Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2023:69 ECLI:NL:PHR:2023:69 AI generated

ECLI:NL:PHR:2023:69 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2023:69
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/01108 P Zitting 17 januari 2023 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, hierna: de betrokkene Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 3 maart 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 70.400,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 60.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.

Legislator headnote

AI generated

art. 511h Sv; ECLI:NL:PHR:2023:69 · Parket bij de Hoge Raad: Keulen In de zaak [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, hierna: de betrokkene Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 3 maart 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 70.400,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 60.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.

Keywords

AI generated
art. 511h Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 511h Sv
Ingevolge art. 511h Sv zijn deze artikelen ook van toepassing op ontnemingszaken.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/01108 P Zitting 17 januari 2023 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, hierna: de betrokkene Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 3 maart 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 70.400,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 60.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.

Er bestaat samenhang met de zaken 21/00926, 21/00911, 21/00990, 21/00996, 21/01052, 21/01109, 21/01110 en 21/01191. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 12 mei 2022 betekend. De gerechtelijke brief is uitgereikt aan een ander op het adres [adres], die heeft beloofd de brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven. Uit de BPR-bevragingen van 2 en 18 mei 2022 blijkt dat dit adres het BRP-adres van de betrokkene is. Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen.

Ingevolge art. 511h Sv zijn deze artikelen ook van toepassing op ontnemingszaken. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de betrokkene niet in het beroep worden ontvangen. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG