zoals bedoeld in art. 27 Sv, kan immers ook hebben bestaan indien na de aanhouding mocht blijken dat iemand het feit waarvan hij is verdacht niet heeft begaan of dat feit niet een volgens de wet strafbaar feit oplevert (vgl.
artikel 54 lid 4 Sv
artikel 180 Sr
304 Sr - in zoverre van art. 180 en 185 Sr afwijkt dat in eerstgenoemde artikelen niet slechts wordt gesproken van het beledigen onderscheidenlijk het (zwaar) mishandelen van een ambtenaar “gedurende” de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, maar ook strafbaar is gesteld het beledigen c.q.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2022:1133
afdeling strafrecht parketnummer: 23-002568-21 datum uitspraak: 12 april 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 september 2021 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-226303-20 (zaak A) en 13-028555-21 (zaak B) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd in zaak A dat: 1.hij op of omstreeks 8 september 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent van de politie Eenheid Amsterdam) en/of [slachtoffer 2] (hoofdagent van de politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: ‘‘ACAB’’, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; in zaak B dat: 1.hij in of omstreeks de periode van 7 tot en met 8 september 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent) gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middels [account] ‘‘ [verdachte] ’’ berichten en/of afbeeldingen en/of videobeelden op [website] te plaatsen en te delen met als inhoud:  op 7 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Ik ben weer vrij. Nieuwe strategie Politie Amsterdam. De handboeien lekker strak aandraaien… Man man man wat ben je zielig. Morgen weer naar de Dam net zolang totdat het Openbaar Ministerie de zaken voor de rechter brengt.. Stop het traineren OM!!’’  op 7 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Dit is een extreem foute gast. Zijn naam is [slachtoffer 1] . Al vaker met hem te maken gehad.. En er zijn meer mensen die door hem veels te agressief benaderd zijn. We proberen ff grip op zijn trackrecord te krijgen. Dus graag delen. Laat mensen contact met me opnemen als ze ook slechte ervaringen hebben.’’  op 8 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Agent [slachtoffer 1] heeft me vanmiddag wederom hardhandig aangehouden. Deze video was net niet meer op tijd gepost. Ik ben weer vrij. Straks meer info..’’  op 8 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Agent [slachtoffer 1] in actie. De ambtsinstructie bepaalt dat handboeien alleen aangelegd mogen worden als dat nodig is.. Niet echt nodig bij mij.. En dan lekker draaien.. Dat is [slachtoffer 1] .. In de politiebus schepte hij op dat hij altijd handboeien aanlegt.. Rotte appel bij Politie Amsterdam dus…’’ en/of ‘‘Yup. Dat smerige lachje zegt alles..’’ althans woorden en/of afbeeldingen en/of videobeelden van soortgelijke aard en/of strekking; 2.hij in of omstreeks de periode 7 tot en met 8 september 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in het openbaar bij geschrift heeft beledigd, door middels [account] ‘‘ [verdachte] ’’ berichten op [website] te plaatsen en te delen met als inhoud:  op 7 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Dit is een extreem foute gast. Zijn naam is [slachtoffer 1] . Al vaker met hem te maken gehad.. En er zijn meer mensen die door hem veels te agressief benaderd zijn. We proberen ff grip op zijn trackrecord te krijgen. Dus graag delen. Laat mensen contact met me opnemen als ze ook slechte ervaringen hebben.’’  op 8 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Agent [slachtoffer 1] in actie. De ambtsinstructie bepaalt dat handboeien alleen aangelegd mogen worden als dat nodig is.. Niet echt nodig bij mij.. En dan lekker draaien.. Dat is [slachtoffer 1] .. In de politiebus schepte hij op dat hij altijd handboeien aanlegt.. Rotte appel bij Politie Amsterdam dus…’’ en/of ‘‘Yup. Dat smerige lachje zegt alles..’’. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en deels andere kwalificatie komt dan de politierechter. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging De raadsman heeft in zijn ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof overgelegde pleitnotities verwezen naar een tweetal door hem ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde pleitnota’s en daarbij vermeld dat die pleitnota’s aan de pleitnota in hoger beroep zijn gehecht, daarvan deel uitmaken en dat de verweren zoals gevoerd in eerste aanleg integraal worden herhaald. Uitgangspunt in strafzaken is dat de rechter dient te beraadslagen en te beslissen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Dat brengt mee dat verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ter terechtzitting dienen te worden voorgedragen. Het hof is van oordeel dat de raadsman naar de in eerste aanleg door hem gevoerde verweren slechts in algemene zin heeft verwezen en de door hem bedoelde verweren ter terechtzitting in hoger beroep niet (uitdrukkelijk) heeft voorgedragen, terwijl ter terechtzitting door het hof evenmin is ingestemd met een bekorting van het door de raadsman gevoerde pleidooi. In de voornoemde door de raadsman gedane algemene verwijzing naar de inhoud van de in eerste aanleg overgelegde pleitnota’s ziet het hof dan ook geen aanleiding tot het nemen van enige gemotiveerde beslissing. Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof ambtshalve niet gebleken van een aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing – in die zin dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn – die zou meebrengen dat een vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur. Evenmin is gebleken dat ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, noch dat sprake is van een situatie waarbij een zodanig ernstige inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ook indien achteraf bezien de aanhouding van de verdachte onrechtmatig zou zijn geweest. Voorts geldt dat hetgeen door de raadsman in eerste aanleg is aangevoerd betreffende een mogelijke schending van artikel 7 van de Grondwet en/of artikel 10 van het EVRM, gezien de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad inzake artikel 359a Sv, geen grond kan opleveren voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging. Bewijsoverweging zaak A De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de ambtenaren op het moment van de tenlastegelegde uiting niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, omdat zowel de aanhouding van de verdachte als de aanleg van de transportboeien bij de verdachte onrechtmatig hebben plaatsgevonden. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij niet A.C.A.B. (oftewel: All Cops Are Bastards) maar A-A.C.A.B. (oftewel: Almost All Cops Are Bastards) heeft gezegd. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de tenlastegelegde uiting “A.C.A.B.” in het licht van de vrijheid van meningsuiting zoals bedoeld in artikel 10 EVRM geen belediging oplevert. Feiten Door de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland is in juli 2020 bepaald dat pro-Palestina en pro-Israël demonstraties – die reeds waren aangemerkt als risicovol omdat deze demonstraties regelmatig aanleiding gaven tot overlast, confrontaties en geweld – in coronatijd niet op de Dam maar slechts elders in de stad mochten plaatsvinden. Op 8 september 2020 zagen de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op toezichtcamera’s dat de verdachte pro-Palestina aan het protesteren was op de Dam terwijl zij wisten dat hem een zogenaamde ‘WOM-brief’ was uitgereikt waarin hem was meegedeeld dat een dergelijke demonstratie niet was toegestaan op de Dam. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kregen van hun meerdere de opdracht om op te treden tegen voornoemde situatie vanwege een, mede gelet op de historie van de verdachte, grote mate van dreiging van verstoring van de openbare orde en veiligheid. De opdracht was om op grond van artikel 2.2, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amsterdam (APV) te vorderen dat de verdachte de Dam zou verlaten of anders, indien hij niet aan die vordering zou voldoen, hem aan te houden. Ter plaatste hebben zij, nadat de verdachte tot tweemaal toe weigerde aan die vordering gevolg te geven, de verdachte op verdenking van overtreding van artikel 2.2, derde lid, van de APV aangehouden. Ten behoeve van het vervoer naar het politiebureau zijn bij de verdachte transportboeien aangelegd, volgens het door [slachtoffer 1] opgemaakte proces-verbaal omdat het hier de situatie van een pro-Palestina/pro-Israël demonstratie betrof die vaak gedoe opleverde met agressie en geweld, en omdat de verdachte twee stokken (met aan één van die stokken een vlag) bij zich droeg. Toen hij werd aangehouden begon de verdachte te schreeuwen en bewoog hij in een andere richting dan die waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hem probeerden te geleiden. Bij het aanleggen van de transportboeien zakte hij direct door zijn knieën. Vervolgens is de verdachte door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] per politieauto vervoerd naar het politiebureau. Beoordeling Het doen van de uitlating A.C.A.B. en de beledigende aard daarvan Het hof is van oordeel dat op basis van het (mede) door de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van 8 september 2020 wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte ten tijde van het transport na diens aanhouding met luide stem tegen voornoemde politieambtenaren heeft gezegd “A.C.A.B.”. Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij niet “A.C.A.B.” maar “A-A.C.A.B.” zou hebben gezegd, waarbij de eerste letter “A” volgens de verdachte een afkorting zou zijn voor “Almost”. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben immers hun bevindingen kort na voornoemd incident gerelateerd in een door hen op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakt proces-verbaal en het hof ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid daarvan. Integendeel, [slachtoffer 1] heeft – daarover bij de rechter-commissaris bevraagd – ontkend dat de verdachte de uitlating “A-A.C.A.B.” heeft gedaan waarbij [slachtoffer 1] heeft verklaard te weten waar de afkorting “A-A.C.A.B.” voor staat. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze uitlating als beledigend jegens de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kan worden beschouwd. In dit geval staat vast dat de verdachte na zijn aanhouding en nadat hem transportboeien waren aangelegd, waarmee hij het hartgrondig oneens was, tijdens diens transport naar het politiebureau tegen de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de lettercombinatie “A.C.A.B.” heeft gezegd. Deze lettercombinatie vormt volgens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een afkorting van “All Cops Are Bastards”, welke afkorting naar zijn aard de algemene strekking heeft om politiefunctionarissen in diskrediet te brengen, en dus een beledigende strekking heeft. Uit de verklaring van de verdachte – gezien zijn beweerdelijke toevoeging van de “A” voor “Almost” – leidt het hof af dat hij met die betekenis bekend was. De uitlating “A.C.A.B.” is met luide stem door de verdachte gedaan terwijl hij zich met beide ambtenaren in een politievoertuig bevond. Onder deze omstandigheden kan deze uiting niet anders dan als beledigend richting beide politieambtenaren persoonlijk bedoeld zijn geweest, terwijl [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ook hebben verklaard zich door de uitlating “A.C.A.B.” aangetast te hebben gevoeld in hun eer en goede naam. Vrijheid van meningsuiting artikel 10 EVRM Het onder meer in artikel 10, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van eenvoudige belediging in de zin van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens belediging dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Ook dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is. Het hof is van oordeel dat de strafbaarstelling van belediging in artikel 266, tweede lid, Sr valt onder de beperkingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, EVRM: de beperking is bij wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de bescherming van de goede naam van anderen. Daarnaast valt, gelet op hetgeen ten aanzien van de feiten en omstandigheden is overwogen, niet in te zien hoe de door de verdachte gedane uitlating, gelet op de bewoordingen en de context waarin zij is gedaan, moet worden beschouwd als een bijdrage aan het publiek debat. De uitlating is immers gedaan ten overstaan van twee politieambtenaren in de beslotenheid van een politievoertuig zonder dat daarbij nadere toehoorders aanwezig waren en omdat de verdachte het oneens was met diens aanhouding en het bij hem aanleggen van transportboeien. Behalve dat de verdachte met die uitlating de politieambtenaren op onnodig grievende wijze in diskrediet heeft gebracht, dient deze uitlating dan ook veeleer worden aangemerkt als een tegen de betreffende individuele politieambtenaren gerichte actie op dat moment. Bij het hof bestaat dan ook geen enkele aanleiding te vermoeden dat deze uitlating sloeg op de politie-eenheid in haar totaliteit en moest uitnodigen tot een open gedachtenwisseling. Het verweer wordt verworpen. Rechtmatige uitoefening van de bediening Het hof stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de politieambtenaar die in het kader van de aanhouding van een verdachte uitvoeringshandelingen verricht, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De omstandigheid dat achteraf gezien geen sprake was van het strafbare feit op grond waarvan de verdachte is aangehouden heeft tot gevolg dat de verdachte niet ter zake van dat feit kan worden veroordeeld. Die enkele omstandigheid brengt evenwel nog niet met zich dat de politieambtenaar ten tijde van de aanhouding niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam was. Een redelijk vermoeden van schuld, als bedoeld in artikel 27 Sv, kan immers ook hebben bestaan indien na de aanhouding mocht blijken dat iemand het feit waarvan hij is verdacht niet heeft begaan of dat feit niet een volgens de wet strafbaar feit oplevert. Voorts overweegt het hof dat een ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd op grond van artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren, ten behoeve van het vervoer transportboeien kan aanleggen indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op bijvoorbeeld gevaar voor de veiligheid van de ambtenaar. De omstandigheden die hiertoe blijkens de bijbehorende Nota van toelichting aanleiding kunnen geven kunnen onder meer gelegen zijn in de persoon van de arrestant. Daarbij kan worden gedacht aan zijn gedrag en mogelijk eerdere ervaringen van de politie met deze persoon op grond waarvan moeilijkheden moeten worden gevreesd. Het hof ziet zich vervolgens, gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en voornoemde kaders, voor de vraag gesteld of [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op het moment van de uitlating in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren. Het hof is van oordeel dat op het moment dat de verdachte werd aangehouden bij de politieambtenaren – mede gelet op de bij hen bekende inhoud van de ‘WOM-brief’, de door hen waargenomen protestactie van de verdachte en de instructie die zij van hun meerdere hadden gekregen – sprake kon zijn van een redelijk vermoeden dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan een overtreding van artikel 2.2, derde lid, APV. Verder is het hof van oordeel dat, gezien voornoemde feiten en omstandigheden, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de beslissing om bij de verdachte ten behoeve van het vervoer transportboeien aan te leggen in redelijkheid hebben kunnen nemen. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij de verdachte kende van eerdere aanhoudingen waarbij de verdachte onnodig tumult maakte, een enorme show opvoerde en schreeuwde. Uit het voorgaande volgt dat de politieambtenaren op het moment dat de verdachte de beledigende uitlating tegen hen deed werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde belediging van de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] terwijl zij in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren. Bewijsoverweging zaak B De raadsman heeft gedeeltelijke vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit. Hij heeft daartoe, onder verwijzing naar hetgeen in zaak A naar voren is gebracht, aangevoerd dat de ambtenaar op het moment van de handelingen waarop de ten laste gelegde uitingen zien niet werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Feiten Op 7 en 8 september 2020 heeft de verdachte diverse filmpjes op [website] geplaatst waarop onder meer is te zien dat de verdachte door politieambtenaar [slachtoffer 1] wordt gevorderd om de Dam te verlaten en/of door hem wordt aangehouden. Bij die filmpjes, waarin [slachtoffer 1] herkenbaar in beeld is gebracht, zijn door de verdachte berichten geplaatst die onder meer betrekking hebben op de aanhoudingen en de wijze waarop door [slachtoffer 1] transportboeien zijn aangelegd bij de verdachte. Deze berichten zijn toegankelijk voor alle bezoekers van de [account] van de verdachte. Beoordeling Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of in de onder feit 1, onder de verschillende gedachtestreepjes ten laste gelegde filmpjes en berichten, (telkens) sprake is van de tenlastelegging van een bepaald feit als bedoeld in artikel 261, eerste lid, Sr. Daarvan is sprake indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is ten laste gelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van een ander aanwijst, waarvan geen sprake is indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging van een bepaald persoon. Het hof is van oordeel dat de berichten en bijhorende filmpjes zoals die onder feit 1 onder het eerste en het vierde gedachtestreepje zijn ten laste gelegd, (telkens) een tenlastelegging opleveren van een bepaald feit als bedoeld in artikel 261, eerste lid, Sr, nu deze kunnen worden geconcretiseerd naar tijd, plaats en persoon, en ten aanzien van die berichten sprake is van een duidelijk te onderkennen concrete gedraging. Door het plaatsen van die berichten op [website] heeft de verdachte deze berichten openlijk tentoongesteld en politieambtenaar [slachtoffer 1] naar maatschappelijke opvattingen in een kwaad daglicht gesteld met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven. Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift. Het hof is van oordeel dat het onder feit 1 onder het tweede en derde gedachtestreepje ten laste gelegde geen voldoende geconcretiseerde gedraging opleveren, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte door het plaatsen van de onder 2 ten laste gelegde berichten, waarin politieambtenaar [slachtoffer 1] met de naar hun aard beledigende woorden ‘extreem foute gast’ en ‘rotte appel bij Politie Amsterdam’ wordt aangeduid, die [slachtoffer 1] in het openbaar in zijn eer en goede naam heeft aangetast alsmede dat deze politieambtenaar op het moment van de handelingen waarop de onder 1 en 2 ten laste gelegde uitingen zien, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van zaak A is overwogen, werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belediging terwijl die belediging is aangedaan aan een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande in zaak A dat: 1.hij op 8 september 2020 te Amsterdam, opzettelijk meerdere ambtenaren, te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent van de politie Eenheid Amsterdam) en [slachtoffer 2] (hoofdagent van de politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen toe te voegen: ‘‘A.C.A.B.’’; in zaak B dat: 1.hij in de periode van 7 tot en met 8 september 2020 te Amsterdam opzettelijk de eer en de goede naam van een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middels [account] ‘‘ [verdachte] ’’ berichten en videobeelden op [website] te plaatsen en te delen met als inhoud:  op 7 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Ik ben weer vrij. Nieuwe strategie Politie Amsterdam. De handboeien lekker strak aandraaien… Man man man wat ben je zielig. Morgen weer naar de Dam net zolang totdat het Openbaar Ministerie de zaken voor de rechter brengt.. Stop het traineren OM!!’’  op 8 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Agent [slachtoffer 1] in actie. De ambtsinstructie bepaalt dat handboeien alleen aangelegd mogen worden als dat nodig is.. Niet echt nodig bij mij.. En dan lekker draaien.. Dat is [slachtoffer 1] .. In de politiebus schepte hij op dat hij altijd handboeien aanlegt.. Rotte appel bij Politie Amsterdam dus…’’ en ‘‘Yup. Dat smerige lachje zegt alles..’’; 2.hij in de periode 7 tot en met 8 september 2020 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (hoofdagent), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in het openbaar bij geschrift heeft beledigd, door middels [account] ‘‘ [verdachte] ’’ berichten op [website] te plaatsen en te delen met als inhoud:  op 7 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Dit is een extreem foute gast. Zijn naam is [slachtoffer 1] .’’  op 8 september 2020 videobeelden waarop herkenbaar te zien is voornoemde [slachtoffer 1] met de tekst: ‘‘Dat is [slachtoffer 1] . Rotte appel bij Politie Amsterdam.’’ Hetgeen in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte in zaak A van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat een strafrechtelijke veroordeling een ontoelaatbare inbreuk zou vormen op de vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 10 van het EVRM, en subsidiair dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld. Het hof overweegt als volgt. Het verweer dat een strafrechtelijke veroordeling een ontoelaatbare inbreuk zou vormen op de vrijheid van meningsuiting wordt verworpen, op de gronden zoals hiervoor in zaak A onder ‘Vrijheid van meningsuiting artikel 10 EVRM’ weergegeven. Met betrekking tot het namens de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde gedane beroep op noodweer overweegt het hof dat onder omstandigheden sprake kan zijn van de aanranding van een ‘‘lijf’’ in de zin van artikel 41 Sr indien de bewegingsvrijheid wederrechtelijk wordt beperkt. Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van zaak A is overwogen volgt echter dat ten tijde van het bewezenverklaarde geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, zodat het beroep op noodweer reeds om die reden wordt verworpen. Nu (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zijn die feiten strafbaar. Kwalificatie Het hof is, met de raadsman en anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat ten aanzien van het in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde sprake is van eendaadse samenloop, omdat de onder 1 en 2 bewezenverklaarde gedragingen een samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend, feitencomplex opleveren en de strekkingen van de te onderscheiden strafbepalingen waaronder deze gedragingen vallen niet wezenlijk uiteenlopen. Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. Het in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op: de eendaadse samenloop van smaadschrift, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd en eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte in zaak A moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van psychische overmacht. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte redelijkerwijs geen weerstand had hoeven bieden aan de drang om in felle bewoordingen zijn mening te geven over het optreden van de politieambtenaren. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht als bedoeld in artikel 40 Sr sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van het in zaak A bewezenverklaarde sprake was van een zodanige van buiten komende drang bij de verdachte dat redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd af te zien van de belediging van de politieambtenaren, zodat het beroep op psychische overmacht om die reden wordt verworpen. Nu (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, is hij strafbaar. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in de zaken A onder 1 en B onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis, waarvan € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsman heeft verzocht op grond van artikel 9a Sr te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verdachte zich door de stelselmatige beperkingen van zijn vrijheid van expressie en persoonlijke vrijheid alsmede de inperking van zijn klachtrecht dusdanig gefrustreerd voelde dat hij daarop felle kritiek heeft geuit. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft tijdens zijn transport naar het politiebureau tegen politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de lettercombinatie A.C.A.B. (oftewel: All Cops Are Bastards) gezegd. Daarnaast heeft de verdachte op [website] berichten over en filmpjes met politieambtenaar [slachtoffer 1] geplaatst waarin hij [slachtoffer 1] vergaande verwijten maakt en hem onder meer uitmaakt voor ‘rotte appel bij Politie Amsterdam’ en ‘extreem foute gast’. [slachtoffer 1] heeft daarover verklaard dat hij zich in zijn goede naam en eer voelt aangetast nu hetgeen de verdachte over hem heeft geschreven suggereert dat [slachtoffer 1] een slechte agent of corrupt zou zijn en de verdachte publiekelijk onwaarheden over [slachtoffer 1] heeft verspreid. Door aldus te handelen heeft de verdachte de betreffende politieambtenaren, die gewoon bezig waren hun werk uit te voeren, in hun eer en goede naam aangetast en heeft hij [slachtoffer 1] bij het publiek in een kwaad daglicht gesteld. Dat getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. In het bijzonder rekent het hof de verdachte aan dat hij [slachtoffer 1] in een kwetsbare positie heeft gebracht door hem herkenbaar in beeld en met voor- en achternaam op [website] bloot te stellen aan mogelijke negatieve of zelfs agressieve reacties van anderen, welke negatieve reacties blijkens de uitdraai van het [account] van de verdachte ook daadwerkelijk zijn gevolgd. Hiermee raakt het handelen van de verdachte dus ook de mogelijkheden van de politieambtenaar om zijn functie naar behoren te kunnen vervullen. De verdachte heeft er ter terechtzitting in hoger beroep geen blijk van gegeven het kwalijke van zijn gedragingen in te zien. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met het bepaalde in artikel 55 en 63 Sr. Het voorwaardelijk deelt dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw soortgelijke feiten te plegen. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd heeft het hof aldus, en met name gelet op de hiervoor weergegeven ernst van het in zaak B bewezenverklaarde, geen reden gezien te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Wel is het onvoorwaardelijk gedeelte van de geldboete gematigd, gelet op de beperkte draagkracht van de verdachte. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 55, 57, 63, 261, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-226303-20 (zaak A) onder 2 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak (A) met parketnummer 13-226303-20 onder 1 en in de zaak met parketnummer 13-028555-21 (B) onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak (A) met parketnummer 13-226303-20 onder 1 en in de zaak (B) met parketnummer 13-028555-21 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 (dertien) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Abels, mr. C.N. Dalebout en mr. H.A.G. Nijman, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 april 2022. ========================================================================= […]
ECLI:NL:GHAMS:2022:2844
afdeling strafrecht parketnummer: 23-002360-20 datum uitspraak: 4 oktober 2022 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (locatie Amsterdam) van 9 oktober 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-137408-20 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats, in dezen voor de post domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2022. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 24 mei 2020 te Amsterdam, heeft gehandeld in strijd met een door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland gegeven voorschrift en/of beperking op grond van artikel 5 lid 1 en/of 6 Wet Openbare Manifestaties, immers heeft verdachte -gedemonstreerd en/of deelgenomen aan een demonstratie en/of betoging en/of een/die demonstratie en/of betoging georganiseerd (Pro-Palestina en/of tegen Israël) in een oneven week op zondag op de Dam, terwijl hij krachtens een besluit van de burgemeester van Amsterdam van 1 februari 2019 en/of een besluit van de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland van 21 mei 2020, alleen op de even weken op zondag mag demonstreren (Pro-Palestina en/of tegen Israël) op de Dam; en/of - ( vervolgens) zich voor het houden van een/die demonstratie en/of betoging (Pro-Palestina en/of tegen Israël) niet begeven naar de door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland toegestane en aangewezen locatie, zijnde het Museumplein; 2.hij op of omstreeks 5 juli 2020 te Amsterdam, heeft gehandeld in strijd met een door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland gegeven voorschrift en/of beperking en/of aanwijzing op grond van de artikelen 5 lid 1 en/of 6 van de Wet Openbare Manifestaties, immers heeft verdachte -in een oneven week op zondag op de Dam gedemonstreerd en/of deelgenomen aan een demonstratie en/of betoging en/of een/die demonstratie en/of betoging georganiseerd (Pro-Palestina en/of tegen Israël), terwijl hij krachtens een besluit van de burgemeester van Amsterdam van 1 februari 2019 en/of een besluit van de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland van 21 mei 2020, alleen op de even weken op zondag mag demonstreren (Pro-Palestina en/of tegen Israël) op de Dam en/of -(vervolgens) zich voor het houden van/deelnemen aan een/die demonstratie en/of betoging (Pro-Palestina en/of tegen Israël) niet begeven naar de door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland toegestane en aangewezen locatie, zijnde het Museumplein. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Geldigheid van de dagvaarding De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde partieel nietig moet worden verklaard, nu de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is. De tenlastelegging mag niet zo zijn opgesteld dat het zogenoemde kwalificatieve deel niet aansluit bij de feitelijke omschrijving; dat levert een te grote discrepantie op. De onderdelen van de tenlastelegging onder 1 en 2, na het laatste gedachtestreepje, kunnen nimmer worden gekwalificeerd als handelen in strijd met een ‘voorschrift en/of beperking op grond van artikel 5 lid 1 en/of 6 Wet openbare manifestaties (Wom)’, nu de betreffende Wom-bepalingen niet de bevoegdheid omvatten te bepalen dat men zich dient te verplaatsen naar een andere locatie. Het hof leest en begrijpt de tenlastelegging onder 1 en 2 in haar geheel en tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier waaruit blijkt dat de verdachte, kort gezegd, is voorgeschreven dat hij door hem te houden demonstraties om de week op de Dam mag houden en dat hij voor het houden van de door hem aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 is verwezen naar het Museumplein. Verder geldt dat de aan het verweer ten grondslag liggende stelling dat de artikelen 5 en 6 Wom geen basis bieden om aanwijzingen te geven ten aanzien van de plaats waar een demonstratie wel en waar deze niet mag plaatsvinden, geen steun vindt in het recht. Van de gestelde innerlijke tegenstrijdigheid is dan ook geen sprake. Het verweer wordt verworpen. Vrijspraak feit 2 De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2. Hiertoe heeft hij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de Wom op 5 juli 2020 niet op de verdachte van toepassing was, nu hij niet kan worden aangemerkt als een deelnemer aan de demonstratie. