Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2023:79 ECLI:NL:PHR:2023:79 AI generated

ECLI:NL:PHR:2023:79 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2023:79
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/00881 Zitting 13 januari 2023 CONCLUSIE W.L. Valk In de zaak [eiseres] tegen De Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiseres] respectievelijk de Staat.

Legislator headnote

AI generated

art. 424 Rv; ECLI:NL:PHR:2023:79 · Parket bij de Hoge Raad: Het hof neemt de naheffingsaanslag van € 9.569,― mee als bijkomende schade bij het vaststellen van de schadeloosstelling. 2.6 Op 31 januari 2022 heeft [eiseres] – gelet op art. 52 leden 2 en 3 Ow in verbinding met art. 80 Ow tijdig – ter griffie van het hof verklaard cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van het hof van 18 januari 2022. 2.7 Op 14 maart 2022 heeft [eiseres] – gelet op art. 53 lid 1 Ow in verbinding met art. 80 Ow tijdig – de akte verklaring cassatie, de procesinleiding en het oproepingsbericht aan de Staat betekend.

Keywords

AI generated
art. 424 Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 424 Rv
Het hof stelt voor de behandeling na verwijzing de maatstaf voorop dat ingevolge art. 424 Rv de verwijzingsrechter de behandeling van het geding dient voort te zetten en te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2017:691
14 april 2017 Eerste Kamer 15/03989 LZ/IF Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [verzoeker] ,wonende te [woonplaats] , VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep, advocaat: aanvankelijk mr. P.J.L.J. Duijsens, thans mr. D.Th.J. van der Klei, t e g e n de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat),zetelende te Den Haag, VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidenteel cassatieberoep, advocaten: mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de Staat.
ECLI:NL:HR:1999:ZC2998
ECLI:NL:HR:2017:2360
15 september 2017 Eerste Kamer 15/01633 LZ/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser] ,wonende te [woonplaats] , EISER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr.
ECLI:NL:HR:1999:ZC2914
Het geding in feitelijke instanties Verweerders in cassatie — verder te noemen: [verweerders] — hebben bij exploiten van 30 maart 1994, 5 april 1994 en 7 april 1994 eiser tot cassatie — verder te noemen: [eiser] — tezamen met [kind 1] , wonende te [woonplaats] , [kind 2] , wonende te [woonplaats] , [kind 3] , wonende te [woonplaats] , en [kind 4] , wonende te [woonplaats] — ieder verder afzonderlijk te noemen: [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] , dan wel allen gezamenlijk: [de kinderen] — gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd: primair: a. te gelasten dat de registergoederen, behorende tot de nalatenschap van wijlen [erflater] zullen worden verkocht en geleverd aan [bedrijf] Vastgroep III Utrecht B.V. of een andere vennootschap van [bedrijf] Vastgoed Groep, tegen een koopprijs van ƒ 1.344.000,-- k.k., met veroordeling van ieder van [de kinderen] om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis zijn/haar medewerking aan deze verkoop/levering te verlenen; b. te bepalen dat na verkoop en levering van de hierboven bedoelde registergoederen, de boedelnotaris aan ieder van de erfgenamen zal uitkeren 1/7 gedeelte van het per de datum van de verdeling aanwezige batig saldo onder aftrek van de per die datum bestaande c.q. nog te verwachten schulden tot de nalatenschap behorende; subsidiair: a. te gelasten dat de registergoederen, behorende tot de nalatenschap van [erflater] zullen worden verkocht en geleverd aan een (of meer) derde(n) tegen een koopprijs c.q. koopprijzen te bepalen door een door de Rechtbank te benoemen deskundige, met veroordeling van ieder van [de kinderen] om zodra zich de mogelijkheid tot verkoop voordoet, zijn/haar medewerking aan deze verkoop en levering te verlenen; b. met veroordeling van [de kinderen] om, voor zover de totaal-opbrengst van de hierboven bedoelde registergoederen lager is dan het thans voorhanden zijnde bod van ƒ 1.344.000,-- k.k., de schade, bestaande uit het verschil tussen de feitelijke opbrengst en ƒ 1.344.000,-- aan de nalatenschap — ieder voor gelijke delen — te vergoeden; c. te bepalen dat de boedelnotaris na verkoop en levering van de hierboven bedoelde registergoederen en na voldoening van de sub b bedoelde schadevergoeding aan ieder van de erfgenamen zal uitkeren 1/7 gedeelte van het per de datum van de verdeling aanwezige batig saldo onder aftrek van de per die datum bestaande c.q. nog te verwachten schulden tot de nalatenschap behorende; meer subsidiair: een wijze van verdeling te gelasten c.q. een verdeling vast te stellen als de Rechtbank in goede justitie billijk zal oordelen. [kind 2] is niet in rechte verschenen; tegen haar is verstek verleend. [kind 1] heeft afzonderlijk verweer gevoerd en een eis in reconventie ingesteld, die strekte tot een andere wijze van verdeling dan door [verweerders] gevorderd. [eiser] , [kind 3] en [kind 4] hebben de vorderingen in conventie bestreden en in reconventie een vordering ingesteld die onder meer ertoe strekt [verweerders] te veroordelen met de overige erven over te gaan tot verdeling van de nalatenschap, te verklaren voor recht dat aan hen gedane schenkingen nietig zijn, en hen te veroordelen rekening en verantwoording af te leggen.
ECLI:NL:HR:2016:68
15 januari 2016 Eerste Kamer 14/04432 LZ Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: Het BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN,gevestigd te Den Haag, EISERES tot cassatie, advocaten: mr.
ECLI:NL:GHSHE:2022:112
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.291.089/01 arrest van 18 januari 2022 in de zaak van Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat), gevestigd te 's-Gravenhage, eiser, hierna aan te duiden als de Staat, advocaat: mr. B.S. ten Kate te Arnhem, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. G.J.M. de Jager te Rotterdam, op de bij exploot van dagvaarding van 1 maart 2021 ingeleide procedure na verwijzing naar dit hof door de Hoge Raad bij arrest van 14 april 2017, nummer 15/03989 (ECLI:NL:HR:2017:691), gewezen tussen [geïntimeerde] als verzoeker tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep en de Staat als verweerder in cassatie, eiser in het incidenteel cassatieberoep. 1Het geding tot aan de verwijzing door de Hoge Raad Het verloop van het geding tot aan de verwijzing door de Hoge Raad blijkt uit: de vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 20 juni 2012 (tussenvonnis waarin de onteigening is uitgesproken) en 24 juni 2015 (zaaknummer C/02/249532 / HA-ZA 12-360), gewezen tussen de Staat als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde; het arrest van de Hoge Raad. 2Het geding na verwijzing 2.1. Het verdere verloop van het geding na verwijzing blijkt uit: - het exploot van dagvaarding van 1 maart 2021, waarbij [geïntimeerde] de Staat heeft gedagvaard om te verschijnen ter zitting van dit hof om, kort gezegd, de instantie van vóór cassatie voort te zetten; - de memorie na verwijzing van [geïntimeerde] met producties 1 t/m 6; - de antwoordmemorie na verwijzing van de Staat met producties 1 t/m 5; - de op 13 oktober 2021 door [geïntimeerde] bij H-formulier overgelegde producties 7 en 8 die [geïntimeerde] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht; - de via Zivver op 22 oktober 2021 door [geïntimeerde] ingezonden drie producties, genaamd “nota voor deskundige” voor de descente van 21 juni 2012, “reactie concept-deskundigenrapport” van 19 juli 2013 en “Advies rapportage [[--]] Makelaars betreffende schadeloosstelling A4 te [plaats] ” van juni 2012, die [geïntimeerde] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht; - de via Zivver op 25 oktober 2021 door de Staat ingediende productie genaamd “Nota voor deskundigen” voor de descente van 21 juni 2012, die de Staat bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht; - het op 26 oktober 2021 gehouden pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd; - de op 23 november 2021 door [geïntimeerde] ingediende akte; - de op 7 december 2021 door de Staat ingediende antwoordakte. 2.2. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg, met uitzondering van het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg dat zich niet bij de processtukken bevindt, waarover partijen door het hof op de zitting in hoger beroep zijn geïnformeerd. 3De verdere beoordeling In de kern genomen gaat het in deze zaak om het antwoord op de vraag of het onteigende op de peildatum op grond van artikel 40c Onteigeningswet (hierna: Ow) al dan niet een verwachtingswaarde boven de agrarische waarde had. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is en zal dat hierna toelichten. De feiten 3.2. Het hof gaat uit van de volgende feiten. 3.2.1. Op vordering van de Staat is bij vonnis van 20 juni 2012 vervroegd de onteigening uitgesproken ten name van de Staat van een gedeelte (02.48.68 ha) van een aan [geïntimeerde] toebehorend perceel ter grootte van in totaal 06.65.20 ha, kadastraal bekend gemeente Steenbergen, sectie [sectieletter] [sectienummer] . In het onteigeningsvonnis is het aan [geïntimeerde] te betalen voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 182.469,00. 3.2.2. De onteigening is geschied ter uitvoering van het Koninklijk Besluit van 7 december 2011, [nummer] (Stcrt. 2012, 1874), waarin (onder meer) ter onteigening is aangewezen het hiervoor genoemde perceelsgedeelte ten behoeve van de aanleg van de Rijksweg A4 om [plaats] met bijkomende werken, in de gemeenten Bergen op Zoom en [plaats] . 3.2.3. Het onteigeningsvonnis is op 31 juli 2012 ingeschreven in de openbare registers. 3.2.4. Nadat bij beschikking van 4 juni 2012 aan deskundigen is opgedragen de schadeloosstelling te begroten, hebben de deskundigen in hun rapport de aan [geïntimeerde] te betalen schadeloosstelling begroot op € 168.000,00 als zijnde de waarde van het onteigende gedeelte van het perceel. De deskundigen hebben de waardevermindering van het overblijvende noordelijk gedeelte van het perceel en de overige schade op nihil vastgesteld omdat volgens hen per saldo een voordeel resteert voor [geïntimeerde] vanwege waardevermeerdering van het overblijvend zuidelijk perceelsgedeelte. 4Wat tot dusver in het geding aan de orde is geweest 4.1.1. [geïntimeerde] stelde in de procedure bij de rechtbank voor cassatie dat de schadeloosstelling dient te bedragen:- waarde onteigende (2.48.68 ha à € 20,00/m²) € 497.360,00- voordeel i.v.m. aanwezige bodembestanddelen € 570.750,00- waardevermindering overblijvende (4.16.52 ha à € 5,00/m²) € 208.260,00- overige schade: inkomensschade € 75.751,10bijkomende schade € 37.198,40 (+ 3x p.m.) ------------------- totaal € 1.389.318,50 + 3x p.m. 4.1.2. De Staat had een vergoeding aangeboden van € 161.642,00 voor de waarde van het onteigende (2.48.68 ha à € 6,50/m²) plus € 20.827,00 als waardevermindering voor het overblijvende gedeelte van het perceel. 4.1.3. De rechtbank heeft overeenkomstig het advies van de deskundigen het voordeel wegens aanwezige bodembestanddelen, de waardevermindering van het overblijvende deel van het perceel en de inkomensschade en bijkomende schade op nihil gesteld en de aan [geïntimeerde] toekomende schadeloosstelling vastgesteld op € 168.000,00. Verder heeft de rechtbank [geïntimeerde] veroordeeld om het bedrag waarmee het betaalde voorschot het bedrag van de vastgestelde schadeloosstelling te boven gaat van € 14.469,00 aan de Staat terug te betalen, vermeerderd met 1,6% rente daarover vanaf 31 juli 2012 tot 24 juni 2015 en vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2015. Tot slot is de Staat veroordeeld in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op een totaalbedrag van € 44.551,68 inclusief btw en in de proceskosten van [geïntimeerde] . 4.1.4. Ten aanzien van de verwachtingswaarde en de waardevermindering van het overblijvende deel van het perceel, heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen: “Verwachtingswaarde? (…) [geïntimeerde] baseert zijn stelling dat er sprake is van verwachtingswaarde op het provinciale Uitbreidingsplan van 2004, de Gebiedsvisie van 14 november 2007, de Structuurvisie van 1 oktober 2010, de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant, de Structuurvisie 2012 van de gemeente Steenbergen van januari 2012 en de Structuurvisie 2010 Partiele Herziening vastgesteld op 2 juli 2014. Deze plannen zijn echter, gelet op het in artikel 40c Ow genoemde uitgangspunt, niet geschikt voor de beoordeling of er aanleiding is voor het aannemen van een verwachtingswaarde. Bij de bepaling van een mogelijke verwachtingswaarde dienen (de plannen voor) het werk waarvoor onteigend wordt, in casu de aanleg van de A4, te worden geëlimineerd. Op grond van de inhoud van de overgelegde stukken moet worden aangenomen dat vanaf 2002 tot ca. 2006 rekening werd gehouden met een aanleg van de weg aan de westzijde van [plaats] en dat vanaf maart 2007 duidelijk was dat het tracé aan de westzijde van [plaats] zou worden aangelegd. Uit de planvorming van vóór het moment dat de plannen voor de aanleg van de Rijksweg A4 westelijk langs [plaats] vorm kregen, waarbij dus moet worden teruggegaan tot 2001/2002, volgt dat (de onteigening weggedacht) de uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder richting het westen en zuidwesten zou hebben plaatsgevonden en niet in de richting van het perceel van [geïntimeerde] . De rechtbank onderschrijft dan ook de opvatting van de deskundigen dat er op de peildatum geen verwachtingswaarde was. (…) Waardevermindering/waardevermeerdering overblijvende (…) Uit de door de deskundigen opgenomen beschrijving van de planvorming voor de A4 en haar omgeving volgt dat te verwachten valt dat het gebied waarin het overblijvende deel ten zuiden van de A4 is gelegen ten gevolge van de onteigening in aanmerking komt voor uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Reinierpolder I , waardoor de waarde van de grond zal stijgen. De rechtbank neemt het oordeel en de motivering van de deskundigen ten aanzien van de door hen geschatte waardevermeerdering van dit overblijvende deel over en maakt deze tot de hare. (…) Na verrekening van de waardevermeerdering van het zuidelijk perceelsgedeelte met de waardevermindering van het noordelijk perceelsgedeelte resteert een voordeel van per saldo € 163.690,--.” 4.1.5. In cassatie is [geïntimeerde] opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van verwachtingswaarde op de peildatum (eerste middel). Met het tweede middel heeft [geïntimeerde] in cassatie betoogd dat hij recht heeft op een waardevermindering van het overblijvende gedeelte van het perceel. Verder is [geïntimeerde] opgekomen tegen het afwijzen van een vergoeding in verband met de aanwezigheid van voor de Staat bruikbare bodembestanddelen (derde middel), tegen het niet honoreren van zijn verweer dat zijn bedrijf meer omvat dan alleen een landbouwbedrijf (vierde middel) en tegen het gedeeltelijk afwijzen van de gevorderde kosten voor deskundige bijstand (vijfde middel). 