Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2023:58 ECLI:NL:PHR:2023:58 AI generated

ECLI:NL:PHR:2023:58 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2023:58
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

In welke detentie instelling heeft de opgeëiste persoon van januari 2013 t/m mei 2013 gedetineerd gezeten? 2. Hoeveel m2 personal space (in een meerpersoonscel) heeft de opgeëiste persoon in die periode tot zijn beschikking gehad? 3. Wanneer het antwoord op vraag 2 is dat de opgeëiste persoon over minder dan 3 m2 personal space in een meerpersoonscel beschikte, in hoeverre was er dan sprake van short, occasional and minor reductions of personal space, danwel sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities? […] Resumerend 41.

Legislator headnote

AI generated

art. 3 EVRM, artikel 3 EVRM, art. 281 Sv; ECLI:NL:PHR:2023:58 · Parket bij de Hoge Raad: Gelet op het voorgaande stelt de verdediging dat sprake is van een strong presumption dat sprake is van een schending van art. 3 EVRM, nu alle gevangenissen in 2011 en 2016 ernstig overbevolkt zijn geweest en gedetineerden als gevolg daarvan te weinig personal space hadden en gevaar liepen mishandeld te worden. Client rechtstreeks getroffen? 26. Dan het tweede vereiste voor het aannemen van een voltooide schending van art. 3 EVRM, aangetoond dient te worden dat de omstandigheden cliënt hebben geraakt. In de jurisprudentie omtrent voltooide schendingen is dit een moeilijk vereiste gebleken aangezien autoriteiten niet te koop lopen met martelingen en gedetineerden niet snel klagen over martelingen in verband met represailles vanuit de autoriteiten.