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gezet dat het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdachte heeft zich op 5 juli 2020 anderhalf uur op de Dam in de nabijheid van andere pro-Palestina demonstranten bevonden. Dit, in samenhang bezien met de achtergrond van de verdachte als frequente pro-Palestina demonstrant, maakt dat het niet anders kan dan dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het collectief in het openbaar uitdragen van een mening en dus heeft deelgenomen/bijgedragen aan een betoging in de zin van de Wom. Het hof stelt op basis van de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken vast, dat de verdachte op 5 juli 2020 op de Dam aanwezig was. De verdachte heeft verklaard dat hij daar optrad als adviseur voor de heer [naam 1] en de heer [naam 2], die ieder aan een andere zijde van de Dam een eenmansdemonstratie pro-Palestina hielden. De verdachte heeft zich naar zijn zeggen van de ene kant van de Dam naar de andere kant van de Dam bewogen om [naam 1] en [naam 2] te adviseren, maar heeft zelf geen mening uitgedragen. Iets anders blijkt niet uit het dossier. Naar het oordeel van het hof blijkt niet uit het dossier dat de rol die de verdachte heeft gespeeld van dien aard was dat hij moet worden aangemerkt als deelnemer of iemand een bijdrage heeft geleverd aan een betoging in de zin van de Wom. Daarom moet de verdachte van hetgeen hem onder 2 is tenlastegelegd worden vrijgesproken. Bewijsvoering feit 1 en bespreking van gevoerde bewijsverweren Feiten en omstandigheden Op basis van de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 1 februari 2019 heeft de burgemeester van Amsterdam de verdachte een brief gestuurd met onder meer de volgende inhoud: “Geachte meneer [verdachte], U maakt al weer enige tijd met grote regelmaat gebruik van uw grondrecht om te betogen op onder meer de Dam. U heeft eerder aangegeven in een kennisgeving en tijdens het inspreken in de commissie Algemene Zaken dat u voornemens bent uw protest op de Dam de komende jaren op deze wijze voort te zetten. Bij de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting past dat een ieder zich mag uitspreken over elk buitenlands conflict, zolang men zich houdt aan de Nederlandse wet. Daarbij mogen deze grondwettelijke vrijheden niet misbruikt worden om een ander diezelfde vrijheid te ontnemen. Als burgemeester van Amsterdam ben ik ook verantwoordelijk voor de openbare orde en de veiligheid van al haar bewoners en bezoekers. Ik heb uw recht om te protesteren op de Dam tot op heden op geen enkele wijze in tijd of plaats beperkt. Voor de Amsterdamse driehoek van burgemeester, hoofdofficier van justitie en hoofdcommissaris is echter nu een grens bereikt. Op basis van de Wet openbare manifestaties (Wom) zal ik vanaf nu voorschriften aan uw demonstratie verbinden. In deze brief leg ik u uit waarom. Grens bereikt De politie en het openbaar ministerie hebben mij geïnformeerd over de wijze waarop u gebruik maakt van uw demonstratierecht. Hieruit blijkt dat uw demonstraties op met name de Dam bij herhaling leiden tot overlast, spanningen, ophef, (fysieke) confrontaties, wanordelijkheden, geweld, strafbare feiten en overtredingen. Dit heeft tot gevolg dat de afgelopen weken veelvuldig politie is ingezet en aangiftes zijn gedaan en er handhavend moest worden opgetreden. De politie geeft aan dat ongeacht politietoezicht de demonstraties zowel verbaal, non-verbaal als fysiek escaleren. Zowel u als de Pro Israël sympathisanten gedragen zich op de Dam steeds meer op onaanvaardbare wijze én dat heeft invloed op een ieder die zich daar begeeft. Verder blijkt uit politie informatie dat sprake is van een toenemende gegronde vrees dat bovenstaande incidenten zich zullen blijven herhalen en mogelijk verergeren. Uw protest op de Dam over geweld dat buiten Amsterdam plaatsvindt, leidt zo uiteindelijk ook tot geweld op de Dam. Om verdere escalatie te voorkomen is besloten maatregelen te nemen. Hierbij wegen het beschermingsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de bijzondere omstandigheden van de demonstratielocatie zwaar mee. Bescherming van ieders belang en grondrecht U houdt uw demonstraties bij voorkeur op de Dam en in het weekend. Het plein behoort een ieder toe en als burgemeester dien ik naast uw belang ook de vrijheden en (grond-)rechten van andere gebruikers en bezoekers te beschermen. Het is onacceptabel dat met grote regelmaat slechts een handje vol mensen de Dam gebruikt voor één thema, als deze activiteiten regelmatig leiden tot wanordelijkheden en strafbare feiten. Dit raakt uiteindelijk ook de grondrechten van anderen. Voorschrift op basis van de wet De Wom biedt ruimte om de overweging om wel of geen voorschriften te stellen mede te laten bepalen door de specifieke omstandigheden, het tijdstip en de locatie waar de demonstratie plaatsvindt. Dit impliceert dat afhankelijk van de plaats van de demonstratie en de activiteiten die daar op dat moment plaatsvinden, beperkingen gerechtvaardigd kunnen zijn ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden en in het belang van het verkeer. Door toenemende drukte in de stad is het van belang de doorstroming van (voetgangers-) verkeer en het voorkomen van overcrowding mee te laten wegen bij de besluitvorming van uw demonstratie. De in deze brief omschreven belangen en omstandigheden en de toename van de door de politie geschetste incidenten leveren bovendien een legitieme vrees voor wanordelijkheden op. Ter voorkoming van confrontaties en strafbare feiten en in het belang van het verkeer en ter voorkoming van verdere wanordelijkheden, stel ik wel op basis van artikel 5 lid 1 van de Wom dat u en uw sympathisanten enkel nog op en rond de Dam (zie kaartje: binnen het rood omlijnde gebied) mogen demonstreren op de zondagen van de even weken, mits er op de Dam geen andere grootschalige evenementen of demonstraties plaats vinden en u binnen het blauw omlijnde gebied aan de paleiszijde blijft op de Dam. U blijft buiten het rood omlijnde gebied vrij om in de rest van Amsterdam te betogen, mits u 50 meter afstand houdt van andere protestvormen en evenementen. Uw betogingen dienen altijd vooraf op reguliere wijze aangemeld via het digitale formulier die te vinden is op amsterdam.nl. Uw demonstratie mag nergens langer dan drie uur per dag duren. Amsterdam staat voor het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting en het recht om te demonstreren. Deze grondrechten gaan echter wel samen met verantwoordelijkheden. Mocht blijken dat u en/of uw sympathisanten niet voldoen aan bovenstaande voorschriften, strafbare feiten plegen en/of wanordelijkheden (dreigen) plaats (te) vinden, dan zal ik opdracht geven de demonstratie(s) te beëindigen.” In reactie op de kennisgeving door de verdachte van zijn voorgenomen demonstratie op de Dam van 24 mei 2020 is hem door de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio op 21 mei 2020 een brief gestuurd met onder meer de volgende inhoud: “Geachte heer [verdachte], U heeft kennisgeving gedaan van uw voornemen om op zondag 24 mei van 13:00 tot 17:00 uur op de Dam een demonstratie te organiseren ‘voor de Palestijnen en tegen Israël’. U verwacht voor die demonstratie 30 deelnemers. Op 1 februari 2019 heeft u van de burgemeester van Amsterdam een brief ontvangen die betrekking heeft op uw betogingen op de Dam in het kader van steun aan de Palestijnen. In de brief wordt ook de bredere context geschetst van de wijze waarop het gedrag van pro-Israël en pro-Palestina protesten en demonstraties leiden tot overlast, spanningen, ophef, (fysieke) confrontaties, wanordelijkheden, geweld strafbare feiten en overtredingen. Helaas moet ik op basis van informatie van de politie vaststellen dat de situatie op de Dam niet is verbeterd. Sterker nog, recent zijn er meerdere incidenten geweest op de Dam in het kader van pro-Israël en pro-Palestina demonstraties en lijkt opnieuw sprake te zijn van escalatie. Derhalve zie ik geen mogelijkheid om het besluit van 1 februari vorig jaar te heroverwegen. Dat betekent dat de voorschriften die in die brief zijn gesteld op basis van artikel 5 lid 1 van de Wom, ter voorkoming van confrontaties en strafbare feiten en verdere wanordelijkheden, van kracht blijven. Een van die voorschriften is dat u enkel in de even weken op de zondag voor maximaal drie uur mag demonstreren op de Dam. Ik stel vast dat de datum van uw voorgenomen demonstratie valt in een oneven weekend. Dat betekent dat uw demonstratie op dat moment niet kan plaatsvinden op de Dam. Dat geldt ook voor andere pro-Palestina demonstraties. Derhalve verwijs ik uw demonstratie naar het Museumplein. Het staat u vrij daar te betogen zolang u daarbij de verdere voorschriften in acht neemt, zoals omschreven in de brief uit 2019. Voor de volledigheid heb ik die brief bijgevoegd. Aanvullend wijs ik u op de RIVM-richtlijn dat eenieder 1,5 meter afstand dient te houden van anderen. In het belang van de gezondheid dient u er zorg voor te dragen dat deelnemers aan uw demonstratie gedurende de gehele demonstratie 1,5 meter afstand tot elkaar houden, en dat anderen zich niet in uw demonstratie begeven.” Op 22 mei 2020 heeft de verdachte op zijn facebookpagina gemeld dat hij het niet eens was met de verplaatsing van zijn demonstratie naar het Museumplein en riep hij een ieder op om 24 mei 2020 naar de Dam te komen om te protesteren tegen Israël. Op 24 mei 2020 arriveerde de verdachte op de Dam met in zijn kielzog een tiental andere demonstranten, van wie enkelen Palestijnse vlaggen en een bord met daarop teksten gericht tegen Israël vasthielden. De verdachte sprak met een megafoon in zijn handen de andere demonstranten toe. De verdachte is door politieambtenaren aangesproken en aangezegd om zijn demonstratie te houden op het Museumplein. Vervolgens is de verdachte en zijn mede-betogers door politieambtenaren gevorderd te vertrekken. Nadat zij weigerden te vertrekken zijn zij aangehouden. Bespreking van verweren De raadsman heeft – overeenkomstig zijn pleitnota – op een aantal gronden bepleit dat de besluiten van 1 februari 2019 en 21 mei 2020, en daarmee de daarin gegeven aanwijzingen en beperkingen, onrechtmatig zijn. Het bestanddeel ‘voorschrift en/of beperking op grond van artikel 5 lid 1 en/of 6 Wet Openbare Manifestaties’ kan dan ook niet worden bewezenverklaard. Het hof zal hieronder de nummering van de verweren in de pleitnota aanhouden. III Het hof honoreert het verweer onder III, omdat geen sprake is van tijdens een betoging gegeven aanwijzingen, zodat artikel 6 Wom niet van toepassing is. IV Het hof verwerpt het verweer onder IV dat sprake zou zijn van een wettelijk niet toelaatbaar integraal demonstratieverbod, waarbij de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 niet op zijn merites is beoordeeld. In de brief van 21 mei 2020, in samenhang met de daarbij opnieuw meegestuurde brief van 1 februari 2019, is toereikend – want voldoende concreet en met feiten onderbouwd – gemotiveerd dat en waarom de gestelde voorschriften en beperkingen aan de aangemelde demonstratie van 24 mei 2020 noodzakelijk zijn ter bescherming van de gezondheid en in het belang van het verkeer en ter bestrijding van en voorkoming van verdere wanordelijkheden. De voorschriften en beperkingen zijn door daartoe bevoegde autoriteiten gegeven. Dit leverde geen ontoelaatbare beperking op van het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door art. 10 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De beperking was bij wet voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving ter voorkoming van onder meer wanordelijkheden, zoals bedoeld in het tweede lid van die verdragsbepaling. Voor de beperking bestond een dringende maatschappelijke noodzaak en zij was niet disproportioneel. In het verweer is ook de feitelijke grondslag van de besluiten in de brieven van 1 februari 2019 en 21 mei 2020 bestreden. De verdachte heeft daarmee echter niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke grondslag van de genoemde besluiten gebrekkig is. Dat wordt niet anders doordat in de brief van 21 mei 2020 niet uitdrukkelijk is ingegaan op het idee van de verdachte dat het besluit over de verdeling van de zondagen tussen pro-Israël en pro-Palestina betogers niet langer gold. Uit de motivering van het besluit van 24 mei 2020 blijkt dat van een disproportionele beperking van het recht van de verdachte om te demonstreren geen sprake is. Wat betreft het besluit van 1 februari 2019 verdient opmerking dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in zijn beslissing van 7 maart 2019 heeft geweigerd om het besluit van 1 februari 2019 te schorsen. V De raadsman heeft aangevoerd dat de autoriteiten moeten faciliteren dat demonstraties van personen met tegengestelde standpunten bij voorkeur ‘within sight and sound’ van elkaar kunnen plaatsvinden. Alleen wanneer ordehandhaving volstrekt disproportionele politie-inzet zou vergen, is een preventief demonstratieverbod gerechtvaardigd. Dergelijke bestuurlijke overmacht is ter zake van de demonstratie van 24 mei 2020 niet aannemelijk. Op de gronden zoals hiervoor bij de bespreking van het verweer onder IV weergegeven, verwerpt het hof ook dit verweer. VI t/m VIII De raadsman heeft in zijn pleitnota onder VI betoogd dat het besluit van 21 mei 2020 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Onbegrijpelijk is dat de situatie op de Dam sinds de brief van 1 februari 2019 niet zou zijn verbeterd en dat sprake lijkt van escalatie, omdat demonstranten en tegendemonstranten sindsdien niet meer tegelijk mochten demonstreren. Niet is gemotiveerd dat meerdere incidenten zouden hebben plaatsgevonden en dat verdachte of zijn mede-betogers daarmee iets te maken hadden. Onder VII is betoogd dat het besluit van 21 mei 2020 onrechtmatig is, omdat het is gebaseerd op het onrechtmatige generieke demonstratieverbod van 1 februari 2019. Onder VIII is aangevoerd dat de gestelde beperkingen niet in overeenstemming zijn met artikelen 19 en 21 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikelen 10 en 11 van het EVRM. De aan de demonstratie verbonden voorschriften waren niet ‘necessary’ in de zin van artikelen 10 en 11 EVRM, althans berusten dezen niet op ‘relevant and sufficient reasons’. Het hof verwerpt deze verweren op de gronden zoals hiervoor bij de bespreking van het verweer onder IV weergegeven. Daarbij verdient opmerking dat niet nodig is dat de verdachte of zijn mede-betogers bij eerdere incidenten betrokken zijn geweest om – ook voor hem – de gelegenheid om te demonstreren op een specifieke locatie te beperken, zoals dat is gebeurd. Van een onrechtmatig generiek demonstratieverbod is geen sprake en de beperking van de grondrechten van de verdachte kan de toets aan de genoemde verdragen doorstaan. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 24 mei 2020 te Amsterdam, heeft gehandeld in strijd met een door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland gegeven voorschrift en beperking op grond van artikel 5 lid 1 Wet openbare manifestaties, immers heeft verdachte - deelgenomen aan een demonstratie en die demonstratie georganiseerd (pro-Palestina) in een oneven week op zondag op de Dam, terwijl hij krachtens een besluit van de burgemeester van Amsterdam van 1 februari 2019 en een besluit van de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland van 21 mei 2020, alleen op de even weken op zondag mag demonstreren (Pro-Palestina) op de Dam; en - zich voor het houden van die demonstratie (pro-Palestina) niet begeven naar de door de (plaatsvervangend) voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland toegestane en aangewezen locatie, zijnde het Museumplein. Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, waarnaar in de voormelde voetnoten is verwezen. Het daar genoemde proces-verbaal is in de wettelijke vorm door een bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt. De daar genoemde geschriften zijn tot het bewijs gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties. Strafbaarheid van de verdachte De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De arrestatie en politiedetentie vormen een niet-noodzakelijke, althans disproportionele inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM. Het hof verenigt zich niet met het standpunt van de raadsman en overweegt als volgt. Uit het dossier volgt dat de verdachte tweemaal is gevorderd de Dam te verlaten. De verdachte heeft hier vervolgens telkens geen gehoor aan gegeven. Dat de verbalisanten de verdachte daarop hebben gearresteerd, acht het hof geen disproportionele inbreuk op het betogingsrecht van de verdachte. Uit de bespreking van de verweren tegen de besluiten vloeit voort dat de daarbij gegeven beperking van de grondrechten van de verdachte de toets aan de artikelen 10 en 11 EVRM kan doorstaan. Toen bleek dat de verdachte zich aan die beperking niet hield, was zijn arrestatie een noodzakelijk en proportioneel middel. De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De kantonrechter heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis en voor het onder 2 tenlastegelegde tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid, Wom. Ondanks dat hij wist dat een pro-Palestina demonstratie niet was toegestaan in de oneven weken op zondag op de Dam, en dat de kennisgeving van zijn voorgenomen demonstratie bij besluit van de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio was verboden op de Dam en verwezen naar het Museumplein, heeft de verdachte op 24 mei 2020 gedemonstreerd op de Dam. Toen hem is gevorderd de demonstratie te beëindigen en zich te begeven naar het Museumplein, weigerde hij. De verdachte heeft daarmee kenbaar gemaakt geen gehoor te geven aan regels en besluiten van het bevoegde gezag. Het hof acht in beginsel een geldboete passend en geboden. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn beperkte financiële draagkracht, acht het hof echter raadzaam om een taakstraf op te leggen. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Wet openbare manifestaties. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. R. Kuiper en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 oktober 2022. ========================================================================= […] Geschrift, doorgenummerde p. 5-6 van het politiedossier. Geschrift, doorgenummerde p. 8-9 van het politiedossier. Proces-verbaal van bevindingen, p. 1-3 doorgenummerd politiedossier.
ECLI:NL:HR:2019:899
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 17/03171 Datum 11 juni 2019 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 juni 2017, nummer 23/000094-16, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, hierna: de verdachte.
ECLI:NL:HR:2009:BJ2808
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
ECLI:NL:HR:1987:AB8324
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 1 mei 1984 – de verdachte ter zake van "wederspannigheid, enig lichamelijk letsel ten gevolge hebbende meermalen gepleegd" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis.
ECLI:NL:HR:1992:ZC9136
De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 28 juni 1989 - de verdachte – voor zover in cassatie van belang - ter zake van 2.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/01346 Zitting 11 juni 2024 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 12 april 2022 door het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:1133) in zaak A veroordeeld wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” (art. 266 lid 1 jo. 267 lid 1 onder 2º Sr).

