Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2023:789 ECLI:NL:PHR:2023:789 AI generated

ECLI:NL:PHR:2023:789 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2023:789
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/04112 Zitting 12 september 2023 CONCLUSIE P.M. Frielink In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de verdachte 1Het cassatieberoep 1.1 Bij arrest van 21 september 2021 heeft het gerechtshof Amsterdam – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:620 – het op 21 augustus 2019 tegen de verdachte gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam bevestigd behalve ten aanzien van de strafoplegging.

Legislator headnote

AI generated

art. 8 lid 5 WVW 1994, artikel 8 van de WVW, Artikel 8 lid 5 WVW 1994, art. 8 WVW, art. 359a Sv, artikel 359a Sv; ECLI:NL:PHR:2023:789 · Parket bij de Hoge Raad: Dit oordeel is vervolgens door de Hoge Raad overgenomen. Dat in voornoemde zaak van de Hoge Raad beslist is tot verwerping van het cassatieberoep is, gelet op de omstandigheid dat de verbalisant het bloedblok diezelfde dag heeft verzonden én bovendien inzichtelijk is geweest welke route het bloedblok vervolgens heeft afgelegd, niet verwonderlijk. Er was geen sprake van een schending van artikel 13 eerste lid van het Besluit. De onderhavige zaak is een andere, er spelen andere feiten een rol. De meest relevante vraag is of, zoals bijvoorbeeld door het Hof Den Haag is opgetekend, artikel 13 lid 1 aanhef onder d ‘zijn strikte waarborg karakter grotendeels heeft verloren’.

