Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2024:151 ECLI:NL:PHR:2024:151 AI generated

ECLI:NL:PHR:2024:151 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2024:151
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/02600 Datum 2 februari 2024 Belastingkamer A Onderwerp/tijdvak Dividendbelasting - 2004/2005 en 2005/2006 Nr. Gerechtshof 22/00373 en 22/00374 Nr. Rechtbank BRE 17/4507 en 17/4508 CONCLUSIE P.J. Wattel Met bijlage In de zaak van [X] tegen Staatssecretaris van Financiën 1De feiten en het geding in feitelijke instanties De feiten 1.1 De belanghebbende is een naar Duits recht opgericht en in Duitsland gevestigd beleggingsfonds. Hij heeft geen vaste inrichting in Nederland en is in Nederland niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting. 1.2 De belanghebbende heeft voor de boekjaren 2004/2005 en 2005/2006 om teruggaaf van dividendbelasting verzocht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2024:151 · Parket bij de Hoge Raad: De Inspecteur achtte de belanghebbende overigens ook objectief onvergelijkbaar met een dooruitdelings- en inhoudingsplichtige fbi. 1.6 Het Hof heeft overwogen dat de term “te zijnen laste ingehouden dividendbelasting” in art. 10 Divb betekent dat de teruggevraagde dividendbelasting moet zijn geheven van de verzoeker als opbrengstgerechtigde in de zin van art. 1(1) Divb. Als de Inspecteur betwist – zoals in casu – dat de belanghebbende aan de voorwaarden voor teruggaaf voldoet, rust op de belanghebbende de last om feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die meebrengen dat hij wel aan die voorwaarden voldoet.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBZWB:2022:174
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a.
ECLI:NL:HR:2020:1674
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummers 16/03954, 17/02428, 19/01141 Datum 23 oktober 2020 PREJUDICIËLE BESLISSING in het geding tussen KÖLN-AKTIENFONDS DEKA te [Z], Duitsland (hierna: belanghebbende) en de INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST (hierna: de Inspecteur) waarin de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) bij beslissingen van 1 augustus 2016, 8 mei 2017 en 26 februari 2019, nrs. BRE 12/29, BRE 12/30 en BRE 12/152 tot en met BRE 12/154, op de voet van artikel 27ga AWR vragen aan de Hoge Raad heeft voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.
ECLI:NL:GHSHE:2023:1689
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 22/00373 en 22/00374 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] (thans: [belanghebbende] ), gevestigd in [vestigingsplaats] (Duitsland), hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 januari 2022, nummers BRE 17/4507 en 17/4508, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft voor de (boek)jaren 2004/2005 en 2005/2006 verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting ingediend. 1.2.
ECLI:NL:HR:2019:1610
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 18/03614 Datum 18 oktober 2019 ARREST in de zaak van [X] te [Z], Japan (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 juli 2018, nrs. 17/00296 tot en met 17/00299, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 14/7470 tot en met 14/7473) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen inzake dividendbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:PHR:2021:70
Het Hof verwees naar de conclusie van 28 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:70, onderdeel 7.2.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/02600 Datum 2 februari 2024 Belastingkamer A Onderwerp/tijdvak Dividendbelasting - 2004/2005 en 2005/2006 Nr. Gerechtshof 22/00373 en 22/00374 Nr. Rechtbank BRE 17/4507 en 17/4508 CONCLUSIE P.J. Wattel Met bijlage In de zaak van [X] tegen Staatssecretaris van Financiën 1De feiten en het geding in feitelijke instanties De feiten 1.1 De belanghebbende is een naar Duits recht opgericht en in Duitsland gevestigd beleggingsfonds. Hij heeft geen vaste inrichting in Nederland en is in Nederland niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting. 1.2 De belanghebbende heeft voor de boekjaren 2004/2005 en 2005/2006 om teruggaaf van dividendbelasting verzocht.

Die verzoeken zijn door de Inspecteur afgewezen. De belanghebbende heeft tevergeefs bezwaar gemaakt. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1.3 De belanghebbende stelde voor de Rechtbank dat het vrije kapitaalverkeer hem hetzelfde recht op teruggaaf van dividendbelasting toekent als nationaalrechtelijk aan een ingezeten fiscale beleggingsinstelling (fbi) toekomt omdat hij behoudens zijn vestigingsplaats vergelijkbaar is met een ingezeten fbi. 1.4 Volgens de Rechtbank heeft de Inspecteur de teruggaafverzoeken terecht afgewezen. De belanghebbende heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet ingestemd met een dividendbelastingvervangende betaling harerzijds als bedoeld in rechtsoverweging 5.4 van uw arrest HR BNB 2021/73.

