Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2023:805 ECLI:NL:PHR:2023:805 AI generated

ECLI:NL:PHR:2023:805 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2023:805
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/04625 Zitting 26 september 2023 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, hierna: de verdachte I. Inleiding 1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 26 oktober 2021 wegens “ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf voor de duur van 180 uur. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en ten aanzien van het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd.

Legislator headnote

AI generated

art. 36f Sr, art. 342 Sv; ECLI:NL:PHR:2023:805 · Parket bij de Hoge Raad: Conclusie Het hof is gezien dit alles van oordeel dat de verdachte als docent en mentor een seksuele relatie met de destijds minderjarige aangeefster heeft gehad en acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend, bewezen.” III. Het middel van cassatie en de bespreking daarvan 6. Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring niet toereikend is gemotiveerd omdat niet is voldaan aan de bewijsminimumregel als bedoeld in art. 342, tweede lid Sv, doordat het hof het bewijs van het tenlastegelegde in wezen uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige, namelijk die van de aangeefster.

Keywords

AI generated
art. 36f Sr art. 342 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 36f Sr
Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en ten aanzien van het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd.
art. 342 Sv
Volgens het tweede lid van art. 342 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2010:BM2452
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
NJ 2010/515
HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515, m.nt.
ECLI:NL:HR:2023:484
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 21/02604 Datum 28 maart 2023 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 juni 2021, nummer 23-003381-19, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, hierna: de verdachte. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. 2Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel 2.1 Het eerste cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van een verweer over de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebruikte aangifte. Het tweede cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof in strijd met artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige, te weten de aangeefster. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 2.2.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij: “1. op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 september 1991 tot en met 31 november 1991 in Nederland, telkens door geweld en bedreiging met geweld [aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 1979), heeft gedwongen met hem buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte: - die [aangeefster] heeft vastgepakt en aan de arm heeft meegetrokken/meegenomen naar een slaapkamer en/of - die [aangeefster] vervolgens op het bed heeft gegooid/gelegd en/of - vervolgens de (onder)broek van die [aangeefster] naar beneden heeft gescheurd en/of - de hand van die [aangeefster] op het bed heeft geduwd en heeft vastgehouden en/of - die [aangeefster] de woorden heeft toegevoegd: “Als jij het niet doet dan pak ik je zus”, althans woorden van gelijke aard en strekking en/of - aldus voor die [aangeefster] telkens een zodanig bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handelingen met verdachte kon onttrekken of durfde te onttrekken; 2. op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 1991 tot en met 19 september 2001 in Nederland, telkens door geweld of andere feitelijkheden en bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 1979) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , hebbende verdachte meermalen: - zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster] gebracht en gemeenschap gehad met die [aangeefster] en/of - zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [aangeefster] gebracht en die [aangeefster] gevingerd en/of - die [aangeefster] zijn, verdachtes, penis in de mond laten brengen, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en bedreiging met geweld of die andere feitelijkheden telkens hierin dat hij, verdachte, een of meermalen: - die [aangeefster] heeft vastgepakt en vastgehouden en een fysiek overwicht heeft gehad op die [aangeefster] en/of - die [aangeefster] de woorden heeft toegevoegd: “Als jij het niet doet dan pak ik je zus”, en/of - een groot leeftijdsverschil met die [aangeefster] heeft en de oom van die [aangeefster] is en daardoor een mentaal overwicht op die [aangeefster] heeft gehad en/of - die [aangeefster] de woorden heeft toegevoegd: “Niemand die je gelooft”, en/of - die [aangeefster] op haar fiets heeft klemgereden met zijn, verdachte’s, bedrijfsbus en die [aangeefster] vervolgens in zijn bedrijfsbus heeft getrokken en vervolgens met die [aangeefster] in die bus naar een bedrijventerrein is gereden en/of - ondanks dat die [aangeefster] telkens tegen verdachte “nee” heeft gezegd en hem heeft weggeduwd en tegen hem heeft geschreeuwd en boos op hem is geworden en heeft gehuild en heeft gedreigd aangifte te zullen doen, waarna hij, verdachte, zei “ze geloven je toch niet, het is jouw woord tegen het mijne” en aldus voor die [aangeefster] telkens een zodanig bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handelingen met verdachte kon onttrekken en/of durfde te onttrekken.” 2.2.2 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL 1100-2016279070-1 van 27 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpag. 10-24). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum afgelegde verklaring van de aangeefster [aangeefster] : Ik, [aangeefster] , geboren [geboortedatum] 1979, doe aangifte van langdurige, stelselmatige verkrachting door mijn oom, [verdachte] . Hij is de man van mijn moeders jongste zus, dus een aangetrouwde oom. Hij is getrouwd met [betrokkene 1] (verder te noemen: [betrokkene 1] ). Het is gebeurd vanaf mijn 11e levensjaar tot aan mijn 20e/21e. Het vond plaats: - in zijn huis, in [plaats] op de [a-straat] , als ik aan het oppassen was; - op een parkeerplaats; - in een huis van een vriend waar hij mij mee naartoe heeft genomen, op de [b-straat] in [plaats] ; - in zijn auto, een Ford bus; - in [plaats] , waar ik woonde in verband met mijn opleiding. De eerste keer was dat ik aan het oppassen was. Dat was in het huis van [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: [verdachte] ). Ik lag op de slaapkamer van mijn nichtje [betrokkene 2] . Ik weet heel specifiek als een houvast voor mijzelf, dat ik de musical aan het oefenen was, dus ik zat in groep 8. Ik was toen 11 jaar, want ik was een vroege leerling. Ik lag in bed. Toen hoorde ik de poortdeur slaan, de voordeur open gaan en voetstappen omhoog. Hij liep richting de slaapkamer waar ik lag. Ik merkte dat hij naast mij knielde of een hurkende houding aannam. Ik dacht: “Dit klopt niet”. Voordat ik het wist, zat zijn hand onder het dekbed op mijn been. Ik kon niet meer doen alsof ik sliep. Ik weet dat ik met mijn handje zijn hand heb proberen weg te duwen. Ik weet dat ik heel duidelijk “nee” heb gezegd. Ik weet dat hij naar alcohol rook en desondanks ging hij met zijn hand wel naar mijn vagina/plasser in mijn broekje. Ik duwde hem weg. Hij probeerde met zijn hand aan mijn vagina/plasser te zitten. Zijn hand zat tussen mijn schaamlipjes, de bovenzijde van de vagina. Hij zat onder mijn broekje. Toen de poortdeur dichtsloeg schrok hij en was ik gered. Toen zei hij: “Net doen alsof er niets aan de hand is”. Toen was hij weg. Tussen de eerste en de tweede keer heeft wel even gezeten, een aantal maanden. Ik denk in het najaar want het was kouder, ik weet wel dat ik nog steeds 11 jaar oud was. De tweede keer was ik ook aan het oppassen in hetzelfde huis bij [verdachte] . [verdachte] was ook alleen thuisgekomen. Ik hoorde hem thuiskomen, direct was ik angstig. Hij is in de slaapkamer gekomen, waar ik aan het oppassen was, hij is toen heel snel met zijn vinger in mijn plasser gegaan, onder de dekens. Hij was een bruut, hardhandig. Ik weet dat ik probeerde om mijn benen bij elkaar te duwen en hij probeerde mijn benen uit elkaar te doen. Hij gaat hardhandig in mijn plasser. Het deed zeer, ik had pijn. Ik denk dat [verdachte] mij 18 à 20 keer op deze manier heeft aangerand, waarmee ik bedoel dat hij met zijn vinger in mijn plasser (het hof begrijpt uit de context hier en hierna: plasser/vagina) is gegaan. Dit is gebeurd in het huis van een vriend van [verdachte] en in de auto van [verdachte] , rijdend maar ook stilstaand op een industrieterrein, op de kermis van [A] , op vakantie op de camping “ [B] ” in [plaats] , waar mijn zus en ik gingen logeren. Verkrachten, dat is de penis in de plasser, was de eerste keer toen ik op de middelbare school zat. Ik was net twaalf want in september was ik twaalf jaar geworden. Het gebeurde in het huis van [verdachte] en op de slaapkamer van [verdachte] en [betrokkene 1] . Hij kwam wederom alleen thuis. Ik lag bij [betrokkene 2] op de slaapkamer. Hij kwam binnen. Ik kan mij herinneren dat hij mij bij mijn arm trok en meenam richting hun slaapkamer. Hij heeft mij op het bed gegooid/gelegd. Op het moment dat hij mij uit de slaapkamer trok, dat overrompelde mij omdat hij mij heel hard bij mijn armpje pakte. Ik was doodsbang voor wat er komen ging. Ik weet dat hij mij met één hand vasthield en op dat bed duwde. Ik weet dat ik nee heb gezegd, niet doen, ik wilde dit niet. Ik spartelde een beetje, maar in mijn beleving was [verdachte] heel sterk. Ik zie mij liggen op mijn bed. Ik zie dat hij met zijn hand in zijn eigen broek gaat, en deze naar beneden trekt. Ik heb heel duidelijk “nee” gezegd en