Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2024:121 ECLI:NL:PHR:2024:121 AI generated

ECLI:NL:PHR:2024:121 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2024:121
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/02609 Datum 2 februari 2024 Belastingkamer A Onderwerp/tijdvak Dividendbelasting – 2012 t/m 2014 Nr. Gerechtshof BK-SHE 22/00344 tot en met 22/00346 Nr. Rechtbank 17/4419 tot en met 17/4421 CONCLUSIE P.J. Wattel In de zaak van [X] tegen STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN 1De feiten en het geding in feitelijke instanties De feiten 1.1 De belanghebbende is een naar Duits recht opgericht en in Duitsland gevestigd beleggingsfonds. Hij heeft geen vaste inrichting in Nederland en is in Nederland niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting. 1.2 De belanghebbende heeft voor de jaren 2012 t/m 2014 verzocht om teruggaaf van dividendbelasting tot hetzelfde bedrag als een ingezeten fiscale beleggingsinstelling (fbi) aan afdrachtvermindering genoten zou hebben.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2024:121 · Parket bij de Hoge Raad: De Inspecteur achtte de belanghebbende overigens ook objectief onvergelijkbaar met een dooruitdelings- en inhoudingsplichtige fbi. 1.6 Het Hof heeft overwogen dat de term “te zijnen laste ingehouden dividendbelasting” in art. 10 Divb betekent dat de teruggevraagde dividendbelasting moet zijn geheven van de verzoeker als opbrengstgerechtigde in de zin van art. 1(1) Divb. Als de Inspecteur betwist – zoals in casu – dat de belanghebbende aan de voorwaarden voor teruggaaf voldoet, rust op de belanghebbende de last om feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die meebrengen dat hij wel aan die voorwaarden voldoet.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2021:506
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/00104 Datum 9 april 2021 PREJUDICIËLE BESLISSING op het verzoek van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) aan de Hoge Raad om in het geding tussen [X] INC. te [Z], Verenigde Staten van Amerika, (hierna: belanghebbende) tegen de INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST de bij beslissing van 4 januari 2019, nrs. 18/00178 tot en met 18/00182, op de voet van artikel 27ga AWR voorgelegde vragen bij wijze van prejudiciële beslissing te beantwoorden. De beslissing van het Hof is aan deze beslissing gehecht. 1De procedure in feitelijke instanties 1.1 Belanghebbende heeft de Inspecteur voor de boekjaren 2006/2007 tot en met 2010/2011 verzocht om teruggaaf van de dividendbelasting die ten laste van haar is ingehouden op dividenden, uitgekeerd op aandelen in Nederlandse vennootschappen. 1.2 De Inspecteur heeft deze verzoeken bij beschikking afgewezen. 1.3 Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.
ECLI:NL:HR:2019:1610
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 18/03614 Datum 18 oktober 2019 ARREST in de zaak van [X] te [Z], Japan (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 juli 2018, nrs. 17/00296 tot en met 17/00299, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 14/7470 tot en met 14/7473) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen inzake dividendbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:PHR:2021:70
Het Hof verwees naar de conclusie van 28 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:70, onderdeel 7.2.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/02609 Datum 2 februari 2024 Belastingkamer A Onderwerp/tijdvak Dividendbelasting – 2012 t/m 2014 Nr. Gerechtshof BK-SHE 22/00344 tot en met 22/00346 Nr. Rechtbank 17/4419 tot en met 17/4421 CONCLUSIE P.J. Wattel In de zaak van [X] tegen STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN 1De feiten en het geding in feitelijke instanties De feiten 1.1 De belanghebbende is een naar Duits recht opgericht en in Duitsland gevestigd beleggingsfonds. Hij heeft geen vaste inrichting in Nederland en is in Nederland niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting. 1.2 De belanghebbende heeft voor de jaren 2012 t/m 2014 verzocht om teruggaaf van dividendbelasting tot hetzelfde bedrag als een ingezeten fiscale beleggingsinstelling (fbi) aan afdrachtvermindering genoten zou hebben.