Keywords

AI generated
art. 3 EVRM artikel 3 EVRM art. 281 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 3 EVRM
Voor de beoordeling of sprake is van een voltooide schending is van belang of in de onderhavige strafzaak in Servië reeds een schending van art. 3 EVRM heeft plaatsgevonden.
artikel 3 EVRM
Deze pleitnota houdt, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, in: “Primair: Ontoelaatbaar verklaren uitlevering – voltooide inbreuk fundamentele rechten Voltooide schending van artikel 3 EVRM 11.
art. 281 Sv
29 lid 1 Uitleveringswet verklaart onder meer art. 281 Sv en art.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2003:AE5288
8 juli 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U ABG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De procesgang 1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 20 mei 2003. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage vernietigd voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment, afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998, omschreven klacht ontoelaabaar is verklaard. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. 1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 is de opgeëiste persoon verschenen en is hij gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Wladimiroff, advocaat te 's-Gravenhage, die voor hem het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities. Ook heeft de opgeëiste persoon zelf het woord ter verdediging gevoerd. Zijn pleitnotities zijn eveneens aan voornoemd proces-verbaal gehecht. De Advocaat-Generaal Jörg heeft een schriftelijke samenvatting gegeven die ertoe strekt de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 toelaatbaar te verklaren. 2. Het verzoek tot uitlevering 2.1. Het hernieuwde verzoek tot uitlevering, verder aan te duiden als het verzoek, is gedaan bij nota no. 15 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 6 februari 2001, gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In dit verzoek wordt verwezen naar het hieronder onder 2.3 (i) nog te noemen, reeds eerder gedane, doch ingetrokken, verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon voor dezelfde strafbare feiten. 2.2. Het verzoek, voorzover thans nog aan de orde, strekt tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten 2 en 3, aangeduid als "prohibited foreign trade practices" en omschreven in de hieronder onder 2.3 (v) vermelde "affidavit in support of request for extradition" op p. 3 onder a t/m o. 2.3. De verzoekende staat heeft bij het verzoek de navolgende stukken overgelegd: (i) een nota no. 24 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 4 mei 2000 inhoudende een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging; (ii) een door de Assistant Authentication Officer, Department of State, gecertificeerde verklaring van Madeleine K. Albright, Secretary of State van 20 april 2000 dat het hierna onder (iii) genoemde document het zegel van het Department of Justice van de Verenigde Staten van Amerika draagt; (iii) een door de Director/Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division of the United States Department of Justice gecertificeerde verklaring van 19 april 2000 van Janet Reno, Attorney General of the United States, dat Russel Bikoff zowel ten tijde van de ondertekening van het daaraan gehechte document als ten tijde van het opmaken van de onderhavige verklaring Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division, U.S. Department of Justice, Washington DC, was; (iv) een verklaring van 19 april 2000 houdende de certificering door voornoemde Russel Bikoff van de onder (v) genoemde verklaring en onder (vi) genoemde bijlagen; (v) een door John M. Facciola, United States Magistrate Judge, beëdigd en door Philip Urofsky, employed by the United States Department of Justice as a Trial Attorney in the Criminal Division, op 31 maart 2000 afgelegde verklaring tot staving van het verzoek om uitlevering waarin is opgenomen de identiteit van de opgeëiste persoon, de nationaliteit, de vermoedelijke verblijfplaats, een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht met vermelding van plaats en tijd ervan, het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, de wettelijke omschrijving en de toepasselijke Amerikaanse strafbepalingen; (vi) de bijlagen, gevoegd bij de onder (v) genoemde verklaring: a. een gewaarmerkt afschrift van een Superseding Indictment van de United States District Court for the District of New Jersey, van 11 september 1998, houdende een nader overzicht van de feiten en het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, ondertekend door Nicholas R. Abitante, foreperson van de Grand Jury, en Faith S. Hochberg, United States Attorney; b. een gewaarmerkt afschrift van een door Anne E. Thompson, Chief, United States District Judge, te Trenton, New Jersey, gegeven Warrant for Arrest betreffende de opgeëiste persoon, inhoudende een korte aanduiding van de feiten (zonder datering); c. de tekst van de toepasselijke strafbepalingen van de desbetreffende Amerikaanse wet waarvoor uitlevering wordt verzocht en van de wetsbepalingen houdende de straf die op de feiten is gesteld; d. een foto van drie personen onder wie de opgeëiste persoon. Voorts bevinden zich bij de stukken de vertaling in het Nederlands van de hierboven onder (ii) t/m (vi) a t/m c aangeduide stukken. 3. Beoordeling van de gevoerde verweren 3.1.1. Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de bijzonderheden van de onderhavige zaak een inbreuk rechtvaardigen op het vertrouwensbeginsel dat de relatie tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden beheerst, aangezien de opgeëiste persoon het risico loopt te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op aan de opgeëiste persoon ingevolge het EVRM toekomende rechten. In het bijzonder wordt gesteld dat een plea agreement in strijd is met art. 6 EVRM. In dit verband wordt aangevoerd dat de verwachte duur van de procedure indien geen plea agreement wordt gesloten (full trial) onevenredig lang zal zijn in verhouding tot de situatie dat wel een plea agreement wordt gesloten. De opgeëiste persoon zou aldus in redelijkheid geen vrije keus hebben. Verder wordt gesteld dat gelet op de beschikbare gegevens de afdoening van de zaak, in geval van een full trial, vermoedelijk niet binnen een naar Nederlandse maatstaven redelijk te achten termijn zal plaatsvinden. Tot slot wordt betoogd dat de eventuele toepassing van de terugkeerregeling en omzettingsprocedure illusoir zal zijn, omdat de te verwachten vrijheidsstraf waarschijnlijk zodanig zal zijn dat deze reeds zal zijn ondergaan voordat terugkeer naar Nederland zal zijn geëffectueerd vanwege de procedurele complicaties en doorlooptijden. 3.1.2. Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (Trb. 1980, 111) heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika. De Hoge Raad neemt derhalve als uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren. Dat brengt mee dat evenzeer van dat vertrouwen uitgegaan moet worden bij toepassing in de Verenigde Staten van Amerika van het aldaar tot de strafprocessuele mogelijkheden behorende systeem dat een verdachte in voorkomend geval een plea agreement kan aangaan. Die mogelijkheid bestond immers ook reeds ten tijde van de bilaterale onderhandelingen die tot het onderhavige uitleveringsverdrag hebben geleid. Dit vertrouwensbeginsel kan uitzondering lijden, voor wat betreft art. 6 EVRM, indien blijkt dat de op-geëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het vermelde uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat. 3.1.3. Gelet op de door de raadsman hiervoor onder 3.1.1 gestelde omstandigheden, welke alle betrekking hebben op toekomstige gebeurtenissen waaromtrent nog niets met zekerheid is vast te stellen noch ten nadele noch ten voordele van de opgeëiste persoon, kan mede in het licht van het voorgaande niet worden gezegd, dat tussen de mogelijkheden waaruit de opgeëiste persoon zal moeten kiezen - het ondergaan van een full trial dan wel het aangaan van een plea agreement - gelet op de duur van de onderscheiden procedures en de mogelijke verschillen in uitkomst een zodanige flagrante wanverhouding bestaat, dat de opgeëiste persoon wordt gedwongen een plea agreement aan te gaan. Het verweer wordt derhalve verworpen. 3.1.4. Ten aanzien van het verweer dat, indien het tot een full trial in de Verenigde Staten van Amerika komt, er vermoedelijk geen sprake zal zijn van een berechting binnen een redelijke termijn, geldt dat dat enkele vermoeden niet dwingt tot het oordeel dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. 3.1.5. Het betoog tenslotte dat de terugkeerregeling illusoir kan blijken te zijn - gelet enerzijds op de te verwachten hoogte van de straf en anderzijds op de duur van de administratieve afhandeling van de terugkeer naar Nederland - wordt gevoerd met de kennelijke strekking dat op grond daarvan de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Dat betoog faalt, aangezien daarmee wordt miskend dat het de uitleveringsrechter niet vrijstaat bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering de vraag te betrekken of de opgeëiste persoon zal kunnen terugkeren naar Nederland teneinde aldaar de opgelegde vrijheidsstraf (verder) te ondergaan en of die terugkeer daartoe tijdig zal geschieden. 