hem proberen tegen te werken. Hij is over mij heen gekropen en heeft mijn broekje naar beneden gescheurd en ging naar binnen. Met zijn piemel (het hof begrijpt hier en hierna: piemel/penis) in mijn vagina, terwijl hij dat deed voelde ik heel veel pijn. Was ik doodsbang en probeerde met mijn andere hand die los was, hem weg te duwen. Het deed wel heel zeer, maar die piemel ging erin. Het deed zo zeer dat het voelde alsof ik uit elkaar gescheurd werd, alsof ik van onder kapot ging. Ik weet zeker dat het niet zijn vingers waren want met zijn ene hand duwde hij mijn hand op het bed en zijn andere hand was bij mijn hoofd. Hij (het hof begrijpt: [verdachte] ) heeft nog wel zijn hand tussen mijn benen gehad om hem (het hof begrijpt: zijn piemel/penis) erin te krijgen maar daarna zat zijn hand bij mijn hoofd toen hij erin zat. Die andere hand heeft hij nooit meer losgelaten. Hij was mij aan het verkrachten. Het zal niet heel lang zijn geweest. Hij stopte opeens. Toen ik op de wc zat, het deed zo zeer, pakte ik een doekje en toen zag ik tussen mijn benen wit spul en toen ik mij afveegde zag ik allemaal bloed. De laatste keer dat [verdachte] mij verkrachtte was in [plaats] , dus met piemel in mijn vagina. Op deze manier heeft [verdachte] mij rond de 20 keer verkracht. Alle keren paste hij dwang toe om het voor elkaar te krijgen. Hij was heel hardhandig. Ik heb nee gezegd. Ik heb hem weggeduwd maar hij was sterker. Hij zei constant: ‘'Niemand die je gelooft, niemand die je gelooft”. Ik denk dat ik 19 of 20 was toen [verdachte] mij voor de laatste keer verkrachtte. Toen ik 26 of 27 jaar (het hof begrijpt: ongeveer 26 of 27 jaar was) was stond hij weer voor mijn deur en toen heeft hij het weer geprobeerd. Het is niet gelukt, maar ik zat wel onder de blauwe plekken. Ik heb zijn piemel wel eens in mijn mond moeten stoppen. 2 à 3 keer. Ik was toen 12 à 13 jaar oud. In zijn huis, op hun bed. En in de auto op die parkeerplaats. Mijn zus (het hof begrijpt uit het dossier hier en hierna: [betrokkene 3] ) en ik zijn een tweeling. Wat voor mij heel veel angst heeft ingeboezemd was dat hij zei: “Als jij het niet doet dan pak ik je zus”. Dit zei hij vanaf de derde verkrachting. De eerste persoon aan wie ik vertelde dat dit gebeurde was mijn zus toen wij op de camping waren. Daar heeft [verdachte] bij het toilethokje zijn hand in mijn broek gestopt. Ik kon hem wegduwen en weglopen en toen heeft hij mij tegen een caravan geduwd. Hij probeerde mij te zoenen maar wij werden gestoord door zijn vrouw [betrokkene 1] . Ik hoorde haar schreeuwen: “Godverdomme [verdachte] ”. Ik ben toen naar de tent gelopen waar mijn zusje lag en ik zei huilend: “ [betrokkene 3] , ome [verdachte] heeft aan mij gezeten”. Ik was toen 13 of 14 jaar. In 2004 of 2005 ben ik bij de huisarts geweest omdat ik niet meer kon. Ik heb daarover (het hof begrijpt uit de context: over hetgeen de aangeefster met [verdachte] was overkomen) gesproken. Ik ontwikkelde een eetprobleem. Ik dacht als ik nu heel dik word vindt hij mij niet meer leuk. Dat is niet gelukt dat hij mij niet meer leuk vond of niet meer kwam. Ik was op een gegeven moment depressief. Ik kon op een gegeven moment niet meer. Ik heb in december 2016 een brief geschreven aan [verdachte] waarin ik heb aangegeven dat hij mij verkracht heeft. Mijn tante heeft mij ongeveer een week nadat ik die brief had gestuurd een kaartje geschreven uit de grond van haar hart. 2. Een geschrift, te weten schriftelijk verslag van de aangeefster [aangeefster] (dossierpag. 26-28). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Geboortedatum: [verdachte] [geboortedatum] 1957 In 1995 ging ik naar het [C] in [plaats] en moest met de trein, fietsen naar het station. [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) dook overal op, hij reed mij klem, deed de schuifdeur van zijn bus open, hup mijn fiets erin en mee naar het industrieterrein ‘ [D] ’ in [plaats] (het hof begrijpt: [plaats] ). Daar werd ik verkracht of moest ik oraal zijn penis in mijn mond nemen, hij hield met 1 hand mijn nek vast zodat ik niet weg kon. Toen hij klaarkwam, had ik het gevoel of ik stikte. Ook moest ik hem vaak bevredigen omdat verkrachten moeilijk ging in de auto. Daarna moest ik uit de auto en met mijn fiets terugfietsen naar het station. 3. Een proces-verbaal verhoor getuige [aangeefster] , opgemaakt door de rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Holland, van 27 juni 2018. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de aangeefster [aangeefster] : Het is ook in zijn bus gebeurd. Ik fietste naar het station om naar school te gaan. Ik fietste ’s ochtends vroeg en het was niet druk in mijn beleving. Op de [brug] , als ik naar beneden fietste, dan hoorde ik de auto. Ik had niet veel mogelijkheden om iets te doen, want hij zette zijn auto voor mijn fiets en trok mij en mijn fiets de bus in. Dat is wel vaker gebeurd. Hij reed dan naar het industrieterrein in [plaats] waar hij mij misbruikte. Ik heb “nee” gezegd en wegduwen, schreeuwen, boos worden, huilen, duwen, trekken, van je afduwen. Ik heb ook wel eens gedreigd om naar de politie te gaan of om het iedereen te vertellen. Dan zei hij lachend: “Ze geloven je toch niet, het is jouw woord tegen het mijne, niemand gelooft jou”. Ik weet nog wel dat hij een keer zo hardhandig was en dat ik zo hard moest huilen dat ik dacht: stop maar met wegduwen, dat heeft geen zin meer. Ik kan toch niet tegen zijn kracht, terwijl ik niet de slapste ben. 4. Een geschrift, te weten een brief van de aangeefster [aangeefster] , gericht aan de verdachte van december 2016 die de verdachte - zo begrijpt het hof in samenhang beschouwd met de overige bewijsmiddelen, met name de bewijsmiddelen die zijn opgenomen onder nummers 7 en 8 - op 10 december 2016 heeft ontvangen (dossierpag. 54-56). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang: december 2016 Oom [verdachte] en tante [betrokkene 1] , Hier een brief van jullie nichtje [aangeefster] . Ik heb besloten om na 25 jaar mijn mond open te doen over Oom [verdachte] . Deze titel verdient hij niet, bij lange na niet, een oom beschermt je en misbruikt en verkracht je niet. Een betere titel is een beest, een verkrachter van een jong kind. Ja jong, ik was 11 jaar, weetje het nog... ik mocht oppassen op jullie kindjes en sliep bij mijn kleine nichtje [betrokkene 2] op de kamer. Wat was ik trots dat ik het kon. Maar hoe groot was de nachtmerrie............................................................................... Je kwam eerder thuis dan [betrokkene 1] , die was achter gebleven. Ik hoorde je de trap op lopen en hoorde dat je ging kijken in de kamer van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en hierna kwam je naar [betrokkene 2] ’s kamer, keek even naar haar. En kwam toen naar mij, ik deed net alsof ik sliep de angst bekroop me zeker toen je op je knieën naast me ging zitten, ik rook de alcohol lucht die bij je vandaan kwam, hoe groot was de angst toen je handen onder het dekbed kwamen en onder mijn pyjama .... ik kroop omhoog probeerde uit bed te komen, zei NEE maar desondanks luisterde je NIET. verlamd was ik van angst. Je ging nog verder maar je werd gestoord en ik gered doordat [betrokkene 1] thuis kwam. Weg was je, wel nog even aan een doodsbang kind de mededeling ‘vertel het nooit tegen iemand, ze geloven je toch niet of ik pak je zusje als je niet meer komt oppassen’. De keren erna zijn te verschrikkelijk om op te schrijven, wat een angst, paniek en verdriet mede omdat ik nergens veilig meer was. Je dook overal op, op de hoek van de straat terwijl ik onderweg was naar school. Hup mijn fiets achter in de auto en naar het industrie terrein, waar je als een beest je gang kon gaan met een weerloos kind, en weer elke keer de angst, ik pak je zus, je ouders geloven je niet. Straten reed ik om, als ik licht zag branden bij jullie huis dan wist ik, hij komt, hij staat ergens. Een jaar later, middelbare school, hoe vaak kwam ik te laat op school, ik ben de tel kwijt, hoe vaak miste ik de trein, hoe vaak heb ik gerend naar het perron, want daar was ik veilig, hoe vaak ging ik zo maar naast vreemde mensen fietsen om maar niet mee te hoeven. Niet wetende of en wanneer je wel of niet toevallig (bewust) weer daar langs zou rijden. Ik werd schuw en angstig, altijd de dreiging waar is hij ... wanneer komt hij ... Een keer op de camping kwamen jullie op bezoek, weer was ik niet veilig en duwde je me tussen de caravans. [betrokkene 1] zag het ik weet me te herinneren dat ze schreeuwde...GODVERDOMME [verdachte] ...!! Waarom zei je toen niets tegen mijn ouders, [betrokkene 1] ... waarom beschermde je hem ? Terwijl een klein meisje ... doodsangst had. Jaren ging dit door en door, tot ik 17 werd en naar [plaats] ging voor de opleiding ziekenverzorgende, bevrijd dacht ik, eindelijk ... [...]. Ouder en groter ging ik van de ene relatie na de andere, niet binden, niemand vertrouwen als ik maar nergens alleen woonde, want je hoorde omdat we familie zijn toch wel waar ik woonde. De angst en het onveilige gevoel was overheersend voor mij. Ik ontwikkelde PTTS, post traumatisch stress syndroom. Zag hiervoor vele psychologen en therapeuten. Het geheim moest veilig blijven anders zocht je me op en de gevolgen waren niet te overzien. Niemand kwam dichtbij, ik verdoofde de pijn door heel hard te werken, een biertje op zijn tijd, een slaappil want dan zag ik je gezicht niet. Echter ik kan niet meer, een maand geleden in therapie gegaan en voor het eerst durfde ik alles te vertellen en dat na 25 jaar, ik ben een slachtoffer het is mij aan gedaan door een volwassene, ik was een klein meisje van 11 JAAR. Ik heb mede door mijn partner, [betrokkene 6] , het aan mijn ouders verteld en mijn broer en zijn vrouw. De schok bij hen was zeer groot en verdriet bij hen is verschrikkelijk om te zien. Bij mij komt alles terug en moet ik het doorleven om een plek te kunnen geven en of dat lukt weet ik niet, het trauma is te groot, vorig weekend wilde ik zelfs niet meer leven. Weg van de eeuwige angst leek me beter maar door de juiste mensen om mij heen vecht ik me terug, om hier sterker en beter uit te komen. 5. Een geschrift, te weten een wenskaart (dossierpag. 29-30). Dit geschrift (het hof begrijpt uit bovengenoemde aangifte: door de aangeefster ontvangen een week nadat zij de brief aan [verdachte] gestuurd had) houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als mededeling van [betrokkene 1] : [aangeefster] , Even een berichtje van mij, je tante [betrokkene 1] . Uit de grond van me hart, Ik wist hier niks van! Ik hoop dat dit berichtje je een beetje steun geeft!! Dikke kus [betrokkene 1] 6. Een geschrift, te weten, een uitdraai van het medisch dossier van [aangeefster] (dossierpag. 32-53). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: 28.08.2008 Boulimie. 18.02.2005 Probleem ten gevolge van aanranding/verkrachting: Ernstig seksueel misbruik door oom van 11e tot 23e jaar. Depressie. -------------------------------------------------------------------------------------------------- 25-05-1999 Diagnose: Down/depressief gevoel 10-05-1999 Diagnose: Down/depressief gevoel 26-06-2001 Diagnose: Anorexia nervosa/boulimie 24-01-2000 Diagnose: Down/depressief gevoel -------------------------------------------------------------------------------------------------- 01.04.2005 S: In een dip. Oom staat weer dronken voor de deur. O: Nog steeds blauwe plekken. 10.12.2004 Wil naar psycholoog, al weken aan het huilen. Op 14-jarige leeftijd verkracht, nachtmerries, eten opnieuw een probleem. 07.05.2001 Nog steeds vreetbuien. 28.07.1999 12 kilo afgevallen. Minder vreetbuien. 10.05.1999 Afvallen. Heeft vreetbuien. -------------------------------------------------------------------------------------------------- 07.05.2015 PSL Verwijzing: Eerste Naam verwijzend huisarts: [betrokkene 7] Eerdere Eerstelijns Psychologische of andere geestelijke Gezondheidszorg: Ja, rond haar 20e. Korte inhoudelijke informatie hierover: Eetprobleem na misbruiksituatie. -------------------------------------------------------------------------------------------------- GGZ - Geachte [betrokkene 7] , Hierbij wil ik u berichten dat de behandeling van [aangeefster] , geboren [geboortedatum] 1979, is afgesloten. Zij was vanaf 11-01-05 in behandeling in verband met een posttraumatische stressstoornis en een eetstoornis (zie brief 03-02-2005). In de periode van 2-8-15 tot heden heb ik cliënte zes maal gezien. Begin mei gaf zij aan minder last te hebben van angstaanvallen. DSM-IV classificatie bij ontslag: posttraumatische stressstoornis, deels in remissie. Met vriendelijke groet, M. Friedi, klinisch psycholoog/psychotherapeut, contactdatum: vrijdag 9 juni 200[6] -------------------------------------------------------------------------------------------------- GGZ , Rodermans. Op 11-01-2005 werd [aangeefster] , geboren [geboortedatum] 1979, gezien voor een intake in verband met verlate PTSS klachten. Wij zagen een vrouw met PTSS klachten wegens ernstig seksueel misbruik door haar oom vanaf haar 11e tot haar 23e jaar. Tevens heeft zij last van nachtmerries, herbelevingen en depressieve klachten in de vorm van somberheid, verlies van interesse, slaapproblemen en concentratieproblemen. Deze klachten lijken allemaal samen te hangen met haar ervaringen in het verleden. Daarnaast heeft mevrouw eetproblemen. DSM-classificatie: Posttraumatische stressstoornis, contactdatum: donderdag 3 februari 200[5]. 7. Een proces-verbaal van verhoor van getuige J. [betrokkene 1] van 10 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpag. 101- 109). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 8] : U vraagt mij wat ik kan vertellen over de aangifte van mijn dochter [aangeefster] . [aangeefster] ging op vrijdag 9 december [het hof begrijpt: 2016] een aangetekende brief versturen naar [verdachte] . Nadat [betrokkene 1] , mijn zus, de brief van [aangeefster] op 10 december 2016 had ontvangen kwam zij die dag bij ons. Het gesprek verliep heel emotioneel. Zij was heel boos en heel kwaad. [betrokkene 1] had [verdachte] die brief laten lezen en gevraagd: “Wat is hier van waar? [verdachte] zei: “Het klopt. Het is zo”. [betrokkene 1] kwam eigenlijk bij ons om te vertellen dat zij het heel erg vond en dat het waar was. Ook vertelde [betrokkene 1] dat toen zij en [verdachte] op vakantie waren in [plaats] waarbij [betrokkene 3] en [aangeefster] ook mee waren, zij ook iets gezien had. [betrokkene 1] vertelde dat zij zag dat [verdachte] [aangeefster] tegen een muur aandrukte ofzo en dat zij toen heeft geschreeuwd: “Godverdomme [verdachte] , houd op”. Zij heeft mij toen verteld dat zij door de jaren heen een aantal keer, minstens drie keer, aan [verdachte] had gevraagd: “Heb je wat met [aangeefster] ?”. Dit vroeg zij omdat hij op een bepaalde manier naar [aangeefster] keek en hij [aangeefster] toen in de kapsalon van zijn zus probeerde te zoenen. Op 12 december 2017 ben ik met [betrokkene 6] , de vriendin van [aangeefster] [het hof begrijpt: [betrokkene 6] ], naar [betrokkene 1] toegegaan. Toen wij daar aankwamen, had zij net de telefoon neergelegd. Ze had [verdachte] aan de lijn. Het eerste wat zij zei toen wij binnenkwamen was: “ [verdachte] wil zijn eigen wat aan doen. Hij ziet het niet meer zitten”. Ze kon bijna niet op haar benen staan. [betrokkene 6] en ik hebben haar naar een stoel gedragen. Wij hebben er bij haar op aangedrongen dat zij haar kinderen moest bellen en zelf aan haar kinderen moest vertellen wat er gebeurd was. Toen heeft zij haar dochter [betrokkene 2] en oudste zoon [betrokkene 4] gebeld. Die kwamen eigenlijk gelijk. Toen heeft [betrokkene 1] gezegd: “Jullie vader heeft [aangeefster] geneukt”. Ik zei: “Jullie vader heeft [aangeefster] seksueel misbruikt”. Ik wilde het woord “geneuk” niet horen. Op 19 januari 2017 vond er bij ons thuis een derde gesprek plaats tussen [betrokkene 1] , mijn man [betrokkene 9] en ik. Mijn man heeft dat gesprek opgenomen. [betrokkene 1] wist niet dat het gesprek werd opgenomen. 8. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 6] van 3 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (dossierpag. 77-86). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 6] : [aangeefster] is mijn partner. Ik ken haar tweeënhalf jaar. [aangeefster] heeft mij alles verteld wat haar is overkomen. Dat was in november, december 2014. Naar aanleiding van de brief die [aangeefster] op 10 december 2016 had verstuurd belde [betrokkene 1] op 12 december 2016 huilend op naar [aangeefster] moeder, die op dat moment bij mij thuis was. Toen zijn we naar haar toegegaan. Wij kwamen daar aan. Zij was echt helemaal in paniek. Ze zakte helemaal door haar benen, ook hyperventileren. We hebben haar op een stoel gezet, water gegeven. Toen bleek dat zij [verdachte] (het hof begrijpt uit de overige bewijsmiddelen: [verdachte] ) aan de telefoon had gehad. [betrokkene 1] (het hof begrijpt uit de overige bewijsmiddelen: [betrokkene 1] ) zei dat hij er een eind aan ging maken. [betrokkene 1] had hem geconfronteerd met de brief van [aangeefster] . [verdachte] kan niet goed lezen. [betrokkene 1] las de brief van [aangeefster] voor en vroeg aan [verdachte] : “Is het waar? Klopt het wat er in staat?”. [verdachte] had geantwoord: “Ja, het is waar”. Toen wij, [aangeefster] moeder en ik nog bij [betrokkene 1] waren, heeft [betrokkene 1] [betrokkene 4] en [betrokkene 2] opgebeld. [betrokkene 4] is direct gekomen en in ons bijzijn heeft [betrokkene 1] tegen [betrokkene 4] gezegd: “Je vader heeft [aangeefster] geneukt”. [betrokkene 8] , de moeder van [aangeefster] , vond dit heel grof en zei: “Nee, seksueel misbruikt”. [betrokkene 4] werd heel kwaad want die zei: “Dat doet mijn vader niet”. [betrokkene 1] zei: “Nee, het is echt waar want hij heeft het zelf bekend aan mij”. 9. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 10] van 10 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpag. 93-100). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 10] : Nadat [aangeefster] de brief aan [verdachte] had verstuurd (het hof begrijpt uit de vorige bewijsmiddelen: op 10 december 2016), hebben wij, mijn vrouw en ik, een gesprek gehad met [betrokkene 1] . [betrokkene 1] kwam bij ons en had de brief bij zich. Het was een dramatisch gesprek. [betrokkene 1] had de brief toen gelezen en tegen [verdachte] gezegd: “Is dit waar, wat in deze brief staat?”. [verdachte] heeft toen geantwoord: “Ja. Ja”. [betrokkene 1] was in paniek en wist niet hoe het verder moest. [betrokkene 1] zei dat zij al eerder aan [verdachte] had gevraagd of [verdachte] een ‘oogje op [aangeefster] had’. [verdachte] had dat ontkend. Ik had het idee dat [betrokkene 1] het verhaal van [aangeefster] geloofde, want zij begon gelijk over scheiden. Een volgend gesprek tussen [betrokkene 1] , mijn vrouw en ik heb ik opgenomen. Dat gesprek staat op een usb-stick die in uw bezit is. 10. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 3] van 5 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpag. 87-92). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 3] : Mijn zus, [aangeefster] - het was misschien 10 jaar terug - vertelde dat zij werd lastig gevallen door ome [verdachte] . Daar schrok ik van. Zij sprak over lastig vallen. Zij gaf niet duidelijk aan wat zij daar nu mee bedoelde. Ik heb die schreeuw om hulp toen niet gezien. Dat vind ik heel erg. Ik ben er toen niet voor haar geweest. De achternaam van ome [verdachte] is [verdachte] . Hij is de man van mijn tante [betrokkene 1] . Ik denk dat ik 10 of 11 jaar oud was toen ik ging oppassen bij ome [verdachte] en tante [betrokkene 1] . In het begin ging ik samen met mijn zus [aangeefster] en later alleen. Toen ging [aangeefster] ergens anders oppassen. 11. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpag. 119-120). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant voornoemd: Op 27 januari 2017 deed [aangeefster] aangifte ter zake een zedenmisdrijf. Tijdens de aangifte overhandigde zij een usb-stick. Hierover verklaarde [aangeefster] dat op de usb[-stick] een gesprek staat tussen haar tante en haar ouders. Dit gesprek vond plaats op 19 januari 2017. Het gesprek is heimelijk door de vader van [aangeefster] met zijn telefoon opgenomen. Hierna volgt een samenvatting van het gesprek: De moeder van [aangeefster] geeft aan dat de situatie heel moeilijk en verdrietig is. En dat [aangeefster] naar de klote is. [betrokkene 1] zegt dat zij niet te veel van [verdachte] mag zeggen en dat zij ook een raadsman heeft, dat het hele gezin een raadsman heeft. Vervolgens wordt er gesproken over de brief van [aangeefster] en over de kaart van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] zegt dat zij van niets wist, maar de vader van [aangeefster] zegt tegen [betrokkene 1] : “Jij had het vermoeden toch?", waarop [betrokkene 1] zegt: “Ja, maar hij zei nee”. Daarna zegt [betrokkene 1] dat [verdachte] en [aangeefster] seks hebben gehad. Het had nooit mogen gebeuren. De moeder van [aangeefster] zegt tegen [betrokkene 1] : “Hij heeft het gedaan. Hij heeft toch bekend?”. En dat zij dat tegen de kinderen ook zei. [betrokkene 1] zegt hierop: “Hij heeft bekend dat hij seks met haar gehad heeft”. [betrokkene 1] zegt ook dat zij 4 zinnen en niet de hele brief van [aangeefster] heeft gelezen en de brief toen aan [verdachte] gaf. Toen zei hij: “Ja”. De moeder van [aangeefster] houdt [betrokkene 1] voor dat [betrokkene 1] aan [verdachte] heeft gevraagd: “Heb jij dat gedaan?” waarop [verdachte] zei: “Ja, seks”. 12. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 8 juni 2021. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: [aangeefster] is mijn nichtje. Zij is de dochter van de zus van mijn vrouw [het hof begrijpt hier en hierna: [betrokkene 1] ]. Op een gegeven moment is er een brief bij ons van haar binnengekomen. Mijn vrouw heeft mij die brief voorgelezen. Ik heb een bus voor mijn werk. Ook in de periode waar het hier over gaat had ik een bus voor mijn werk.” 2.2.3 Het hof heeft over de bewezenverklaring verder onder meer het volgende overwogen: “Nadere bewijsoverweging en bespreking van de gevoerde bewijsverweren (...) Oordeel van het hof Het hof ziet zich, mede in het licht van de door de raadsvrouw gevoerde bewijsverweren, gesteld voor de vraag of de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en of deze verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Betrouwbaarheid van de aangifte De aangeefster [aangeefster] heeft op 27 januari en 21 februari 2017 ten overstaan van de politie en op 27 juni 2018 tegenover de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. De strekking van deze verklaringen is - kort samengevat - de volgende. Vanaf haar 11e/12e levensjaar tot haar 19e/20e levensjaar is zij misbruikt door de verdachte, zijnde haar aangetrouwde oom (de verdachte is getrouwd met de zus van de moeder van de aangeefster). Het misbruik begon toen de aangeefster op de kinderen van de verdachte paste en ging door tot zij op haar 19e of 20e verhuisde. Het misbruik bestond uit vaginale en orale penetratie met de penis en het binnendringen van de vagina met de vinger. De aangeefster werd gedwongen om de seksuele handelingen te ondergaan. De verdachte was daarbij hardhandig, brak haar weerstand en creëerde situaties waardoor de aangeefster zich niet aan de handelingen kon en durfde te onttrekken. De verklaringen van de aangeefster zijn gedetailleerd, naar de kern genomen consistent en maken op het hof een betrouwbare indruk. Die geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster worden onderstreept door de verklaringen van haar partner [betrokkene 6] en haar ouders J. [betrokkene 1] en [betrokkene 10] . Zo heeft haar partner uitgebreid verklaard over het moment (eind 2014) waarop de aangeefster haar over het misbruik heeft verteld en de emoties die daarmee gepaard gingen, terwijl ook overigens de inhoud van de destijds door de aangeefster tegenover haar afgelegde verklaring overeenkomt met die van de aangifte van 21 februari 2017. De ouders van de aangeefster hebben beiden uitvoerig verklaard over het moment in december 2016 waarop aangeefster hen van het misbruik op de hoogte stelde, alsmede over de problemen waar de aangeefster op jongere leeftijd, naar later bleek ten tijde en ten gevolge van het misbruik, mee kampte. (…) Bewijsminimum Het hof stelt voorop dat het bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, gelet op het tweede lid van artikel 342 Sv, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige, dus ook niet op de verklaring(en) van enkel de aangeefster. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De andere bewijsgronden dienen niet in een te ver verwijderd verband met de verklaring van de getuige te staan. Het hof begrijpt het verweer van de raadsvrouw aldus dat zij betoogt dat het bewijs dat de verdachte de aangeefster tot de seksuele handelingen die met haar zijn verricht heeft gedwongen enkel zou kunnen worden gestoeld op haar eigen verklaringen, en dat voor zover er sprake is van ander bewijs, dit bewijs terug is te voeren op dezelfde bron (namelijk: de aangeefster). Het hof onderschrijft dit standpunt niet om reden van het volgende. Naar het oordeel van het hof vinden de verklaringen van de aangeefster in voldoende mate steun in de volgende bewijsmiddelen.(i) Allereerst blijkt uit het medisch dossier betreffende de aangeefster dat zij er al in 2005 tegenover haar huisarts gewag van heeft gemaakt dat zij van haar 11e tot 23e levensjaar ernstig seksueel misbruikt is. Ook maakte zij er blijkens dat stuk in 2005 bij de arts melding van dat haar oom dronken voor de deur van haar woning had gestaan. Daarbij heeft de arts toen blauwe plekken geconstateerd. Het medisch dossier biedt voorts een bevestiging van het door de aangeefster gestelde, als gevolg van het misbruik opgelopen psychisch letsel, waaronder een eetstoornis, psychische problemen en de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS). Die laatste diagnose is door in de GGZ werkzame personen gesteld. (ii) Daarnaast volgt uit de verklaringen van de ouders van de aangeefster te weten J. [betrokkene 1] en [betrokkene 10] , en haar partner [betrokkene 6] dat de vrouw van de verdachte ( [betrokkene 1] , de zus van de moeder van de aangeefster) er op twee verschillende momenten, namelijk op 10 en 12 december 2016, tegenover hen opgave van heeft gedaan dat, toen zij de verdachte confronteerde met de brief die door de aangeefster op 10 december 2016 is verstuurd, waarin al in de derde zin wordt gesproken over “misbruik” en “verkrachting”, de verdachte tegenover haar heeft bekend en zei dat het klopte en dat het waar was wat er in de brief stond. Over deze twee gebeurtenissen verklaren genoemde getuigen - ook op details - zeer consequent. Het hof acht hetgeen zij verklaren over de verklaring van [betrokkene 1] over de ‘bekentenis’ van haar man [verdachte] , dan ook betrouwbaar en ondersteunend voor de aangifte. (iii) Ondersteuning voor hetgeen het hof hiervoor onder (ii) heeft overwogen, biedt eveneens het kaartje dat een week na 10 december 2016 door [betrokkene 1] aan de aangeefster is verstuurd. In dat berichtje spreekt zij haar hoop uit dat dat berichtje een beetje steun geeft aan [aangeefster] en voegt daaraan toe: “ Uit de grond van me hart, ik wist hier niks van!”. (iv) Tot slot wijst het hof op het door de vader van de aangeefster (heimelijk) opgenomen gesprek tussen de vrouw van de verdachte ( [betrokkene 1] ) en de ouders van de aangeefster van 19 januari 2017. In dit gesprek zegt de vrouw van de verdachte ( [betrokkene 1] ) dat de verdachte heeft bekend seks te hebben gehad met de aangeefster en dat zij vier zinnen uit de door de aangeefster verstuurde brief heeft gelezen en deze toen aan de verdachte gaf, waarop hij “ja” zei. Zoals reeds overwogen wordt in de betreffende brief al in de derde zin gesproken over “misbruik” en “verkrachting”. Ook dit verweer wordt derhalve verworpen.” 2.3 Het eerste cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 9 en 10. 2.4 Volgens artikel 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452). 2.5. Van schending van artikel 342 lid 2 Sv is geen sprake. In het bijzonder gelet op wat uit de bewijsmiddelen 7, 8, 9 en 11 blijkt over wat de verdachte tegen zijn vrouw heeft gezegd, kan immers niet worden gezegd dat de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de aangeefster onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal. 2.6 Het tweede cassatiemiddel faalt in zoverre. 2.7 De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2023.
ECLI:NL:HR:2010:BK2094
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
NJ 2010/512
HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512, m.nt.
ECLI:NL:HR:2018:717
15 mei 2018 Strafkamer nr. S 17/03754 SA/NA Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 7 juli 2017, nummer 23/001497-16, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963. Het beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Het heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het middel 2.1. Het middel komt op tegen de gegeven vrijspraak. Het betoogt daartoe dat het oordeel van het Hof dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is. 2.2.1.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/04625 Zitting 26 september 2023 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, hierna: de verdachte I. Inleiding 1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 26 oktober 2021 wegens “ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf voor de duur van 180 uur. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en ten aanzien van het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd.