Keywords

AI generated
art. 8 lid 5 WVW 1994 artikel 8 van de WVW Artikel 8 lid 5 WVW 1994 art. 8 WVW art. 359a Sv artikel 359a Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 8 lid 5 WVW 1994
Het hof heeft de verdachte voor overtreding van art. 8 lid 5 WVW 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 800,00 subsidiair zestien dagen hechtenis, waarvan € 400,00 subsidiair acht dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar.
artikel 8 van de WVW
Het hof heeft de verdachte voor overtreding van art. 8 lid 5 WVW 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 800,00 subsidiair zestien dagen hechtenis, waarvan € 400,00 subsidiair acht dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar.
Artikel 8 lid 5 WVW 1994
3.2 Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde feit: - Artikel 8 lid 5 WVW 1994:
art. 8 WVW
3.8 Het hof heeft, door het vonnis van de rechtbank te bevestigen, geoordeeld dat het voorschrift dat het bloedblok zo spoedig mogelijk dient te worden bezorgd bij het onderzoekslaboratorium geen onderdeel vormt van het stelsel van strikte waarborgen waarmee het in art. 8 WVW bedoelde bloedonderzoek is omgeven.
art. 359a Sv
artikel 359a Sv
art. 8 lid 5 WVW
Het hof heeft de verdachte voor overtreding van art. 8 lid 5 WVW 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 800,00 subsidiair zestien dagen hechtenis, waarvan € 400,00 subsidiair acht dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2021:620
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 20/02768 Datum 20 april 2021 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 september 2020, nummer 23-003304-19, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de verdachte.
ECLI:NL:GHAMS:2021:1448
afdeling strafrecht parketnummer: 23-001205-20 datum uitspraak: 4 mei 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 26 mei 2020 in gevoegde strafzaken onder de parketnummer 15-027034-20 en 15-044523-20, alsmede 96-028230-19 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Omvang van het hoger beroep De verdachte is bij het hierboven genoemde vonnis van 26 mei 2020 van het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 1 primair tenlastegelegde vrijgesproken en voor het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld. Bij datzelfde vonnis is de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 15-044523-20 veroordeeld voor de in die zaak onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Tevens was de tenuitvoerlegging van een eerdere straf gelast. De officier van justitie heeft bij akte op 4 juni 2020 hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is bij akte “beperkt tot de beslissingen van de rechtbank over het onder 15-027034-20 onder 1, primair en 1, subsidiair en onder 2 tenlastegelegde feit”. Het voorgaande betekent dat het hof geen oordeel toekomt met betrekking tot de (bewijs) beslissingen in de zaak met parketnummer 15-044523-20. Wel zal het hof in het kader van een eventuele strafoplegging toepassing geven aan het bepaalde in artikel 423, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ook zal het hof beslissen op de vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 96-028230-19 (TUL). Geen toepassing artikel 416, derde lid Sv. Het onderzoek in de onderhavige zaak is reeds eerder, en wel op de rolzitting van 10 december 2020, aangevangen. Nadien, bij akte van 16 april 2021, heeft de advocaat-generaal het hoger beroep ten aanzien van feit 2 in de zaak met parketnummer 15-027034-20 ingetrokken. Ter terechtzitting van 21 april 2021 heeft de advocaat-generaal gevorderd de officier van justitie ten aanzien van dat feit niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep overeenkomstig het bepaalde in het artikel 416, derde lid, Sv. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij zich verzet tegen deze vordering van de advocaat-generaal, nu zijns inziens sprake is van een rechtens te respecteren belang bij inhoudelijke behandeling van dat feit, reeds omdat er vrijspraak voor dat feit op specifieke juridische gronden bepleit zal worden. Het hof overweegt als volgt. Het hof ziet geen termen aanwezig voor toepassing van het bepaalde in artikel 416, derde lid, Sv. ten aanzien van feit 2 in de zaak met parketnummer 15-027034-20 nu er, mede gelet op hetgeen door de raadsman is aangevoerd, sprake is van een rechtens te respecteren belang bij inhoudelijke behandeling van het hoger beroep tegen dat feit, waaronder de waardering van het bewijs. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat: Zaak met parketnummer 15-027034-20 1. primairhij op of omstreeks 24 januari 2020 te Den Helder opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat een of meer verkeersregels (te weten: onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen en/of overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid en/of door rood licht rijden en/of tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden en/of niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze weg bevoegde personen) in ernstige mate zijn geschonden, door terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994 - meermalen, althans eenmaal, binnen de bebouwde kom, zijn mobiele telefoon vast te houden en/of - meermalen, althans eenmaal, de maximum snelheid te overschrijden en/of - slingerend over twee rijstroken (waaronder die van tegemoetkomend verkeer) te rijden en/of - het stop- en volgteken van de verbalisanten niet op te volgen en/of - terwijl hij, verdachte, opgesteld stond op de voorsorteerrijstrook voor linksafslaand verkeer onverwachts rechtdoor te rijden terwijl het verkeerslicht voor deze rijrichting rood licht uitstraalde en/of - ( vervolgens) met hoge snelheid een T-splitsing te naderen waarbij hij zijn voertuig niet tijdig tot stilstand kon brengen waardoor hij tegen een stilstaande auto is gebotst terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ([slachtoffer] en/of een of meer onbekende gebleven verkeersdeelnemers) te duchten was; 1. subsidiairhij op of omstreeks 24 januari 2020 te Den Helder als bestuurder van een voertuig (Ford Ka (voorzien van het kenteken [kenteken]), daarmee rijdende op de weg, de Kivietstraat en/of de Schootenweg, - zijn mobiele telefoon heeft vastgehouden en/of - met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan of verantwoord was heeft gereden en/of - slingerend over twee rijstroken (waaronder die van tegemoetkomend verkeer) heeft gereden en/of - terwijl hij, verdachte, opgesteld stond op de voorsorteerrijstrook voor linksafslaand verkeer onverwachts rechtdoor is gereden (terwijl het verkeerslicht voor deze rijrichting rood licht uitstraalde) en/of - ( vervolgens) met hoge snelheid een T-splitsing heeft genaderd waarbij hij zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht waardoor hij tegen een stilstaande auto is gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; 2.hij op of omstreeks 24 januari 2020 te Den Helder een voertuig, te weten Ford Ka (voorzien van het kenteken [kenteken]) heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof en/of alcohol als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine, in combinatie met een of meer andere van deze aangewezen stoffen, te weten cocaïne en/of GHB terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof 130 microgram amfetamine en 37 microgram cocaïne en/of 14 milligram GHB bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stoffen en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter. Zaak met parketnummer 15-027034-20 vrijspraak feit 1 primair, bewezenverklaring feit 1 subsidiair. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat feit 1 primair in de zaak met parketnummer 15-027034-20 bewezen wordt geacht. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat door de verdachte in ernstige mate verschillende verkeersregels zijn geschonden en dat als gevolg van tenminste een deel van die schendingen een aanrijding heeft plaatsgevonden waardoor levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 1 primair tenlastegelegde omdat bij de aan de verdachte verweten gedragingen naar algemene ervaringsregels niet voorzienbaar was dat levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het rijden door rood licht, dat als onderdeel van die gedragingen is opgenomen. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten vast. De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto meerdere verkeersregels geschonden. De verdachte heeft tijdens het rijden zijn mobiele telefoon vastgehouden, met een (aanzienlijk) hogere snelheid gereden dan ter plaatse was toegestaan en hij heeft slingerend over twee rijstroken, waaronder een rijstrook bestemd voor het tegemoetkomend verkeer, gereden. Daarnaast is de verdachte, terwijl hij opgesteld stond op de voorsorteerrijstrook voor links afslaand verkeer, onverwachts rechtdoor gereden, daarbij een (politie)voertuig rechts inhalend, en is vervolgens met redelijk hoge snelheid een T-splitsing genaderd waar op dat moment een auto stilstond. De verdachte heeft het door hem bestuurde voertuig niet tijdig tot stilstand kunnen brengen en hij is tegen de bij nadering van de verdachte van de kruising nog stilstaande auto gebotst. De verdachte heeft door zich als voormeld te gedragen een bepaald risico in het leven geroepen en de kans dat hij met zijn auto andere verkeersdeelnemers zou raken was niet ondenkbeeldig. Een dergelijke aanrijding heeft ook daadwerkelijk plaatsgevonden. Naar het oordeel van het hof is er echter geen enkel concreet aanknopingspunt om ervan uit te gaan dat de hiervoor genoemde gedragingen van de verdachte op zich dan wel in onderling verband beschouwd, concreet levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor onbekende verkeersdeelnemers in het leven hebben geroepen. Ten aanzien van de aanrijding van de auto met daarin de aangever [slachtoffer] op de T-kruising geldt dat uit de verklaring van de aangever volgt dat deze inmiddels aan het rijden was met de auto en dat hij geen noemenswaardig letsel heeft opgelopen. Niet blijkt dat de botssnelheid of de bij de botsing vrijgekomen en/of op het aangereden voertuig overgedragen energie zodanig is geweest, dat reeds op grond daarvan buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van te duchten levensgevaar of gevaar voor het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Uit de gedragingen van de verdachte kan evenmin met voldoende zekerheid worden afgeleid dat dit risico voor de verdachte voorzienbaar moet zijn geweest. De conclusie moet derhalve zijn dat naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. Wel acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer heeft gehinderd zoals onder 1 subsidiair ten laste is gelegd, waarbij het hof de verdachte partieel zal vrijspreken van het rijden door rood licht. Zaak met parketnummer 15-027034-20 feit 2 De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het in het kader van het bloedonderzoek bij de verdachte afgenomen bloedmonster in deze zaak wel zo spoedig mogelijk is verzonden naar het laboratorium. Het bloedonderzoek is derhalve volgens de daarvoor geldende regels van het Besluit alcohol, geneesmiddelen en drugs in het verkeer (hierna: BADG) uitgevoerd en het resultaat van dat onderzoek kan voor het bewijs gebruikt worden. Gelet daarop dient de verdachte te worden veroordeeld ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 2 aan hem tenlastegelegde. De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 2 tenlastegelegde, omdat het onderzoek naar de aanwezigheid van drugs in het bloed van de verdachte niet voldoet aan de eisen gesteld in het BADG. Vormen zijn verzuimd omdat de politie het bloedmonster niet conform het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van dat besluit zo spoedig mogelijk naar het laboratorium heeft gestuurd. Voorts blijkt uit het dossier niet onder welke omstandigheden het bloedmonster is bewaard en verzonden, aldus de raadsman. Artikel 13, eerste lid, onder d, van het Besluit luidt, voor zover hier relevant: Bij de bloedafname […] is een opsporingsambtenaar aanwezig die ervoor zorgt dat de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk […] worden bezorgd bij het laboratorium bedoeld in artikel 14, tweede lid. Artikel 14,tweede lid van het Besluit luidt, voor zover hier van belang: . Als laboratorium komt alleen in aanmerking: a. een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de algemene criteria voor het functioneren van beproevingslaboratoria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of van criteria die daarmee vergelijkbaar zijn, en deskundig is op het terrein van de bio-analyse. Van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (vgl. HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AD6952). Tot die waarborgen behoort onder meer het voorschrift van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, BADG, inhoudende dat het afgenomen bloedmonster zonder uitstel naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14 lid 2 BADG wordt toegezonden (HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684). Het hof stelt op grond van het proces-verbaal rijden onder invloed van 24 januari 2020, opgesteld door [naam], vast dat de op 24 januari 2020 bij de verdachte afgenomen bloedmonsters op de voorgeschreven wijze zijn opgeslagen in afwachting van verzending naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Uit het dossier blijkt niet op welke datum de bloedmonsters door de verbalisant zijn verzonden. Uit het rapport van het NFI blijkt echter dat de bloedmonsters aldaar op 6 februari 2020 zijn ontvangen. Gelet op het ruime tijdsverloop van 13 dagen tussen het afnemen en het ontvangen van de monsters door het NFI, kan het hof zonder nadere informatie niet vaststellen dat de bloedmonsters zo spoedig mogelijk door de politie zijn verzonden en bij het NFI zijn bezorgd. Het hof oordeelt dan ook dat artikel 13 lid 1 onder d BADG is geschonden. Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag wat het gevolg moet zijn van die schending. Voor beantwoording van die vraag is van belang of de waarborg behoort tot het stelsel van strikte waarborgen die direct van invloed zijn op de betrouwbaarheid van het onderzoek. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit de nota van toelichting op het in artikel 13 eerste lid onder d BADG opgenomen voorschrift van spoedige verzending blijkt namelijk niet dat deze tot doel heeft de betrouwbaarheid van het onderzoek te waarborgen. Uit de nota van toelichting kan enkel worden afgeleid dat daaraan mogelijk ten grondslag ligt het streven om verdachten zo snel mogelijk op de hoogte te stellen van het resultaat van het onderzoek en zaken zo snel mogelijk af te doen. Nu de bloedmonsters op de voorgeschreven wijze zijn bewaard en onderzoek door het geaccrediteerde laboratorium op deugdelijke wijze heeft kunnen plaatsvinden acht het hof de uitkomst van het bloedonderzoek betrouwbaar. Het hof zal dan ook volstaan met enkele constatering van het verzuim en zal de resultaten van het bloedonderzoek, anders dan door de raadsman bepleit, tot het bewijs bezigen. Gelet op de resultaten van het bloedonderzoek kan het ten laste gelegde feit worden bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak met parketnummer 15-027034-20: 1.subsidiairhij op 24 januari 2020 te Den Helder als bestuurder van een voertuig (Ford Ka voorzien van het kenteken [kenteken]), daarmee rijdende op de weg, de Kivietstraat en/of de Schootenweg, zijn mobiele telefoon heeft vastgehouden en met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan of verantwoord was heeft gereden en slingerend over twee rijstroken (waaronder die voor tegemoetkomend verkeer) heeft gereden en terwijl hij, verdachte, opgesteld stond op de voorsorteerrijstrook voor links afslaand verkeer onverwachts rechtdoor is gereden en vervolgens met hoge snelheid een T-splitsing heeft genaderd waarbij hij zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht waardoor hij tegen een auto is gebotst, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg kon worden gehinderd; 2.hij op 24 januari 2020 te Den Helder een voertuig, te weten Ford Ka (voorzien van het kenteken [kenteken]) heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine, in combinatie met een of meer andere van deze aangewezen stoffen, te weten cocaïne en GHB, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof 130 microgram amfetamine en 37 microgram cocaïne en 14 milligram GHB bedroeg. Hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 2 bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 300,00. De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 2 en het in de zaak met parketnummer 15-044523-20 onder 1 en 2 bewezenverklaarde een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar opgelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden. De advocaat-generaal heeft zich in het kader van de toepassing van artikel 423, vierde lid, Sv, naar het hof begrijpt, op het standpunt gesteld dat de rechtbank heeft beoogd voor feit 2 van parketnummer 15-027034-20 een gevangenisstraf van 3 weken onvoorwaardelijk op te leggen en dat het overige deel van de door de rechtbank ten aanzien van de zaak met parketnummer 15-027034-20 feit 2, en de zaak met parketnummer 15-044523-20 feit 1 en 2 opgelegde gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek waarvan 4 maanden voorwaardelijk dient te worden toegerekend aan de zaak met parketnummer 15-044523-20, feit 1 en 2. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte in de zaak met parketnummer 15-027034-20 voor feit 2 wordt veroordeeld tot een taakstraf van 30 uur. De raadsman heeft verzocht voor het in de zaak met parketnummer 15-044523-20 onder 1 subsidiair tenlastegelegde, evenals de politierechter een geldboete van € 300,00 op te leggen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering de straf die de politierechter ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 15-044523-20 te bepalen op een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Nu het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het onder parketnummer 15-027034-20 onder 1 en 2 tenlastegelegde zal het hof overeenkomstig het bepaalde in 423, vierde lid, Sv de straf die de politierechter ten aanzien van de zaak met parketnummer 15-044523-20 onder 1 en 2 bewezenverklaarde, te weten opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, onderscheidenlijk opzettelijk handelen in strijd met een onder 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Het hof heeft de ten aanzien van de zaak met parketnummer 15-027034-20 feit 1, subsidiair en feit 2 op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft als bestuurder van een voertuig gevaar en hinder op de weg veroorzaakt voor andere verkeersdeelnemers. Bovendien was de verdachte tijdens het rijden onder invloed van verschillende soorten drugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van drugs de rijvaardigheid nadelig beïnvloedt. Zeker bij het gecombineerde middelengebruik, zoals bij de verdachte het geval was, is sprake van een aanzienlijk groter risico voor de verkeersveiligheid. De verdachte heeft zich bijzonder onverantwoordelijk gedragen op de weg en een ongeluk veroorzaakt, als gevolg waarvan schade aan de auto van de aangever is ontstaan. Ter terechtzitting is omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte het volgende gebleken. Verdachte maakte in het verleden deel uit van een motorclub waarbij het gebruik van alcohol en drugs, ook bij deelname aan het verkeer, geaccepteerd was. Ook de justitiële documentatie laat zien dat verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld ter zake van misdrijven. Ter terechtzitting bij het hof is aannemelijk geworden dat de verdachte inmiddels een ander leven is gaan leiden. Hij heeft gebroken met clubgenoten en vrienden uit het verleden, is inmiddels al één jaar clean, heeft een vaste baan, en hij heeft een partner en een kind voor wie hij mede verantwoordelijkheid draagt. De verdachte heeft – kort gezegd - zijn leven op orde. Deze positieve ontwikkelingen zal het hof in het voordeel van de verdachte meewegen bij het bepalen van de aan hem voor de feiten 1, subsidiair en 2 in de zaak met parketnummer 15-027034-20 op te leggen straf. Gelet op de gevangenisstraf die door de politierechter in de zaak met parketnummer 15-044523-20, feit 1 en 2 is opgelegd (die, als hierboven aangegeven, wordt bepaald op een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar) en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding nog een straf op te leggen voor het bewezenverklaarde feit 2 van de zaak met parketnummer 15-027034-20. Dit betekent dat het hof ten aanzien van dit feit toepassing zal geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Hierin ligt besloten dat het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf te zwaar acht. Voor het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde acht het hof, evenals de politierechter, het opleggen van een geldboete gerechtvaardigd. Deze zal, gelet op de veelheid aan de door de verdachte begane overtreden voorschriften, worden vastgesteld op € 300,00, welke straf passend en geboden wordt geacht. Deze straf wijkt af van hetgeen de advocaat-generaal heeft gevorderd, omdat het hof anders dan gevorderd door de advocaat-generaal, de verdachte heeft vrijgesproken van het hem in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 1, primair tenlastegelegde. Toepasselijke wettelijke voorschriften De ten aanzien van de onder 1, subsidiair en 2 bewezenverklaarde feiten in de zaak met parketnummer 15-027034-20 op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994. Vordering tenuitvoerlegging Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 24 april 2019 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één week. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Het hof acht gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Bepaalt dat ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd. Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-027034-20 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis. Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het in zaak 15-044523-20 onder 1 en 2 bewezenverklaarde op: een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van 31 maart 2020, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 24 april 2019, parketnummer 96-028230-19, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één week. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. van Die, mr. F.M.D. Aardema en mr. J.J.J. Schols, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 mei 2021. mr. Schols is buiten staat dit arrest te ondertekenen. ========================================================================= […]
ECLI:NL:HR:2022:567
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 21/00633 Datum 12 april 2022 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 februari 2021, nummer 22-001828-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, hierna: de verdachte.
NJ 2022/239
Eerste deelklacht 3.5 Allereerst wordt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567, NJ 2022/239, m.nt.
ECLI:NL:HR:2020:1684
De opsporingsambtenaar formuleert de opdracht voor de onderzoeker die het bloedonderzoek verricht.
ECLI:NL:PHR:2020:745
de conclusie van Harteveld, ECLI:NL:PHR:2020:745 onder 3.11-3.12, bij HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/04112 Zitting 12 september 2023 CONCLUSIE P.M. Frielink In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de verdachte 1Het cassatieberoep 1.1 Bij arrest van 21 september 2021 heeft het gerechtshof Amsterdam – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:620 – het op 21 augustus 2019 tegen de verdachte gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam bevestigd behalve ten aanzien van de strafoplegging.