3.2.1. Verder is door de raadsman ten verwere aangevoerd dat het legaliteitsbeginsel wordt geschonden, indien de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika zou worden uitgeleverd. Nederland kan de opgeëiste persoon zelf niet vervolgen voor de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, aangezien deze feiten ten tijde van het begaan ervan niet strafbaar waren naar Nederlands recht, aldus de raadsman. 3.2.2. Met dit betoog wordt miskend dat de rechter de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft te beoordelen naar het tijdstip van de behandeling van het verzoek daartoe. In dit geval staat vast dat de feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht, inmiddels in Nederland strafbaar zijn gesteld. Derhalve faalt het betoog. 3.2.3. Voorzover het verweer tevens moet worden bezien in het verband van een te zijner tijd te nemen beslissing op een verzoek tot overdracht van de opgeëiste persoon naar Nederland teneinde hier de vrijheidsstraf (verder) te ondergaan, faalt het verweer op de door de Hoge Raad reeds in zijn te dezer zake gewezen tussenarrest van 20 mei 2003 gegeven gronden. 3.3.1. Tenslotte heeft de raadsman gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard, omdat niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 gehechte en daarvan deel uitmakende pleitnota heeft hij daartoe het volgende aangevoerd: "17. Overigens merk ik nog op dat de verdenkingen krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, aanvankelijk alleen de corrupte betaling van eigen onderdanen en van bedrijven gevestigd in de Verenigde Staten aan buitenlandse officials strafbaar stelde. Eerst sinds 1998 stelt deze wet dergelijk handelen van buitenlanders en buitenlandse bedrijven ook strafbaar. Kort en goed: hetgeen cliënt wordt verweten was ten tijde van de gedraging ook niet strafbaar in de Verenigde Staten (krachtens de FCPA)." 3.3.2. Uit de omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, blijkt dat de verdenking tegen de opgeëiste persoon bestaat ter zake van gedragingen van hem in zijn hoedanigheid van onder meer voorzitter van de raad van beheer van Saybolt North America Inc., een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde onderneming. De Foreign Corrupt Practices Act 1977 is derhalve ook op deze onderneming van toepassing. Het verweer mist dan ook feitelijke grondslag. 4. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering 4.1. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering ter strafvervolging als volgt. 4.2. De persoon die is gehoord ter zitting van 10 juni 2003 heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], de persoon op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft, en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. 4.3. De stukken voldoen aan de eisen die art. 9, tweede en derde lid, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika stellen. Ook is voldaan aan art. 18 Uitleveringswet. 4.4. De feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, zijn naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika strafbaar krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, United States Code, titel 15, art. 78DD-2 en titel 18, art. 2. Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.5. Naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar als het misdrijf van art. 177 Sr en/of het misdrijf van art. 177a Sr, in verbinding met art. 178a Sr (omkoping van buitenlandse ambtenaren). Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.6. Aan het in art. 2 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gestelde vereiste van dubbele strafbaarheid is derhalve voldaan. 5. Slotsom Aangezien de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg zouden staan, dient, gelet op het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, als volgt te worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad verklaart de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar voor de onder 2.2 bedoelde, in het verzoek onder 2 en 3 aangeduide, feiten. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 8 juli 2003. 20 mei 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/DAT Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het beroep en het middel zijn uitsluitend gericht tegen de weigering de verzochte uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de in het verzoek onder 2 en 3 genoemde feiten, te weten: - verboden buitenlandse handelspraktijken, in overtreding van titel 15, art. 78DD-2 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek; - reizen naar het buitenland en van Staat naar Staat ten behoeve van criminele ondernemingen, in overtreding van titel 18, art. 1952 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek. Namens de opgeëiste persoon is het cassatieberoep tegengesproken door mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep op grond dat de schriftuur niet is ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 2.2. Bij tussenarrest van 3 december 2002 heeft de Hoge Raad de Officier van Justitie ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Kort samengevat heeft de Hoge Raad geoordeeld: dat een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW meebrengt dat de officier van justitie in uitleveringszaken gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen, en dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak op 10 juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 2.3. De Hoge Raad gedraagt zich naar het tussenarrest. Weliswaar is nadien namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep op grond dat de uitspraak niet op 10 juni 2002, maar op 4 juni 2002 ter beschikking is gekomen, maar de juistheid van hetgeen aldus is aangevoerd kan in het midden blijven nu vaststaat dat het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank niet eerder dan eind juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen. 2.4. De Advocaat-Generaal Jörg heeft aanvullend geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en een dag zal bepalen waarop de zaak voor de Hoge Raad zal dienen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel komt met rechtsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 ontoelaatbaar dient te worden verklaard. 3.2. De Rechtbank heeft de uitlevering voor die feiten ontoelaatbaar verklaard en daartoe het volgende overwogen: "De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De Verenigde Staten van Amerika en Nederland zijn beide partij bij het op 21 maart 1983 gesloten Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. In verbinding met de exchange of letters of understanding, General Affairs Department DA2/J2-ISN-38245 No 81 van 11 juli 1991 zou dus technisch de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika ter zake van het feitencomplex sub 2 en sub 3, waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, teruglevering aan Nederland gegarandeerd kunnen worden om in Nederland tenuitvoerlegging van het gewijsde te ondergaan of verder te ondergaan. Ten tijde van de periode waarin het feitencomplex sub 2 en sub 3 volgens het uitleveringsverzoek zou zijn begaan, was dit complex als zodanig niet strafbaar naar Nederlands recht. De rechtbank zou door in casu uitlevering toe te laten, voorziend dat wegens het hierna te noemen legaliteitsbeginsel exequatur bij teruglevering in zoverre geweigerd zou moeten worden, inbreuk maken op het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht ongeclausuleerde en onvoorwaardelijk verbod tot berechting en bestraffing van iemand ter zake van feiten die ten tijde van begaan daarvan niet bij of krachtens de Nederlandse wet strafbaar waren gesteld. Immers, de opgeëiste persoon heeft, zoals overwogen, de Nederlandse nationaliteit en bij teruglevering van de opgeëiste persoon aan Nederland zou overneming en positieve erkenning van het veroordelend gewijsde een inbreuk inhouden van dit ongeclausuleerde verbod. Weliswaar kan het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 7 van het EVRM - waaraan Nederland als verdragsluitende partij gebonden is - vervatte legaliteitsbeginsel door verdragen of krachtens besluiten van volkenrechtelijke organisaties opzij worden gezet, zoals de Hoge Raad uitdrukkelijk overweegt in zijn arrest van 18 december 2001 in de zaak tegen [A] (de Hoge Raad leest: HR 18 september 2001, NJ 2002, 559), zulks op een voordracht tot cassatie in het belang der wet van een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 20 november 2000, maar in het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag is geen voorziening opgenomen waaruit deze terzijdestelling zou volgen. Derhalve staat vooralsnog vast dat aan enige veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika voor de sub 2 en 3 genoemde feiten als gekwalificeerd in het uitleveringsverzoek, bij teruglevering exequatur geweigerd zal moeten worden. De uitlevering dient mitsdien voor deze feiten op voornoemde gronden ontoelaatbaar verklaard te worden. Mochten de Verenigde Staten van Amerika slechts voornemens zijn geldboetes op te leggen, dan dient te gelden dat het te dezen toepasselijke verdrag niet voorziet in rechtshulp daartoe." 