Daarnaast heeft het hof in zaak B de verdachte veroordeeld wegens kort gezegd de eendaadse samenloop van smaadschrift en belediging van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (art. 261 lid 2 en 266 lid 1 jo 267 lid 1 onder 2º Sr). Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 650,-, waarvan € 500,- voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft het hof een proeftijd van twee jaar verbonden. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 22/03695 en 22/03854. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

Zaak 22/03695 en 22/03854 betreffen cassatieberoepen ingesteld tegen twee op 4 oktober 2022 gewezen arresten van het gerechtshof Amsterdam ECLI:NL:GHAMS:2022:2844 en ECLI:NL:GHAMS:2022:1133. In alle drie de zaken gaat het om dezelfde verdachte. In de onderhavige zaak heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. De zaak 2.1 Het gaat in zaak A - en dat is de enige zaak waar de cassatiemiddelen betrekking op hebben - kort gezegd om het volgende. Bewezen verklaard is dat de verdachte op 8 september 2020 “A.C.A.B.” heeft gezegd tegen [verbalisant 1] en [verbalisant 2], die beiden op dat moment werkzaam waren als hoofdagent en de verdachte kort daarvoor hadden aangehouden.

Een en ander vond plaats op de Dam in Amsterdam, alwaar de verdachte verbleef ter gelegenheid van zijn “eenmansprotest” - welke demonstratie op dat moment was verboden. De cassatiemiddelen in het kort 3.1 Het eerste en het tweede middel hebben betrekking op de bewijsvoering van het onderdeel “in de rechtmatige uitoefening van hun bediening”. Het eerste middel doet dit via de band van de rechtmatigheid van de aanhouding, die met een aantal deelklachten wordt betwist, het tweede middel via de band van de gestelde onrechtmatigheid van het gebruik van transportboeien.