Het hof heeft de verdachte voor overtreding van art. 8 lid 5 WVW 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 800,00 subsidiair zestien dagen hechtenis, waarvan € 400,00 subsidiair acht dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.D. Rijnsburger, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. 1.3 In het middel wordt in de kern geklaagd over het oordeel van het hof dat sprake is van een onderzoek als bedoeld in art. 8 lid 5 WVW 1994. Het middel is terecht voorgesteld. 2De gang van zaken in feitelijke aanleg 2.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij, op of omstreeks 2 juli 2018, te Amsterdam, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd, na gebruik van meer in artikel 2, bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als groep, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten MDMA, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW 94, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen 130 microgram MDMA per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die groep van stoffen vermelde grenswaarde.” 2.2 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota.

Deze pleitnota houdt in: “Ik zal u andermaal verzoeken cliënt vrij te spreken bij gebreke van wettig (en overtuigend) bewijs. In mijn ogen is sprake van een schending van art. 13 lid 1 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Het is vaste jurisprudentie dat juist dit artikel behoort tot de strikte waarborgen waarmee het bloedonderzoek is omgeven én het is bij de Hoge Raad vaste jurisprudentie dat onder dergelijke omstandigheden de uitkomsten niet tot het bewijs behoren te worden gebezigd. Feiten Uit het dossier volgt dat het bloed van cliënt op 2 juli 2018 in het ziekenhuis is afgenomen en dat het zou worden gezonden aan het NFI.

Wanneer het daadwerkelijk is verzonden is niet duidelijk. Wanneer het daar is ontvangen is eveneens onduidelijk. Er is op de aanvraag ten behoeve van het Toxicologisch onderzoek van bloed namelijk niet ingevuld wanneer het NFI het bloedblok heeft ontvangen en/of dit goed verzegeld was en/of er bijzonderheden waren, noch blijkt dit uit enig ander stuk. Vervolgens is alleen duidelijk dat het bloedblok op 13 juli 2018 is ontvangen door het laboratorium dat het bloed heeft onderzocht. Feitelijke gevolgtrekking Ik concludeer dan ook dat het onduidelijk is per wanneer het bloedblok is verzonden, waar het bloedblok in een periode van 11 dagen is geweest, door welke handen het is gegaan, onder welke condities het is bewaard, onder welke condities het is vervoerd, of deze verzegeld is ontvangen en of er andere onregelmatigheden of bijzonderheden waren.

Niet kan worden vastgesteld of aan de waarborg, dat het bloedblok zo spoedig mogelijk dient te worden ingezonden, is voldaan. Dit levert een schending op van artikel 13, eerste lid van het Besluit. Inleiding juridische weging Het Openbaar Ministerie huldigt een ander standpunt en dit standpunt is in recente rechtspraak wel eens gevolgd. Hoewel de tekst van de wet in mijn ogen redelijk helder is, namelijk dat de verzending 'zo spoedig mogelijk' dient plaats te vinden wordt op basis van (min of meer) teleologische argumenten dan beslist dat bij latere verzending dit artikel alsnog geen geweld wordt aangedaan.

Daaraan liggen dan (onder andere) de generieke processen-verbaal van verbalisant [verbalisant] en forensisch onderzoeker [betrokkene 1] ten grondslag, stukken die ook nu in hoger beroep zijn overgelegd. Dergelijke generieke processen-verbaal zijn bruikbaar als achtergrondinformatie voor alle procespartijen, maar het zegt niet veel over hoe het in een specifieke zaak is gegaan. De feitenvaststelling, namelijk wanneer een bloedblok is ingezonden, wanneer dit is ontvangen bij een laboratorium en of dit verzegeld was, is namelijk nog altijd van belang.

Dit spreekt in mijn ogen voor zich – je kunt immers pas uitspraken doen over de vraag of er redenen zijn om bederf of verwisseling aan te nemen als je van de exacte omstandigheden op de hoogte bent – maar ik verwijs u (onder andere) naar het onderscheid dat door Advocaat-Generaal Harteveld gemaakt wordt met betrekking tot het bewaren van monsters op het politiebureau ten opzichte van het bewaren van monsters door het NFI: ook hij ziet aanleiding om onderscheid te maken tussen de twee 'bewaarplekken' waarbij hij opmerkt dat het in een politiebureau sneller vatbaar is voor verwisseling en bederf.

In mijn ogen is óók dit een evident argument om wel de eis te stellen dat op basis van de stukken in de concrete zaak inzichtelijk is of het monster zo spoedig mogelijk is verzonden en dus ook wanneer dit monster is verzonden. Het is met het oog op de aard van het te vervoeren materiaal bepaald onlogisch om genoegen te nemen met gebrekkige verslaglegging door de opsporingsautoriteiten. In gevallen als de onderhavige gaat het om lichaamseigen materiaal dat na een daartoe strekkend bevel door de autoriteiten is afgenomen. Van een overheid mag reeds de grootste zorgvuldigheid worden verwacht, voor een vervolgende overheid geldt dit in nog sterkere mate en wat mij betreft kan het niet in nog sterkere mate gelden dan in gevallen waarbij de overheid verantwoordelijk is voor lichaamseigen materiaal waar nota bene een heel DNA-profiel van kan worden afgeleid.

Als je dan kijkt naar de huidige mogelijkheden is een verwijzing naar standaardprotocollen volstrekt onvoldoende. Als met een schuin oog gekeken wordt naar de huidige wijze van pakket- en postbezorging denk ik dat evident is dat er veel beter gemonitord kan worden op welke wijze de monsters vervoerd worden. Als ik momenteel een pakket toegezonden krijg kan ik vóór aankomst al de foto zien van het pakket en kan ik bijna live volgen waar deze zich bevindt. Er is vervolgens een heel log bestand inzichtelijk te maken waarbij de exacte route te zien is.

Hoe kan het dan dat er in dit kader niet meer informatie is? Dit mag – en moet – juist van een vervolgende overheid verlangd worden. Als de feitenrechtspraak ergens een rechtsvormende taak heeft in dit soort zaken is het juist op dit punt, om de fundamentele rechten van een verdachte te borgen in plaats van achterover te leunen en op basis van generieke processen-verbaal er vanuit te gaan dat het altijd goed gaat. Het gaat niet altijd goed en er mag verlangd worden dat dit beter inzichtelijk wordt gemaakt. Ik concludeer dan ook dat dus verlangd mag worden dat de opsporingsinstanties inzage kunnen geven in de wijze waarop het afgenomen materiaal bewaard is, wanneer dit is ingezonden, waarnaartoe het gezonden is, wanneer dit daar ontvangen is en – indien sprake is van de uitbesteding van het onderzoek naar dit materiaal – hoe en wanneer het is doorgezonden en vervolgens ontvangen.