4.1.6. Incidenteel is de Staat in cassatie opgekomen tegen het toewijzen van de vergoeding van de door de deskundigen aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte btw. 4.1.7. De Hoge Raad heeft omtrent de eerste twee middelen het volgende overwogen: “Middel 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat er op de peildatum geen verwachtingswaarde was (rov. 2.23). Onderdeel 6 van het middel klaagt dat de door deskundigen geëlimineerde plannen niet voldoende concreet waren om te mogen worden geëlimineerd. 4.1.2 Naar de kern genomen klaagt het middel dat het oordeel van de rechtbank dat het onteigende op de peildatum geen verwachtingswaarde boven de agrarische waarde had, berust op een verkeerde toepassing van de eliminatieregel van art. 40c Ow. 4.1.3 De rechtbank heeft geoordeeld dat bij het bepalen van de waarde van het onteigende geen rekening mag worden gehouden met de planologische stukken uit de jaren 2004-2014 waaruit volgens [geïntimeerde] blijkt van op de peildatum bestaande verwachtingen over een uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van het onteigende (…). De rechtbank heeft echter niet ten aanzien van (elk van) die planologische stukken beoordeeld of reeds sprake was van of werd voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend. Daarom slagen de klachten van onderdeel 6. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling. 4.2.1 Middel 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 2.33) dat er per saldo geen voor vergoeding in aanmerking komende waardevermindering van het overblijvende is. 4.2.2 Het oordeel van de rechtbank hangt samen met haar blijkens 4.1.3 hiervoor met succes bestreden oordeel dat aan het onteigende geen verwachtingswaarde moet worden toegekend. Het middel bevat hierop gerichte klachten en slaagt in zoverre. Voor het overige behoeft het geen behandeling.” 4.1.8. Voor het overige heeft de Hoge Raad overwogen dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad heeft het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 juni 2015 vernietigd en het geding verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing met veroordeling van de Staat in de proceskosten van cassatie. 5De grenzen van de rechtsstrijd na de verwijzing 5.1.1. Voor de behandeling na verwijzing geldt de volgende maatstaf (zie onder meer ECLI:NL:HR:2018:1216). De rechter naar wie het geding is verwezen, dient ingevolge art. 424 Rv de behandeling daarvan voort te zetten en te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij is uitgangspunt dat de verwijzingsrechter de zaak moet behandelen in de stand waarin deze zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen, en is gebonden aan de in die uitspraak gegeven beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden. Dit uitgangspunt brengt mee dat in het geding na verwijzing geen plaats is voor het aanvoeren van nieuwe feiten en omstandigheden. Het vorenstaande laat echter onverlet dat partijen zich in het geding na verwijzing mogen beroepen op (wijziging van) feiten en omstandigheden die zich na de vernietigde uitspraak (heeft) hebben voorgedaan, mits partijen daardoor de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie niet overschrijden, en dat de rechter die na verwijzing over de zaak oordeelt, de hiervoor bedoelde (wijziging van) feiten en omstandigheden in zijn beoordeling dient te betrekken (vgl. HR 22 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2998, NJ 1999/799, rov. 3.2). Deze uitzondering vindt haar rechtvaardiging hierin dat zij voorkomt dat het geschil zou moeten worden beslist aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens. Dezelfde maatstaf geldt ook voor een eiswijziging na verwijzing (zie onder meer Hoge Raad, 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360). Wel moet nog op de voet van art. 130 lid 1 Rv beoordeeld worden of de eiswijziging of eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde, hetgeen volgens de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 321) en overeenkomstig vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999: ZC2914, NJ 2000/220 (Heep/Heep), rov. 3.4) het geval is indien sprake is van onredelijke bemoeilijking van de verdediging dan wel onredelijke vertraging van het geding. Bij die beoordeling kan ook het stadium waarin de procedure verkeert van belang zijn. 5.1.2. De Hoge Raad heeft de klachten in de middelen 1 en 2 laten slagen omdat de rechtbank ten aanzien van (elk van) de planologische stukken uit de jaren 2004-2014 - waaruit volgens [geïntimeerde] blijkt van op de peildatum bestaande verwachtingen over een uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van het onteigende - had moeten beoordelen “of reeds sprake was van of werd voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend”. Het hof dient dit alsnog te beoordelen in het kader van de door [geïntimeerde] gestelde verwachtingswaarde op de peildatum die gevolgen heeft voor de vergoeding voor het onteigende gedeelte en voor het al dan niet meenemen van waardevermindering van het resterende noordelijk deel van het perceel bij de schadeloosstelling. 6. De verdere beoordeling na verwijzing - verwachtingswaarde / waardevermindering 6.1.1. Art. 40 Ow bepaalt dat de schadeloosstelling een volledige vergoeding vormt voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt. Het is mogelijk dat de onteigening niet alleen nadelen, maar ook voordelen oplevert voor de onteigende. Omdat de schadeloosstelling niet bedoeld is om de onteigende in een betere vermogenstoestand te brengen dan zonder de onteigening het geval zou zijn geweest, worden deze voordelen in beginsel met de nadelen verrekend. Art. 40c Ow bepaalt dat bij de bepaling van de schadeloosstelling vanwege het verlies van een onroerende zaak (het onteigende) geen rekening wordt gehouden met voordelen en nadelen die worden veroorzaakt door het werk waarvoor die zaak is onteigend, overheidswerken die in verband staan met dat werk en/of plannen waarop dat werk c.q. die overheidswerken zijn gebaseerd. 6.1.2. Het werk waarvoor in dit geval is onteigend, is de Rijksweg A4 om [plaats] met bijkomende werken (hierna: de A4). Het bedrijventerrein Reinierpolder maakt daarvan geen onderdeel uit. Het hof begrijpt de uitspraak van de Hoge Raad zo, dat niet alleen geen rekening wordt gehouden met voordelen/nadelen die worden veroorzaakt door het werk waarvoor die zaak is onteigend, samenhangende overheidswerken (en/of plannen daarvoor), maar ook met voordelen/nadelen die worden veroorzaakt door plannen voor een ander werk (in dit geval plannen voor bedrijventerrein Reinierpolder ), indien in die plannen wordt voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend. 6.1.3. De beoordeling of op de peildatum verwachtingen bestonden over een uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van het onteigende dient plaats te vinden op basis van de volgende stukken (onderdeel 2.23 van het rechtbankvonnis): a. het provinciale Uitwerkingsplan van 2004 [hof: beide partijen hebben op de zitting in hoger beroep bevestigd dat de rechtbank dit plan ten onrechte heeft aangeduid als Uitbreidingsplan in plaats van Uitwerkingsplan]; b de Gebiedsvisie van 14 november 2007; c. de Structuurvisie van 1 oktober 2010; d. de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant; e. de Structuurvisie 2012 van de gemeente Steenbergen van januari 2012; f. de Structuurvisie 2010 Partiele Herziening vastgesteld op 2 juli 2014. 6.1.4. Tussen partijen staat vast dat dit geen plannen zijn voor de A4, het werk waarvoor wordt onteigend. Het hof dient voor elk van bovenstaande stukken te beoordelen of de plannen daarin voor uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder op het perceel van [geïntimeerde] , voortbouwen op (voldoende) concrete plannen voor de A4. Plannen voor de A4 6.2.1. De eerste planvorming rond de A4 ter plaatse is van 1980. In een trajectnota/milieueffectrapportage voor de A4 uit 1995 zijn zowel een oostelijke variant voor het tracé als een westelijke variant opgenomen. In de oostelijke variant liep het tracé ten oosten van [plaats] naar het zuiden en daarmee niet over het onteigende perceel dat ten noordwesten van [plaats] ligt. Nadat een tracébesluit uit 1998, waarin voor de oostelijke variant was gekozen, in 2001 door de Raad van State was vernietigd, is in 2006 een aanvullende milieueffectrapportage uitgebracht, waarin de oostelijke variant en de westelijke variant werden vergeleken. In maart 2007 koos de minister voor de westelijke variant. De keuze voor de westelijke variant is uitgewerkt in het ontwerp tracébesluit A4 [plaats] - [plaats] , gedeelte [plaats] , dat op 16 maart 2010 ter inzage is gelegd. 6.2.2. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag op welk moment het plan voor de A4 (voldoende) concreet was. Volgens de Staat was dit begin 2003 het geval omdat de bestuurlijk betrokken partijen op dat moment besloten waar het tracé zou komen. Ter onderbouwing hiervan verwijst de Staat naar een brief van Rijkswaterstaat aan het actiecomité A4 West van 20 februari 2003 waarin onder meer staat: “Deze gedetailleerde vergelijking heeft in het Regionaal Bestuurlijk overleg van 10 januari 2003 tot een eensluidend advies aan de minister van Verkeer en Waterstaat geleid. De voorkeur werd uitgesproken voor de westvariant.”. De Staat verwijst in dit kader verder naar een uitspraak van de Hoge Raad van 8 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY4119), waarin een brief van Rijkswaterstaat aan de gemeente Eemnes werd aangemerkt als concreet plan. In de brief werd de wenselijkheid gemeld van realisatie op termijn van een verzorgingsplaats/brandstofverkooppunt en verzocht Rijkswaterstaat de gemeente om dat in het ontwerp-bestemmingsplan op te nemen conform een uitgewerkt voorontwerp dat reeds in bezit van de gemeente was. Volgens [geïntimeerde] was het plan voor de A4 pas voldoende concreet met terinzagelegging van het ontwerp tracébesluit op 16 maart 2010, omdat de exacte ligging van de weg pas op dat moment bekend was en deze ten opzichte van eerdere plannen, waarin het traject noordelijker liep en het hele perceel van [geïntimeerde] had kunnen worden ontwikkeld als bedrijventerrein, was gewijzigd. Dit laatste heeft de Staat betwist. 6.2.3. Het hof laat in het midden op welk moment in de periode 2004-2014 het plan voor de A4 “voldoende concreet” was en zal voor elk van de onder a tot en met f genoemde plannen beoordelen of reeds sprake was van of werd voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend. Het gaat er uiteindelijk om of al dan niet valt te verwachten dat ook zonder (het plan voor) het werk waarvoor wordt onteigend, de desbetreffende bestemming (in casu de uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder) in het desbetreffende ruimtelijk plan zal worden gerealiseerd. 6.2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat in de ruimtelijke plannen van vóór de hiervoor genoemde plannen a tot en met f, meer specifiek in de Structuurvisie Plus van de gemeente Steenbergen uit november 2002, uitbreiding van bedrijventerrein Reinierpolder met name werd voorzien in het gebied ten westen van de bestaande bedrijventerreinen Reinierpolder I en II en niet in noordelijke richting, in de richting van het perceel van [geïntimeerde] . Op de kaart bij deze structuurvisie was een “studie-trace A4” zowel ten westen als ten oosten van de kern van [plaats] ingetekend. Evenmin staat ter discussie dat op het perceel van [geïntimeerde] in eerdere gemeentelijke en provinciale plannen alleen werd voorzien in agrarische ontwikkeling, zoals ook de deskundigen in hun rapport op pagina 11 hebben opgenomen. Het hof zal voor elk van de onder a tot en met f genoemden plannen afzonderlijk beoordelen in hoeverre met de daarin opgenomen bestemming voor het onteigende perceel wordt voortgebouwd op (plannen voor) de A4 en daarmee of het (plan voor) de A4 daarin voldoende concreet was. Deze plannen bevinden zich niet integraal in het procesdossier. Partijen hebben op de zitting in hoger beroep bevestigd dat alle voor hun standpunten relevante onderdelen van deze plannen ofwel in het procesdossier zitten, ofwel in het rapport van de deskundigen met bijlagen 1 t/m 17 op juiste wijze en volledig worden geciteerd en dat het hof bij de beoordeling geen andere onderdelen van deze plannen hoeft te betrekken.Verder heeft het hof partijen tijdens zitting in hoger beroep erop gewezen dat niet alle kaarten die bij de plannen a tot en met f horen en in het dossier zijn gevoegd even goed leesbaar zijn. Het hof heeft deze kaarten op de zitting met partijen doorgenomen en partijen hebben daarbij geconcludeerd dat de volgens hen ter onderbouwing van hun standpunten benodigde kaarten voldoende leesbaar zijn en dat het hof de overige kaarten niet bij de beoordeling hoeft te betrekken. Ad a Het provinciale Uitwerkingsplan van 2004 6.3.1. In het deskundigenrapport is hierover opgenomen: “Ter uitwerking van het provinciaal streekplan - en conform de daarin opgenomen uitwerkingsregels - zijn voor de belangrijkste stedelijke en landelijke regio’s uitwerkingsplannen vastgesteld. Voor de onderhavige regio hebben GS aldus op 21 december 2004 het “Uitwerkingsplan Landelijke Regio [plaats] en [plaats] ” vastgesteld. Met en in dit uitwerkingsplan werd de opgave vanuit provinciaal beleid voor deze regio met betrekking tot woningbouw en bedrijventerreinontwikkeling nader uitgewerkt. Concrete invulling van locaties diende volgens de toelichting bij dit plan uiteindelijk te geschieden op basis van periodiek (op basis van behoefteprognoses) te herijken programma’s voor respectievelijk woningbouw en bedrijventerreinontwikkeling. Op de bij het uitwerkingsplan behorende kaart waren alleen de ‘grote verstedelijkte locaties’ met een omvang van meer dan 5 ha indicatief aangeduid; kleinere locaties, die passen binnen de aangewezen zoekgebieden voor verstedelijking en het betreffende programma, waren niet aangeduid, maar konden op basis van dit uitwerkingsplan wel worden ontwikkeld (pagina 9 plantoelichting). Bij het opstellen van dit uitwerkingsplan was uitgangspunt een tracé voor de A4 aan de westzijde van [plaats] (pagina 30 plantoelichting); dit tracé is ook op de bijbehorende plankaart aangegeven (bijlage 12). Op deze plankaart is zowel het gebied tussen het tracé van de A4 en het bestaande bedrijventerrein Reinierpolder 1 (ten noorden van de Westgroeneweg, inclusief het perceel van [geïntimeerde] ) als het gebied tussen het tracé van de A4 en het bestaande bedrijventerrein Reinierpolder II aangeduid als mogelijke uitbreidingslocaties voor het bedrijventerrein Reinierpolder . In de toelichting was opgenomen dat het tracé van de A4 onder meer aan de noordwestzijde van de kern [plaats] zou resulteren in “een duurzame contour”, waarbij voor het ten zuiden daarvan gelegen gebied “een transformatie afweegbaar” was (p. 64).” 