Het derde middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de uiting “A.C.A.B.” niet wordt beschermd door de vrijheid van expressie als bedoeld in art. 10 EVRM. 3.2 Nu het derde middel is gericht tegen de bewezenverklaring van de kern van de aan de verdachte verweten gedraging (de eenvoudige belediging als bedoeld in art. 266 lid 1 als zodanig), terwijl het eerste en het tweede middel betrekking hebben op de bijkomende en strafverzwarende omstandigheid dat de belediging “is aangedaan” aan een ambtenaar in functie (art. 267 lid 1 onder 2º Sr), bespreek ik hieronder eerst het derde en daarna de eerste twee middelen.

Voor ik dat doe en voor ik nader inga op de verschillende deelklachten in de afzonderlijke middelen citeer ik eerst de relevante onderdelen uit het arrest. Bewezenverklaring, bewijsvoering en procesverloop 4.1 Ten laste van de verdachte is in zaak A. bewezen verklaard dat hij: “op 8 september 2020 te Amsterdam, opzettelijk meerdere ambtenaren, te weten [verbalisant 1] (hoofdagent van de politie Eenheid Amsterdam) en [verbalisant 2] (hoofdagent van de politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen toe te voegen:

“A.C.A.B.”” 4.2 Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen (weergegeven voor zover relevant): “Bewijsoverweging zaak A De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de ambtenaren op het moment van de tenlastegelegde uiting niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, omdat zowel de aanhouding van de verdachte als de aanleg van de transportboeien bij de verdachte onrechtmatig hebben plaatsgevonden (…). Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de tenlastegelegde uiting “A.C.A.B.” in het licht van de vrijheid van meningsuiting zoals bedoeld in artikel 10 EVRM geen belediging oplevert.

Feiten Door de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland is in juli 2020 bepaald dat pro-Palestina en pro-Israël demonstraties - die reeds waren aangemerkt als risicovol omdat deze demonstraties regelmatig aanleiding gaven tot overlast, confrontaties en geweld - in coronatijd niet op de Dam maar slechts elders in de stad mochten plaatsvinden. Op 8 september 2020 zagen de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op toezichtcamera’s dat de verdachte pro-Palestina aan het protesteren was op de Dam terwijl zij wisten dat hem een zogenaamde ‘WOM-brief’ was uitgereikt waarin hem was meegedeeld dat een dergelijke demonstratie niet was toegestaan op de Dam. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen van hun meerdere de opdracht om op te treden tegen voornoemde situatie vanwege een, mede gelet op de historie van de verdachte, grote mate van dreiging van verstoring van de openbare orde en veiligheid.

De opdracht was om op grond van artikel 2.2, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amsterdam (APV) te vorderen dat de verdachte de Dam zou verlaten of anders, indien hij niet aan die vordering zou voldoen, hem aan te houden. Ter plaatste hebben zij, nadat de verdachte tot tweemaal toe weigerde aan die vordering gevolg te geven, de verdachte op verdenking van overtreding van artikel 2.2, derde lid, van de APV aangehouden. Ten behoeve van het vervoer naar het politiebureau zijn bij de verdachte transportboeien aangelegd, volgens het door [verbalisant 1] opgemaakte proces-verbaal omdat het hier de situatie van een pro-Palestina/pro-Israël demonstratie betrof die vaak gedoe opleverde met agressie en geweld, en omdat de verdachte twee stokken (met aan één van die stokken een vlag) bij zich droeg.

Toen hij werd aangehouden begon de verdachte te schreeuwen en bewoog hij in een andere richting dan die waarin [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hem probeerden te geleiden. Bij het aanleggen van de transportboeien zakte hij direct door zijn knieën. Vervolgens is de verdachte door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] per politieauto vervoerd naar het politiebureau. Beoordeling Het doen van de uitlating A.C.A.B. en de beledigende aard daarvan Het hof is van oordeel dat op basis van het (mede) door de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van 8 september 2020 wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte ten tijde van het transport na diens aanhouding met luide stem tegen voornoemde politieambtenaren heeft gezegd “A.C.A.B.” (…).

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze uitlating als beledigend jegens de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kan worden beschouwd. In dit geval staat vast dat de verdachte na zijn aanhouding en nadat hem transportboeien waren aangelegd, waarmee hij het hartgrondig oneens was, tijdens diens transport naar het politiebureau tegen de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de lettercombinatie “A.C.A.B.” heeft gezegd. Deze lettercombinatie vormt volgens [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een afkorting van "All Cops Are Bastards", welke afkorting naar zijn aard de algemene strekking heeft om politiefunctionarissen in diskrediet te brengen, en dus een beledigende strekking heeft.

Uit de verklaring van de verdachte - gezien zijn beweerdelijke toevoeging van de “A” voor “Almost” - leidt het hof af dat hij met die betekenis bekend was. De uitlating “A.C.A.B.” is met luide stem door de verdachte gedaan terwijl hij zich met beide ambtenaren in een politievoertuig bevond. Onder deze omstandigheden kan deze uiting niet anders dan als beledigend richting beide politieambtenaren persoonlijk bedoeld zijn geweest, terwijl [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ook hebben verklaard zich door de uitlating “A.C.A.B.” aangetast te hebben gevoeld in hun eer en goede naam.

Vrijheid van meningsuiting artikel 10 EVRM Het onder meer in artikel 10, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van eenvoudige belediging in de zin van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM toegelaten - te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke - beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.

Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens belediging dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Ook dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is. Het hof is van oordeel dat de strafbaarstelling van belediging in artikel 266, tweede lid, Sr valt onder de beperkingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, EVRM: de beperking is bij wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de bescherming van de goede naam van anderen.

Daarnaast valt, gelet op hetgeen ten aanzien van de feiten en omstandigheden is overwogen, niet in te zien hoe de door de verdachte gedane uitlating, gelet op de bewoordingen en de context waarin zij is gedaan, moet worden beschouwd als een bijdrage aan het publiek debat. De uitlating is immers gedaan ten overstaan van twee politieambtenaren in de beslotenheid van een politievoertuig zonder dat daarbij nadere toehoorders aanwezig waren en omdat de verdachte het oneens was met diens aanhouding en het bij hem aanleggen van transportboeien. Behalve dat de verdachte met die uitlating de politieambtenaren op onnodig grievende wijze in diskrediet heeft gebracht, dient deze uitlating dan ook veeleer worden aangemerkt als een tegen de betreffende individuele politieambtenaren gerichte actie op dat moment.

Bij het hof bestaat dan ook geen enkele aanleiding te vermoeden dat deze uitlating sloeg op de politie-eenheid in haar totaliteit en moest uitnodigen tot een open gedachtenwisseling. Het verweer wordt verworpen. Rechtmatige uitoefening van de bediening Het hof stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de politieambtenaar die in het kader van de aanhouding van een verdachte uitvoeringshandelingen verricht, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De omstandigheid dat achteraf gezien geen sprake was van het strafbare feit op grond waarvan de verdachte is aangehouden heeft tot gevolg dat de verdachte niet ter zake van dat feit kan worden veroordeeld.

Die enkele omstandigheid brengt evenwel nog niet met zich dat de politieambtenaar ten tijde van de aanhouding niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam was. Een redelijk vermoeden van schuld, als bedoeld in artikel 27 Sv, kan immers ook hebben bestaan indien na de aanhouding mocht blijken dat iemand het feit waarvan hij is verdacht niet heeft begaan of dat feit niet een volgens de wet strafbaar feit oplevert. Voorts overweegt het hof dat een ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd op grond van artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren, ten behoeve van het vervoer transportboeien kan aanleggen indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op bijvoorbeeld gevaar voor de veiligheid van de ambtenaar.

De omstandigheden die hiertoe blijkens de bijbehorende Nota van toelichting aanleiding kunnen geven kunnen onder meer gelegen zijn in de persoon van de arrestant. Daarbij kan worden gedacht aan zijn gedrag en mogelijk eerdere ervaringen van de politie met deze persoon op grond waarvan moeilijkheden moeten worden gevreesd. Het hof ziet zich vervolgens, gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en voornoemde kaders, voor de vraag gesteld of [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op het moment van de uitlating in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren.

Het hof is van oordeel dat op het moment dat de verdachte werd aangehouden bij de politieambtenaren - mede gelet op de bij hen bekende inhoud van de ‘WOM-brief’, de door hen waargenomen protestactie van de verdachte en de instructie die zij van hun meerdere hadden gekregen - sprake kon zijn van een redelijk vermoeden dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan een overtreding van artikel 2.2, derde lid, APV. Verder is het hof van oordeel dat, gezien voornoemde feiten en omstandigheden, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de beslissing om bij de verdachte ten behoeve van het vervoer transportboeien aan te leggen in redelijkheid hebben kunnen nemen.

Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij de verdachte kende van eerdere aanhoudingen waarbij de verdachte onnodig tumult maakte, een enorme show opvoerde en schreeuwde. Uit het voorgaande volgt dat de politieambtenaren op het moment dat de verdachte de beledigende uitlating tegen hen deed werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde belediging van de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] terwijl zij in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren.” 4.3 Onder het kopje “Strafbaarheid van het bewezenverklaarde” heeft het hof nog het volgende opgenomen:

“Het verweer dat een strafrechtelijke veroordeling een ontoelaatbare inbreuk zou vormen op de vrijheid van meningsuiting wordt verworpen, op de gronden zoals hiervoor in zaak A onder ‘Vrijheid van meningsuiting artikel 10 EVRM’ weergegeven.” 4.4 Het hof heeft in een aanvulling op het bestreden arrest de volgende bewijsmiddelen opgenomen: “1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2020190087-5 van 8 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 3], [verbalisant 2] en [verbalisant 4] (pagina’s 3-5).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten: Op 8 september 2020 bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 4] en [verbalisant 3], ons in het politiebureau Burgwallen te Amsterdam. Wij zagen middels de toezichtcamera’s dat [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) midden op de Dam stond en een stok vasthield met daaraan een Palestijnse vlag bevestigd. Tevens zagen wij dat [verdachte] in zijn andere hand een stok vasthield met daarop een bord. Wij zagen dat dit een eenmansprotest betrof.

Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], kregen de opdracht te gaan naar de Dam om [verdachte] te vorderen zich te verwijderen van de Dam en hem, indien hij niet aan deze vordering zou voldoen, aan te houden ter zake van artikel 2.2 lid 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amsterdam. Wij zijn in de richting van de Dam gegaan. Wij hebben [verdachte] gevorderd zich van de Dam te verwijderen. [verdachte] gaf aan dat hij zich niet zou verwijderen. Wij constateerden dat [verdachte] weigerde te verwijderen. Wij hebben [verdachte] nogmaals gevorderd zich van de Dam te verwijderen.

Hierop hebben wij [verdachte] aangehouden en overgebracht naar het politiebureau Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam. Tijdens de aanhouding zagen en hoorden wij dat [verdachte] hard aan het schreeuwen was en in de tegengestelde richting bleef bewegen van waar wij hem trachtte te geleiden. Tijdens het transport van [verdachte] hoorden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dat [verdachte] met luide stem tegen ons zei: ‘ACAB!’. Het is ons ambtshalve bekend dat deze afkorting staat voor ‘All Cops Are Bastards’. Wij voelen ons door de uitlatingen van [verdachte] in onze goede eer en naam aangetast.

Wij verzoeken de officier van justitie dan ook, indien hij daartoe termen aanwezig acht, tot vervolging van [verdachte] over te gaan.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2020190812-2 van 15 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (ongenummerd): Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten: Pro-lsraël en pro-Palestina demonstraties en de daarmee verbonden (eenmans)protestacties leiden zeer regelmatig tot onderlinge spanningen en lopen veelal uit op verbaal en fysiek geweld tussen de verschillende betogers. Met name de veelvuldige (eenmans)protesten op de Dam inzake pro-lsraël en pro-Palestina leiden regelmatig tot spanningen, overlastgevende discussies en provocerend gedrag. In de brief van 8 juli 2020 van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland zijn de demonstraties op de Dam vanwege de ervaringen omtrent pro-Palestina en pro-lsraël demonstraties in relatie tot de coronamaatregelen aangemerkt als risicovol en daarom tot 1 september 2020 niet toegestaan. Inmiddels zijn de maatregelen verlengd tot 1 oktober 2020.

3. Een proces-verbaal van 2 december 2020, opgemaakt door mr. M.B. de Boer, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 2 december 2020 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [verbalisant 1]: Ik heb hem geboeid en daarna ging hij theatraal op de grond liggen. Hij zakte eigenlijk door zijn knieën en veroorzaakte een hoop geschreeuw en gedoe. U vraagt mij waarom ik transportboeien heb aangelegd. Dat was omdat hij moest vertrekken vanwege verstoring van de openbare orde. De veiligheidsregio heeft dat besloten vanwege de demonstraties op de Dam en die gaan vaak gepaard met agressie en geweld. De tweede reden om hem te boeien is dat hij één of twee vlaggenstokken in zijn hand hield.

4. Een brief van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland van 1 september 2020. Deze brief houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: U heeft een kennisgeving gedaan van uw voornemen om op 6 september 2020 te demonstreren op de Dam. De driehoek heeft besloten dat risicovolle demonstraties vanwege de huidige coronacrisis voorlopig niet op de Dam kunnen plaatsvinden. Ik besluit daarom op basis van de Wet openbare manifestaties dat uw demonstratie niet mag plaatsvinden op de Dam.” Het derde middel 5.1 Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de uitlating van de verdachte beledigend is niet te verenigen valt met art. 10 EVRM. Ik lees in het middel drie deelklachten: (i) aan het slot van de toelichting (onder randnummer 10, p.

26) wordt de meest algemene klacht naar voren gebracht, te weten dat het oordeel van het hof dat de term “A.C.A.B.” niet wordt beschermd door art 10 EVRM, onjuist, onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd zou zijn; (ii) daarvoor (onder randnummer 4-7, p. 24-25) wordt het oordeel van het hof dat geen sprake was van een uitlating die een bijdrage betrof aan het publiek debat aangevochten; (iii) ten slotte (onder 8-9, p.

25) lees ik in de schriftuur nog de klacht dat het oordeel van het hof dat geen sprake was van een uiting die “sloeg op de politie-eenheid in haar totaliteit” onbegrijpelijk althans niet toereikend gemotiveerd zou zijn. 5.2 Ik begin mijn bespreking met de meest algemene en door mij als eerste deelklacht aangeduide klacht. Deze klacht komt erop neer dat onder verwijzing naar de in de schriftuur op p. 17-20 geciteerde onderdelen van de pleitnota van de raadsman van de verdachte in hoger beroep (randnummers 12-21, p. 3-6 van de pletnota) wordt betoogd dat het hof op onjuiste gronden is voorbijgegaan aan het ter zitting gevoerde verweer dat strafbaarstelling van de uitlating “A.C.A.B.” niet te verenigen valt met de vrijheid van expressie zoals die wordt beschermd door art. 10 EVRM. 5.3 Voor de beoordeling van deze deelklacht is het volgende relevant.

De vraag of een strafrechtelijke veroordeling voor het doen van de uitlating “A.C.A.B.”, hetgeen op zich een inbreuk is op het recht van vrijheid van meningsuiting, te verzoenen valt met art. 10 EVRM is eerder aan de orde geweest in een zaak waarin de Hoge Raad uitspraak deed op 11 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:899). Toenmalig AG Bleichrodt kwam na een bespreking van de Straatsburgse jurisprudentie - waarin de bewuste afkorting als zodanig niet ter sprake is gekomen - tot de conclusie dat het niet met deze rechtspraak in strijd “lijkt” om voor het doen van deze uitlating te veroordelen.

De Hoge Raad deed het middel af onder toepassing van art. 81 lid 1 RO. 5.4 De steller van het middel gaat in de schriftuur niet in op het hiervoor genoemde arrest, noch op de daaraan voorafgaande conclusie, terwijl hij evenmin verwijst naar nadien gewezen arresten van het EHRM. Ook in (de in de schriftuur geciteerde overwegingen uit) de pleitnota kom ik dergelijke referenties niet tegen. Zelf heb ik in de nadien ontwikkelde jurisprudentie van het EHRM ook geen relevante nieuwe zaken kunnen ontwaren. Tevens stel ik vast dat aan de verdachte een geringe en niet-vrijheidsbenemende straf is opgelegd.

Voor zover het middel berust op de stelling dat een veroordeling voor de uitlating “A.C.A.B.” in het algemeen als onverenigbaar met art. 10 EVRM, met name als niet proportioneel, moet worden beschouwd, althans dat het hof het daartoe strekkende verweer in de onderhavige zaak op onjuiste gronden zou hebben verworpen, moet het gelet op het voorgaande falen. 5.5 Voor de tweede deelklacht geldt het volgende. Het hof heeft aan zijn oordeel dat de uitlating niet is gedaan in het kader van een publiek debat ten grondslag gelegd dat de uitlating is ”gedaan ten overstaan van twee politieambtenaren in de beslotenheid van een politievoertuig zonder dat daarbij nadere toehoorders aanwezig waren”.

Volgens de steller van het middel impliceert dit dat het hof meent dat de uiting “gedaan moet zijn in een daadwerkelijk gevoerde wederkerige discussie, waarbij (…) toehoorders aanwezig zijn”. Die opvatting zou volgens de steller van het middel onjuist zijn, althans op gespannen voet staan met het uitgangspunt dat een uitlating een bijdragen moet kunnen leveren aan een publiek debat (randnummer 6, p. 25 van de schriftuur). 5.6 De steller van het middel neemt met juistheid tot uitgangspunt dat bij de vraag of een uitlating onder de bescherming van art. 10 EVRM kan vallen, van belang is of die uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat - en dus niet of die uitlating die bijdrage daadwerkelijk levert c.q. heeft geleverd.

Voor het overige kan ik de steller van het middel niet volgen. Ik wijs om te beginnen op het verschil in betekenis tussen de woorden ‘debat’ en ‘discussie’, welk onderscheid de steller van het middel mij lijkt te miskennen. Anders dan het begrip ‘discussie’, impliceert het begrip ‘debat’ namelijk een woorden- of ideeënstrijd die niet primair is gericht op het overtuigen van degene tot wie de woorden zijn gericht, maar op het overtuigen van een publiek aan toehoorders, dat aldus in de gelegenheid wordt gesteld zijn eigen gedachten en overtuigingen te scherpen.

In dat licht moet ook het uitgangspunt begrepen worden dat een uitlating aan het publiek debat een bijdrage kan leveren: het moet ten minste redelijkerwijs voorstelbaar zijn dat derden kennisnemen van die woorden- of ideeënstrijd. 5.7 In het verlengde hiervan ligt de eis dat om aan te nemen dat een uitlating is gedaan in de context van het publieke debat, niet de louter subjectieve intentie van de verdachte beslissend is, maar dat die context ook voor derden kenbaar moet zijn. Verder is voor de vraag of sprake is van een uitlating in de context van een publiek debat van belang of sprake is van een “open discussion of matters of public concern” (waarbij ik opmerk dat het Engelse ‘discussion’ niet zonder meer gelijkstaat aan het Nederlandse ‘discussie’).

Gelet hierop acht ik het oordeel van het hof dat in de beschreven omstandigheden geen sprake was van een bijdrage aan het publieke debat niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk. De door het hof vastgestelde omstandigheden houden in dat de door de verdachte gestelde context niet ook voor anderen kenbaar was. Verder lees ik in de overwegingen van het hof niet de rechtsopvatting dat van een bijdrage aan het publieke debat alleen sprake kan zijn bij een daadwerkelijk gevoerde discussie in het bijzijn van toehoorders.

Het hof heeft slechts de omstandigheden beschreven die het in deze zaak relevant acht. Gelet hierop moet ook de tweede deelklacht falen. 5.8 Nog kort iets over de derde deelklacht. Deze klacht is in wezen gericht tegen het oordeel van het hof dat de uitlating van de verdachte persoonlijk beledigend was voor de in de bewezenverklaring genoemde agenten. De steller van het middel meent dat uit de bewoordingen volgt dat niet slechts zij, maar de gehele politieorganisatie (of een onderdeel daarbinnen) de adressaat van de uitlating van de verdachte zou zijn.

Deze klacht lijkt in de kern ingegeven door de gedachte dat als het zo zou zijn geweest dat niet individuele agenten, maar een institutie het doelwit zou zijn geweest van de uitlating van de verdachte, de bescherming van art. 10 EVRM snel(ler) in beeld komt (vgl. hiervoor, voetnoot 6). 5.9 Het oordeel van het hof dat de uitlating wel gericht was tegen individuele agenten betreft een feitelijk oordeel. Onbegrijpelijk is dit oordeel niet, gelet op de vaststellingen die het hof heeft gedaan over de omstandigheden waaronder de verdachte zijn uitspraak deed (tweede alinea onder het kopje “Het doen van de uitlating A.C.A.B. en de beledigende aard daarvan”, weergegeven onder 4.2).

Dit betekent dat ook de derde deelklacht moet falen. 5.10 Het middel faalt in al zijn onderdelen. Het eerste en het tweede middel 6.1 De middelen zijn als gezegd gericht tegen het oordeel van het hof dat de betrokken opsporingsambtenaren werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Het eerste middel bevat een aantal deelklachten die telkens betrekking hebben op de rechtmatigheid van de aanhouding: (i) Het “eenmensprotest” van de verdachte zou geen manifestatie zijn in de zin van de Wet openbare manifestaties (hiervoor en hierna:

Wom) en in dat licht zou het oordeel van het hof dat de verdachte een “demonstratie” hield onjuist althans niet begrijpelijk zijn (onder randnummer 5-9, p. 5-6 van de schriftuur); (ii) tevens onbegrijpelijk zou het oordeel van het hof zijn dat sprake kon zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van art. 2.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 Amsterdam (hiervoor en hierna: APV), nu het hof niets zou hebben vastgesteld over de mogelijkheid dat het handelen van de verdachte aanleiding zou geven tot “toeloop van publiek” of “ongeregeldheden” als in dat artikel bedoeld (randnummer 10-14, p. 6-7); (iii) voorts zou de aanhouding op grond van een verdenking van overtreding van (art. 2.2 van de) APV niet rechtmatig zijn omdat de verdachte gebruik maakte van het hem krachtens art. 7 van de Grondwet toekomende recht op vrijheid van meningsuiting en beperkingen dienaangaande alleen bij wet in formele zin kunnen worden getroffen (randnummers 15, p. 7); (iv) bovendien zouden de overwegingen van het hof dat de betrokken politieambtenaren de aanhouding verrichtten in de rechtmatige uitoefening van hun bediening (mede) omdat zij uitvoering gaven aan een instructie van hun “meerdere” onbegrijpelijk zijn omdat het hof niets heeft vastgesteld over die meerdere en of die tot het geven van die instructie bevoegd was, terwijl een en ander - zo begrijp ik de steller van het middel - temeer onbegrijpelijk zou zijn in het licht van het feit dat het hof heeft vastgesteld dat de betrokken politieambtenaren ook zelf hadden waargenomen op beelden van toezichtscamera’s dat de verdachte zich op de Dam bevond (randnummers 17-20, p. 7-8); (v) ten slotte wordt door de steller van het middel nog geproblematiseerd dat de verdachte is aangehouden op grond van de verdenking van overtreding van art. 2.2 lid 3 APV, terwijl lid 4 van art. 2.2 APV bepaalt dat het in lid 3 genoemde verbod niet geldt voor demonstraties als bedoeld in de Wom (21-23, p. 8). 6.2 Het tweede middel berust vervolgens op de stelling dat de betrokken politieambtenaren in elk geval niet (meer) in de rechtmatigheid van hun bediening zouden verkeren op het moment dat zij de verdachte hebben geboeid.

Het oordeel van het hof dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de beslissing om bij de verdachte transportboeien aan te leggen “in redelijkheid hebben kunnen nemen” zou volgens de steller van het middel dan ook onbegrijpelijk zijn. Zijn klachten houden in dat: (i) het hof onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welke “feiten en omstandigheden” het aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd (randnummer 9-10, p. 14); (ii) terwijl de vaststelling dat de verdachte bij eerdere aanhoudingen “onnodig tumult maakte, een enorme show opvoerde en schreeuwde” hiervoor onvoldoende grond zou bieden (randnummer 11, p. 14-15); (iii) en het hof is voorbij gegaan aan het ter zitting gevoerde verweer, inhoudende dat de aanhoudende ambtenaar [verbalisant 1] niet had begrepen dat de verdachte eerder geweld heeft gebruikt (randnummer 12, p. 15); (iv) en het gegeven dat eerdere demonstraties op de Dam gepaard zijn gegaan met agressie en geweld, noch het feit dat de verdachte twee vlaggenstokken in zijn hand had voldoende reden zijn om hem te boeien, in welk verband door de steller van het middel opnieuw wordt verwezen naar wat hieromtrent in feitelijke aanleg zou zijn aangevoerd (randnummer 13-15, p. 15-16); (v) waarna, ten slotte, nog wordt betoogd dat het bij zich dragen van vlaggenstokken als zodanig onvoldoende reden is om de verdachte te boeien omdat arrestanten toch al niet worden vervoerd met medebrenging van de voorwerpen die zij bij zich dragen (randnummer 16-17, p. 16-17). 6.3 Beide middelen hebben als gezegd (slechts) betrekking op de strafverzwarende omstandigheid genoemd in art. 267 lid 1 onder 2º Sr.

Dit roept de vraag op of de verdachte - uitgaande van het falen van het derde middel - enig belang bij zijn klacht heeft gelet op de hoogte van de aan hem opgelegde straf. De schriftuur bevat hieromtrent geen toelichting. Juridisch kader 6.4 Het in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen onderdeel “in de rechtmatigheid van hun bediening” is ontleend aan art. 267 lid 1 onder 2º Sr. De woorden zullen dan ook zijn gebruikt in de betekenis die het heeft in die bepaling. Het begrip komt als bestanddeel tevens voor in de artikelen 180 Sr (wederspannigheid) en 185 Sr (belemmeren ambtshandeling).

Daarnaast is het in art. 304 lid 1 onder 3º Sr - net als in art. 267 lid 1 onder 2º Sr - opgenomen bij wijze van strafverzwarende omstandigheid. 6.5 In relatie tot art. 180 Sr heeft de Hoge Raad over dit bestanddeel in een arrest uit 2014 overwogen: “Bij het antwoord op de vraag of de ambtenaar werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van de bediening heeft als uitgangspunt te gelden dat de politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als bedoeld in art. 180 Sr.

Bij de beoordeling of zich omstandigheden voordoen die tot het oordeel leiden dat de uitoefening van de bediening niet rechtmatig is, kan de strafrechter de noodzaak en proportionaliteit van het desbetreffende overheidsoptreden betrekken. (Vgl. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2808).” 6.6 In een arrest uit 2019 heeft de Hoge Raad - onder verwijzing naar het hierboven geciteerde arrest - nog overwogen dat “[i]ndien (…) sprake [is] van een ontoelaatbare beperking van het demonstratierecht, (…) die enkele omstandigheid nog niet [meebrengt] dat de opsporingsambtenaar ten tijde van de aanhouding niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam was.

Een redelijk vermoeden van schuld, zoals bedoeld in art. 27 Sv, kan immers ook hebben bestaan indien na de aanhouding mocht blijken dat iemand het feit waarvan hij is verdacht niet heeft begaan of dat feit niet een volgens de wet strafbaar feit oplevert (vgl. HR 3 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8324).” 6.7 Ik wijs ook nog op een arrest uit 2021, waarin de vraag aan de orde was of voldaan is aan het bestanddeel “rechtmatige uitoefening van zijn bediening” indien een opsporingsambtenaar op verzoek van collega’s assisteert bij een aanhouding buiten heterdaad, indien later zou blijken dat dit verzoek is gedaan zonder dat aan de voor aanhouding buiten heterdaad geldende voorwaarden is voldaan.

De Hoge Raad overwoog in een overweging ten overvloede dat opmerking verdient: “dat ook indien achteraf zou komen vast te staan dat de beslissing tot aanhouding van de verdachte door de om bijstand verzoekende collega’s niet in overeenstemming met het voorschrift van artikel 54 lid 4 Sv is genomen, dat niet wegneemt dat de opsporingsambtenaar die op grond van een verzoek tot het verlenen van bijstand is overgegaan tot de feitelijke aanhouding van een verdachte, in beginsel “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” was in de zin van artikel 180 Sr. (Vgl. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2808 over een opdracht tot aanhouding van een bevoegde meerdere.)” 6.8 Bij het beoordelen van de vraag of een ambtenaar werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, kan de vraag aan de orde komen of de inzet van transportboeien rechtmatig was, in de zin dat op juiste wijze toepassing is gegeven aan art. 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.

Voor de vraag hoe dan moet worden geoordeeld, is opnieuw het hiervoor genoemde arrest uit 2014 richtinggevend. De Hoge Raad ging in dat arrest in op dat artikel en de daarbij behorende Nota van toelichting en oordeelde als volgt: “De enkele omstandigheid dat, zoals ter terechtzitting van het Hof is aangevoerd, de Nationale ombudsman - in naar in de toelichting op het middel wordt gesteld: "een vergelijkbare zaak" - in het kader van zijn aan hem in art. 9:27 Algemene wet bestuursrecht opgedragen taak te beoordelen, of "het bestuursorgaan zich al dan niet behoorlijk heeft gedragen", tot de conclusie is gekomen dat in die bewuste zaak het aanleggen van de handboeien niet behoorlijk was omdat "geen concrete feiten of omstandigheden zijn aangetoond die het aanleggen van de handboeien bij (...) op zich zouden kunnen rechtvaardigen", noopte het Hof niet zijn - andersoortige - oordeel betreffende de rechtmatigheid van dat gedrag nader te motiveren.” 6.9 Het oordeel van het hof, dat erop neerkwam dat een verbalisant “de beslissing om de verdachte ten behoeve van het vervoer te boeien in de gegeven omstandigheden in redelijkheid [had] kunnen nemen”, liet de Hoge Raad in stand. 6.10 Uit het voorgaande volgt als algemeen uitgangspunt dat aan de (politie)ambtenaar die een dwangmiddel toepast op een burger een zekere beoordelingsruimte wordt gegund, gebaseerd op de feiten en omstandigheden die op dat moment bekend zijn, en dat niet steeds wanneer achteraf blijkt dat een verdenking ongegrond was of de inzet van een dwangmiddel in enige mate disproportioneel, de rechtmatigheid aan het handelen komt te ontvallen in die zin dat geen sprake meer is van een rechtmatige bediening als in de hiervoor genoemde bepalingen bedoeld.

De ondergrens is daarbij wel dat indien op het moment van de inzet van een dwangmiddel geen redelijk vermoeden van schuld bestaat in de zin van art. 27 Sv, de “rechtmatigheid” als bedoeld in het bestanddeel “rechtmatigheid van zijn bediening” niet zal kunnen worden bewezen. 6.11 De verdachte in deze zaak is aangehouden op grond van overtreding van art. 2.2 APV. Dit artikel luidt en luidde ten tijde van het bewezenverklaarde voor zover van belang als volgt: “3. Degene die op of aan de weg bij een gebeurtenis die tot toeloop van publiek aanleiding geeft of bij enig voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan aanwezig is dan wel zich in de richting van die gebeurtenis of dat voorval begeeft, vervolgt op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg in de aangegeven richting.

4. De verboden gelden niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.” 6.12 Het volgt uit art. 7 lid 3 Grondwet - en is vaste jurisprudentie - dat op het in dit Grondwetsartikel genoemde recht alleen bij wet in formele zin beperkingen mogen worden aangebracht. Ten aanzien van bij APV aangebrachte beperkingen heeft de Hoge Raad in een arrest uit 2021 bepaald dat: “Artikel 7 lid 3 Grondwet (…) op zichzelf niet eraan in de weg [staat] dat in een gemeentelijke verordening een regeling wordt opgenomen die niet de inhoud van te openbaren gedachten of gevoelens betreft, maar die met het oog op de openbare orde invulling geeft aan bijvoorbeeld de plaats en de wijze van openbaarmaking en verspreiding van gedachten of gevoelens door andere dan in de leden 1 en 2 van artikel 7 Grondwet genoemde middelen.

Een dergelijke regeling mag echter niet zo ver gaan dat daardoor aan een zelfstandig uitingsmiddel redelijkerwijze geen gebruik van enige betekenis meer wordt gelaten. (Vgl. HR 10 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9136 en ABRvS 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1135, rechtsoverweging 2.12.3)” De beoordeling van het eerste middel 6.13 Uit het hiervoor geschetste juridisch kader volgt dat de middelen niet kunnen slagen. Ik licht dat toe en bespreek daarbij eerst de hiervoor opgesomde en door mij genummerde deelklachten van het eerste middel. 6.14 Voor de eerste deelklacht geldt dat deze mij lijkt te berusten op een onjuiste lezing van het arrest.