2. Namens de verdachte heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld. II. Bewezenverklaring en bewijsvoering 3. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij - als docent - in de periode van 9 september 2016 tot en met 1 juni 2017, in Nederland en in Duitsland ontucht heeft gepleegd met de aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 1999, door (telkens) - voornoemde [aangeefster] te (tong)zoenen en - voornoemde [aangeefster] te vingeren en - de vagina van voornoemde [aangeefster] te likken met zijn, verdachtes tong en - zich te laten pijpen door voornoemde [aangeefster] en - de borsten, althans het lichaam van voornoemde [aangeefster] te betasten en - de vagina van voornoemde [aangeefster] te penetreren met zijn, verdachtes penis.” 4.

Het hof heeft het bewezenverklaarde doen steunen op de volgende bewijsmiddelen: “1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2018010001-1 van 2 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 18-28]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum afgelegde verklaring van de aangeefster [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 1999: Ik wil aangifte doen van seksueel misbruik tegen [verdachte] .

Hij is 55 jaar oud. Hij woont in Alkmaar. Ik noem hem meneer omdat hij mijn docent is. Het feit heeft plaatsgevonden in de periode september 2016 tot en met december 2017, bij mij thuis, bij hem thuis, in de auto en op de school het [A] in [plaats] . Ik had niet zo'n leuke thuissituatie en was depressief dus ik zocht naar een vertrouwenspersoon. Mijn muziekdocent (het hof begrijpt: de verdachte), nam de taken van mijn mentor over. Ik begon hem steeds meer te vertrouwen en wij kregen steeds een betere band. Dat was in september 2016, toen zat ik al in de 6de klas van het [A] .

Wij waren in [plaats] en hij was met twee anderen mee als begeleider. Ik kreeg daar een dip, was depressief en wilde naar mijn kamer. Ik kreeg de kamer niet open en mijn kamergenoot lag in de kamer te slapen. De anderen waren in de stad aan het feesten. Meneer (het hof begrijpt: de verdachte) stelde voor om mee te gaan naar zijn kamer totdat de anderen terug zouden zijn. Hij begon toen aan mij te zitten en gaf mij een kus. Ik werd gebeld door mijn kamergenote. Ik ging naar beneden en hij liet mij beloven dat ik het aan niemand zou vertellen. Het was een gewone kus met de mond, nog niet met de tong.

Hij zoende mij op mijn mond. Dat was het in [plaats] en daar begon het mee. Altijd als wij elkaar op school zagen gaven wij elkaar een knuffel en hij wilde ook dat wij elkaar een zoen op de mond gaven. Ik deed eraan mee en zoende terug. In oktober 2016 gaf hij mij spontaan een zoen met de tong. Ik was toen in het muzieklokaal van de school. Ik denk dat het november 2016 was dat hij zijn hand plotseling in mijn broek deed. Hij zei dat hij het raar vond dat ik nog nooit aan mijzelf had gezeten. Ik kreeg als huiswerk mee dat ik aan mijzelf moest zitten.

Hij noemde het vingeroefeningen. Hij zei dit expres met de bedoeling dat ik mijzelf zou vingeren. Hij heeft het uitgelegd wat ik moest doen. Hij maakte het vingeren voor mij duidelijk door het bij mij voor te doen. Hij stond achter mij en deed zijn hand, tijdens het voordoen, in mijn broek en onderbroek zonder te vragen. In november 2016 heb ik hem bij mij thuis uitgenodigd. Toen heeft hij mij gebeft. Dit gebeurde in mijn slaapkamer. In februari 2017 hadden wij afspraakjes in de auto en ook bij hem thuis. Ik zou naar een parkeerplek gaan, gelegen in Haarlem-Noord.

Ik ben op een vrijdag rond 16.30 uur daarheen gegaan. Wij spraken eerst met elkaar, daarna gingen wij de achterbak van de auto in. Eerst gaven wij elkaar kusjes en hij gaf dan aan dat hij niet langer kon wachten en hij trok mijn broek uit. Ook mijn onderbroek trok hij gelijk uit en hij ging mij beffen. Dat wisselde hij dan af met vingeren. Hij trok daarop ook zijn broek uit en toen hadden wij seks. Hij penetreerde mij met zijn penis en dat duurde een paar minuten en hij kwam klaar. Ik denk dat ik misschien wel dertig keer gemeenschap met hem heb gehad in de auto.

Aan het einde van de 6de klas is er verandering gekomen voor wat betreft de seks. Het was een seksuele relatie. Wij zagen elkaar best vaak. Hij begeleidde mij ook met mijn profielwerkstuk, zeker vijf keer in de week zag ik hem op school. Buiten school zag ik hem een à twee keer om de week en soms nog een derde keer. Op school is er in die jaren alleen sprake geweest van orale seks, dus van 2016 tot mei 2017. Hij likte mij bij mijn vagina. Hij wilde uiteindelijk dat ik hem ging pijpen. Dat is ongeveer drie keer gebeurd. Het pijpen heeft plaatsgevonden in de examenperiode.

Toen ik op school zat vingerde hij mij in het muzieklokaal, in de geluiddichte studio. Dat was na schooltijd als ik met hem mijn profielwerkstuk behandelde. Ook heeft hij mij daar gebeft. Er was ook sprake van zoenen, tongzoenen en betasten van mijn lichaam waaronder mijn borsten. In de periode dat ik nog op school zat is er buiten school sprake geweest van orale seks, vaginale seks, zoenen en betasten bij hem thuis en in de auto.

2. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster met nummer PL1100-2018010001-7 van 28 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 30-34]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum afgelegde verklaring van de aangeefster [aangeefster] : Ik sta op de foto’s, ik ben hierop naakt te zien. Ik heb deze foto's gestuurd naar [verdachte] . Ik heb op meerdere momenten foto's gestuurd. Ik had sinds september 2016 een relatie met hem. Ik zat toen nog op school en zat bij hem in de klas. Ik verliet school in augustus 2017. Ik heb dus in mijn schooltijd van september 2016 tot en met augustus 2017 een relatie gehad met [verdachte] . Maar de relatie ging hierna door, en ik heb deze beëindigd in januari 2018. Ik heb zowel tijdens mijn schoolperiode als na mijn schoolperiode foto's gemaakt van mijzelf en deze ook verstuurd naar [verdachte] .

3. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] met bijlagen [doorgenummerde pagina’s 118- 131]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: ONDERZOEK GEGEVENSDRAGERS [aangeefster] Aantreffen naaktfoto’s [aangeefster] Gedurende het onderzoek aan de data van de telefoon voornoemd zag ik, verbalisant, twee naaktfoto’s van de aangeefster [aangeefster] waarbij zij zichzelf in een badkamer naakt gefotografeerd had via de badkamerspiegel, namelijk 1 afbeelding van [aangeefster] met een naakt bovenlichaam en een donkere broek aan waarbij de gulp openstond en 1 afbeelding waarbij zij volledig naakt in beeld kwam tot aan haar knieën. De afbeeldingen hadden het volgende looppad en bestandsnaam:

• USERDATA (ExtX/Root/media/0/WhatsApp/Media/WhatsAppimages/Sent/IMG-20170126- WA0000.jpg. (foto [aangeefster] volledig naakt) • USERDATE (ExtX)/Root/media/0/WhatsApp/Media/WhatsAppimages/Sent/IMG-20170124- WA0005.jpg. (foto [aangeefster] half naakt) Gezien de bestandsnamen in de Iooppaden, waarin de bestandsnamen IMG-20170126- WA000.jpg en IMG-20170124-WA0005 zijn gekoppeld aan de naaktfoto's van [aangeefster] , zou het kunnen zijn dat deze naaktfoto’s zijn verzonden via WhatsApp (WhatsAppimages/Sent) op 24 en 26 januari 2017. Vervolgonderzoek overige gegevensdragers loggings, chats en e-mails verdachte [verdachte]:

Gedurende het onderzoek heb ik, verbalisant, onderzoek verricht naar de data op de overige gegevensdragers (het hof begrijpt: van de verdachte), waaronder de volgende goederen: • A.01.01.001 Apple computer grijs MACbookpro (A.01.01.001) • A.04.01.002 Imac grijs iMAC (A.04.01.002) Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen: • IOS Call Logging (oproep data overzicht) tussen de verdachte [verdachte] en de aangeefster [aangeefster] ; • Chat (WhatsApp) tussen de verdachte [verdachte] en de aangeefster [aangeefster] . iOS Call logging Ik, verbalisant, trof in de gegevensdragers een oproeplijst van belgeschiedenis met de zoekslag “ [telefoonnummer 1] ” (telefoonnummer destijds van de aangeefster [aangeefster] ).

Te zien was dat er geregeld belcontact is geweest tussen de verdachte [verdachte] en de aangeefster [aangeefster] in de periode september 2016 tot en met maart 2017, overeenkomend met de periode van het laatste schooljaar van de aangeefster [aangeefster] . Chats (WhatsApp) Ik, verbalisant, trof in de gegevensdragers meerdere WhatsApp chats aan, waar de verdachte [verdachte] staat met de aanhef “Me” en waarin de aangeefster [aangeefster] staat met de aanhef [telefoonnummer 2] ( [aangeefster] ). Ik, verbalisant, trof een privé chat aan tussen de verdachte [verdachte] en de aangeefster [aangeefster] , welke is verstuurd in de periode 28 februari 2017 om 18:20:31 uur tot en met 2 maart 2017 (overeenkomend met het de periode van het laatste schooljaar van de aangeefster [aangeefster] ).

De tijdstippen zijn voornamelijk buiten schooltijd, met als laatste tijdstip 22:06:08 op 2 maart 2017. In deze chat wordt gevraagd door [aangeefster] aan [verdachte] dat als zij zijn “side chick” niet is hoe zij dan door hem genoemd moet worden, waarop [verdachte] antwoordt met “First chick?”. Te lezen is dat [aangeefster] en [verdachte] aan elkaar denken, ze wensen elkaar welterusten en dat [aangeefster] zegt dat zij gek op hem is. [verdachte] stuurt in die chat [aangeefster] twee keer een lippensymbool (kus) en [aangeefster] stuurt [verdachte] twee keer een hartjessymbool.

ZOEKSLAG TELEFOONNUMMER “ [telefoonnummer 2] ”; TELEFOONNUMMER [aangeefster] (bron: iMAC A.04.01.002) [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 28-9-2016 11:21:38 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 12-2-2017 12:14:09 [nummer 2] iOS Call Logs Mobile 2-3-2017 11:56:21 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 2-3-2017 11:56:21 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 8-12-2016 14:19:02 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 23-12-2016 14:47:52 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 12-2-2017 12:14:09 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 23-12-2016 14:41:57 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 23-11-2016 12:23:19 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 12-2-2017 12:17:03 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 8-12-2016 15:10:45 [nummer 2] iOS Call Logs Mobile 31-3-2017 11:07:17 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 22-2-2017 15:04:10 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 26-11-2016 05:37:52 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 8-12-2016 15:09:15 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 31-3-2017 11:07:17 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 25-11-2016 14:31:27 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 9-12-2016 13:59:11 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 1-1-2017 12:05:56 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 12-2-2017 12:20:35 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 26-11-2016 05:37:52 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 22-2-2017 15:14:45 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 25-11-2016 14:31:27 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 23-12-2016 14:41:57 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 14-9-2016 21:43:56 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 8-12-2016 14:58:19 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 8-12-2016 14:19:02 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 12-2-2017 12:20:35 [nummer 1] iOS Cell Logs Mobile 22-2-2017 15:14:45 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 22-2-2017 15:04:10 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 9-12-2016 13:59:11 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 2-3-2017 11:56:21 [nummer 1] iOS Call Logs Mobile 12-2-2017 12:17:03 Whatsapp gesprek tussen [aangeefster] en [verdachte] periode 28 februari 2017 tot en met 2 maart 2017 [telefoonnummer 2] ( [aangeefster] ) 28-2-2017 21:10:23 [naam] ☽ Me 8-2-2017 21:15:47 [telefoonnummer 2] ( [aangeefster] ) 1-3-2017 11:05:33 Waar zie ik je zo? [telefoonnummer 2] ( [aangeefster] ) 1-3-2017 12:34:51 Zeg, als ik volgens jou je side chick niet ben, wat zou je me dan wel noemen? Me 1-3-2017 13:29:50 First chick? [telefoonnummer 2] ( [aangeefster] ) 1-3-2017 16:57:15 Hoe was de vergadering? Me 1-3-2017 17:13:59 Saai. [telefoonnummer 2] ( [aangeefster] ) 1-3-2017 17:20:25 Achossie Maar wel overleefd dus.