6.3.2. Het hof stelt vast dat dit het eerste ruimtelijke plan is waarop het perceel van [geïntimeerde] wordt aangeduid als mogelijke uitbreidingslocatie bedrijventerrein. Verder stelt het hof vast dat op de kaart die bij dit plan hoort (bijlage 12 bij het deskundigenrapport), dat volgens de deskundigen een uitwerking vormt van het provinciaal streekplan waarin nog zowel de westelijke als de oostelijke variant van de A4 waren ingetekend, voor het eerst alleen nog de westelijke variant van het tracé voor de A4 is ingetekend. Het tracé loopt aan de noordzijde van het perceel van [geïntimeerde] . Op de kaart is verder te zien dat niet alleen het perceel van [geïntimeerde] , maar alle grond die tussen het tracé van de A4, het bestaand bedrijventerrein en de rivier is gelegen, wordt aangemerkt als potentieel te ontwikkelen bedrijven terrein en dat het tracé van de A4 de grens vormt tot waar deze bestemming mogelijk wordt geacht. Daarmee is de bestemming mogelijke uitbreiding bedrijventerrein naar het oordeel van het hof gekoppeld aan de komst van het tracé van de A4. Deze koppeling blijkt naar het oordeel van het hof voorts uit de tekst in de toelichting bij het plan waar staat dat het tracé van de A4 onder meer aan de noordwestzijde van de kern [plaats] resulteert in een “duurzame contour”, waarbij “voor het ten zuiden daarvan gelegen gebied een transformatie afweegbaar is”. Het plan voor de A4 in het provinciale Uitbreidingsplan van 2004 is daarmee naar het oordeel van het hof (voldoende) concreet en de mogelijke bestemming uitbreiding bedrijventerrein bouwt daarop voort. Dat het tracé voor de A4 uiteindelijk iets zuidelijker is aangelegd dan aangegeven op de kaart van dit Uitbreidingsplan en daarmee halverwege het perceel van [geïntimeerde] , doet aan het voorgaande niet af. In de tekst van het Uitbreidingsplan staat dat alleen de grotere locaties indicatief staan aangeduid en concrete invulling van locaties nog zal plaatsvinden. Dat bij deze invulling is gebleken dat de A4 iets zuidelijker ligt, of is komen te liggen, laat onverlet dat de ten zuiden daarvan bedachte mogelijke uitbreidinglocatie bedrijventerrein de contour van de A4 volgt. Ad b de Gebiedsvisie van 14 november 2007 6.4.1. In het deskundigenrapport is hierover opgenomen: “In de Gebiedsvisie van de gemeente Steenbergen (“Gemeente Steenbergen gebiedsvisie – visie op ontwikkelingen”, november 2007) is onder meer ingegaan op de ruimtelijke gevolgen van de dan inmiddels voorgenomen aanleg van de A29/A4 ten westen van [plaats] . De kern van [plaats] en het omliggende gebied werden in deze gebiedsvisie aangewezen als ‘hoogdynamisch gebied’ (zie bijlage 13). Met betrekking tot de agrarische gebieden aan de noord- en westzijde van [plaats] werd in paragraaf 2.2 aangegeven dat als gevolg van de aanleg van de A4 delen van deze gebieden zouden worden afgesneden van het omliggende land. “Functiewijzigingen zijn hier te verwachten, zeker als gebieden aansluiten op een bedrijventerrein of op de bestaande stad.” Het gedeelte van het perceel van [geïntimeerde] , dat is gelegen ten zuiden van het op dat moment bekende tracé van de A4, is op de bijbehorende gebiedsvisiekaart (bijlage 13a) gelegen in het gebied dat is aangeduid met “nieuwe projecten, nr. 29: Bedrijventerrein Reinierpolder Noord ”. In de tekst van de gebiedsvisie is op pagina 8 toegelicht dat van deze projecten de plan vorming nog niet (volledig) was afgerond of zelfs nog moest worden opgestart. In de gebiedsvisie is er tenslotte vanuit gegaan dat deze visie “in de loop van 2008 wordt uitgewerkt en vertaald in een formele structuurvisie voor de gehele gemeente” (paragraaf 1.2). Voor het gedeelte van het perceel van [geïntimeerde] gelegen ten noorden van het A4-trace werd in deze gebiedsvisie geen nieuwe ontwikkeling voorzien.” 6.4.2. Verder staat op pagina 6 van deze gebiedsvisie, welke pagina is overgelegd als bijlage 13 bij het deskundigenrapport, onder meer het volgende: “[plaats] hoog dynamisch Door de aanleg van de A4 worden er aan de noord- en westzijde van de stad [plaats] agrarische gronden afgesneden van het omliggende land. Functiewijzigingen zijn hier te verwachten, zeker als gebieden aansluiten op een bedrijventerrein of op de bestaande stad. (…)” 6.4.3. Uit deze bewoordingen blijkt naar het oordeel van het hof dat de te verwachten functiewijzigingen zijn gekoppeld aan de aanleg van de A4, waardoor er aan de noord- en westzijde van de stad [plaats] agrarische gronden afgesneden worden van het omliggende land. Zowel uit de in het deskundigenrapport opgenomen tekst, als uit de daarbij als bijlage 13a gevoegde kaart, blijkt dat de bestemming bedrijventerrein Reinierpolder Noord het op de kaart aangegeven tracé van de A4 volgt en alleen geldt voor gronden die ten zuiden/oosten daarvan zijn gelegen en aansluiten op het bestaande bedrijventerrein. Het plan voor de A4 in de Gebiedsvisie van 14 november 2007 is naar het oordeel (voldoende) concreet en de bestemming bedrijventerrein Reinierpolder Noord is gelegen ten zuiden/oosten van het “op dat moment bekende tracé van de A4”en bouwt naar het oordeel van het hof daarop voort. Indien en voor zover [geïntimeerde] met betrekking tot deze kaart stelt dat het tracé voor de A4 uiteindelijk iets zuidelijker is komen te liggen, verwijst het hof naar hetgeen daarover hiervoor is overwogen in 6.3.2. Ook de planvorming voor het bedrijventerrein was nog in ontwikkeling en volgt duidelijk de contour van de geplande A4. Ad c de Structuurvisie van 1 oktober 2010 6.5.1. In het deskundigenrapport is hierover opgenomen: “Op 10 december 2010 is door Provinciale Staten de “Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord Brabant” vastgesteld. Deze structuurvisie bestaat uit twee delen. In Deel A zijn de hoofdlijnen van het beleid weergegeven en heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In deel B zijn de vier ruimtelijke structuren beschreven, te weten de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur heeft de provincie in dit deel haar ambities en beleid geformuleerd. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie wil inzetten om haar doelen te bereiken. Op de bij de structuurvisie behorende kaart is het gehele perceel van [geïntimeerde] (met uitzondering van het deel waarop in de aanleg van de A4 is voorzien) aangewezen zowel als “Accentgebied agrarische ontwikkeling” (met brede gele arcering aangegeven op het uitvergrote deel van de kaart) en als “Zoekgebied verstedelijking” (met smalle rode arcering op datzelfde kaartdeel, zie bijlage 14). Blijkens de bij deze structuurvisie behorende begrippenlijst betreft een “Accentgebied agrarische ontwikkeling” een gebied “waarde provincie ruimte en kansen ziet om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en versterken”. De aanduiding “Zoekgebied verstedelijking” geeft aan dat “het transformeren van buitengebied naar stedelijk gebied (wonen, werken, voorzieningen, stedelijk groen) afweegbaar is als dat nodig is om in de stedelijke ruimtebehoefte te voorzien” (pagina 89 van de structuurvisie).” 6.5.2. Vaststaat dat het tracé van de A4 ook op deze kaarten, die als Bijlage 14 bij het deskundigenrapport zijn overgelegd, over het perceel van [geïntimeerde] loopt en volgens de in Bijlage 14 opgenomen legenda is aangeduid als “Hoofdweg”. Verder is op de uitvergroting van het gedeelte van de kaart bij [plaats] te zien dat ook op deze kaart de gronden die ten zuiden/oosten van het tracé zijn gelegen en aansluiten op het bestaand bedrijventerrein zijn aangemerkt als “zoekgebied verstedelijking”. In die zin bouwt deze laatste bestemming op de kaart voort op het tracé van de A4. Voor zover [geïntimeerde] betoogt dat uit deze uitvergroting blijkt dat deze bestemming voor zijn gehele perceel (en dus ook voorbij het tracé tot aan Fort Henricus) geldt en dat deze bestemming dus niet voortbouwt op het tracé, volgt het hof hem daarin niet. De kaart is te uitvergroot en te weinig gedetailleerd om dit hieruit te kunnen afleiden. Dit ruimtelijk plan betreft de gehele provincie Noord-Brabant en bevat de ruimtelijke keuzes voor de gehele provincie op hoofdlijnen. Zo is het tracé van de A4 dermate breed ingetekend dat het bijna het gehele perceel van [geïntimeerde] lijkt te bestrijken. Dat een redelijk handelend koper uit deze kaart afleidt dat op het perceel van [geïntimeerde] ook ten noorden van de A4 en (daarmee) los van het tracé, een bedrijventerrein zou mogen worden ontwikkeld, acht het hof niet aannemelijk. Allereerst omdat op basis van deze kaart bijna geen perceel resteert gezien de grootte van het op de kaart aangegeven tracé. Ten tweede is het ruimtelijk bezien onlogisch dat aan de overzijde van de ingetekende snelweg een klein stukje bedrijventerrein zou kunnen worden aangelegd, waar de rest van het gebied aan die kant van de weg slechts een agrarische bestemming heeft. Daarbij neem het hof in aanmerking dat de op- en afrit van de snelweg zich niet bij [plaats] bevindt, zodat een dergelijk stukje bedrijventerrein ook niet (goed) bereikbaar zal zijn. Het hof is daarom van oordeel dat op deze kaart geen verwachtingswaarde kan worden gebaseerd. 6.5.3. [geïntimeerde] heeft nog een uitsnede van een Structuurvisie RO ingebracht als productie 2 bij de memorie na verwijzing. Op deze kaart is helemaal geen tracé voor de A4 ingetekend en is het gebied waarin het perceel van [geïntimeerde] is gelegen enkel bestemd als zoekgebied verstedelijking. Het lijkt erop dat de uitsnede uit productie 2 is verkregen uit een online zoekmachine, waarna daarop een filter is toegepast, waardoor alleen de bestemming zoekgebied verstedelijking wordt getoond. Desgevraagd gaf [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep aan dat deze kaart een structuurvisie zou betreffen waarin het tracé van de A4 is weggedacht, waarna de Staat bezwaar heeft gemaakt tegen inbrenging daarvan omdat dit een nieuw plan zou zijn waarmee het partijdebat na verwijzing ongeoorloofd zou worden uitgebreid. Indien het hof ervan uit zou gaan dat de uitsnede uit productie 2 de provinciale structuurvisie 2010 betreft, hetgeen gezien de tekst op de productie het geval lijkt, dient deze uitsnede te worden beschouwd binnen het geheel van de provinciale structuurvisie, waaronder in elk geval de hiervoor aangehaalde tekst en kaarten in Bijlage 12 uit het deskundigenrapport en maakt deze uitsnede het hiervoor gegeven oordeel van het hof niet anders. Indien de uitsnede uit productie 2 een ander plan betreft, dan kan dat naar het oordeel van het hof niet worden meegenomen in de beoordeling. Het hof verwijst naar de in 5.1.1. gegeven maatstaf voor de procedure na verwijzing. Na verwijzing is in beginsel geen plaats is voor het aanvoeren van nieuwe feiten en omstandigheden. De uitsnede dateert uit 2010 en had in dat geval dus eerder moeten worden ingebracht. Ad d de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant 6.6.1. In het deskundigenrapport is hierover opgenomen: “In de (provinciale) ‘Verordening ruimte Noord-Brabant 2012” (mei 2012) heeft de provincie regels (ter behartiging van haar provinciale belangen) opgenomen met betrekking tot de ruimtelijke ordening in de provincie. Het perceel van [geïntimeerde] is op de kaartbijlage “stedelijke ontwikkeling” bij deze verordening gelegen in een gebied dat is aangewezen als “zoekgebied verstedelijking: kernen in landelijk gebied” (zie bijlage 16). Ter plaatse van deze gebieden is volgens de begripsbepalingen “onder voorwaarden verstedelijking mogelijk”.” 6.6.2. Op de kaart die bij dit provinciale plan hoort (bijlage 16 bij het deskundigenrapport en productie 3 bij de memorie na verwijzing van [geïntimeerde] ), staat weliswaar geen weg ingetekend, maar de contour van de gronden die met geel/bruine kleur zijn aangewezen als “zoekgebied verstedelijking” loopt gelijk aan het tracé van de A4 zoals opgenomen in het provinciale uitbreidingsplan uit 2004. Deze contour loopt dwars over allerlei percelen heen en naar het oordeel van het hof kan het niet anders, dan dat deze contour is afgestemd op het tracé van de A4. De contour loopt aan de noordzijde van het perceel van [geïntimeerde] . Op de kaart is verder te zien dat niet alleen het perceel van [geïntimeerde] , maar alle grond die ten zuiden/oosten van deze contour zijn gelegen, worden aangemerkt als zoekgebied verstedelijking. Daarmee is deze bestemming naar het oordeel van het hof voldoende kenbaar gekoppeld aan de komst van het tracé van de A4. Het plan voor de A4 is in de Verordening Ruimte 2012 daarmee naar het oordeel van het hof (voldoende) concreet en de bestemming zoekgebied verstedelijking bouwt daarop voort. Dat het tracé voor de A4 uiteindelijk iets zuidelijker is aangelegd dan aangegeven op de kaart van dit Uitbreidingsplan en daarmee halverwege het perceel van [geïntimeerde] , doet aan het voorgaande niet af. De verschillende bestemmingen zijn op de kaart slechts globaal met kleurvlakken aangegeven, hetgeen erop duidt dat dit een plan op hoofdlijnen is. Uit het plan blijkt duidelijk dat de bestemming de contour van de A4 volgt en daarop dus voortbouwt. Ad e de Structuurvisie 2012 van de gemeente Steenbergen van januari 2012 6.7.1. In het deskundigenrapport is hierover opgenomen: “Op 31 mei 2012 is door de gemeenteraad van [plaats] de “Structuurvisie gemeente Steenbergen” vastgesteld. Deze (op grond van de nieuwe Wro verplichte) structuurvisie bevat volgens de toelichting geen ingrijpend nieuw beleid ten opzichte van het beleid zoals dat is weergegeven in de (hierboven reeds omschreven) Gebiedsvisie 2007 en andere beleidsdocumenten Uit de kaartbijlage (zie bijlage 15) bij deze structuurvisie volgt dat het zuidelijke gedeelte van het perceel van [geïntimeerde] - zijnde het gedeelte ten zuiden van het geplande tracé voor de A4 - valt binnen het gebied dat is aangewezen als “Zoekgebied hoogdynamische ontwikkeling” met de aanduiding “werken”. De als zodanig aangewezen gronden zijn daarbij nader aangeduid met nr. 2 “Uitbreiding Reinierpolder ”. Deze uitbreiding valt blijkens de plankaart onder de zogenaamde “zachte plannen” waarvan de invulling aldus nog nader te bepalen is. Volgens de tekst (p. 25/26) van de structuurvisie omvat het totale zoekgebied “vrijwel zeker meer dan het programma dat daadwerkelijk gerealiseerd kan worden. Dit is echter geen probleem. Op deze wijze behoudt de gemeente een zekere flexibiliteit naar de toekomst toe qua locatiekeuze”. Het gebied direct ten westen van het bedrijventerrein Reinierpolder (en ten noorden van de Zeelandweg-Oost) is in de structuurvisie onder de zogenoemde “harde plannen” als nieuw bedrijventerrein aangeduid, waarbij is opgemerkt dat pas indien uit onderzoek blijkt dat er na de ontwikkeling van dit terrein nog meer ruimte voor bedrijven nodig is, een verdere uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder onderzocht zal worden. Voor het gebied ten noorden van het A4-tracé (waarin ook het noordelijke overblijvende deel van het perceel van [geïntimeerde] is gelegen) is blijkens de kaart bij deze structuurvisie enkel voorzien in een agrarische functie.” 