3.3. De eerste klacht van het middel, die in een aantal onderdelen uiteenvalt, is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat in geval van een veroordeling in de Verenigde Staten van Amerika ter zake van genoemde feiten het exequatur - waarmee de Rechtbank klaarblijkelijk doelt op het verlof tot tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) - geweigerd zou moeten worden. Het meest verstrekkende onderdeel van die klacht luidt dat de Rechtbank aldus ten onrechte is vooruitgelopen op de beslissing van de exequaturrechter. Dit onderdeel van de klacht treft doel. De beantwoording van de vraag of verlof dient te worden verleend tot tenuitvoerlegging van een vonnis van een buitenlandse rechter is voorbehouden aan de rechter die daaromtrent ingevolge de bepalingen van de WOTS heeft te oordelen. Het staat de uitleveringsrechter niet vrij de (te verwachten) beantwoording van die vraag bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering te betrekken. De gegrondheid van dit onderdeel van de klacht brengt mee dat de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven en de overige klachten geen bespreking behoeven. 3.4. Niettemin vindt de Hoge Raad aanleiding het middel nog te bespreken voorzover het kennelijk strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de exequaturrechter - na overdracht van de gevonniste persoon aan Nederland - het vereiste van strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht (art. 3, eerste lid onder c, WOTS) dient te beoordelen naar het moment waarop die feiten zijn gepleegd. Het middel bestrijdt dat oordeel terecht. De strekking van genoemd vereiste is immers te voorkomen dat Nederland medewerking zou moeten verlenen aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht. Voor de beantwoording van de vraag of aan dat vereiste is voldaan is daarom beslissend of de desbetreffende feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn ten tijde van de beslissing van de daartoe ingevolge de WOTS aangewezen rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging. Het verlenen door die rechter van een verlof tot tenuitvoerlegging kan niet worden aangemerkt als "berechting en bestraffing" van die feiten, zodat, anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, in geval van een dergelijk verlof ten aanzien van feiten die op het tijdstip waarop zij zijn gepleegd naar Nederlands recht nog niet strafbaar waren gesteld, van schending van het legaliteitsbeginsel geen sprake kan zijn. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998 omschreven aanklacht ontoelaatbaar is verklaard; Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 te 12:00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 mei 2003. ======================= 3 december 2002 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/SM Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De raadsvrouwe van de opgeëiste persoon, mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, heeft het cassatieberoep tegengesproken. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. In zijn verweerschrift tegen het cassatieberoep is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde beroep, aangezien de middelen niet zijn ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 3.2. Op grond van art. 31, derde lid, UW is de Officier van Justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie. 3.3. Het cassatieberoep is blijkens de daarvan opgemaakte akte ingesteld op 31 mei 2002. De schriftuur is blijkens een daarop geplaatst stempel op 9 juli 2002 bij de Hoge Raad ingekomen. De schriftuur is derhalve niet binnen de bij de wet bepaalde termijn ingediend. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter een schrijven van de Officier van Justitie van 19 juli 2002, inhoudende dat zij eerst op 10 juni 2002 kon beschikken over de uitgewerkte uitspraak. De Hoge Raad gaat uit van de juistheid van deze mededeling. Kennelijk heeft de Officier van Justitie aangenomen dat de wettelijke termijn van een maand voor het indienen van de schriftuur aanving op de datum van ontvangst van de uitgewerkte uitspraak waartegen het cassatieberoep was gericht. 3.4. In zijn beslissing van 16 april 1996, NJ 1996, 527, heeft de Hoge Raad in een strafzaak waarin het openbaar ministerie een van de kernstukken van het geding - het proces-verbaal van de terechtzitting - pas na verloop van de termijn voor het indienen van de schriftuur had ontvangen, beslist dat een redelijke toepassing van art. 433 (oud) Sv meebrengt dat die termijn pas begint te lopen na de ontvangst van het ontbrekende stuk. 3.5.1. Sedert de inwerkingtreding op 1 oktober 2000 van de wetswijziging van 28 oktober 1999, Stb. 467, is de regeling voor het indienen van de cassatieschriftuur in strafzaken neergelegd in art. 437 Sv. De termijn voor het indienen van de schriftuur van een maand vangt voor het openbaar ministerie thans aan nadat de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv aan hem is verzonden. Ook de verdachte is thans op straffe van niet-ontvankelijkheid gehouden zijn schriftuur binnen een termijn (twee maanden) nadat de aanzegging aan hem is betekend te doen indienen. 3.5.2. Voor de toepassing van art. 437 Sv heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 4 juli 2000, NJ 2000, 581, in een geval waarin de raadsman van een verdachte de kernstukken van het geding niet tijdig had ontvangen, beslist dat een dergelijk verzuim van de strafadministratie kan meebrengen dat de raadsman door de rolraadsheer (de enkelvoudige strafkamer van de Hoge Raad) desverzocht alsnog een termijn wordt gegund om een aanvullend middel in te dienen na toezending van de desbetreffende stukken voorzover kennisneming van die stukken onontbeerlijk is voor het formuleren van de middelen. Naar de stand van de huidige rechtspraak is het dan ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de officier van justitie onderscheidenlijk de verdachte een nadere termijn voor het indienen van de middelen wordt gegund en geldt niet meer de hiervoor onder 3.4 gegeven regel dat in ieder geval aanspraak kan worden gemaakt op de volle termijn vanaf de ontvangst van de kernstukken. 3.6. De te beantwoorden vraag is thans of het vorenstaande evenzeer geldt in uitleveringszaken. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. De regeling van art. 31, derde lid, UW wijkt in zoverre af van die van art. 437 Sv dat de termijn van een maand, waarbinnen de officier van justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid zijn schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad moet indienen, niet aanvangt na de verzending van een aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv, derhalve nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, maar nadat hij het beroep in cassatie heeft ingesteld. De opgeëiste persoon die beroep in cassatie instelt kan, anders dan de officier van justitie, een schriftuur indienen, en wel tot de dienende dag. 3.7. Dit verschil tussen de regeling van het Wetboek van Strafvordering en die van de Uitleveringswet heeft tot gevolg dat zaken waarin art. 437 Sv van toepassing is, reeds wel bij de Hoge Raad bekend zijn op het moment dat de termijn voor het indienen van de schriftuur begint te lopen, zodat de rolraadsheer dienaangaande in voorkomend geval kan beoordelen of er aanleiding is een nadere termijn te gunnen, terwijl de stukken van het geding in uitleveringszaken veelal nog niet bij de Hoge Raad ingekomen zijn in de fase waarin de wettelijke termijn voor het indienen van de schriftuur voor de officier van justitie loopt. De rolraadsheer zal in die gevallen dan ook niet in staat zijn een verzoek om verlenging van de termijn te beoordelen. 3.8. Gelet hierop brengt een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW mee dat de officier van justitie in uitleveringszaken, naar analogie van de hiervoor onder 3.4 weergegeven - voor strafzaken inmiddels achterhaalde - rechtspraak, gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen. 3.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 4. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat het door de Officier van Justitie ingestelde beroep in behandeling kan worden genomen. De zaak dient - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - te worden verwezen naar de rolzitting van de Hoge Raad voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel. 5. Beslissing De Hoge Raad: Verklaart de Officier van Justitie ontvankelijk in het cassatieberoep; Verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2003 voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel; Houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 december 2002.
ECLI:NL:HR:2017:463
21 maart 2017 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2018:1934
16 oktober 2018 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:1996:ZD0547
De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard voor de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.
ECLI:NL:HR:2007:BA0875
De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten, te weten alle in de als de bijlage aan de bestreden uitspraak gehechte "Ordonnance" genoemde feiten.
ECLI:NL:HR:2017:2323
12 september 2017 Strafkamer nr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/02253 U Zitting 24 januari 2023 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, hierna: de opgeëiste persoon. Inleiding Bij uitspraak van 24 mei 2022 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Servische autoriteiten toelaatbaar verklaard “ter fine van strafexecutie ter zake van de in het strafvonnis van de rechtbank in Čačak d.d. 28 maart 2017 vermelde feiten”.

