ECLI:NL:PHR:2024:330 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedPROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/04286 Zitting 9 april 2024 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 16 november 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch in de zaak met parketnummer 02-036339-22 wegens "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht", veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:2024:330 · Parket bij de Hoge Raad: van Wees In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 16 november 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch in de zaak met parketnummer 02-036339-22 wegens "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht", veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J.
Cited Case Law
AI generatedFull text
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/04286 Zitting 9 april 2024 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 16 november 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch in de zaak met parketnummer 02-036339-22 wegens "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht", veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J.
Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel 2.1 Het middel bevat de klacht dat het gerechtshof heeft verzuimd in het arrest op te nemen dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij in zoverre de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, en andersom. 2.2 Het middel is terecht voorgesteld. Het hof heeft immers in zijn arrest afzonderlijk de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen “tot het bedrag” van € 750,00.
Daarnaast heeft het hof voor hetzelfde bedrag aan de verdachte een verplichting opgelegd om ten behoeve van het slachtoffer (genaamd [slachtoffer]) een even hoog bedrag aan de Staat te betalen. Het hof heeft daarbij evenwel verzuimd om in het arrest op te nemen dat het hier een alternatieve vergoedingsplicht betreft. 2.3 De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door te doen wat het hof had behoren te doen (vgl. HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:3, en eerder al HR 12 januari 1999, NJ 1999/246). Afronding 3.1 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 3.2 Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover deze niet een alternatieve vergoedingsplicht bevat.
De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door te bepalen dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in zoverre de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij doet vervallen, en dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij in zoverre de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. AG