6.7.2. Het hof is van oordeel dat uit deze tekst blijkt dat de plannen voor de A4 (voldoende) concreet waren en dat de bestemming “uitbreiding Reinierpolder ” daarop voortbouwt. Uit de tekst blijkt dat de gegeven bestemming afhangt van de ligging van de grond ten opzichte van het tracé van de A4. Alleen gronden ten zuiden daarvan zijn aangewezen voor deze bestemming. Ad f de Structuurvisie 2010 Partiele Herziening vastgesteld op 2 juli 2014 6.8. Geen van partijen heeft dit ruimtelijk plan genoemd in de memorie na verwijzing. Ook in het deskundigenrapport wordt dit plan niet genoemd. [geïntimeerde] heeft bij de rechtbank een kaartje overgelegd uit dit plan, maar daarop geen nadere toelichting gegeven en ook niet toegelicht waarom dit plan, dat dateert van 2 juli 2014 en daarmee van na de peildatum, zou moeten worden meegenomen in de beoordeling. Het hof constateert dat dit plan is vastgesteld na de peildatum van 31 juli 2012. Ook de terinzagelegging van dit plan dateert van na de peildatum. Om die reden kan naar het oordeel van het hof geen verwachtingswaarde op de peildatum aan dit plan worden ontleend. Conclusie verwachtingswaarde / waardevermindering 6.9.1. De conclusie ten aanzien van de in a tot en met f genoemde plannen, is dat de bestemming daarin, waarop [geïntimeerde] de door hem gestelde verwachtingswaarde baseert, voortbouwt op concrete plannen voor de A4, althans dat aan het plan geen verwachtingswaarde op de peildatum kan worden ontleend. Er waren los van de (plannen voor de) A4 dus geen plannen tot ontwikkeling van het perceel tot bedrijventerrein. 6.9.2. Dit betekent dat het hof evenals de deskundigen de totale waarde van het onteigende per peildatum vaststelt op € 168.000,00 en geen waardevermindering als gevolg van (het plan voor) de A4 meeneemt in de schadeloosstelling omdat de waardevermeerdering als gevolg van (het plan voor) de A4 groter is. Naheffing Belastingdienst 6.10.1. [geïntimeerde] heeft in zijn memorie na verwijzing geconcludeerd dat het hof bij het bepalen van de aan hem toekomende schadeloosstelling een bedrag meeneemt van € 11.846,00 aan belastingschade. [geïntimeerde] stelt een belastingnaheffing te hebben ontvangen omdat hij het perceel waarvan een gedeelte is onteigend minder dan tien jaar heeft kunnen inzetten voor agrarische bedrijvigheid waardoor een eerdere vrijstelling van overdrachtsbelasting is komen te vervallen. Ter onderbouwing hiervan heeft [geïntimeerde] een mededeling van de Belastingdienst overgelegd van 22 juni 2018 waarin staat dat de Belastingdienst op 12 juni 2018 een bedrag van € 11.846,00 van [geïntimeerde] heeft ontvangen. In de bijlage bij dit bericht staat waarvoor dit bedrag is gebruikt: “Naheffingsaanslag Overdrachtsbelasting hoofdsom € -9.569,00 fiscale periode 2010 met nummer kosten € -1.929,00 20171863305011 invorderingsrente € -348,00 15-7-2017 - 12-6-2018” Op de zitting in hoger beroep heeft [geïntimeerde] desgevraagd bevestigd dat de kosten en invorderingsrente geen onderdeel uitmaken van de schade als gevolg van onteigening en dat bij de schadeloosstelling alleen het bedrag van € 9.569,00 hoeft te worden meegenomen. 6.10.2. De Staat heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Volgens de Staat had [geïntimeerde] kunnen voorzien dat hij een naheffingsaanslag kon krijgen en had hij die schade moeten meenemen in de vaststelling van de schade door de deskundigen. Bovendien had [geïntimeerde] deze belasting bij een verkoop buiten het kader van de onteigeningsprocedure evengoed moeten afdragen zodat deze schade volgens de Staat buiten de vergoeding dient te worden gelaten. 6.10.3. Het hof volgt de Staat hierin niet. [geïntimeerde] heeft de naheffingsaanslag pas op of rond 15 juli 2017 en daarmee na de uitspraken van de rechtbank en van de Hoge Raad ontvangen. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] deze schadepost alsnog kan inbrengen. Dat de deskundigen deze post wegens onvoldoende onderbouwing niet hebben meegenomen doet hieraan niet af nu het hof zelfstandig de schadeloosstelling dient vast te stellen. Voldaan is aan de hiervoor in 5.1.1. genoemde maatstaf. Met de naheffingsaanslag is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die zich na de vernietigde uitspraak hebben voorgedaan. Dat deze schadepost al zou zijn meegenomen en afgewezen in de beslissing van de rechtbank heeft de Staat niet (voldoende) gesteld. Door deze post mee te nemen wordt voorkomen dat moet worden beslist aan de hand van inmiddels achterhaalde gegevens. Het hof acht het meenemen van deze schadepost ook niet in strijd met de goede procesorde omdat de Staat hierop heeft kunnen reageren in de memorie na verwijzing en op de zitting in hoger beroep en de naheffing zelf, door tussenkomst van de Belastingdienst, heeft opgelegd. 6.10.4. Dat bovengenoemd bericht van de Belastingdienst ziet op het vervallen van een eerdere vrijstelling van overdrachtsbelasting, omdat [geïntimeerde] het perceel waarvan een gedeelte is onteigend minder dan tien jaar heeft kunnen inzetten voor agrarische bedrijvigheid, heeft de Staat met de enkele ontkenning van deze stelling onvoldoende betwist. Zo heeft de Staat niet gesteld dat [geïntimeerde] ander onroerend goed dan dit perceel zou hebben aangekocht in 2010 en weer zou hebben verkocht. Hoewel het duidelijker was geweest als [geïntimeerde] de naheffingsaanslag zelf had ingebracht, blijkt uit het overzicht wel dat het om een naheffing gaat in verband met overdrachtsbelasting uit 2010. Verder gaat het hof voorbij aan het verweer van de Staat dat [geïntimeerde] deze belasting bij een verkoop buiten de onteigening om ook had moeten betalen en dat dit uit het deskundigenrapport blijkt. De deskundigen zijn er in hun rapport vanuit gegaan dat een redelijk handelend ondernemer in de positie van [geïntimeerde] per peildatum de twee overblijvende perceelsgedeelten zou hebben verkocht. Hieruit leidt het hof niet af dat [geïntimeerde] het perceel de onteigening wegdenkend binnen tien jaar zou hebben verkocht als gevolg waarvan de eerdere vrijstelling van overdrachtsbelasting eveneens zou zijn komen te vervallen. Dat [geïntimeerde] het perceel, de onteigening wegdenkend, binnen tien jaar zou hebben verkocht blijkt verder nergens uit. Dit betekent dat het hof de naheffing van € 9.569,00 als bijkomende schade meeneemt bij het vaststellen van de schadeloosstelling. De kosten van rechtsbijstand 6.11.1. In het vonnis van 24 juni 2015 heeft de rechtbank beslist om de Staat in de kosten van het geding te veroordelen en geen reden gezien om af te wijken van de hoofdregel dat de onteigenende partij in de kosten van het geding (waaronder de kosten van juridische en deskundige bijstand) moet worden veroordeeld. Getoetst dient te worden of het redelijk is dat de kosten van juridische en andere deskundige bijstand zijn gemaakt en of de omvang van de kosten redelijk is, aldus de rechtbank. Ook het hof gaat hiervan uit nu dit oordeel in cassatie niet is bestreden en feiten of omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan en tot een ander oordeel zouden kunnen leiden niet (voldoende) zijn gesteld. De rechtbank heeft deze kosten tot aan datum vonnis aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 27.570,16 (incl. btw) ter zake kosten voor juridische bijstand en € 10.000,00 (incl. btw) ter zake kosten van overige deskundige bijstand vanuit [[--]] Makelaars en € 276,00 ter zake van griffierechten. Het cassatiemiddel tegen het afwijzen van de overige voor [geïntimeerde] gevorderde kosten faalde, zodat ook het hof van deze kosten tot 24 juni 2015 uitgaat. Het incidenteel cassatiemiddel tegen het toewijzen van de vergoeding van de door de deskundigen aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte btw faalde eveneens, zodat het hof ervan uitgaat dat ook de in rekening gebrachte btw voor vergoeding in aanmerking komt. 6.11.2. De kosten na verwijzing heeft [geïntimeerde] in zijn akte van 23 november 2021 begroot op: - € 19.443,49 inclusief btw aan facturen van mr. De Jager, gedateerd in de periode 26 mei 2020 tot en met 3 november 2021, voor verrichtingen over de periode 23 oktober 2019 (vanaf de memorie na verwijzing) tot en met 28 oktober 2021 (de zitting bij dit hof). - € 5.268,28 inclusief btw voor een factuur van [advocaat] , gedateerd 8 november 2021, voor verrichtingen over de periode 8 april 2017 tot en met 4 april 2019. - € 4.649,43 inclusief btw, voor een factuur van [[--]] Makelaars, gedateerd 9 november 2021, voor 29 uur (advies)werkzaamheden over de periode 21 maart 2017 tot en met 26 oktober 2021. 6.11.3. De Staat heeft bij antwoordakte bezwaar gemaakt tegen vergoeding van de kosten omdat de vastgestelde schadeloosstelling lager is dan de aangeboden schadeloosstelling en omdat de Staat na verwijzing heeft geprobeerd het geschil onderling te regelen, maar [geïntimeerde] niet op voorstellen van de Staat gereageerd heeft. Verder heeft de Staat bezwaar gemaakt tegen vergoeding van de kosten van [[--]] Makelaars omdat niet is toegelicht waarom het inschakelen van een taxateur in deze fase van de procedure nodig was en dit volgens de Staat onredelijk is. Verder komen kosten van voor het arrest van 14 april 2017 (2 uur bespreking client op 21 maart 2017) volgens de Staat niet voor vergoeding in aanmerking omdat de kosten zijn opgevoerd als advies voor de procedure na verwijzing. Onder het kopje “Kosten [advocaat] Advocaten” heeft de Staat aangevoerd dat [geïntimeerde] in 2019 een nieuwe advocaat heeft ingeschakeld, die een nieuwe start heeft moeten maken en zich het dossier eigen heeft moeten maken, hetgeen tot extra kosten zal hebben geleid. Verder heeft [advocaat] volgens de Staat kosten opgevoerd voor de ‘borgersbrief’, welke kosten behoren tot de cassatieprocedure, waarvoor al een vergoeding door de Hoge Raad is toegekend en zijn de kosten voor overleg met een derde niet in redelijkheid gemaakt omdat dit [[--]] Makelaars betreft en het inschakelen daarvan niet redelijk is. Ten aanzien van de kosten voor mr. De Jager heeft de Staat opgemerkt dat met het opstellen van de memorie na verwijzing circa 21,5 uren gemoeid zijn geweest, hetgeen niet redelijk is, zeker indien voor de werkzaamheden van [advocaat] een vergoeding wordt toegekend omdat in dat geval dubbel werk zal zijn verricht. 6.11.4. Het hof oordeelt als volgt. Zoals in onderdeel 6.11.1 overwogen dient het hof ervan uit te gaan dat [geïntimeerde] recht heeft op vergoeding van de kosten van juridische en deskundige bijstand en komen de kosten van [[--]] Makelaars voor vergoeding in aanmerking voor zover is voldaan aan de (dubbele) redelijkheidstoets. Het hof gaat daarom voorbij aan de stelling dat de vastgestelde schadeloosstelling lager is dan de aangeboden schadeloosstelling en ook aan de stelling dat het inschakelen van [[--]] Makelaars niet redelijk is. Dat [geïntimeerde] niet zou hebben gereageerd op een schikkingsvoorstel kan evenmin leiden tot afwijzing van een vergoeding van deze kosten. Wel dient te worden beoordeeld of de door [[--]] Makelaars gedeclareerde kosten redelijk zijn. Het hof is van oordeel dat dit het geval is. In totaal 29 uur voor advies en overleg rond (voortzetting van) de procedure na het arrest van de Hoge Raad en tijdens de procedure na verwijzing bij dit hof acht het hof redelijk, gezien de aard, inhoud en omvang van het arrest van de Hoge Raad, de memorie na verwijzing en het verdere verloop van de procedure bij dit hof. Dat de op 21 maart 2017 gedeclareerde uren dateren van eerdere datum dan het arrest van de Hoge Raad (14 april 2017) acht het hof daarbij niet van belang. Deze uren kunnen gezien deze datum vlak voor het arrest geen betrekking hebben gehad op (proces)handelingen in cassatie, maar zijn geweest ter voorbereiding op de procedure daarna. Dat de uren gedeeltelijk zijn gemaakt in een periode dat de gerechtelijke procedure heeft stilgelegen acht het hof evenmin van belang. Kennelijk zijn ook in deze periode overleggen gevoerd en (tactische) keuzes gemaakt over het voortzetten van de procedure na verwijzing. Dit betekent dat het door [[--]] gefactureerde bedrag van € 4.649,43 inclusief btw voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof gaat voorbij aan de stelling dat [geïntimeerde] mr. De Jager in 2019 als nieuwe advocaat zou hebben ingeschakeld die zich het dossier eigen heeft moeten maken hetgeen tot dubbel werk heeft geleid. Uit het dossier blijkt (zie pleitnotities d.d. 9 februari 2015 in eerste aanleg) dat mr. De Jager destijds (naar het hof begrijpt vanuit zijn vorige kantoor) al als advocaat van [geïntimeerde] bij het dossier betrokken was. Het hof acht de door [advocaat] gedeclareerde uren redelijk, met uitzondering van de voor de Borgersbrief gedeclareerde 1,5 uur omdat een dergelijke brief onderdeel uitmaakt van de procedure in cassatie, waarvoor al een proceskostenveroordeling is uitgesproken. Dit betekent dat van de factuur van [advocaat] € 4.107,50 - € 397,50 = € 3.710,00 inclusief btw voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof acht een declaratie van 21,5 uren voor een memorie na verwijzing van circa 20 pagina’s van mr. De Jager redelijk, mede gezien de aard en complexiteit van de zaak. De facturen van mr. De Jager komen daarmee in het geheel voor vergoeding in aanmerking. Het hof stelt de vergoeding voor kosten van juridische en andere deskundige bijstand voor de procedure na verwijzing vast op (€ 19.443,49 + € 3.710,00 + € 4.649,43 =) € 27.802,92 inclusief btw. Slotsom 6.12.1. De slotsom is dat het hof geen hogere verwachtingswaarde voor het onteigend gedeelte van het perceel en geen waardevermindering voor het noordelijk overblijvend deel van het perceel meeneemt bij de vaststelling van de schadeloosstelling. Wel neemt het hof een bedrag van € 9.569,00 als bijkomende schade mee bij deze vaststelling. Het hof zal het bedrag voor de schadeloosstelling vaststellen op € 177.569,00. 6.12.2. Het hof zal de Staat veroordelen in de kosten van het geding voor de procedure na verwijzing. Omdat de Hoge Raad het vonnis van 24 juni 2015 heeft vernietigd, zal het hof de in het dictum van dat vonnis toegewezen kosten van het geding opnieuw opnemen in het dictum van dit arrest. Ook zal het hof de in dat vonnis toegewezen kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen opnieuw opnemen in het dictum van dit arrest. 7De uitspraak Het hof: - stelt het bedrag van het door de Staat aan [geïntimeerde] verschuldigde schadeloosstelling vast op € 177.569,00; - veroordeelt [geïntimeerde] om aan de Staat (terug) te betalen het bedrag waarmee het betaalde voorschot het bedrag van de vastgestelde schadeloosstelling te boven gaat, zijnde een bedrag van € 4.900,00, vermeerderd met een rente van 1,6% per jaar daarover vanaf 31 juli 2012 tot 24 juni 2015 en vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2015 tot de dag der voldoening; - wijst aan als nieuwsblad waarin door de griffier van dit hof deze uitspraak bij uittreksel zal worden geplaatst: BN De Stem; - veroordeelt de Staat in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op: € 27.570,16 (incl. btw) ter zake kosten voor juridische bijstand en € 10.000,00 (incl. btw) ter zake kosten van overige deskundige bijstand en € 276,00 ter zake van griffierechten voor het geding tot aan de vernietigde uitspraak, en € 27.802,92 (incl. btw) ter zake kosten voor juridische bijstand en overige deskundige bijstand en € 85,81 exclusief btw ter zake van deurwaarderskosten en € 338,00 ter zake van griffierechten voor de procedure na verwijzing; - veroordeelt de Staat tevens in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op een totaalbedrag van € 44.5512,68 (incl. btw); - verklaart bovengenoemde veroordelingen tot betaling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, A.L. Bervoets en J.K.B. van Daalen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 januari 2022. griffier rolraadsheer