Bij dit vonnis is de opgeëiste persoon veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Namens de opgeëiste persoon hebben R. van Leusden en D.J.M. Dammers, beiden advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3. Het middel bevat de klacht dat de rechtbank de afwijzing van het door de raadsvrouw van de opgeëiste persoon gedane verzoek om de zaak aan te houden om aanvullende informatie in te winnen over de detentie van de opgeëiste persoon in 2013, opdat een oordeel kan worden gegeven over een voltooide schending van art. 3 EVRM, niet (voldoende) begrijpelijk heeft gemotiveerd.

4. Voor de beoordeling van het middel is mede van belang wat de verdediging ten grondslag heeft gelegd aan het aanhoudingsverzoek. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 10 mei 2022 aldaar het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, in: “Primair: Ontoelaatbaar verklaren uitlevering – voltooide inbreuk fundamentele rechten Voltooide schending van artikel 3 EVRM 11. Uit het uitleveringsverzoek volgt dat cliënt van januari 2013 t/m mei 2015 in voorarrest heeft gezeten in Servië. Deze gegevens kloppen niet. Client stelt van januari 2013 t/m mei 2013 in voorarrest te hebben gezeten. Desalniettemin stelt de verdediging zich op het standpunt dat tijdens deze detentie een voltooide schending van artikel 3 EVRM heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan de uitlevering van cliënt ontoelaatbaar dient te worden verklaard.

12. Voor de beoordeling of sprake is van een voltooide schending is van belang of in de onderhavige strafzaak in Servië reeds een schending van art. 3 EVRM heeft plaatsgevonden. Daarbij zijn twee vereisten van belang. Allereerst (1.) dient zich een situatie te hebben voorgedaan die binnen de reikwijdte valt van art. 3 EVRM. Ten tweede (2.) dient mijn cliënt daardoor te zijn getroffen.

13. Allereerst de detentieomstandigheden in Servië. Het is schrijnend om de rapporten van het CPT te lezen over de detentieomstandigheden in Servië. Een land dat nota bene sinds 21 januari 2014 onderhandelt over toetreding tot de Europese Unie, maar waarbij tot op heden nog steeds verwoestende rapporten van het CPT worden gepubliceerd over alle misstanden in de Servische gevangenissen.

14. De verdediging zal niet alle misstanden uit de rapporten bespreken, maar op onderdelen dienen de misstanden toch uitgelicht te worden. Allereerst om de grote schaal van de misstanden aan te tonen. In vrijwel alle gevangenissen voldoet het regime niet aan de standaarden die het EVRM geeft voor een schending van art. 3 EVRM. Door de grote overbevolking leven de gevangenen in deze gevangenissen onder erbarmelijke omstandigheden. Daarnaast is in de gevangenissen sprake van martelingen, alsmede geweld tussen gevangenen onderling, waarbij het gevangenispersoneel niet ingrijpt. Strong presumption in de jaar 2013 15. In zijn algemeenheid beschrijft het CPT dat veel klachten zijn ontvangen over mishandelingen in Servische gevangenissen. Het CPT heeft onder meer in 2011 en 2016 een bezoek aan de gevangenissen in Servië gebracht.

16. Over die slechte staat van de voorzieningen zegt het CPT het volgende: “Material conditions of detention were found to be particularly poor in most of the prisons visited, including unacceptable hygienic conditions and dilapidated infrastructure. The situation was further aggravated by the serious levels of overcrowding, for example, at [A] , six inmates were being accommodated in cells measuring only 8 m2.” 17. Het CPT spreekt tevens over: “slaps, punches and blows with truncheons”. Daarnaast is er veel geweld tussen gedetineerden onderling. Deze onderlinge gevechten werden gevoed door meerdere factoren als structurele onderbezetting van gevangenispersoneel, geen controle op drugsgebruik, slechte staat van voorzieningen en het gebrek aan activiteiten voor de gedetineerden.

18. Het schrikbarende beeld dat het CPT beschrijft geldt voor de situatie zoals is waargenomen in 2016, maar in 2013 waren de omstandigheden identiek. Cliënt heeft van januari 2013 tot (zo volgt uit de stukken) tot mei 2013 vastgezeten in Servië. Na een eerder zorgwekkend rapport uit 2007 is in februari 2011 een follow-up visit gedaan door het CPT. In het rapport merkt het CPT over overbevolking op: “At the time of the visit, the prison population stood at around 11,500 (compared to 9,000 at the time of the 2007 visit) for a maximum capacity of 6,500 calculated applying the standard of 4 m2 of living space per prisoner.

Overcrowding was observed in all the establishments visited . The situation was of particular concern at [B] , which at the time of the visit accommodated 1,656 inmates for a capacity of some 800.” 19. In de rapporten wordt ook in 2011 al melding gemaakt van geweld door gevangenispersoneel tegen gedetineerden. In sommige gevallen zelfs op een misselijkmakende manier, bijvoorbeeld een gedetineerde naar een trappenhuis brengen waar geen camera's hangen om hen daar even goed toe te takelen. Vervolgens beklaagt de gedetineerde zich hierover, maar in de medische rapporten wordt wel het letsel vermeld, niet de oorzaak.

Het CPT merkt hierover op: “The CPT has already stressed in its reports on the two previous visits to [C] that the prison health-care services can make a significant contribution to the prevention of ill-treatment of detained persons through the systematic recording of injuries and, if appropriate, the provision of information to the relevant authorities.” 20. In het reeds aangehaalde rapport uit 2016 is dit wederom een punt van zorg bij het CPT. Kortom, ondanks alle beloftes van de Servische autoriteiten zijn er nog steeds grote zorgen over het gevangenissysteem in Servië.

21. De omstandigheden zoals deze zich voordeden in 2011 en 2016, maar ook zeker in 2013, doorstaan de toets van art. 3 EVRM niet. Voor deze toets is het uitgangspunt de personal space. In het overzichtsarrest Muršić t. Kroatië oordeelt het Hof dat: “the Chamber reiterated that the test set out in Ananyev and Others for deciding whether or not there has been a violation of Article 3 of the Convention in respect of detainees' lack of personal space was three-fold, namely: (1) each detainee must have an individual sleeping place in the cell; (2) each detainee must dispose of at least 3 sq. m of floor space; and (3) the overall surface of the cell must be such as to allow detainees to move freely between furniture.

The absence of any of these elements created a strong presumption that the conditions of an applicant's detention were inadequate.” 22. Het CPT concludeerde in 2011 dat op alle afdelingen sprake was van overbevolking. De [B] kende destijds 1,656 gevangenen in een gevangenis waar ruimte was voor 800 gevangenen als men een personal space van 4 m2 wilde garanderen. Er was dus een overbevolking van 207%. Daarmee komt aan elke gedetineerde slechts een Personal Space toe van minder van de minimale 3 m2. Dit is de berekening die enkel ziet op het loopoppervlakte.

Meer mensen in de cel vereist ook meer bedden, meer kasten, meer sanitair, etc. Dat gaat ten koste van de beperkte ruimte die er al was.

23. Uit de informatie van het CPT van 2011 blijkt dus dat in de gevangenis [B], minder dan 3 m2 persoonlijke ruimte was, zodat op grond van de aangehaalde EHRM-jurisprudentie een ‘strong presumption’ bestaat dat de opgeëiste persoon aldaar onder onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden heeft verbleven.