Alleen met behulp van deze concrete gegevens kan nagegaan worden of er met inachtneming van de geldende regels is gehandeld. Dat is hier na ommekomst van ruim drie jaar nog altijd niet mogelijk. Juridische gevolgtrekking in deze zaak Voor terugwijzing naar Uw Hof is de stellingname van het Openbaar Ministerie geweest dat het artikel 13 van het Besluit niet behoorde tot de strikte waarborgen waarmee het bloedonderzoek omgeven is. Ik wees vorig jaar al op de conclusie van Advocaat-Generaal Harteveld die had geconcludeerd dat dit artikel nog altijd tot de strikte waarborgen behoorde.

Dit oordeel is vervolgens door de Hoge Raad overgenomen. Dat in voornoemde zaak van de Hoge Raad beslist is tot verwerping van het cassatieberoep is, gelet op de omstandigheid dat de verbalisant het bloedblok diezelfde dag heeft verzonden én bovendien inzichtelijk is geweest welke route het bloedblok vervolgens heeft afgelegd, niet verwonderlijk. Er was geen sprake van een schending van artikel 13 eerste lid van het Besluit. De onderhavige zaak is een andere, er spelen andere feiten een rol. De meest relevante vraag is of, zoals bijvoorbeeld door het Hof Den Haag is opgetekend, artikel 13 lid 1 aanhef onder d ‘zijn strikte waarborg karakter grotendeels heeft verloren’.

In een dergelijk geval zou bij schending van de termijn alleen gesanctioneerd moeten worden als concreet de vrees voor bederf en/of verwisseling bestaat; alleen dan zou niet meer gesproken kunnen worden van een onderzoek in de zin van de wet. Hoewel ik meen dat in deze zaak voldoende concreet is dat de vrees voor bederf en/of verwisseling behoort te bestaan meen ik dat deze lijn in de rechtspraak niet gevolgd behoort te worden gelet op de vigerende jurisprudentie van de Hoge Raad. De recente conclusie van Advocaat-Generaal Paridaens geeft in mijn ogen inzicht in de wijze waarop de uitspraak van de Hoge Raad van 27 oktober 2020 moet worden geïnterpreteerd.

In de zaak waarin Paridaens heeft geconcludeerd was in feitelijke aanleg geoordeeld dat het artikel 13 van het Besluit was geschonden aangezien het bloed negen dagen later bij het Labor Mönchengladbach was ontvangen. Dit oordeel is volgens Paridaens niet onbegrijpelijk en zij verwijst daarbij naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad waarbij het scharen van een inzendingstermijn van elf dagen onder de noemer ‘zonder uitstel’ wél onbegrijpelijk werd geacht door de Hoge Raad. Vervolgens komt Paridaens tot de conclusie dat het oordeel dat de vaststelling van schending van artikel 13 eerste lid van het Besluit niet tot bewijsuitsluiting hoeft te leiden getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

Zij concludeert – onder verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad – onder rechtsoverweging 24: “Indien de rechter tot het oordeel komt dat voormelde termijn niet is nageleefd, leidt dat er immers toe dat het resultaat van het verrichte onderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd.” Kortom: een termijn van negen dagen levert een schending op en bij deze schending van artikel 13 eerste lid van het Besluit kan niet meer gesproken worden van een onderzoek in de zin van de wet. Van een nadere belangenafweging of en in hoeverre er kans is geweest op verwisseling en in hoeverre bederf aan de orde is en of dat in het nadeel van de verdachte zou werken komt men niet toe.

Mijn inschatting is dat de Hoge Raad dit oordeel volgt en ik verzoek u dit ook in deze zaak te doen. Ik breng daarbij de uitspraak van uw Hof van 8 juli 2020 onder uw aandacht aangezien de feiten en omstandigheden bijna exact gelijk zijn aan de onderhavige: “Aangezien er een tijdsverloop van 11 dagen is tussen het afnemen en het ontvangen van de monsters door – uiteindelijk – Medische Laboratoria [naam], kan het hof zonder nadere informatie niet vaststellen of de bloedmonsters zo spoedig mogelijk bij het laboratorium zijn bezorgd, dan wel door de politie zijn verzonden.

Niet is immers bekend geworden op welke datum de bloedmonsters door verbalisant [verbalisant 1] zijn verzonden, noch op welke datum het NFI de monsters heeft ontvangen en evenmin op welke datum de monsters door het NFI zijn doorgestuurd waaruit mogelijk een ontvangstdatum door het NFI had kunnen worden afgeleid. Het hof oordeelt dan ook dat niet aan de betreffende waarborg is voldaan. Nu het voorschrift onderdeel uitmaakt van het stelsel van strikte waarborgen, dient het resultaat van het verrichte bloedonderzoek van het bewijs uitgesloten te worden.

Zonder ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid WVW kan niet worden bewezen dat de verdachte onder invloed van amfetamine een personenauto heeft bestuurd. De verdachte moet daarom van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.” In concludeer dat artikel 13 van het Besluit geschonden is, dat daarmee een van de strikte waarborgen waarmee het onderzoek is omgeven is geschonden, op grond waarvan de uitkomst van het bloedonderzoek niet tot het bewijs mag worden gebezigd en cliënt dient te worden vrijgesproken. Ik verzoek u daartoe over te gaan.” 2.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

De advocaat-generaal voert het woord in repliek als volgt: Voor enige vrees voor verwisseling zijn geen aanknopingspunten te vinden in het dossier. Ten aanzien van de strikte waarborgen wijs ik op ECLI:NL:GHAMS:2021:1448, waaruit blijkt dat art. 13 lid 1 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen niet behoort tot het stelstel van strikte waarborgen die direct van invloed kunnen zijn op de betrouwbaarheid van het onderzoek. De raadsman voert het woord in dupliek als volgt: De reden dat ik de verzegeling noem, is omdat wanneer een blok bloed binnenkomt er bepaalde informatie moet worden ingevuld.

Dat is niet voor niets. Omdat dit niet gebeurd is, kan nu niet meer worden nagegaan of het blok is aangekomen, of er correcties zijn geweest en hoe het vanaf het ziekenhuis is verzonden. Het blok zou dus verwisseld kunnen zijn. AG Paridaens oordeelt in een bijna identieke zaak dat een termijn van negen dagen een schending oplevert. Relativering van die regel is niet aan de orde.” 2.4 Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank houdt onder meer in: “Ten aanzien van de door de raadsman gestelde schending van het voorschrift inhoudende dat het bloedblok zo spoedig mogelijk dient te worden bezorgd bij het onderzoekslaboratorium, overweegt de politierechter dat (…) dat voorschrift geen onderdeel vormt van het (…) stelsel van strikte waarborgen.

Voor het geval de verdediging eraan twijfelt of het niet onverwijld inzenden van het bloedblok de kwaliteit van het onderzoek heeft beïnvloed, bestond er de mogelijkheid tot het laten verrichten van een tegenonderzoek. De verdediging heeft dat evenwel niet gedaan en uit het dossier blijkt niet dat de kwaliteit van het bloedonderzoek is beïnvloed doordat het bloedblok niet onverwijld is verstuurd. De politierechter is ook met betrekking tot dit vormverzuim van oordeel dat verdachte geen nadeel heeft ondervonden en dat derhalve op grond van artikel 359aSv kan worden volstaan met de enkele vaststelling van het vormverzuim.” 3Het middel 3.1 In het middel en in de daarop gegeven toelichting wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat sprake is van een ‘onderzoek’ als bedoeld in art. 8 lid 5 WVW 1994 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en dat de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.

Meer in het bijzonder wordt geklaagd dat ‘s hofs oordeel dat de schending van art. 13 lid 1 aanhef en onder d van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer geen strikte waarborg betreft, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat het (al dan niet impliciete) oordeel dat in casu sprake is van een zo spoedig mogelijke inzending van het afgenomen bloed berust op gronden die deze niet kunnen dragen, althans dat de hiertoe aangedragen motivering onbegrijpelijk is. 3.2 Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde feit: - Artikel 8 lid 5 WVW 1994:

“5. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde.

Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.” - Artikel 13 lid 1 (oud) Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna:

Besluit): “1. Bij de bloedafname (...) is een opsporingsambtenaar aanwezig, die: a. (…) b. (...) c. (…) d. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.” 3.3 Van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd.

Deze waarborgen worden ook wel aangeduid als strikte waarborgen. Indien de rechter tot het oordeel komt dat een dergelijke waarborg niet is nageleefd, leidt dat er in beginsel toe dat het resultaat van het verrichte onderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd. Indien echter vaststaat dat niet-naleving van een strikte waarborg niet heeft afgedaan aan het beoogde doel van dat voorschrift, hoeft een dergelijk verzuim niet tot bewijsuitsluiting te leiden. 3.4 Het middel valt, naar ik begrijp, uiteen in drie deelklachten. Eerste deelklacht 3.5 Allereerst wordt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567, NJ 2022/239, m.nt.

W.H. Vellinga geklaagd dat het oordeel van het hof dat art. 13 lid 1 onder d Besluit ten tijde van het onderzoek niet behoorde tot de strikte waarborgen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. 3.6 Het hiervoor genoemde arrest ziet grotendeels – vanaf rechtsoverweging 2.6.1. – op de met ingang van 1 januari 2019 gewijzigde werkwijze van de politie aangaande het bewaren en verzenden van bij de verdachte afgenomen bloed, terwijl het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feit is gepleegd voorafgaande aan deze datum, te weten “op of omstreeks 2 juli 2018”.

Ik citeer dan ook slechts het deel van dit arrest dat betrekking heeft op de oude werkwijze: “Betreft artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, Besluit een strikte waarborg? 2.5.1 Van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Deze waarborgen worden ook wel aangeduid als de strikte waarborgen. 2.5.2 De rechtspraak van de Hoge Raad houdt in dat tot deze waarborgen onder meer behoort het voorschrift van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, Besluit, dat inhoudt dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14 lid 2 Besluit wordt of worden gezonden. (Vgl. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684 (https://enterprisesearch.sgrhrn.drp.minjus/R2/Detail/Inventa/ECLI_NL_HR_2020_1684?x-sessionId=00fa1c9d-f3da-46e5-aee5-a872804206fc&highlight=HR%3A2022%3A567%2Cfrielink).).” 3.7 Art. 13 lid 1 onder d (oud) Besluit moet derhalve als een strikte waarborg worden aangemerkt. 3.8 Het hof heeft, door het vonnis van de rechtbank te bevestigen, geoordeeld dat het voorschrift dat het bloedblok zo spoedig mogelijk dient te worden bezorgd bij het onderzoekslaboratorium geen onderdeel vormt van het stelsel van strikte waarborgen waarmee het in art. 8 WVW bedoelde bloedonderzoek is omgeven.