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/00881 Zitting 13 januari 2023 CONCLUSIE W.L. Valk In de zaak [eiseres] tegen De Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiseres] respectievelijk de Staat.

1Inleiding en samenvatting

Deze zaak is het vervolg van het arrest van uw Raad van 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:691, en betreft de verhouding tussen de eliminatieregel en een eventuele verwachtingswaarde van het onteigende. Kort gezegd komt het erop neer dat het hof in de door uw Raad in het verwijzingsarrest gebruikte formulering heeft gelezen dat met betrekking tot die verhouding een geheel nieuwe weg is ingeslagen. Mijns inziens bestaat daarvoor geen grond en treft het cassatiemiddel doel. 2Feiten en procesverloop 2.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: (i) Op vordering van de Staat is bij vonnis van 20 juni 2012 vervroegd de onteigening uitgesproken ten name van de Staat van een gedeelte (02.48.68 ha) van een aan [eiseres] toebehorend [perceel] .

In het onteigeningsvonnis is het aan [eiseres] te betalen voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 182.469,―. (ii) De onteigening is geschied ter uitvoering van het Koninklijk Besluit van 7 december 2011, nr. 11.002971 (Stcrt. 2012, 1874), waarin (onder meer) ter onteigening is aangewezen het hiervoor genoemde perceelsgedeelte ten behoeve van de aanleg van de Rijksweg A4 om Steenbergen met bijkomende werken, in de gemeenten Bergen op Zoom en Steenbergen. (iii) Het onteigeningsvonnis is op 31 juli 2012 ingeschreven in de openbare registers. (iv) Nadat bij beschikking van 4 juni 2012 aan deskundigen is opgedragen de schadeloosstelling te begroten, hebben de deskundigen in hun rapport de aan [eiseres] te betalen schadeloosstelling begroot op € 168.000,― als zijnde de waarde van het onteigende gedeelte van het perceel.

De deskundigen hebben de waardevermindering van het overblijvende noordelijk gedeelte van het perceel en de overige schade op nihil vastgesteld omdat volgens hen per saldo een voordeel resteert voor [eiseres] vanwege waardevermeerdering van het overblijvend zuidelijk perceelsgedeelte. 2.2 Bij vonnis van 24 juni 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, overeenkomstig het advies van de deskundigen het voordeel wegens aanwezige bodembestanddelen, de waardevermindering van het overblijvende deel van het perceel en de inkomensschade en bijkomende schade op nihil gesteld en de aan [eiseres] toekomende schadeloosstelling vastgesteld op € 168.000,―.

Daarnaast heeft de rechtbank [eiseres] veroordeeld om het bedrag waarmee het betaalde voorschot het bedrag van de vastgestelde schadeloosstelling te boven gaat van € 14.469,― aan de Staat terug te betalen, vermeerderd met 1,6% rente daarover vanaf 31 juli 2012 tot 24 juni 2015 en vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2015. 2.3 De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 april 2017 laatstgenoemd vonnis vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. 2.4 Bij arrest van 18 januari 2022 heeft het hof de aan [eiseres] toekomende schadeloosstelling vastgesteld op € 177.569,―.

Voorts heeft het hof [eiseres] veroordeeld om aan de Staat terug te betalen het bedrag waarmee het betaalde voorschot het bedrag van de vastgestelde schadeloosstelling te boven gaat, zijnde een bedrag van € 4.900,―, vermeerderd met 1,6% rente daarover vanaf 31 juli 2012 tot 24 juni 2015 en vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2015. 2.5 De belangrijkste overwegingen van het hof, voor zover in cassatie van belang, laten zich als volgt samenvatten: De grenzen van de rechtsstrijd na de verwijzing a. Het hof stelt voor de behandeling na verwijzing de maatstaf voorop dat ingevolge art. 424 Rv de verwijzingsrechter de behandeling van het geding dient voort te zetten en te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.

Daarbij is uitgangspunt dat hij de zaak behandelt in de stand waarin deze zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen en dat hij is gebonden aan de in die uitspraak gegeven beslissingen die in cassatie niet of nauwelijks zijn bestreden. Dit brengt mee dat in het geding na verwijzing geen plaats is voor het aanvoeren van nieuwe feiten en omstandigheden, maar partijen mogen zich wel beroepen op (wijziging van) feiten en omstandigheden die zich na de vernietigde uitspraak (heeft) hebben voorgedaan met inachtneming van de grenzen van de rechtsstrijd (HR 22 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2998).

Deze maatstaf geldt ook voor eiswijziging na verwijzing, waarbij evenwel dient te worden beoordeeld of de eiswijziging (niet) in strijd is met de eisen van de goede procesorde (HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360). Van een dergelijke strijd is sprake ingeval van onredelijke bemoeilijking van de verdediging dan wel onredelijke vertraging van het geding (HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2914). (onder 5.1.1) b. De klachten van middel 1 en 2 heeft de Hoge Raad laten slagen, omdat de rechtbank ten aanzien van elk van de planologische stukken uit de jaren 2004-2014 had moeten beoordelen “of reeds sprake was van of werd voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend”.

In het kader van de door [eiseres] gestelde verwachtingswaarde op de peildatum dient het hof dit alsnog te beoordelen. (onder 5.1.2) De verdere beoordeling na verwijzing – verwachtingswaarde / waardevermindering c. Ingevolge art. 40 Ow is de schadeloosstelling een volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt. De schadeloosstelling is niet bedoeld om de onteigende in een betere vermogenstoestand te brengen dan zonder de onteigening het geval zou zijn geweest, zodat eventuele voordelen van de onteigening met de nadelen van de onteigening worden verrekend.