Ik lees in de overwegingen van het hof niet dat het de “demonstratie” van de verdachte heeft aangemerkt als een manifestatie in de zin van de Wom. Het hof spreekt daarentegen over “protesteren” en een “protestactie”. Het hof heeft wel geoordeeld dat aan de verdachte beperkingen zijn opgelegd bij het uiten van zijn mening en dat in zoverre getoetst moet worden aan art. 10 EVRM, maar daarmee is niet gezegd dat het hof zijn “eenmansprotest” als een manifestatie in vorenbedoelde zin beschouwt. Waar het hof spreekt over “een dergelijke demonstratie” brengt het tot uitdrukking dat van de protestacties van de verdachte (ongeacht de juridische kwalificatie) een dreiging uitgaat. 6.15 Met het voorgaande is ook gezegd dat de vijfde deelklacht niet kan slagen.

Juist omdat het hof het handelen van de verdachte niet als een manifestatie in de zin van we Wom heeft aangemerkt, mist art. 2.2 lid 4 van de APV toepassing en kan dus niet gezegd worden dat lid 3 van deze bepaling buiten de orde viel. 6.16 Dit brengt me bij de derde deelklacht. Deze stuit af op het hiervoor onder 6.12 aangehaalde arrest. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers dat aan de verdachte voorschriften zijn gesteld met betrekking tot de plaats waar hij zijn mening mocht openbaren. Dit is als zodanig niet in strijd met het delegatieverbod dat voortvloeit uit lid 3 van art. 7 Grondwet. 6.17 Met betrekking tot de tweede deelklacht merk ik om te beginnen op dat de verdenking betrekking had op het zich niet op grond van het gegeven bevel verwijderen en niet op het feitelijk verblijf c.q. demonstreren op de Dam als zodanig.

Voor het overige - en voor zover ook geklaagd wordt dat het bevel niet aan de verdachte gegeven had mogen worden - geldt dat het hof heeft vastgesteld dat demonstraties zoals die van de verdachte als “risicovol” waren aangemerkt omdat zij “regelmatig aanleiding gaven tot overlast, confrontaties en geweld”. Die vaststelling wordt door de steller van het middel - expliciet - niet bestreden. Het hierop gebaseerde oordeel dat het handelen van de verdachte aanleiding kon geven tot toeloop van publiek en/of ongeregeldheden, acht ik niet onbegrijpelijk. 6.18 Voor de vierde deelklacht, ten slotte, geldt het volgende.

Gelet op de vaststellingen van het hof - die onder meer inhouden dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zelf de verdachte op de toezichtscamera’s hebben waargenomen - meen ik dat betrokken politieambtenaren zelf hebben kunnen oordelen over de rechtmatigheid van de aanhouding en in zoverre niet slechts zijn afgegaan op een opdracht van hun meerdere. 6.19 In aanvulling daarop merk ik onder verwijzing naar het onder 6.7 genoemde arrest op dat het zo is dat ook indien [verbalisant 1] en [verbalisant 2] tot aanhouding zouden zijn overgegaan op verzoek van een collega, niet zijnde een meerdere, de rechtmatigheid van hun bediening in beginsel niet wordt aangetast door eventuele gebreken in het handelen van de verzoekende collega. 6.20 Het eerste middel faalt.

De beoordeling van het tweede middel 6.21 Bij de beoordeling van dit middel kan worden vooropgesteld dat ook bij de beslissing om een verdachte te boeien politieambtenaren een zekere beoordelingsruimte hebben en dat - ook indien het aanwenden van transportboeien achteraf als disproportioneel zou worden aangemerkt - dit nog niet zonder meer leidt tot het oordeel dat de betrokken politieambtenaren bijgevolg niet meer werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Getoetst moet slechts worden of de betrokken politieambtenaren de beslissing om de verdachte ten behoeve van het vervoer te boeien in de gegeven omstandigheden in redelijkheid hebben kunnen nemen (zie hiervoor onder 6.10).

Het hof aldus de juiste maatstaf toegepast. 6.22 De wijze waarop het hof toepassing heeft gegeven aan deze maatstaf acht ik bovendien niet onbegrijpelijk. Het hof heeft - vgl. de eerste deelklacht - in de derde alinea onder het kopje “rechtmatige uitoefening van de bediening”, gewezen op “voornoemde feiten en omstandigheden”. Deze houden onder meer in dat de verdachte “toen hij werd aangehouden” begon te schreeuwen en “in een andere richting [bewoog en bleef bewegen] dan die waarin [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hem probeerden te geleiden” (onder het kopje “feiten” en bewijsmiddel 1), terwijl hij bij het aanleggen van de transportboeien direct door zijn knieën zakte en theatraal op de grond ging liggen (onder het kopje “feiten” en bewijsmiddel 3).

Aldus heeft het hof voldoende duidelijk gemaakt welke vaststellingen het aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Deze vaststellingen kunnen het kennelijke oordeel dat was voldaan aan de in art. 22 van de Ambtsinstructie genoemde gronden voor de inzet van transportboeien (kortweg: vluchtgevaar of de veiligheid) ook dragen. 6.23 Voor zover in het kader van de tweede deelklacht wordt betoogd dat het de betrokken ambtenaren niet vrijstond om eerdere ervaringen met de verdachte te betrekken bij de beslissing transportboeien te gebruiken c.q. dat het oordeel van het hof op dat punt niet begrijpelijk zou zijn, geldt dat de overwegingen van het hof dienaangaande (tweede alinea, laatste volzin onder het kopje “rechtmatige uitoefening van de bediening”) rechtstreeks ontleend is aan de Nota van toelichting waaruit ook de Hoge Raad in zijn arrest van 7 oktober 2014 heeft geciteerd (zie hiervoor onder 6.8).

De tweede deelklacht kan dan ook geen doel treffen. 6.24 Met betrekking tot de derde, vierde en vijfde deelklacht merk ik op dat uit de vaststellingen van het hof niet volgt dat de transportboeien zijn gebruikt slechts omdat de verdachte vlaggenstokken bij zich droeg en/of eerdere demonstraties gepaard gingen met agressie en geweld. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden dragen het oordeel dat de inzet van transportboeien rechtmatig is ook zelfstandig. 6.25 Ook het tweede middel faalt. Afronding 7.1 Alle middelen falen. 7.2 Ambtshalve merk ik op dat het cassatieberoep is ingesteld op 12 april 2022.

Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen hiervan. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM geschonden. Gelet op de hoogte van (het onvoorwaardelijk gedeelte van) de geldboete, kan worden volstaan met de constatering van dit verzuim. 7.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. AG Het hof heeft dit gekwalificeerd als “de eendaadse samenloop van smaadschrift, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd en eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.” In het middel wordt - net als in het voor het middel relevante in hoger beroep gevoerde verweer - geen keuze gemaakt of de bescherming van art. 10 EVRM in de weg zou moeten staan aan het bewijs van het onderdeel “beledigd”, dan wel zou moeten leiden tot het niet-kwalificeren van het bewezene als het in art. 266 lid 1 omschreven delict.

Nu het hof het verweer primair als bewijsverweer heeft opgevat (zie hierna, i.h.b. onder 4.3), volg ik die keuze in mijn interpretatie van het derde cassatiemiddel. Voor de goede orde merk ik op dat het middel niet de vraag aan de orde stelt of het oordeel van het hof begrijpelijk is dat de uitlating “A.C.A.B.” naar nationaal recht als beledigend moet worden aangemerkt. De jurisprudentie over (opzet op) het beledigend karakter van deze afkorting kan aldus buiten beschouwing blijven. (Zie m.n. HR 11 januari 2011, HR:2011:BP0291(vernietiging veroordeling n.a.v. op onjuiste wijze betrekken bij oordeel van “feiten van algemene bekendheid”), vervolgd in HR 3 juli 2012, HR:2012:BW9978 (vernietiging vrijspraak) en in HR 4 november 2014, HR:2014:3114 (verwerping beroep gericht tegen veroordeling).

Vgl. voorts HR 11 juni 2019, HR:2019:899 en de arresten van de Hoge Raad van 24 maart 2020, HR:2020:496, 497, 500 en 501.) Voor de volledigheid merk ik op dat op p. 4 van het proces-verbaal van de zitting van 29 maart 2022 staat dat de raadsman van de verdachte ter zitting het woord heeft gevoerd aan de hand van deze pleitnotities. CAG van 16 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:380, onder 23. In de schriftuur wordt verwezen naar twee arresten van het EHRM die niet in de hiervoor genoemde conclusie van AG Bleichrodt zijn besproken, te weten EHRM 25 juni 1991, ECLI:CE:ECHR:1992:0625JUD001377888 (Thorgeir Thorgeirson t.

IJsland) en EHRM 20 april 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:0420JUD006011500 (Amihalachioaie t. Moldavië). Beide zaken laten zich m.i. slecht vergelijken met de onderhavige casus, omdat het ging om onderscheidenlijk kritiek op de politieorganisatie en kritiek op een instituut (het Constitutioneel Hof van Moldavië). Het betrof dus telkens niet het beledigen van individuen. Dat laatste is - ook in de rechtspraak van het EHRM - van groot belang omdat kritiek op instituties, ook indien daarbij vulgaire, denigrerende en venijnige termen worden gebruikt, snel beschermd wordt door art. 10 EVRM (vgl. bijv.

EHRM 28 augustus 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0828JUD001069209 (Terentyev t. Rusland), § 75, ook besproken in de genoemde CAG van AG Bleichrodt onder randnummer 22. Vgl. meest recent HR 16 april 2024, HR:2024:589, rov. 2.4.3. Zie L. Noyon, Strafrecht en publieke opinie (diss. Leiden), Den Haag: Boom juridische uitgevers 2021, p.

64. Vgl. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5623. EHRM 21 januari 1999, ECLI:CE:ECHR:1999:0121JUD002571694 (Janowski t. Polen), § 32. Terzijde merk ik op dat van belang kan zijn dat art 267 Sr - net als art. 304 Sr - in zoverre van art. 180 en 185 Sr afwijkt dat in eerstgenoemde artikelen niet slechts wordt gesproken van het beledigen onderscheidenlijk het (zwaar) mishandelen van een ambtenaar “gedurende” de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, maar ook strafbaar is gesteld het beledigen c.q. (zwaar) mishandelen van zo’n ambtenaar “ter zake van” de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Dit laatste maakt dat de strafverzwaringsgrond ook in aanmerking komt indien de betrokken ambtenaar ten tijde van de belediging niet aan het werk is, mits “de belediging met betrekking tot de uitoefening van de bediening is gedaan”, zo oordeelde de Hoge Raad in een in 2017 gewezen arrest (HR 19 september 2017, HR:2017:2394, rov. 2.4; vgl. ook HR 27 oktober 2020, HR:2020:1686, rov. 3.4). In dat geval is wel vereist dat de belediging betrekking heeft “niet op de enkele hoedanigheid van de ambtenaar maar op de uitoefening van zijn bediening”.

Nu het hof in de bewezenverklaring geen keuze heeft gemaakt tussen het beledigen “gedurende” of “ter zake van”, terwijl dit onderwerp ook in het middel niet wordt aangesneden, laat ik dit hier verder rusten. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919, rov. 3.6. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:724, rov. 4.4. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919, rov. 3.6. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919, rov. 3.6. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1449, rov. 2.4.1. Vgl. Machielse in zijn noot onder NJ 2022/4, onder 4. Hij pleit er in dit verband voor om (meer geringe) overschrijdingen van de proportionaliteit en subsidiariteit te beoordelen aan de hand van het in art. 359a Sv gegeven kader in plaats van via de “drastische” bewijsvraag ten aanzien van het bestanddeel rechtmatige uitoefening van zijn bediening (onder 7 van de noot).

HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1449, rov. 2.4.1. HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1946, rov. 2.7.2. Randnummer 6, p. 5 van de schriftuur. Zie meest recent HR 26 maart 2024, HR:2024:492 rov. 3.1.3 i.s.m. 3.1.2.