Daarmee heeft het hof miskend dat het voorschrift van art. 13 lid 1 onder d (oud) Besluit ten tijde van het onderzoek behoorde tot de strikte waarborgen. 3.9 De eerste deelklacht is terecht voorgesteld. Tweede en derde deelklacht 3.10 In de tweede deelklacht wordt geklaagd dat het (al dan niet impliciete) oordeel van het hof dat in casu sprake is van een zo spoedig mogelijke inzending van het afgenomen bloed berust op gronden die deze niet kunnen dragen, althans dat de hiertoe aangedragen motivering onbegrijpelijk is. 3.11 In de derde deelklacht wordt “wellicht ten overvloede” geklaagd dat het oordeel van het hof dat niet blijkt dat het bloedonderzoek is beïnvloed onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd in het licht van hetgeen in hoger beroep namens de verdachte naar voren is gebracht.

De steller van het middel wijst erop dat namens de verdachte is bepleit dat “juist niet duidelijk is wat er gedurende elf dagen is gebeurd, waarbij expliciet is gewezen op het gebrek aan informatie over de omstandigheden waaronder het bloedmonster bewaard is en vervoerd is”. 3.12 De tweede en derde deelklacht lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 3.13 Het door het hof bevestigde vonnis houdt – zoals reeds vermeld onder randnr. 2.4 – onder meer in: “Voor het geval de verdediging eraan twijfelt of het niet onverwijld inzenden van het bloedblok de kwaliteit van het onderzoek heeft beïnvloed, bestond er de mogelijkheid tot het laten verrichten van een tegenonderzoek.

De verdediging heeft dat evenwel niet gedaan en uit het dossier blijkt niet dat de kwaliteit van het bloedonderzoek is beïnvloed doordat het bloedblok niet onverwijld is verstuurd.” Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de verdachte van dit vormverzuim geen nadeel heeft ondervonden en dat derhalve op grond van art. 359a Sv kan worden volstaan met de enkele vaststelling van het vormverzuim. 3.14 Vooropgesteld zij dat het kennelijke oordeel van het hof dat artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, Besluit geen strikte waarborg is en dat derhalve artikel 359a Sv het toetsingskader vormt voor de beantwoording van de vraag of aan een verzuim ten aanzien van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, Besluit een rechtsgevolg moet worden verbonden, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. 3.15 Het voorschrift dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium wordt of worden gezonden, strekt ertoe dat het risico op (gedeeltelijke) afbraak van alcohol, drugs of medicijnen na de bloedafname wordt geminimaliseerd. 3.16 Voor zover het hof met zijn oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de kwaliteit van het bloedonderzoek heeft geleden onder de late inzending van het bloedmonster tot uitdrukking heeft willen brengen dat het bloedblok weliswaar ‘niet onverwijld’ maar wel ‘zo spoedig mogelijk’ en daarmee in overeenstemming met art. 13 lid 1 onder d (oud) Besluit is ingezonden, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd.

Het hof heeft namelijk geen concrete vaststellingen gedaan over het tijdsverloop en/of de wijze waarop het bloed is bewaard na de afname daarvan en tijdens het transport naar het laboratorium. Daarbij neem ik tevens in aanmerking dat namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep uitgebreid is bepleit dat onduidelijk is wanneer het bloedblok is verzonden, waar het bloedblok in een periode van elf dagen heeft gelegen, door welke handen het is gegaan, onder welke condities het is bewaard, onder welke condities het is vervoerd, of deze verzegeld is ontvangen en of er andere onregelmatigheden of bijzonderheden waren.

Daaraan kan niet afdoen de door het hof gestelde omstandigheid dat de verdediging geen tegenonderzoek heeft laten verrichten. 3.17 Ook de tweede en derde deelklacht zijn terecht voorgesteld. Conclusie 3.18 Het oordeel van het hof dat zich in dit verband geen schending van de strikte waarborg van art. 13 lid 1 onder d (oud) Besluit voordoet en sprake is van een onderzoek in de zin van art. 8 lid 5 WVW is ontoereikend gemotiveerd. 3.19 Het middel is terecht voorgesteld. 4Slotsom 4.1 Het middel slaagt. 4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Met overname van de in de pleitnota gebruikte voetnoten. Vgl. de conclusie van Harteveld, ECLI:NL:PHR:2020:745 onder 3.11-3.12, bij HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684. Hoge Raad, 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684, r.o. 2.4.1. Gerechtshof Den Haag, 9 september 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1708. Parket bij de Hoge Raad, 31 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:747. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6206. Gerechtshof Amsterdam 8 juli 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1911. Bij Besluit van 15 februari 2022, Stb. 2022, 77 zijn met ingang van 1 juli 2022 in art. 13 lid 1 onder d Besluit de woorden ‘zo spoedig mogelijk’ vervangen door ‘binnen vier weken’.

HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567, NJ 2022/239, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.5.1; HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853, rov 2.4.1. Zie o.m. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6206, NJ 2012/350, rov. 2.3.3. HR 2 oktober 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7339, NJ 1980/37, m.nt. Th.W. van Veen, rov. 5; HR 17 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AD6962, NJ 1987/152, rov. 5.2; HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7952, NJ 2008/247, m.nt. Y. Buruma, rov. 3.7, en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Knigge. Hiermee in strijd lijkt de volgende opmerking in de toelichting op het middel:

“De overweging dat uit het dossier niet blijkt dat de kwaliteit van het bloedonderzoek is beïnvloed doordat het bloedblok niet onverwijld is ingestuurd geeft bovendien weer dat het hof heeft vastgesteld dat in de onderhavige zaak geen sprake is geweest van een 'zo spoedig mogelijke inzending'. Wellicht is hier sprake van een verschrijving. Vgl. HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1365, NJ 2022/326, rov. 2.5 en HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1857, rov. 2.4.2. HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:568 onder 2.6.3. HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:568, rov. 2.5.2 en HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853, rov. 2.6.