Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2023:22 ECLI:NL:PHR:2023:22 AI generated

ECLI:NL:PHR:2023:22 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2023:22
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/03404 Zitting 6 januari 2023 CONCLUSIE G. Snijders In de zaak [eiser], eiser tot cassatie, verweerder in het incident, advocaten: B.T.M. van der Wiel en T. van Tatenhove tegen Stichting Staedion, verweerster in cassatie, eiseres in het incident, advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Heering Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] respectievelijk Staedion. 1Inleiding Staedion vordert in dit incident op grond van art. 414 (jo art. 224) Rv dat [eiser] wordt bevolen om zekerheid te stellen voor de proceskosten in cassatie. [eiser] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. 2Geschil in de hoofdzaak en procesverloop voor zover van belang 2.1 De procedure betreft een geschil tussen partijen met betrekking tot de koop van een perceel grond.

Legislator headnote

AI generated

art. 224 Rv, art. 224 lid 1 Rv, art. 224 lid 2 Rv, art. 414 Rv, Art. 224 lid 5 Rv, art. 6:51 lid 2 BW; ECLI:NL:PHR:2023:22 · Parket bij de Hoge Raad: Over deze wens behoeft in dit incident niet te worden beslist. Art. 224 lid 5 Rv houdt slechts in dat de uitspraak waarbij het stellen van zekerheid wordt bevolen, de som uitdrukt tot beloop waarvan de zekerheid moet worden verstrekt. Het is aan de veroordeelde om te bepalen hoe hij zekerheid stelt. Te dien aanzien gelden slechts de eisen van art. 6:51 lid 2 BW, te weten dat de aangeboden zekerheid ‘behoorlijke dekking’ moet vormen voor hetgeen verschuldigd zal zijn, en dat de schuldeiser daarop ‘zonder moeite verhaal’ moet kunnen nemen. 3.8 De rechter kan op de vraag of bepaalde zekerheid voldoet, eventueel wel al ingaan bij het bevel tot het stellen daarvan.

Keywords

AI generated
art. 224 Rv art. 224 lid 1 Rv art. 224 lid 2 Rv art. 414 Rv Art. 224 lid 5 Rv art. 6:51 lid 2 BW

Cited Legislation

AI generated
art. 224 Rv
Staedion heeft in hoger beroep een incidentele vordering ingesteld op grond van art. 224 Rv tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten in hoger beroep.
art. 224 lid 1 Rv
Het heeft daarbij verwezen naar het feit dat [eiser] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft als bedoeld in art. 224 lid 1 Rv, want in Singapore woont.
art. 224 lid 2 Rv
Het heeft geoordeeld dat geen van de uitzonderingen genoemd in art. 224 lid 2 Rv zich voordoet (rov.
art. 414 Rv
224 Rv, welk artikel in art. 414 Rv ook van toepassing wordt verklaard in cassatie.
Art. 224 lid 5 Rv
Art. 224 lid 5 Rv houdt slechts in dat de uitspraak waarbij het stellen van zekerheid wordt bevolen, de som uitdrukt tot beloop waarvan de zekerheid moet worden verstrekt.
art. 6:51 lid 2 BW
Te dien aanzien gelden slechts de eisen van art. 6:51 lid 2 BW, te weten dat de aangeboden zekerheid ‘behoorlijke dekking’ moet vormen voor hetgeen verschuldigd zal zijn, en dat de schuldeiser daarop ‘zonder moeite verhaal’ moet kunnen nemen.
Art. 616 Rv
Art. 616 Rv is ook van toepassing te achten op de zekerheid bedoeld in de art.
art. 616 lid 4 Rv
616 lid 3, aanhef en onder a, Rv), en met ook de mogelijkheid van termijnverlenging (art. 616 lid 4 Rv).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBROT:2020:1573
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/529878 / HA ZA 17-629 Vonnis van 19 februari 2020 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PROJECTONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ MUERMANS B.V., gevestigd te Roermond, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. A.P. Macro te Amsterdam, tegen de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid STAEDION, gevestigd te Den Haag, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. C.J.J.C. Arnouts te Amsterdam. Partijen zullen hierna Muermans en Staedion genoemd worden. 1De procedure 1.1.
ECLI:NL:GHDHA:2021:989
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.281.618/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/529878 / HA ZA 17-629 arrest van 15 juni 2021 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. A.P. Macro te Amsterdam, tegen Stichting Staedion, gevestigd te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: Staedion, advocaat: mr. C.J.J.C. Arnouts te Amsterdam. Het geding 1.1 Voor het verloop van het geding verwijst het hof naar het arrest van 3 november 2020 in het incident tot afgifte van, althans inzage in, de Raamovereenkomst en de Beëindigingsovereenkomst.
ECLI:NL:GHDHA:2022:934
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer hof : 200.281.618/01Zaaknummer rechtbank : C/10/529878 / HA ZA 17-629 Arrest van 14 juni 2022 in de zaak van [appellant] , wonend in [woonplaats], appellant, advocaat: mr. A.P. Macro, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen Stichting Staedion, gevestigd in Den Haag, verweerster, advocaat: mr. C.J.J.C. Arnouts, kantoorhoudend in Amsterdam. Het hof zal partijen hierna [appellant] en Staedion noemen. 1De zaak in het kort 1.1 Deze zaak gaat over het volgende. Projectontwikkelingsmaatschappij [naam b.v.] heeft in 2007 een perceel grond in Den Haag verkocht en geleverd aan Staedion.
ECLI:NL:GHAMS:2017:4172
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, Team I zaaknummer : 200.205.710/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 587083 / HA ZA 15-486 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 oktober 2017 inzake KIM HENG MARINE & OILFIELD PTE LTD, gevestigd te Singapore, appellante in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. R.P. van Campen te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verzoeker in het incident, advocaat: mr. R. de Bree te ‘s-Gravenhage. Partijen worden hierna ook Kim Heng en [geïntimeerde] genoemd.
ECLI:NL:RBGEL:2020:3930
vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zutphen zaaknummer / rolnummer: C/05/370336 / [HZ ZA 20/211] Vonnis in incident van 5 augustus 2020 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] (Duitsland), eiser in conventie in de hoofdzaak, verweerder in reconventie in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat mr. S.G. Francovich te Amsterdam, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EMS AMBULANCE B.V., gevestigd te Winterswijk, gedaagde in conventie in de hoofdzaak, eiseres in reconventie in de hoofdzaak, eiseres in het incident, 2. [gedaagde 2] wonende te [woonplaats 2] , gedaagde in conventie in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat mr.
ECLI:NL:RBROT:2016:230
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel zaaknummer / rolnummer: C/10/482249 HAZA 15-835 Vonnis in incident van 6 januari 2016 in de zaak van 1.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/03404 Zitting 6 januari 2023 CONCLUSIE G. Snijders In de zaak [eiser], eiser tot cassatie, verweerder in het incident, advocaten: B.T.M. van der Wiel en T. van Tatenhove tegen Stichting Staedion, verweerster in cassatie, eiseres in het incident, advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Heering Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] respectievelijk Staedion. 1Inleiding Staedion vordert in dit incident op grond van art. 414 (jo art. 224) Rv dat [eiser] wordt bevolen om zekerheid te stellen voor de proceskosten in cassatie. [eiser] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. 2Geschil in de hoofdzaak en procesverloop voor zover van belang 2.1 De procedure betreft een geschil tussen partijen met betrekking tot de koop van een perceel grond.