24. Het EHRM spreekt van een ‘strong presumption’ omdat het EHRM nog een kleine mogelijkheid openlaat om een cumulatieve factoren de presumptie te laten wegnemen. Cumulatieve factoren als voldoende sanitaire voorzieningen, voldoende frisse lucht en daglicht en "out-of-cell" activiteiten (bibliotheek, recreatie). Het CPT merkt hierover juist op dat de agressie tussen gedetineerden onderling voortkomt uit onvoldoende afleidende activiteiten en de slechte staat van alle voorzieningen. Bovendien zouden de gevangenissen bijzonder onhygiënisch zijn.

25. Gelet op het voorgaande stelt de verdediging dat sprake is van een strong presumption dat sprake is van een schending van art. 3 EVRM, nu alle gevangenissen in 2011 en 2016 ernstig overbevolkt zijn geweest en gedetineerden als gevolg daarvan te weinig personal space hadden en gevaar liepen mishandeld te worden. Client rechtstreeks getroffen? 26. Dan het tweede vereiste voor het aannemen van een voltooide schending van art. 3 EVRM, aangetoond dient te worden dat de omstandigheden cliënt hebben geraakt. In de jurisprudentie omtrent voltooide schendingen is dit een moeilijk vereiste gebleken aangezien autoriteiten niet te koop lopen met martelingen en gedetineerden niet snel klagen over martelingen in verband met represailles vanuit de autoriteiten.

27. Voor cliënt is dit anders, aangezien allereerst objectief kan worden vastgesteld dat hij in de genoemde periode januari 2013 t/m mei 2013 (naar eigen zeggen) in detentie verbleef waarvan op grond van de informatie vanuit het CPT en met de toetsingsmaatstaf van het EHRM kan worden vastgesteld dat een schending van art. 3 EVRM aanwezig was. Daarmee leed hij dus onder de overbevolking en het gebrek aan voldoende faciliteiten, waardoor daar zich al in deze concrete situatie een schending van art. 3 EVRM heeft voorgedaan. Op 19 maart 2019 oordeelde de Rechtbank Amsterdam al dat detentie onder deze omstandigheden een voltooide schending van artikel 3 EVRM met zich brengt en verklaarde de uitlevering ontoelaatbaar.

28. De verdediging verzoek Uw Rechtbank ook in dit geval de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren, nu 29. Mocht Uw Rechtbank van oordeel zijn dat u onvoldoende voorgelicht bent om in dit kader uitspraken te doen over de (on)toelaatbaarheid van de uitlevering, verzoekt de verdediging u subsidiair de zaak aan te houden om aanvullende informatie van de Servische autoriteiten. En dan meer specifiek over de volgende punten:

1. In welke detentie instelling heeft de opgeëiste persoon van januari 2013 t/m mei 2013 gedetineerd gezeten? 2. Hoeveel m2 personal space (in een meerpersoonscel) heeft de opgeëiste persoon in die periode tot zijn beschikking gehad? 3. Wanneer het antwoord op vraag 2 is dat de opgeëiste persoon over minder dan 3 m2 personal space in een meerpersoonscel beschikte, in hoeverre was er dan sprake van short, occasional and minor reductions of personal space, danwel sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities? […] Resumerend 41.

De verdediging verzoekt Uw Rechtbank, - primair, de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren wegens een voltooide schending van fundamentele rechten (art. 3 EVRM), of, - subsidiair, de zaak aan te houden om aanvullende informatie in te winnen over cliënt zijn detentie in 2013, opdat een oordeel kan worden gegeven over de voltooide schending van artikel 3 EVRM.” 5. Het proces-verbaal van de zitting van 10 mei 2022 houdt, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, in: “Op vragen van de rechtbank antwoordt de raadsvrouw: Er is nog steeds sprake van overbevolking.

De situatie was bizar slecht, maar die is nog steeds slecht. De Minister heeft de beslissing van de rechtbank Amsterdam overgenomen. Op vragen van de officier van justitie antwoordt de raadsvrouw: Het CPT heeft twee instanties bezocht, maar kan ook niet bij alle instanties langsgaan. In de rapporten staat dat het voor heel het land geldt. Dit zijn de enige stukken die objectief bij de rechtbank ingebracht kunnen worden. De voorzitter vraagt aan de raadsvrouw of er sprake is van een schending van het EVRM, indien haar cliënt een vechtpartij zou beginnen en vervolgens een klap terugkrijgt.

De voorzitter zegt dat de feiten en de omstandigheden van het geval namelijk niet bekend zijn. De raadsvrouw reageert als volgt: Dat is een goede vraag. Indien we kijken naar de detentie in Nederland, dan grijpt een PIW-er altijd in. In z’n algemeenheid wordt er in Servië niet ingegrepen. De situatie dat mensen elkaar volledig de vernieling in helpen wordt dan in stand gehouden. Mijn cliënt heeft in [D] in detentie gezeten, maar daarover is geen rapport geschreven. Het is altijd heel ingewikkeld om te kunnen onderbouwen dat de detentieomstandigheden daar beneden de maat zijn geweest.

In alle zaken wordt er over Servië veel geschreven en elke keer is het opnieuw fout. In heel het land is het overvol. Dan is er voor ons een verplichting om uit te zoeken hoe het daar toen was. Ik heb een advocaat van mijn cliënt in Servië ingeschakeld om een legal opinion in te zetten. Op het moment dat die advocaat dat gaat doen, dan krijgt hij in Servië een represaille omdat hij het systeem daar ondermijnt. Vaak wordt er aan het Openbaar Ministerie de opdracht gegeven om aanvullende informatie op te vragen alvorens de rechtbank een beslissing geeft.

Ik heb verder geen objectieve stukken. Op nadere vragen van de officier van justitie antwoordt de raadsvrouw: Met betrekking tot de uitspraak van de rechtbank Amsterdam is uitlevering geweigerd op grond van een tekort aan personal space. De zaak is op grond van die problematiek aangehouden. Volgens de rechtbank was er sprake van een mensenrechtenschending en daarbij heeft de betreffende persoon ook nog geprobeerd aan te tonen dat hij in de gevangenissen is gemarteld. De rechtbank is echter uitgegaan van de personal space. […] Het wordt cliënt verweten dat hij vandaag niks heeft gezegd, maar hij wil daar zelf zeker wel wat over vertellen.