Volgens art. 40c Ow wordt bij de bepaling van de schadeloosstelling geen rekening gehouden met voor- en nadelen die worden veroorzaakt door het werk waarvoor is onteigend, overheidswerken die in verband staan met dat werk en/of plannen waarop dat werk of die overheidswerken zijn gebaseerd. (onder 6.1.1) d. Het werk waarvoor is onteigend, is de Rijksweg A4 om Steenbergen met bijkomende werken (hierna: A4). Het bedrijventerrein Reinierpolder maakt daarvan geen onderdeel uit. Het hof begrijpt de uitspraak van de Hoge Raad zo dat niet alleen geen rekening wordt gehouden met voor- en nadelen die worden veroorzaakt door het werk waarvoor de zaak is onteigend, samenhangende overheidswerken en/of plannen daarvoor, maar ook met voor- en nadelen die worden veroorzaakt door plannen voor een ander werk (de plannen voor bedrijventerrein Reinierpolder), indien in die plannen wordt voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend. (onder 6.1.2) e. Of op de peildatum verwachtingen bestonden over een uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van het onteigende wordt beoordeeld aan de hand van de volgende stukken:

‒ het Provinciale Uitwerkingsplan van 2004; ‒ de Gebiedsvisie van 14 november 2007; ‒ de Structuurvisie van 1 oktober 2010; ‒ de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant; ‒ de Structuurvisie 2012 van de gemeente Steenbergen van januari 2012; ‒ de Structuurvisie 2012 Partiele Herziening vastgesteld op 2 juli 2014. (onder 6.1.3) f. Deze stukken betreffen geen plannen voor de A4, het werk waarvoor is onteigend. Het hof beoordeelt voor elk van de stukken of de plannen daarin voor uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder op het perceel van [eiseres] , voortbouwen op (voldoende) concrete plannen voor de A4. (onder 6.1.4) Plannen voor de A4 g.

De eerste planvorming rond de A4 is van 1980. Zowel een westelijke variant als een oostelijke variant van het beoogde tracé is overwogen en beide zijn met elkaar vergeleken. De oostelijke variant liep niet over het perceel van [eiseres] . Het tracébesluit waarin deze variant was vervat, is in 2001 door de Raad van State vernietigd. In maart 2007 heeft de minister gekozen voor de westelijke variant, welke keuze is uitgewerkt in het ontwerp-tracébesluit A4 Dinteloord-Bergen op Zoom, gedeelte Steenbergen, dat op 16 maart 2010 ter inzage is gelegd. (onder 6.2.1) h.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag op welk moment het plan voor de A4 voldoende concreet was. (onder 6.2.2) i. Het hof laat in het midden op welk moment in de periode 2004-2014 het plan voor de A4 voldoende concreet was en beoordeelt voor elk van de hiervoor (onder e) vermelde stukken afzonderlijk of reeds sprake was of werd voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend. Volgens het hof gaat het er uiteindelijk om of al dan niet valt te verwachten dat ook zonder (het plan voor) het werk waarvoor wordt onteigend, de uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in het desbetreffende ruimtelijk plan zal worden gerealiseerd. (onder 6.2.3) j.

Niet ter discussie staat dat in de ruimtelijke plannen daterend van vóór de hiervoor (onder e) vermelde stukken uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder niet werd voorzien in de richting van het perceel van [eiseres] . Ook staat niet ter discussie dat op het perceel van [eiseres] in eerdere gemeentelijke en provinciale plannen alleen werd voorzien in agrarische ontwikkeling. Het hof zal voor elk van de hiervoor vermelde stukken afzonderlijk beoordelen in hoeverre met de daarin opgenomen bestemming voor het onteigende perceel wordt voortgebouwd op (plannen voor) de A4 en daarmee of (het plan voor) de A4 daarin voldoende concreet was. (onder 6.2.4) Ad a Het provinciale Uitwerkingsplan van 2004 k.

Onder verwijzing naar het deskundigenrapport stelt het hof vast dat het Uitwerkingsplan het eerste ruimtelijke plan is waarop het perceel van [eiseres] wordt aangeduid als mogelijke uitbreidingslocatie bedrijventerrein. Deze bestemming is naar het oordeel van het hof gekoppeld aan de komst van het tracé van de A4. Het plan voor de A4 is daarmee naar het oordeel van het hof (voldoende) concreet en de mogelijke bestemming uitbreiding bedrijventerrein bouwt daarop voort. Daaraan doet niet af dat het tracé voor de A4 uiteindelijk iets zuidelijker is aangelegd dan aangegeven op de kaart van het Uitwerkingsplan. (onder 6.3.1 en 6.3.2) Ad b de Gebiedsvisie van 14 november 2017 l.

Uit een passage uit het deskundigenrapport en enkele bewoordingen van de Gebiedsvisie blijkt naar het oordeel van het hof dat de te verwachten functiewijzigingen zijn gekoppeld aan de aanleg van de A4, waardoor er aan de noord- en westzijde van Steenbergen agrarische gronden worden afgesneden van het omliggende land. Uit het deskundigenrapport en de daarbij behorende kaart blijkt dat de bestemming bedrijventerrein Reinierpolder Noord het tracé van de A4 volgt en alleen geldt voor gronden die ten zuiden/oosten daarvan zijn gelegen en aansluiten op het bestaande bedrijventerrein.

Naar het oordeel van het hof is het plan voor de A4 in de Gebiedsvisie (voldoende) concreet en de bestemming bedrijventerrein Reinierpolder Noord is gelegen ten zuiden/oosten van het op dat moment bekende tracé van de A4 en bouwt naar het oordeel van het hof daarop voort. De planvorming voor het bedrijventerrein was nog in ontwikkeling en volgt duidelijk de contour van de geplande A4. (onder 6.4.2 en 6.4.3) Ad c de Structuurvisie van 1 oktober 2010 m. Het hof is van oordeel dat aan de Structuurvisie van 1 oktober 2010 geen verwachtingswaarde kan worden ontleend.

De bestemming zoekgebied verstedelijking is toegekend aan de gronden die zijn gelegen ten zuiden/oosten van het tracé en aansluiten op het bestaand bedrijventerrein, zodat in die zin de bestemming voortbouwt op het tracé van de A4. Het hof volgt niet het betoog van [eiseres] dat uit een uitvergroting van de bij structuurvisie behorende kaart blijkt dat deze bestemming geldt voor zijn gehele perceel, zodat de bestemming niet voortbouwt op het tracé. Het hof acht niet aannemelijk dat een redelijk handelend koper uit de kaart behorend bij de structuurvisie afleidt dat op het perceel van [eiseres] ook ten noorden van de A4 en daarmee los van het tracé een bedrijventerrein zou mogen worden ontwikkeld. (onder 6.5.2) n. De door [eiseres] ingebrachte uitsnede van een Structuurvisie RO maakt, voor zover het de provinciale structuurvisie betreft, het oordeel van het hof niet anders.

Voor zover de uitsnede een ander plan betreft, kan dat naar het oordeel van het hof niet worden meegenomen in de beoordeling, omdat de uitsnede dateert uit 2010 en daarom eerder had moeten worden ingebracht. (onder 6.5.3) Ad d de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant o. Het plan voor de A4 is in de Verordening Ruimte 2012 naar het oordeel van het hof (voldoende) concreet en de bestemming zoekgebied verstedelijking bouwt daarop voort. De contour van de gronden op de kaart bij dit provinciale plan loopt gelijk aan het tracé van de A4 zoals opgenomen in het provinciale uitwerkingsplan uit 2004.

Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat deze contour is afgestemd op het tracé van de A4. Aan het voorgaande doet niet af dat het tracé voor de A4 uiteindelijk iets zuidelijker is aangelegd. (onder 6.6.2) Ad e de Structuurvisie 2012 van de gemeente Steenbergen van januari 2012 p. Het hof is van oordeel dat uit de geciteerde tekst in het deskundigenrapport blijkt dat de plannen voor de A4 (voldoende) concreet waren en dat de bestemming uitbreiding Reinierpolder daarop voortbouwt en voorts dat de gegeven bestemming afhangt van de ligging van de grond ten opzichte van het tracé van de A4. (onder 6.7.1 en 6.7.2) Ad f de Structuurvisie 2010 Partiele Herziening vastgesteld op 2 juli 2014 q.

Het hof constateert dat dit plan is vastgesteld en ter inzage is gelegd na de peildatum, zodat naar zijn oordeel hieraan geen verwachtingswaarde kan worden ontleend. (onder 6.8) Conclusie verwachtingswaarde / waardevermindering r. Het hof concludeert dat de bestemming in de beoordeelde ruimtelijke plannen voortbouwt op concrete plannen voor de A4, althans dat aan die plannen geen verwachtingswaarde op de peildatum kan worden ontleend. Los van de (plannen voor de) A4 waren er geen plannen tot ontwikkeling van het perceel tot bedrijventerrein. (onder 6.9.1) s. Het hof stelt daarom evenals de deskundigen de totale waarde van het onteigende per peildatum vast op € 168.000,―. (onder 6.9.2) Naheffing Belastingdienst t.

Het hof neemt de naheffingsaanslag van € 9.569,― mee als bijkomende schade bij het vaststellen van de schadeloosstelling. 2.6 Op 31 januari 2022 heeft [eiseres] – gelet op art. 52 leden 2 en 3 Ow in verbinding met art. 80 Ow tijdig – ter griffie van het hof verklaard cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van het hof van 18 januari 2022. 2.7 Op 14 maart 2022 heeft [eiseres] – gelet op art. 53 lid 1 Ow in verbinding met art. 80 Ow tijdig – de akte verklaring cassatie, de procesinleiding en het oproepingsbericht aan de Staat betekend.

De Staat heeft verweer gevoerd en zijn standpunt schriftelijk doen toelichten. Namens [eiseres] is gerepliceerd. 3Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 In deze zaak staat de verhouding tussen de eliminatieregel en een eventuele verwachtingswaarde van het onteigende centraal. 3.2 De onteigende heeft recht op volledige schadeloosstelling, te begroten naar het peilmoment van art. 40a Ow, zijnde veelal het moment dat het vervroegde onteigeningsvonnis wordt ingeschreven. Wat betreft de schade die bestaat in het verlies van het onteigende als zodanig, is de werkelijke waarde bepalend.

Die werkelijke waarde is te stellen op de prijs tot stand gekomen bij een veronderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper (art. 40b lid 2 Ow). De eliminatieregel denkt in dit verband weg de voordelen of nadelen teweeggebracht door het werk waarvoor onteigend wordt en de plannen voor dat werk (art. 40c Ow). Dit is alleszins redelijk. Toegespitst op een nadeel in verband met het werk dan wel de plannen daarvoor: de vermogenspositie van de onteigende behoort te blijven zoals zij vóór de onteigening was en de onteigenaar behoort zich er niet op te kunnen beroepen dat op de peildatum het werk reeds zijn schaduw vooruit werpt met als gevolg dat de waarde van het onteigende gedeeltelijk is verdampt.

Omdat die verdamping het gevolg is van het werk waarvoor wordt onteigend, althans van de plannen daarvoor, is de schadeloosstelling alleen dan volledig, indien bij de bepaling van de werkelijke waarde op de peildatum dat werk en die plannen worden weggedacht. 3.3 Dat eliminatie van een niet-lucratief werk en de plannen ervoor inderdaad redelijk is, laat zich nader illustreren door de planvorming van de overheid in tijd te plaatsen. Daarbij komt als vanzelf ook het begrip ‘verwachtingswaarde’ aan de orde. Ik kies niet willekeurig het voorbeeld van agrarisch gebied waarin de overheid op een gegeven moment, bijvoorbeeld in een structuurvisie, (de mogelijkheid van) een toekomstig bedrijventerrein en een weg voorziet, zonder dat de weg tot het complex van het bedrijventerrein zal behoren (dit laatste in verband met art. 40d Ow).

Zolang deze ontwikkeling niet voorzienbaar was (noch in verband met eerdere planvorming, noch in verband met bijvoorbeeld een strategische ligging) werd de waarde van de gronden in het gebied uitsluitend bepaald door de agrarische gebruiksmogelijkheden ervan. Met de verschijning van de structuurvisie is dat anders geworden: de gronden zijn nu meer waard; zij bezitten verwachtingswaarde in verband met de kans op een toekomstige wijziging van de bestemming. Weliswaar zullen potentiële kopers, behalve met de goede kans dat bepaalde gronden inderdaad de lucratieve bestemming van bedrijventerrein zullen krijgen, ook rekening houden met de kwade kans dat die gronden juist tot weg zullen worden bestemd, alsook met de eveneens kwade kans dat de plannen alsnog over zullen waaien, maar het is aannemelijk dat per saldo een plus resteert: potentiële kopers willen voor de gronden in het gebied meer betalen dan voor agrarische gronden waarvoor geen uitzicht op een bestemmingswijziging bestaat.

Welnu, als vervolgens de overheid haar plannen concretiseert door de locatie van de weg te bepalen en nog wat later ten behoeve van het plan voor de weg de desbetreffende gronden onteigent, behoort niet te worden gedaan alsof voor de eigenaren die dit treft nimmer een goede kans heeft bestaan. Die kans heeft wel bestaan, maar is hen door het plan voor het werk en daarmee te vereenzelvigen voorafgaande plannen ontnomen. Anders gezegd, uitsluitend vanwege die plannen is de verwachtingswaarde verdampt. Daarom is het redelijk dat we bij vaststelling van de werkelijke waarde op de peildatum die plannen elimineren. 3.4 Ik sprak zojuist terloops van aan het plan voor het werk voorafgaande plannen die daarmee moeten worden vereenzelvigd.

Het is op dit punt dat enige tijd uiterste verwarring heeft geheerst, namelijk naar aanleiding van vijf arresten van 9 juli 2010, waarin behalve het plan voor het werk waarvoor werd onteigend ook het bestemmingsplan werd geëlimineerd, op de grond dat ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan een bestaand (concreet) plan voor het werk waarvoor werd onteigend voorlag en het bestemmingsplan slechts nog de juridisch-planologische onderbouwing daarvoor bood. Naar aanleiding van deze arresten stelde de praktijk zich de vraag wat moest worden verstaan onder ‘bestaand concreet plan’ en of daarmee hetzelfde werd bedoeld als het ‘plan voor het werk’ in de zin van art. 40c Ow.

Het hof na verwijzing in vervolg op de 9 juli-arresten verkeerde in de veronderstelling dat deze twee begrippen niet dezelfde inhoud hadden en meende dat het bestemmingsplan in kwestie diende te worden geëlimineerd, omdat sprake was van een aan dat bestemmingsplan ten grondslag liggend bestaand ‘concreet’ plan. De consequentie van deze opvatting zou zijn dat eliminatie van het bestemmingsplan in de praktijk in feite hoofdregel is: voor bijna elke bestemmingswijziging in een bestemmingsplan geldt immers dat daarvoor wel enig voorafgaand plan zal zijn aan te wijzen, indien dat plan niet hetzelfde (concrete) plan behoeft te zijn waarvoor wordt onteigend.

De overheidsplanologie in ons dichtbevolkte land grossiert nu eenmaal in ruimtelijke plannen van allerlei aard. Die consequentie (elimineren van het bestemmingsplan is in feite de hoofdregel) leek vervolgens in verschillende rechtbankuitspraken inderdaad te worden aanvaard. 3.5 Met vijf arresten van 15 januari 2016 heeft uw Raad vervolgens duidelijk gemaakt dat het zo niet is. Het bestemmingsplan wordt slechts dan geëlimineerd voor zover het niet zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld, maar slechts ertoe strekt de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt, mogelijk maakt.

Dit veronderstelt dat de in het bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming door niets anders is bepaald dan een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand concreet plan voor een werk ter plaatse van onder meer het onteigende als bedoeld in art. 40c, aanhef en onder 3° Ow. Kortom, voor eliminatie van een bestemming dient te worden beoordeeld of de aan het onteigende gegeven bestemming zo rechtstreeks voortvloeit uit een reeds bestaand concreet plan voor het werk waarvoor wordt onteigend dat die bestemming met het plan waarvoor wordt onteigend moet worden vereenzelvigd.

Dat in gewone gevallen het bestemmingsplan niet wordt geëlimineerd, is terecht, want ook zonder onteigening heeft dat plan invloed op de werkelijke waarde. Was echter reeds sprake van een concreet plan voor het werk en is de in het bestemmingsplan aan de onroerende zaak gegeven bestemming alleen daardoor bepaald, dan is het terecht anders. Dan doet zich immers het hiervoor 3.3 bedoelde geval voor dat door het plan voor het werk en het daarmee in zoverre te vereenzelvigen bestemmingsplan een voorheen bestaande waarde is verdampt. 3.6 Terzijde nog: er bestond naar aanleiding van de arresten van 9 juli 2010 nog een enigszins ander discussiepunt, namelijk over de vraag of uitgaande van de veronderstelde nieuwe koers van uw Raad alleen niet-lucratieve bestemmingen dienden te worden geëlimineerd, dan wel of die koers ook op lucratieve bestemmingen zag.

Die discussie is reeds eerder dan op 15 januari 2016 beslecht. Uit het arrest Ballast/Nedam volgde wat onder meer in verband met de tekst van art. 40c Ow ook voor de hand ligt, namelijk dat er geen twee eliminatieregels bestaan, één voor lucratieve bestemmingen en één voor niet-lucratieve. 3.7 Met de arresten van 15 januari 2016 is dus (weer) duidelijk dat eliminatie van het bestemmingsplan uitzondering is. Dat ook reeds aan het bestemmingsplan voorafgaande ruimtelijke plannen mede behoren te worden geëlimineerd is niet onmogelijk, maar naar zijn aard nóg uitzonderlijker.

Hoe dan ook veronderstelt een vereenzelviging van ruimtelijke plannen met het plan voor werk waarvoor wordt onteigend dat ten tijde van de vaststelling van die ruimtelijke plannen reeds een concreet plan voor een werk ter plaatse van het onteigende bestond. Dat de plannen voorzagen in de mogelijkheid van een werk zoals dat waarvoor uiteindelijk wordt onteigend en/of daarmee vergelijkbare of samenhangende werken, is dus bepaald onvoldoende. Dat is alleszins terecht, want een opvatting in tegengestelde zin zou gemakkelijk leiden tot de ontkenning van een verwachting met betrekking tot gronden die wel degelijk heeft bestaan en die alleen als gevolg van het plan voor het werk en daarmee te vereenzelvigen concrete voorafgaande plannen later is verdwenen (vergelijk hiervoor 3.3). 3.8 Dat het zo werkt, is ook zeer duidelijk uit de rechtspraak van uw Raad. 3.9 In de eerste plaats kan worden gewezen op drie van de vijf arresten van 15 januari 2016, namelijk de Groenblauwe Slinger-arresten.De rechtbank had mede het ‘Streekplan Rijnmond’ uit 1996 en de ‘Nota Groenblauwe Slinger Stad en Land in balans Ontwikkelingsperspectief’ uit 1999 aangemerkt als concrete plannen voor het werk waarvoor was onteigend.

Dit was volgens uw Raad onjuist omdat deze plannen een algemeen karakter droegen en nader dienden te worden uitgewerkt. 3.10 In de tweede plaats wijs ik op het iets later gewezen arrest Waterdunen. Begrijpelijk was volgens dit arrest dat de rechtbank de bestemmingen die ingevolge het Inpassingsplan op het onteigende rustten, bij de waardebepaling van het onteigende had geëlimineerd, omdat voorafgaand aan het Inpassingsplan al sprake was van een concreet plan voor het werk waarvoor werd onteigend (het Inrichtingsplan) en de bestemmingen die in het Inpassingsplan aan het onteigende werden gegeven, slechts zijn vastgesteld teneinde die werken mogelijk te maken.

Niet juist was echter dat de rechtbank ook het ‘Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal’ had geëlimineerd. Uw Raad overwoog: ‘3.4.2 De rechtbank heeft niet vastgesteld dat het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal – dat blijkens de stukken van het geding geen bestemmings- of inpassingsplan is – reeds het plan bevat voor de werken waarvoor wordt onteigend. Die vaststelling volgt (ook) niet uit de overweging van de rechtbank dat het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal in feite het startpunt van de ontwikkeling is geweest die geleid heeft tot het hiervoor in 3.2 genoemde plan Waterdunen, en dat geacht moet worden één geheel te zijn met laatstgenoemd plan.

Evenmin volgt die vaststelling uit de verwijzing door de rechtbank naar de hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2012. 3.4.3 Tegen deze achtergrond komen de onderdelen terecht ertegen op dat de rechtbank het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal bij de waardebepaling van het onteigende buiten beschouwing heeft gelaten. Gezien het uitzonderingskarakter van art. 40c Ow moet die bepaling immers terughoudend worden toegepast. Alleen de plannen voor het werk waarvoor wordt onteigend, zijn volgens die bepaling, voor zover hier van belang, plannen waarmee geen rekening moet worden gehouden bij de schadeloosstelling (art. 40c onder 3° Ow).

Plannen die slechts bestaan in algemene ruimtelijke beleidsvisies – zoals naar de stellingen van de Provincie het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal –, kunnen niet worden aangemerkt als plannen in de zin van die bepaling (vgl. o.m. HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:68, rov. 3.3.4). De verwachtingen die dergelijke plannen wekken met betrekking tot de toekomstige planologische status, en dus gebruiksmogelijkheden, van gronden die liggen in het gebied van die plannen, kunnen dan ook van belang zijn bij de waardebepaling van het onteigende.’ 3.11 Ik kom nu toe aan de zaak zoals die thans voorligt. 3.12 Vóór verwijzing had de rechtbank geoordeeld dat het onteigende geen verwachtingswaarde had, niettegenstaande hetgeen door [eiseres] was betoogd op grond van diverse ruimtelijke plannen in de periode 2004-2014.

Volgens de rechtbank waren deze plannen gelet op het uitgangspunt van art. 40c Ow (de eliminatieregel) ‘niet geschikt voor de beoordeling of er aanleiding is voor het aannemen van een verwachtingswaarde’. De toepassing die de rechtbank aldus aan de eliminatieregel gaf, was te ruim. Mijns inziens, en ik ben daarmee in ieder geval in het gezelschap van wnd. A-G Van Oven, was zij dat in twee opzichten. In de eerste plaats had de rechtbank ook ruimtelijke beleidsvisies geëlimineerd uit de periode vanaf 2002 tot circa 2006, hoewel de rechtbank met zoveel woorden vermeldde dat (eerst) vanaf maart 2007 ‘duidelijk was’ dat het tracé aan de westzijde van Steenbergen zou worden aangelegd en daarmee daarvoor slechts ‘rekening werd gehouden’.

Daarnaast, in de tweede plaats, bestaat er geen goede reden waarom ruimtelijke plannen die wat betreft de aanleg van de A4 met het te elimineren werk behoren te worden vereenzelvigd, niet voor het overige van belang kunnen zijn voor de vaststelling van een verwachtingswaarde. 3.13 In het verwijzingsarrest heeft uw Raad middel 1 in het principaal beroep van [eiseres] gegrond geacht. Ik citeer: ‘4.1.1 Middel 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat er op de peildatum geen verwachtingswaarde was (rov. 2.23). Onderdeel 6 van het middel klaagt dat de door deskundigen geëlimineerde plannen niet voldoende concreet waren om te mogen worden geëlimineerd. 4.1.2 Naar de kern genomen klaagt het middel dat het oordeel van de rechtbank dat het onteigende op de peildatum geen verwachtingswaarde boven de agrarische waarde had, berust op een verkeerde toepassing van de eliminatieregel van art. 40c Ow. 4.1.3 De rechtbank heeft geoordeeld dat bij het bepalen van de waarde van het onteigende geen rekening mag worden gehouden met de planologische stukken uit de jaren 2004-2014 waaruit volgens [eiseres] blijkt van op de peildatum bestaande verwachtingen over een uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van het onteigende (rov. 2.23; hiervoor in 3.2 geciteerd).

De rechtbank heeft echter niet ten aanzien van (elk van) die planologische stukken beoordeeld of reeds sprake was van of werd voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend. Daarom slagen de klachten van onderdeel 6. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.’ 3.14 Op de formulering van de tweede volzin van rechtsoverweging 4.1.3 heb ik moeten turen. Het tweede ‘of’ in de formulering ‘of reeds sprake was van of werd voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend’ suggereert naar de letter dat op iets kan worden voortgebouwd waarvan nog geen sprake is (en dat dus nog niet bestaat).

Dat kan uiteraard niet bedoeld zijn. 3.15 Een gedachte zou kunnen zijn dat moet worden gelezen: ‘of reeds sprake was van en werd voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend’. Dan rijst echter de vraag of uw Raad iets anders heeft bedoeld dan bijvoorbeeld in het arrest Waterdunen (hiervoor 3.10 aangehaald), waarin eenvoudig de maatstaf was of het desbetreffende planologische document (het gebiedsplan) het plan voor het werk waarvoor (uiteindelijk) wordt onteigend reeds bevatte. 3.16 Letten wij op hetgeen uw Raad door wnd.

A-G Van Oven was voorgehouden (hiervoor 3.12 en voetnoot 21), dan dunkt mij niet te gewaagd om te veronderstellen dat uw Raad met de toevoeging van het element ‘voortbouwen’ eenvoudig bedoeld heeft dat de omstandigheid dat een bepaald planologisch document reeds het plan voor het werk waarvoor (uiteindelijk) wordt onteigend bevat, nog niet betekent dat dit document volledig moet worden geëlimineerd, dat wil zeggen, ook voor zover het meer omvat dan het (concrete) plan voor het werk en plannen voor met dat plan in verband staande overheidswerken als bedoeld in art. 40c onder 2º Ow.

Eigenlijk is dit vanzelfsprekend. De eliminatieregel denkt (naast werken) alleen plannen weg – zie de tekst van art. 40c Ow – en niet (complete) documenten. 3.17 Het hof na verwijzing heeft het verwijzingsarrest van uw Raad echter in een geheel andere zin verstaan. Dit is reeds zeer duidelijk uit de vooropstelling door het hof in rechtsoverweging 6.1.2: ‘6.1.2. Het werk waarvoor in dit geval is onteigend, is de Rijksweg A4 om Steenbergen met bijkomende werken (hierna: de A4). Het bedrijventerrein Reinierpolder maakt daarvan geen onderdeel uit.

Het hof begrijpt de uitspraak van de Hoge Raad zo, dat niet alleen geen rekening wordt gehouden met voordelen/nadelen die worden veroorzaakt door het werk waarvoor die zaak is onteigend, samenhangende overheidswerken (en/of plannen daarvoor), maar ook met voordelen/nadelen die worden veroorzaakt door plannen voor een ander werk (in dit geval plannen voor bedrijventerrein Reinierpolder), indien in die plannen wordt voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend.’ 3.18 Volgens het hof mogen en moeten de plannen voor het bedrijventerrein Reinierpolder worden geëlimineerd, ook al betreft het werk waarvoor is onteigend niet dat bedrijventerrein, maar de A4, namelijk in het geval dat de plannen voor het bedrijventerrein voortbouwen op concrete plannen voor de A4.

Aldus leest het hof het verwijzingsarrest niet zomaar enigszins anders dan ik zojuist verdedigde, maar veronderstelt het hof dat uw Raad met het verwijzingsarrest een geheel nieuwe weg is ingeslagen, die het bereik van de eliminatieregel zeer aanzienlijk uitbreidt, buiten de grenzen van haar formulering in art. 40c Ow. Mijns inziens bestaat voor deze lezing van het verwijzingsarrest geen enkele grond. 3.19 Uit het vervolg van het arrest van het hof na verwijzing blijkt dat het hof bovendien ook de beperking tot concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend heeft miskend.

Dit blijkt bijvoorbeeld uit rechtsoverweging 6.3.1 en 6.3.2, waar het hof oordeelt dat het provinciale Uitwerkingsplan van 2004 behoort te worden geëlimineerd: ‘Ad a Het provinciale Uitwerkingsplan van 2004 6.3.1. In het deskundigenrapport is hierover opgenomen: “Ter uitwerking van het provinciaal streekplan – en conform de daarin opgenomen uitwerkingsregels – zijn voor de belangrijkste stedelijke en landelijke regio ’s uitwerkingsplannen vastgesteld. Voor de onderhavige regio hebben GS aldus op 21 december 2004 het “Uitwerkingsplan Landelijke Regio Steenbergen en Halderberge” vastgesteld.