Die verzoeken zijn door de Inspecteur afgewezen. De belanghebbende is tevergeefs in bezwaar gegaan. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1.3 De belanghebbende stelde voor de Rechtbank dat het vrije kapitaalverkeer hem hetzelfde recht op afdrachtvermindering toekent als nationaalrechtelijk aan een ingezeten fiscale beleggingsinstelling (fbi) toekomt omdat hij behoudens zijn vestigingsplaats vergelijkbaar is met een ingezeten fbi. 1.4 Volgens de Rechtbank heeft de Inspecteur de teruggaafverzoeken terecht afgewezen, gegeven dat u in de zaak BNB 2021/89 heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd als niet-ingezeten beleggingsinstellingen, doordat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering waarvoor wél-inhoudingsplichtige ingezeten fbi’s in aanmerking komen.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch 1.5 De belanghebbende stelde ook in hoger beroep met een beroep op Unierecht dat zij recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting tot hetzelfde bedrag als de afdrachtvermindering die een ingezeten fbi zou genieten omdat hij behoudens zijn vestigingsplaats vergelijkbaar is met een ingezeten fbi. De Inspecteur stelde dat de belanghebbende geen dividendnota’s heeft overgelegd zodat (de omvang van) het bedrag waarvoor recht op teruggaaf zou bestaan onvoldoende aannemelijk is gemaakt en reeds daarom geen recht op die teruggaaf bestaat.

De Inspecteur achtte de belanghebbende overigens ook objectief onvergelijkbaar met een dooruitdelings- en inhoudingsplichtige fbi. 1.6 Het Hof heeft overwogen dat de term “te zijnen laste ingehouden dividendbelasting” in art. 10 Divb betekent dat de teruggevraagde dividendbelasting moet zijn geheven van de verzoeker als opbrengstgerechtigde in de zin van art. 1(1) Divb. Als de Inspecteur betwist – zoals in casu – dat de belanghebbende aan de voorwaarden voor teruggaaf voldoet, rust op de belanghebbende de last om feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die meebrengen dat hij wel aan die voorwaarden voldoet.

Onduidelijkheid daarover en bewijsnood komen daarbij voor zijn rekening, aldus het Hof. 1.7 Het Hof stelde vast dat de belanghebbende, hoewel diverse malen daarop en op mogelijke consequenties gewezen, geen dividendnota’s heeft overgelegd of anderszins inhoudelijk is ingegaan op het standpunt van de inspecteur. Evenmin is gesteld of gebleken dat op grond van art. 9(3) Divb uitreiking van dividendnota’s achterwege kon blijven. De verzochte teruggaaf stuit er dan op af dat de belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat en zo ja, hoeveel Nederlandse dividendbelasting te zijnen laste is ingehouden in de betrokken jaren, zodat niet is komen vast te staan dat en tot welk bedrag de teruggevraagde dividendbelasting ten laste van de belanghebbende is ingehouden. 1.8 Het Hof kwam aldus niet toe aan de vraag of de belanghebbende al dan niet objectief vergelijkbaar is met een ingezeten fbi en heeft het hogere beroep ongegrond verklaard.

2Het geding in cassatie

De belanghebbende heeft tijdig en ook overigens regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Voor de inhoud van het cassatiemiddel en van het verweer verwijs ik naar onderdeel 4 van de bijlage. 3Beoordeling Op de gronden vermeld in onderdeel 5 van de bijlage bij deze conclusie meen ik dat het middel niet tot cassatie leidt. 4Conclusie Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de belanghebbende ongegrond te verklaren. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal HR 9 april 2021, nr. 19/00104, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2021:506, BNB 2021/89 met noot Cornelisse, FutD 2021-1153 met noot redactie, V-N 2021/17.10 met noot redactie, NLF 2021/1113 met noot De Haan, FED 2021/118 met noot Vleggeert en NTFR 2021/1362 met noot Simonis. Het Hof verwees naar HR 18 oktober 2019, nr. 18/03614, ECLI:NL:HR:2019:1610, r.o. 2.4.2. Het Hof verwees naar de conclusie van 28 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:70, onderdeel 7.2.