Zelfs als het uitgangspunt betreft de wederzijdse erkenning en het onderlinge vertrouwen, dan is rechtbank Amsterdam de eerste rechtbank die navraag doet bij de buitenlandse autoriteiten. Ze willen zeker weten dat ze niet mee doen aan een mensenrechtenschending. In de aangehaalde zaak lag de focus op personal space. Het gaat mij te ver dat het Openbaar Ministerie daar overheen stapt. We moeten het wel zeker weten. De opgeëiste persoon krijgt het laatste woord en zegt: Degene die in Servië heeft gewoond, weet hoe de strijd daar is. De laatste keer detentie was drie maanden.

Ik kan het niet bewijzen met een document. Ik ben zonder reden in een isolatiecel gezet. Daar heb ik over geklaagd, maar daar is niets mee gedaan. Uiteindelijk ben ik naar een andere kamer verplaatst. Toen ik werd verplaatst, zat ik met negen mensen in een ruimte van nog geen zeven vierkante meter. Er was geen daglicht en er zaten geen ramen. Ik ben door mensen op straat aangevallen. Ik heb een hersenbloeding gehad. Ik kan niet normaal functioneren in een normale setting, laat staan in een cel. Ik ben nog steeds aan het herstellen van het letsel.

Dat zou iedere specialist kunnen bevestigen. Als ik word uitgeleverd aan Servië is het de vraag of ik überhaupt schuldig ben aan het tenlastegelegde feit. Ik heb eigenlijk niks te maken met al deze vonnissen. Ik ben onschuldig. Ik woon al negen jaar in Nederland. Ik heb hier laten zien wat voor een persoon ik ben. Mensen hebben mij geprobeerd op straat te vermoorden, laat staan wat er in een gevangenis kan gebeuren. Ik vraag om hulp. Ik wil gerechtigheid. Ik ben op alles voorbereid. Ik zou hier wel tien jaar vrijwillig in de gevangenis willen zitten, maar ik wil niet daarheen.

Ik weet wat mij daar te wachten staat.” 6. De rechtbank heeft het door de verdediging aangevoerde in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en beoordeeld: “2.2 Het standpunt van de opgeëiste persoon De raadsvrouw heeft namens de opgeëiste persoon primair verzocht de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren wegens een voltooide schending van fundamentele rechten in de zin van artikel 3 EVRM. Zij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van een strong presumption dat sprake is van een voltooide schending van artikel 3 EVRM, nu alle gevangenissen in 2011 en 2016 ernstig overbevolkt zijn geweest en gedetineerden als gevolg daarvan te weinig personal space hadden en gevaar liepen mishandeld te worden.

Dit blijkt uit de rapporten van het CPT. Dat deze omstandigheden de opgeëiste persoon hebben geraakt, blijkt uit het feit dat de opgeëiste persoon stelt dat hij van januari tot en met mei 2013 in Servië (in [D] ) in voorarrest heeft gezeten. Daarmee leed hij onder de overbevolking en het gebrek aan voldoende faciliteiten. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de zaak aan te houden om aanvullende informatie in te winnen over de opgeëiste persoon en (de omstandigheden van) zijn voorarrest in Servië, zodat een oordeel kan worden gegeven over de voltooide schending van artikel 3 EVRM. […] 3.8 ( Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten In beginsel dient bij uitleveringszaken bij de beoordeling te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vgl. Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) is het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 EVRM voorbehouden aan de Minister. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.

De rechtbank volgt het verweer van de raadsvrouw, dat sprake is van een voltooide schending van artikel 3 EVRM, niet. Er zijn geen concrete, de opgeëiste persoon betreffende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij, toen hij in een Servische penitentiaire inrichting in voorarrest verbleef, het slachtoffer is geweest van een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Het namens de opgeëiste persoon gedane beroep op schending van artikel 3 EVRM kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden om aanvullende informatie in te winnen over de opgeëiste persoon, omdat het verzoek van de raadsvrouw daartoe onvoldoende is onderbouwd.” 7. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de rechtbank door te overwegen dat zij “geen aanleiding [ziet] om de zaak aan te houden om aanvullende informatie in te winnen over de opgeëiste persoon, omdat het verzoek van de raadsvrouw daartoe onvoldoende is onderbouwd” ontoereikend dan wel onbegrijpelijk op het aanhoudingsverzoek heeft gerespondeerd, althans onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom zij van oordeel is dat het aanhoudingsverzoek onvoldoende is onderbouwd.

Daartoe wordt door de stellers van het middel in de kern aangevoerd dat het aanhoudingsverzoek wel degelijk voldoende is onderbouwd. De raadsvrouw heeft immers onder verwijzing naar CPT-rapporten betoogd dat aanwijzingen bestaan dat tijdens het voorarrest van de opgeëiste persoon in 2013 sprake was van een voltooide schending van art. 3 EVRM en dat aanhouding van de zaak nodig is om aanvullende informatie in te winnen over de detentie van de opgeëiste persoon in 2013. Niet valt in te zien waaruit een verdere onderbouwing van het aanhoudingsverzoek zou moeten bestaan, aldus de stellers van het middel.

Daarnaast heeft de verdediging nauwgezet naar voren gebracht welke vragen aan de Servische autoriteiten zouden moeten worden gesteld.

8. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende vooropgesteld worden. Art. 29 lid 1 Uitleveringswet verklaart onder meer art. 281 Sv en art. 328 tot en met 331 Sv van overeenkomstige toepassing. Dat brengt met zich dat door de opgeëiste persoon of diens gemachtigde raadsman een verzoek kan worden gedaan tot aanhouding van de behandeling van het verzoek tot uitlevering. De rechter beveelt de schorsing van de behandeling indien het belang van het onderzoek dat vordert. Bij de beoordeling van een verzoek tot aanhouding van de behandeling van een uitleveringsverzoek dient niet te worden uitgegaan van het beoordelingskader ten aanzien van de toepassing van art. 281 Sv, zoals dat door de Hoge Raad is uiteengezet in zijn arrest van 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934.

9. In de onderhavige zaak strekte het aanhoudingsverzoek ertoe aanvullende informatie in te winnen bij de Servische autoriteiten om te kunnen bepalen of sprake is van een voltooide schending van art. 3 EVRM. In zijn overzichtsarrest van 21 maart 2017 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen met betrekking tot de beoordeling van verweren over mensenrechtenschendingen in uitleveringszaken: “3.5. Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken - gelet op het systeem van de Uitleveringswet (hierna: UW), zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet - het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen.

Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.” 10. Uit voornoemd arrest van 21 maart 2017 volgt dat de uitleveringsrechter de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren wanneer vast komt te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten.