Reeds daarom bestond volgens de Rechtbank geen recht op teruggaaf, nu zonder die betaling geen vergelijkbaarheid bestaat met een ingezeten fbi, die wél dividendbelasting moet inhouden en afdragen. In hetgeen de belanghebbende aanvoerde, zag de Rechtbank geen aanleiding om Unierechtelijk voor de belanghebbende gunstiger rechtsherstel geboden te achten of om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Aan de klacht over “vele onduidelijkheden ten aanzien van het rechtsherstel zoals voorgeschreven door de Hoge Raad” is de Rechtbank voorbij gegaan, reeds omdat de belanghebbende niet heeft opgehelderd om welke onduidelijkheden het zou gaan en evenmin een eigen berekening van het dividendbelastingvervangende bedrag heeft ingebracht.

Overigens neemt die klacht volgens de Rechtbank niet weg dat de belanghebbende niet heeft ingestemd met welke vervangende betaling dan ook, zodat het verzoek terecht is afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch 1.5 De belanghebbende stelde ook in hoger beroep met een beroep op Unierecht dat hij recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting omdat hij behoudens zijn vestigingsplaats vergelijkbaar is met een ingezeten fbi. De Inspecteur stelde dat de belanghebbende geen dividendnota’s heeft overgelegd zodat (de omvang van) het bedrag waarvoor recht op teruggaaf zou bestaan onvoldoende aannemelijk is gemaakt en reeds daarom geen recht op die teruggaaf bestaat.

De Inspecteur achtte de belanghebbende overigens ook objectief onvergelijkbaar met een dooruitdelings- en inhoudingsplichtige fbi. 1.6 Het Hof heeft overwogen dat de term “te zijnen laste ingehouden dividendbelasting” in art. 10 Divb betekent dat de teruggevraagde dividendbelasting moet zijn geheven van de verzoeker als opbrengstgerechtigde in de zin van art. 1(1) Divb. Als de Inspecteur betwist – zoals in casu – dat de belanghebbende aan de voorwaarden voor teruggaaf voldoet, rust op de belanghebbende de last om feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die meebrengen dat hij wel aan die voorwaarden voldoet.

Onduidelijkheid daarover en bewijsnood komen daarbij voor zijn rekening, aldus het Hof. 1.7 Het Hof stelde vast dat de belanghebbende, hoewel diverse malen daarop en op mogelijke consequenties gewezen, geen dividendnota’s heeft overgelegd of anderszins inhoudelijk is ingegaan op het standpunt van de inspecteur. Evenmin is gesteld of gebleken dat op grond van art. 9(3) Divb uitreiking van dividendnota’s achterwege kon blijven. De verzochte teruggaaf stuit er dan op af dat de belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat en zo ja, hoeveel Nederlandse dividendbelasting te zijnen laste is ingehouden in de betrokken jaren, zodat niet is komen vast te staan dat en tot welk bedrag de teruggevraagde dividendbelasting ten laste van de belanghebbende is ingehouden. 1.8 Het Hof kwam aldus niet toe aan de vraag of de belanghebbende al dan niet objectief vergelijkbaar is met een ingezeten fbi en heeft het hogere beroep ongegrond verklaard.

2Het geding in cassatie

Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Voor de inhoud van het cassatiemiddel en van het verweer verwijs ik naar onderdeel 4 van de bijlage. 3Beoordeling Op de gronden vermeld in onderdeel 5 van de bijlage bij deze conclusie meen ik dat het middel niet tot cassatie leidt. 4Conclusie Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de belanghebbende ongegrond te verklaren. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 januari 2022, nrs. 17/4507 en 17/4508, ECLI:NL:RBZWB:2022:174.

HR 23 oktober 2020, nrs. 16/03954, 17/02428 en 19/01141, ECLI:NL:HR:2020:1674, BNB 2021/73 met noot Douma, FutD 2020-3093 met noot redactie, V-N 2020/54.14 met noot redactie, NLF 2020/2372 met noot De Haan, FED 2021/64 met noot Vleggeert en NTFR 2020/3011 met noot Simonis. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 mei 2023, nr. 22/00373 en 22/00374, ECLI:NL:GHSHE:2023:1689. Het Hof verwees naar HR 18 oktober 2019, nr. 18/03614, ECLI:NL:HR:2019:1610, r.o. 2.4.2. Het Hof verwees naar de conclusie van 28 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:70, onderdeel 7.2.