Met en in dit uitwerkingsplan werd de opgave vanuit provinciaal beleid voor deze regio met betrekking tot woningbouw en bedrijventerreinontwikkeling nader uitgewerkt. Concrete invulling van locaties diende volgens de toelichting bij dit plan uiteindelijk te geschieden op basis van periodiek (op basis van behoefteprognoses) te herijken programma’s voor respectievelijk woningbouw en bedrijventerreinontwikkeling. Op de bij het uitwerkingsplan behorende kaart waren alleen de “grote verstedelijkte locaties” met een omvang van meer dan 5 ha indicatief aangeduid; kleinere locaties, die passen binnen de aangewezen zoekgebieden voor verstedelijking en het betreffende programma, waren niet aangeduid, maar konden op basis van dit uitwerkingsplan wel worden ontwikkeld (pagina 9 plantoelichting).

Bij het opstellen van dit uitwerkingsplan was uitgangspunt een tracé voor de A4 aan de westzijde van Steenbergen (pagina 30 plantoelichting); dit tracé is ook op de bijbehorende plankaart aangegeven (bijlage 12). Op deze plankaart is zowel het gebied tussen het tracé van de A4 en het bestaande bedrijventerrein Reinierpolder I (ten noorden van de Westgroeneweg, inclusief het perceel van [eiseres] ) als het gebied tussen het tracé van de A4 en het bestaande bedrijventerrein Reinierpolder II aangeduid als mogelijke uitbreidingslocaties voor het bedrijventerrein Reinierpolder.

In de toelichting was opgenomen dat het tracé van de A4 onder meer aan de noordwestzijde van de kern Steenbergen zou resulteren in “een duurzame contour”, waarbij voor het ten zuiden daarvan gelegen gebied “een transformatie afweegbaar” was (p. 64).” 6.3.2. Het hof stelt vast dat dit het eerste ruimtelijke plan is waarop het perceel van [eiseres] wordt aangeduid als mogelijke uitbreidingslocatie bedrijventerrein. Verder stelt het hof vast dat op de kaart die bij dit plan hoort (bijlage 12 bij het deskundigenrapport), dat volgens de deskundigen een uitwerking vormt van het provinciaal streekplan waarin nog zowel de westelijke als de oostelijke variant van de A4 waren ingetekend, voor het eerst alleen nog de westelijke variant van het tracé voor de A4 is ingetekend.

Het tracé loopt aan de noordzijde van het perceel van [eiseres] . Op de kaart is verder te zien dat niet alleen het perceel van [eiseres] , maar alle grond die tussen het tracé van de A4, het bestaand bedrijventerrein en de rivier is gelegen, wordt aangemerkt als potentieel te ontwikkelen bedrijventerrein en dat het tracé van de A4 de grens vormt tot waar deze bestemming mogelijk wordt geacht. Daarmee is de bestemming mogelijke uitbreiding bedrijventerrein naar het oordeel van het hof gekoppeld aan de komst van het tracé van de A4. Deze koppeling blijkt naar het oordeel van het hof voorts uit de tekst in de toelichting bij het plan waar staat dat het tracé van de A4 onder meer aan de noordwestzijde van de kern Steenbergen resulteert in een “duurzame contour”, waarbij “voor het ten zuiden daarvan gelegen gebied een transformatie afweegbaar is”.

Het plan voor de A4 in het provinciale Uitbreidingsplan van 2004 is daarmee naar het oordeel van het hof (voldoende) concreet en de mogelijke bestemming uitbreiding bedrijventerrein bouwt daarop voort. Dat het tracé voor de A4 uiteindelijk iets zuidelijker is aangelegd dan aangegeven op de kaart van dit Uitbreidingsplan en daarmee halverwege het perceel van [eiseres] , doet aan het voorgaande niet af. In de tekst van het Uitbreidingsplan staat dat alleen de grotere locaties indicatief staan aangeduid en concrete invulling van locaties nog zal plaatsvinden.

Dat bij deze invulling is gebleken dat de A4 iets zuidelijker ligt, of is komen te liggen, laat onverlet dat de ten zuiden daarvan bedachte mogelijke uitbreidinglocatie bedrijventerrein de contour van de A4 volgt.’ 3.20 Het provinciale Uitwerkingsplan van 2004 voorzag dus in de aanleg van de A4. Dat dit plan niet het concrete plan waarvoor wordt onteigend bevatte of daarop voortbouwde, spreekt echter vanzelf omdat volgens de tekst van het Uitwerkingsplan alleen de grotere locaties indicatief zijn aangeduid en concrete invulling van locaties nog zou plaatsvinden; het plan behoefde dus nog uitwerking. 3.21 Het spreekt mijns inziens om nog een andere reden vanzelf: de A4 is nota bene daadwerkelijk op een andere plaats komen te liggen dan in het Uitwerkingsplan was voorzien.

Ik voeg dit toe omdat het voor de praktijk mijns inziens een gemakkelijke stelregel is dat een planologisch document dat een soortgelijk werk voorzag op een (enigszins) andere locatie, nooit kan worden vereenzelvigd met het (plan voor het) werk waarvoor wordt onteigend en dus niet behoort te worden geëlimineerd. Eerst indien een planologisch document van juist dezelfde locatie uitging, kan de vraag rijzen of dit reeds op hetzelfde concrete plan berustte waarvoor later is onteigend. 3.22 In het licht van het voorgaande treffen de beide onderdelen van het middel doel.

Ik werk dit hierna beknopt uit. 3.23 Onderdeel a bestaat uit rechtsklachten en bestrijdt op de eerste plaats de opvatting van het hof in rechtsoverweging 6.1.2 volgens welke niet alleen geen rekening wordt gehouden met voor- en nadelen veroorzaakt door het werk waarvoor is onteigend, maar ook niet met voor- en nadelen die worden veroorzaakt door plannen voor een ander werk, indien die plannen voortbouwen op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend. 3.24 Het onderdeel slaagt. Het uitzonderingskarakter van art. 40c Ow brengt mee dat de bepaling terughoudend dient te worden toegepast.

A fortiori mag in die bepaling niet worden ingelezen wat er in het geheel niet staat. Volgens wat het hof zelf heeft vastgesteld (eerste twee volzinnen van rechtsoverweging 6.1.2, gelezen in verband met wat direct daarna volgt), kunnen de plannen voor het bedrijventerrein Reinierpolder op onder meer de gronden van [eiseres] in de onderhavige ruimtelijke beleidsdocumenten niet worden aangemerkt als (concrete) plannen voor het werk waarvoor is onteigend (de aanleg van de A4), noch als overheidswerken die met het werk waarvoor is onteigend in verband staan.

Naar luidt van art. 40c Ow vallen de plannen voor dat bedrijventerrein dus buiten het bereik van de eliminatieregel. Eventuele verwachtingen met betrekking tot de gronden van [eiseres] die met die plannen samenhangen, komen bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende dus wel degelijk in aanmerking. Het hof heeft dat miskend. 3.25 Het onderdeel klaagt mede over op rechtsoverweging 6.1.2 voortbouwende oordelen van het hof, waaronder rechtsoverweging 6.2.3, volgens welke ‘het er uiteindelijk om gaat of al dan niet valt te verwachten dat ook zonder (het plan voor) het werk waarvoor wordt onteigend, de desbetreffende bestemming (in casu de uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder) in het desbetreffende ruimtelijke plan zal worden gerealiseerd.’ Het zal duidelijk zijn dat die overweging door het hof inderdaad geheel op dezelfde ondeugdelijke leest is geschoeid. 3.26 Onderdeel b bevat een rechtsklacht en een motiveringsklacht. 3.27 Volgens de steller van het middel heeft het hof niet geoordeeld dat de verschillende ruimtelijke beleidsdocumenten het uiteindelijke (in de zin van het definitieve) concrete plan voor het werk waarvoor is onteigend bevatten, dan wel daarop voortbouwen, zodat het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dat het hof die documenten niettemin heeft geëlimineerd. 3.28 Uit wat hiervoor 3.19 e.v. is gezegd, volgt reeds dat ook deze klacht slaagt.

Het hof heeft inderdaad niet vastgesteld dat de bedoelde beleidsdocumenten het bestaande, concrete plan voor de A4 bevatten (zijnde het werk waarvoor is onteigend). Sterker, uit wat het hof onder meer met betrekking tot het provinciale Uitwerkingsplan van 2004 en de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant wél heeft vastgesteld, volgt ondubbelzinnig dat dit niet zo is, omdat deze documenten alleen de grotere locaties indicatief respectievelijk globaal aanduidden en de plannen die zij bevatten (dus) nog uitwerking behoefden, terwijl bovendien de A4 daadwerkelijk op een andere plaats is komen te liggen dan in de plannen was voorzien (wat uit de aard der zaak reeds vereenzelviging met het concrete plan waarvoor wordt onteigend uitsluit). 3.29 Met het slagen van de rechtsklacht behoeft de motiveringsklacht van het onderdeel geen bespreking meer. 3.30 De slotsom is dat alle klachten van het cassatiemiddel doel treffen. 4Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Vergelijk het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 18 januari 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:112 onder 3.2.1 tot en met 3.2.4, alsmede het arrest van uw Raad van 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:691 onder 3.1 (i) tot en met (iv). ECLI:NL:RBZWB:2015:5428. ECLI:NL:HR:2017:691, TBR 2017/102 m.nt. J.F. de Groot, BR 2017/78 m.nt. H. Zeilmaker en J. Hagelaars. Het hof spreekt hier abusievelijk van Uitbreidingsplan, maar doelt evident op Uitwerkingsplan. En daarnaast ook van overheidswerken die met het werk waarvoor onteigend wordt in verband staan (eveneens art. 40c Ow).

Maatstaf voor het aannemen van verwachtingswaarde is of op het ogenblik van de onteigening voldoende reële verwachtingen over een wijziging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan bestaan, waarmee een redelijk handelende koper in het vrije commerciële verkeer bij het bepalen van de koopprijs mede rekening houdt. Zie laatstelijk HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1874 onder 4.2 (Hedwigepolder II). HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1634, NJ 2010/631 m.nt. P.C.E. van Wijmen (Maasstede/Provincie Zuid-Holland), HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1639 (X/Provincie Zuid-Holland), HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1647 (Blindenbelangen/Provincie Zuid-Holland), HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0763 (X/Provincie Zuid-Holland) en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0761 ( […] /Provincie Zuid-Holland).

Hof ’s Gravenhage 31 januari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1909, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1944, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1939, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1932 en ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1950, TBR 2013/29 m.nt. E. van der Schans. Vergelijk bijvoorbeeld Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 juli 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:6500 (Perkpolder) en Rechtbank Rotterdam 21 mei 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:4822 (Hoog Dalem). HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:25, NJ 2016/397, TBR 2016/28 m.nt. J.F. de Groot (Perkpolder), HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:24, NJ 2016/398 (Hoog Dalem), HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:66 (Groenblauwe Slinger), HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:67 (Groenblauwe Slinger) en HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:68, NJ 2016/399 m.nt.

E.W.J. de Groot (Groenblauwe Slinger). Is die invloed negatief, dan bestaat mogelijk aanspraak op vergoeding van planschade (afdeling 6.1 Wro; zie in het bijzonder art. 6.1 lid 2 onder a Wro) en straks onder de Omgevingswet op nadeelcompensatie (afdeling 15.1 Omgevingswet; zie in het bijzonder art. 15.1 lid 1 onder c jo. art. 4.1 lid 1 Omgevingswet). HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT4119, NJ 2013/318 m.nt. P.C.E. van Wijmen, TBR 2013/44 m.nt. E. van der Schans. Vergelijk ook de hierna 3.9 en 3.10 te bespreken arresten Groenblauwe Slinger en Waterdunen.

HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:68, NJ 2016/399 m.nt. E.W.J. de Groot (Groenblauwe Slinger), HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:66 en HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:67. ECLI:NL:HR:2016:68, rechtsoverweging 3.3.4, ECLI:NL:HR:2016:66, rechtsoverweging 4.1.4 respectievelijk ECLI:NL:HR:2016:67, rechtsoverweging 3.3.4. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1506, NJ 2017/58 m.nt. E.W.J. de Groot (Waterdunen). Rechtsoverweging 3.3.2. Vonnis van 24 juni 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:5428, onder 2.23, aangehaald in het verwijzingsarrest onder 3.2. Vergelijk voetnoot 21.

Opnieuw vonnis van 24 juni 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:5428, onder 2.23, aangehaald in het verwijzingsarrest onder 3.2. Vergelijk wnd. A-G Van Oven in zijn conclusie voor het arrest, ECLI:NL:PHR:2016:1127, onder 3.13 laatste alinea: ‘…ook als in het onderhavige geval het door sommige beleidsdocumenten geboden uitzicht op de aanleg van de A4 ter plaatse van onder meer het onteigende zou moeten worden geëlimineerd, brengt dat volgens mij nog niet mee dat de betreffende beleidsdocumenten bij de beantwoording van de vraag of aan het onteigende verwachtingswaarde toekomt ook voor het overige geheel buiten beschouwing moeten blijven.’ In een voetnoot tekent Van Oven nog aan:

‘Alsdan ligt een situatie voor die enigszins lijkt op die van de zaak […] /Zuid-Holland, waarin Uw Raad op 14 februari 2014 uitspraak deed (ECLI:NL:HR:2014:326, NJ 2014/324 met noot P.C.E. van Wijmen).’ Vergelijk de kritische annotatie van J.F. de Groot van het arrest in TBR 2017/102 onder 3 e.v. Met betrekking tot de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant is de redenering van het hof in rechtsoverweging 6.6.2 geheel vergelijkbaar. Vergelijk voetnoot 23.