Wanneer door de opgeëiste persoon gemotiveerd is aangevoerd dat sprake is van een voltooide schending van art. 3 EVRM moet de rechter de aannemelijkheid van een dergelijke stelling onderzoeken. Hieruit vloeit voort dat het criterium dat de rechter moet aanleggen bij het beantwoorden van de vraag of nader onderzoek gedaan moet worden naar een mogelijke voltooide schending van art. 3 EVRM inhoudt of door de opgeëiste persoon gemotiveerd is aangevoerd dat sprake is van een schending van art. 3 EVRM. In het kader van een civiele zaak heeft de Hoge Raad deze maatstaf zo omschreven dat wanneer de stelling dat de opgeëiste persoon is gefolterd “voldoende klemmend en aannemelijk” is, de Staat nader onderzoek moet doen naar de juistheid van die stelling.

11. Dit doet de vraag rijzen wanneer gemotiveerd is aangevoerd dat sprake is van een voltooide schending van art. 3 EVRM.

12. In het arrest van 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, oordeelde de Hoge Raad dat gemotiveerd was aangevoerd dat de opgeëiste persoon was gefolterd door politiefunctionarissen. In deze zaak had de verdediging het volgende naar voren gebracht: - een rapport van een forensisch arts van het Turkse ministerie van justitie waarin stond vermeld dat bij de opgeëiste persoon na diens verblijf in het bureau van de narcoticabrigade verwondingen waren geconstateerd, - de omstandigheid dat de desbetreffende politiefunctionarissen wegens een klacht van de opgeëiste persoon dienaangaande waren vervolgd (en vrijgesproken) van tenlastegelegde marteling, en - een openbare verklaring van het Comité inzake de voorkoming van Foltering van de Raad van Europa (hierna: CPT) die inhield dat “the practice of torture and other forms of severe ill-treatment of persons in police custody remains widespread in Turkey”.

13. Een voorbeeld van een zaak waarin het aangevoerde niet voldoende gemotiveerd was om de zaak aan te houden ten behoeve van het doen van nader onderzoek is HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0875. In deze zaak had de raadsvrouw van de opgeëiste persoon subsidiair verzocht om aanhouding teneinde nader onderzoek te laten doen naar de mensenrechtensituatie in Moldavië, aangezien de opgeëiste persoon in Moldavië zou zijn onderworpen aan martelingen. De rechtbank achtte de stelling van de raadsvrouw dat sprake was van een voltooide schending van art. 3 EVRM onvoldoende onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank, dat volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk was, luidde: “3.2. […] Weliswaar is door de raadsvrouw gesteld dat er sprake is geweest van een dergelijke behandeling maar op geen enkele wijze anders dan door die stelling en de in algemene zin door de opgeëiste persoon beschreven omstandigheden is zulks aannemelijk geworden. Uit de stukken blijkt niet van enige behandeling in vorenbedoelde zin, noch is (bijvoorbeeld) door middel van informatie uit de kring van personen rond de opgeëiste persoon dan wel raadslieden die hem (kennelijk) hebben bijgestaan dan wel anderszins dergelijke informatie beschikbaar gekomen.

Er zijn geen data, noch plaatsen noch personen of functionarissen genoemd die daarbij betrokken zouden zijn. De stelling van de raadsvrouw dat het buitengewoon moeizaam zo niet onmogelijk is dergelijke informatie te verkrijgen en de toenmalig raadsman niet kon worden bereikt maakt niet - los van de omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat daadwerkelijk activiteiten zijn ondernomen om die informatie te vergaren - dat de enkele stelling voldoende is de uitlevering (reeds) daarom ontoelaatbaar te achten.

14. Verder wijs ik op HR 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2323, waarin de Hoge Raad het niet onbegrijpelijk achtte dat de rechtbank oordeelde dat niet was gebleken dat in Servië reeds een inbreuk op art. 3 EVRM had plaatsgevonden, nu geen concrete, de opgeëiste persoon betreffende omstandigheden waren aangevoerd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon het slachtoffer is geweest van een behandeling als bedoeld in art. 3 EVRM. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat de verweren niet waren gestaafd met bescheiden die de opgeëiste persoon zelf betreffen.

15. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank ten aanzien van de gestelde voltooide schending van art. 3 EVRM geoordeeld dat “geen concrete, de opgeëiste persoon betreffende feiten en omstandigheden [zijn] aangevoerd waaruit blijkt dat hij, toen hij in een Servische penitentiaire inrichting in voorarrest verbleef, het slachtoffer is geweest van een behandeling als bedoeld in art. 3 EVRM.” Dit oordeel is in cassatie niet bestreden. Vervolgens heeft de rechtbank het subsidiaire verzoek tot aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek ten behoeve van het doen van nader onderzoek naar een voltooide schending van art. 3 EVRM afgewezen op de grond dat zij daartoe geen aanleiding ziet, omdat het verzoek onvoldoende is onderbouwd.

Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat hetgeen door de verdediging is aangevoerd ter onderbouwing van het aanhoudingsverzoek niet is gestaafd met stukken die betrekking hebben op de opgeëiste persoon zelf. Dat de verdediging nauwgezet heeft aangegeven welke vragen aan de Servische autoriteiten gesteld zouden moeten worden, maakt dit niet anders. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft onder verwijzing naar rapportages van het CPT gewezen op de slechte detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichtingen in Servië, maar blijkens het proces-verbaal van de zitting van 10 mei 2022 is tevens door de raadsvrouw naar voren gebracht dat de penitentiaire inrichting waar de opgeëiste persoon in 2013 in voorarrest heeft gezeten, te weten in [D] , niet door het CPT is onderzocht.

Slotsom 16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Met weglating van voetnoten. Onderstreepte, vetgedrukte en gecursiveerde tekst als in het origineel. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1588, r.o. 2.3 en 2.4. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.5. Vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533, m.nt. T.M.C.J. Schalken, r.o. 5.5.3; HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5215, NJ 2000/540, m.nt. T.M.C.J. Schalken, r.o. 4.3 en HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0875, r.o. 3.3.

HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533, m.nt. T.M.C.J. Schalken, r.o. 5.4 en 5.6. Vgl. ECLI:NL:PHR:2017:913, onder 6.16. HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, NJ 2016/14, m.nt. A.H. Klip, r.o. 3.4.7. HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0875, r.o. 3.2 en 3.4. HR 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2323, NJ 2018/93, m.nt. N. Rozemond, r.o. 2.4.1. In het licht hiervan valt dan ook niet in te zien wat de noodzaak is van de eerste vraag aan de Servische autoriteiten waartoe het aanhoudingsverzoek blijkens de pleitnota strekte, namelijk in welke detentie instelling de opgeëiste persoon heeft gezeten van januari 2013 t/m mei 2013.