Vanavond nog koor? Veel plezier! Me 1-3-2017 17:48:44 Dziękuję [telefoonnummer 2] ( [aangeefster] ) 1- 3-2017 21:43:02 Stodkich snów ❤ Me 2-3-2017 16:00:54 Dus je gaat niet naar het gala. [telefoonnummer 2] ( [aangeefster] 2-3-2017 16:09:34 Nee... Niemand die ik ken gaat. Plus daarbij, ik heb niet echt zin in een gala. Ga jij wel naar het gala? Me 2-3-2017 16:14:23 Nope [telefoonnummer 2] ( [aangeefster] ) 2-3-2017 16:16:19 Dus je hoefte niet te begeleiden? Dat is wel fijn. Ik ben vorig jaar wel gegaan maar ik voelde me nogal ongemakkelijk.

Dus in plaats daarvan naar de film! Wel jammer dat ik je dan niet even kan zien Me 2-3-2017 21:55:56 Slaap lekker zo. [telefoonnummer 2] ( [aangeefster] ) 2-3-2017 21:57:38 Jij ook. Tot maandag. Me 2-3-2017 22:00:17 Dan pas? [telefoonnummer 2] ( [aangeefster] ) 2-3-2017 22:00:59 Ben bang van wel... [telefoonnummer 2] ( [aangeefster] ) 2-3-2017 22:02:04 Ik zal wel aan je denken. Me 2-3-2017 22:03:13 Ja, natuurlijk! Ik ook aan jou. [telefoonnummer 2] ( [aangeefster] ) 2-3-2017 22:04:14 Ach mafkees, ik ben gek op je. Moet je niet slapen? Me 2-3-2017 22:05:54 Ja, ga nu.

Trusten [telefoonnummer 2] ( [aangeefster] ) 2-3-2017 22:06:08 Sleep tight ❤ 4. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster met nummer PL1100-2018010001-12 van 19 november 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 37-43] Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum afgelegde verklaring van de aangeefster [aangeefster] : V: Waar gaat het gesprek over met side chick en first chick over? A: Ik kijk naar de datum en ik zie 1 maart 2017 staan.

Voor de 28ste februari hadden wij al seks gehad. Omdat hij vertelde dat hij geen seks meer had met zijn vriendin was ik volgens hem dus niet zijn "side chick", daarmee bedoel ik dus een seksuele partner naast zijn huidige seksuele partner.

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2018010001 van 20 juni 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 139 tot en met 153]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum afgelegde verklaring van de verdachte: Ik werk op het Gymnasium [A] in [plaats] en ik geef muziekles. [aangeefster] is een meisje wat ik in de klas heb gehad. In haar laatste jaar (het hof begrijpt: het 6de jaar) heb ik intensief contact met haar gehad.

Ik werd haar mentor op haar verzoek. Er waren nogal wat problemen thuis. Er zijn intensieve gesprekken gevoerd. Zij vertrouwde mij en zij kon haar hart luchten. Ze had veel angsten. Op een gegeven moment was zij heel erg depressief. Het klopt dat ik in september 2016 met school naar [plaats] ben geweest. Op een gegeven moment kwam [aangeefster] naar mij toe in mijn kamer. Zij kon niet meer naar haar kamer. Iemand lag te slapen in de kamer en de rest was weg. Uiteindelijk zei ik wel tegen haar dat zij niet tegen de meiden moest zeggen dat zij bij mij op de kamer was geweest.

Zij is een half uur maximaal in mijn kamer geweest. Het klopt dat ik [aangeefster] een soort “huiswerk” heb meegegeven. In de loop van de 6de klas hebben we het over masturberen gehad, zij vond dat moeilijk en zij had het erover dat al haar vriendinnen dat deden en dat zij dat niet durfde. Ik zei: “Doe dat nou maar”. Ik zei: “waar doe je moeilijk over, wat kan het voor kwaad?” V: Wanneer werd u voor het eerst uitgenodigd bij [aangeefster] thuis? A: Ik ben daar wel geweest. Ik was daar op een vrijdagavond, denk ik. Zij was depressief.

Ze zat nog in de 6de klas. Er was verder niemand bij haar thuis. Ik weet niet meer waarover is gesproken. Het klopt dat [aangeefster] blootfoto’s van zichzelf heeft verstuurd. Zij zat toen nog op school, ze was nog minderjarig. Het waren in ieder geval twee blootfoto’s.” 5. Het hof heeft in het arrest een nadere bewijsoverweging opgenomen, die, voor zover hier van belang, het volgende inhoudt: “Het hof overweegt als volgt Het hof stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de tenlastegelegde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader.

De casus van deze zaak laat zich kenmerken door de omstandigheid dat de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode muziekdocent was op de middelbare school van de toen nog minderjarige aangeefster, op die school aan de aangeefster muziekles gaf en voorts de aangeefster in haar examenjaar (te weten: het schooljaar 2016-2017, in de tenlastegelegde periode) heeft begeleid bij een profielwerkstuk en bovendien ook haar mentor was. Dat de verdachte met de aangeefster veelvuldig contact onderhield - in persoon en via de telefoon - staat voor eenieder vast.

Dat de verdachte en de aangeefster op enig moment een seksuele relatie hebben gehad, staat in de onderhavige zaak eveneens niet ter discussie, ook niet voor de verdediging. De door het hof te beantwoorden hamvraag is evenwel of deze relatie zich heeft afgespeeld in de tenlastegelegde periode (de lezing van de aangeefster), of dat deze pas was begonnen nadat de aangeefster op [geboortedatum] 2017 meerderjarig was geworden en de school reeds had verlaten (de lezing van de verdachte). Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster Het hof ziet allereerst geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van de aangeefster, en dus ook niet als het gaat over de periode waarin de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.

De aangeefster heeft gedetailleerde verklaringen afgelegd over de verrichte seksuele handelingen en de momenten waarop die hebben plaatsgevonden. Deze verklaringen zijn naar het oordeel van het hof op hoofdlijnen consistent en komen authentiek over. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd ter zake van de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van haar verklaringen - meer in het bijzonder omtrent het nuttigen van wijn op het schoolreisje in [plaats] in september 2016 - doet hier naar het oordeel van het hof niet aan af. Voorts is het hof ook niet gebleken van enig motief zijdens de aangeefster om in strijd met de waarheid over haar relatie met de verdachte en de periode waarin deze heeft plaatsgevonden te verklaren, te meer niet nu zij zelf degene is geweest die de relatie uiteindelijk heeft verbroken.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en tot het bewijs kunnen worden gebezigd. Steunbewijs Anders dan de verdediging en de rechtbank, is het hof van oordeel dat het dossier genoeg steunbewijs biedt voor de lezing van de aangeefster, inhoudende dat er - kort gezegd - sprake was van een seksuele relatie tussen haar en de verdachte in de tenlastegelegde periode. Hetgeen de aangeefster heeft verklaard over wat er tussen haar en de verdachte heeft plaatsgevonden in het kader van de verhouding die zij met hem had, staat naar het oordeel van het hof beslist niet op zichzelf, maar vindt voldoende steun in ander bewijsmateriaal.

Zo vindt de verklaring van de aangeefster, dat zij vanaf september 2016 tot januari 2018 een seksuele relatie met de verdachte onderhield en hem onder meer in de schoolperiode 2016-2017 naaktfoto’s heeft gestuurd, steun in een proces-verbaal van bevindingen waarin de politie heeft beschreven dat de op de telefoon van de aangeefster aangetroffen naaktfoto’s op 24 januari 2017 en 26 januari 2017 verzonden zouden kunnen zijn en in de verklaring van de verdachte zelf, zoals afgelegd bij de politie, dat hij naaktfoto’s van de aangeefster heeft ontvangen toen zij nog minderjarig was en nog op school zat.

Ook biedt de frequente privécommunicatie en het belgedrag tussen de verdachte en de aangeefster in de tenlastegelegde periode ondersteuning aan de lezing van de aangeefster. In het bijzonder biedt daarvoor steun de inhoud van de chatberichten via WhatsApp in de periode van 28 februari 2017 tot en met 2 maart 2017. De inhoud van deze berichten biedt veel meer steun voor de lezing van de aangeefster dat er gedurende de tenlastegelegde periode sprake was van een seksuele relatie, terwijl de inhoud daarvan veel moeilijker valt te rijmen met de door de verdachte geschetste lezing inhoudende dat daarvan geen sprake was, maar dat hun relatie slechts vriendschappelijk was.

Voorts biedt ook de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij de aangeefster in de loop van het examenjaar huiswerk heeft gegeven bestaande uit het advies om thuis te oefenen met masturberen, steun aan de lezing die de aangeefster geeft van hetgeen gedurende haar examenjaar tussen haar en de verdachte is voorgevallen. Dit geldt tenslotte ook voor verdachtes verklaring voor zover inhoudende dat hij tijdens het schooljaar op een vrijdagavond bij de aangeefster thuis op bezoek is gegaan terwijl hij wist dat haar ouders niet thuis waren, zonder - ook niet ten overstaan van het hof - aan te kunnen geven wat de redenen van dat bezoek zijn geweest.

Conclusie Het hof is gezien dit alles van oordeel dat de verdachte als docent en mentor een seksuele relatie met de destijds minderjarige aangeefster heeft gehad en acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend, bewezen.” III. Het middel van cassatie en de bespreking daarvan 6. Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring niet toereikend is gemotiveerd omdat niet is voldaan aan de bewijsminimumregel als bedoeld in art. 342, tweede lid Sv, doordat het hof het bewijs van het tenlastegelegde in wezen uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige, namelijk die van de aangeefster.

7. De Hoge Raad hanteert in bewijsminimumzaken de volgende vooropstelling. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat art. 342, tweede lid, Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.

8. Bepalend is of de (door de aangever) gereleveerde feiten en omstandigheden voldoende steun vinden in het overige door het hof gebezigde bewijsmateriaal. Daarbij mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband tussen die verklaring en dat overige bewijsmateriaal. Ten aanzien van het hier bedoelde steunbewijs is niet vereist dat het betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen. De rechtspraak van de Hoge Raad kan evenwel zo worden uitgelegd dat het steunbewijs voldoende steun dient te bieden aan die gedraging(en). Daarvan zal in de regel geen sprake zijn als het steunbewijs alleen de aanwezigheid bevestigt van de verdachte bij de aangever/aangeefster op dezelfde tijd en plaats.

9. De verdachte in de onderhavige zaak is gedurende het schooljaar 2016-2017 de docent en enige tijd de mentor van de aangeefster geweest. Zij was het grootste deel van die tijd minderjarig. Niet ter discussie staat dat beiden in die tijd zowel in persoon als telefonisch veelvuldig contact met elkaar hadden en dat zij op enig moment een seksuele relatie hebben gehad. De voor het hof relevante vraag is wannéér die seksuele relatie is begonnen. Was dat, zoals de aangeefster zegt, al kort na de aanvang van het schooljaar? Of – en dit is de lezing van de verdachte – begon die relatie pas toen de aangeefster op [geboortedatum] 2017 meerderjarig was geworden en de school al had verlaten? 10.

In de kern komt het betoog in de toelichting op het middel erop neer dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de seksuele relatie tussen de verdachte en de aangeefster is begonnen gedurende het schooljaar. Volgens de steller van het middel schort het een en ander aan de motivering van het hof: de lezing van de verdachte zou teveel in het midden zijn gelaten en bovendien is voor het bewijs een niet-redengevende verklaring van de verdachte gebruikt.

11. De door het hof tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen 1, 2 en 4 betreffen verklaringen van de aangeefster. Bewijsmiddel 3 bevat gegevens van het telefonisch contact tussen de aangeefster en de verdachte. Het vijfde bewijsmiddel houdt de verklaring van de verdachte in. Volgens de bewijsoverweging van het hof wordt de verklaring van de aangeefster voldoende ondersteund door objectieve bewijsmiddelen en de verklaring van de verdachte zelf. De verklaring van de aangeefster dat zij de verdachte tijdens het schooljaar naaktfoto’s heeft gestuurd, vindt volgens het hof bijvoorbeeld steun in bewijsmiddel 3 waaruit volgt dat er twee naaktfoto’s op haar telefoon zijn aangetroffen die op 24 januari 2017 en 26 januari 2017 via whatsapp verstuurd kunnen zijn.

Ook de verklaring van de verdachte zelf, dat hij tijdens het schooljaar naaktfoto’s van haar heeft ontvangen toen zij nog minderjarig was, biedt aan die verklaring steun. Daarnaast leidt het hof uit de inhoud van de whatsapp-berichten (die gedeeltelijk na schooltijd verzonden zijn) af dat de relatie in die periode niet alleen vriendschappelijk was. Ook het ‘huiswerk’ dat de verdachte de aangeefster had meegegeven om thuis te oefenen met masturberen – hetgeen de verdachte heeft erkend (bewijsmiddel 5) – plaatst het hof in die seksuele context.

Tot slot hecht het hof in het kader van het bewijs waarde aan de verklaring van de verdachte waarin hij het bezoek aan de woning van de aangeefster op een moment dat haar ouders niet thuis waren erkent, terwijl hij – aldus het hof in zijn nadere bewijsoverweging – niet heeft kunnen aangeven wat de reden voor dat bezoek was.

12. Het hof heeft naar mijn inzicht voldoende (duidelijk) gemotiveerd waarom naar zijn oordeel in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een seksuele relatie tussen de toen nog minderjarige aangeefster en de verdachte. De bewijsmotivering van het hof onderscheidt zich van zaken waarin het steunbewijs enkel de aanwezigheid van de verdachte in het bijzijn van het vermeende slachtoffer bevestigt. Ik vermag niet in te zien in welk opzicht het hof de verklaring van de verdachte teveel in het midden heeft gelaten. Het hof heeft tegenover deze verklaring duidelijk aangegeven op grond van welke redenen het van oordeel is dat de relatie tijdens het voormelde schooljaar, toen de aangeefster nog minderjarig was, niet enkel vriendschappelijk was.

13. Dat de steller van het middel valt over de overweging van het hof dat de verdachte niet heeft kunnen aangeven waarom hij tijdens dat schooljaar op de genoemde vrijdagavond bij de aangeefster thuis op bezoek is gegaan (terwijl haar ouders niet thuis waren) zonder dat hij heeft kunnen aangeven wat de reden voor dat bezoek was, kan ik enigszins volgen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte namelijk verklaard dat hij bij aangeefster thuis was uitgenodigd omdat zij graag met hem wilde praten. De verdachte heeft in dat verband echter ook verklaard dat daar niks is gebeurd. Dat de verdachte door de aangeefster bij haar thuis was uitgenodigd, blijkt ook uit de verklaring van de aangeefster zelf (bewijsmiddel 1). Zij heeft daarbij echter tevens verklaard dat de verdachte haar toen in haar slaapkamer heeft gebeft. Dat het hof de verklaring van de verdachte in dit verband voor het bewijs heeft gebruikt, heeft ongetwijfeld ermee te maken dat daaruit blijkt dat hij bij de aangeefster thuis is geweest en is in zoverre niet onbegrijpelijk.

14. Al met al meen ik dus dat het hof de bewezenverklaring genoegzaam heeft gemotiveerd. Niet kan worden gezegd dat de voor het bewijs gebruikte verklaring van de aangeefster onvoldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal. Van een schending van art. 342, tweede lid, Sv is naar het mij voorkomt geen sprake.

15. Het middel faalt. IV. Slotsom 16. Het middel faalt.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De rechtbank heeft de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken. Ik, A-G, merk op dat een aantal van deze oproepen twee keer is weergegeven. Om geen vertekend beeld te geven heb een dubbeling gemarkeerd door een cursivering van mijn hand. Zie o.m. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515, m.nt. Borgers en HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:484. HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512, m.nt. Borgers (onder NJ 2010/515). HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298, m.nt. Rozemond. Zie bijv. HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:189, NJ 2018/297, m.nt. Rozemond (onder NJ 2018/298). Vgl. ook HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:637, NJ 2020/254, m.nt. Vellinga en HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:261. Proces-verbaal van de ’s hofs terechtzitting van 12 oktober 2021, blad 4.