In eerste aanleg was eiser [A] B.V., een Nederlandse vennootschap, die diverse bedragen van Staedion vorderde (in totaal in hoofdsom € 4.750.000,-). Bij vonnis van 19 februari 2020 heeft de rechtbank deze vorderingen afgewezen. 2.2 Als rechtsopvolger onder bijzondere titel heeft [eiser] hoger beroep van dit vonnis ingesteld. Staedion heeft in hoger beroep een incidentele vordering ingesteld op grond van art. 224 Rv tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten in hoger beroep. Die vordering heeft het hof bij arrest van 15 juni 2021 toegewezen.

Het heeft daarbij verwezen naar het feit dat [eiser] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft als bedoeld in art. 224 lid 1 Rv, want in Singapore woont. Het heeft geoordeeld dat geen van de uitzonderingen genoemd in art. 224 lid 2 Rv zich voordoet (rov. 2.1 en 2.2). 2.3 Bij arrest van 14 juni 2022 heeft het hof in de hoofdzaak het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. 2.4 [eiser] heeft tijdig cassatieberoep tegen het arrest van het hof ingesteld. 2.5 Op 18 november 2022 heeft Staedion de onderhavige incidentele vordering ingesteld, in en tegelijk met haar verweerschrift in de hoofdzaak.

Op 16 december 2022 heeft [eiser] in het incident een verweerschrift tot referte ingediend. 2.6 In de hoofdzaak zijn de schriftelijke toelichtingen bepaald op 24 maart 2023. 3Bespreking incidentele vordering 3.1 Niet in geschil is dat [eiser] in Singapore woont en dus ‘zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland’ is als bedoeld in het eerste lid van art. 224 Rv, welk artikel in art. 414 Rv ook van toepassing wordt verklaard in cassatie. Vaststaat dat hij (rechtsopvolger van) oorspronkelijk eiser is en dat op grond van de art. 224 en 414 Rv dus zekerheidsstelling voor de proceskosten tegen hem gevorderd kan worden. 3.2 Zie ik het goed, dan bestaat tussen Nederland en Singapore geen verdrag dat meebrengt dat geen zekerheidsstelling voor de proceskosten kan worden bevolen tegen ingezetenen van Singapore.

Partijen voeren ook niet aan dat zo’n verdrag bestaat. Staedion wijst op rechtspraak waarin is aangenomen dat zo’n verdrag niet bestaat. Een van de uitzonderingen van art. 224 lid 2, aanhef en onder a of b, Rv doet zich dus niet voor. Gesteld noch gebleken is dat een van de andere uitzonderingen van art. 224 lid 2 Rv zich voordoet. De vordering is dus toewijsbaar. 3.3 Staedion wijst erop dat [eiser] de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep niet volledig heeft voldaan, namelijk niet voor zover deze de door het hof bevolen zekerheidsstelling te boven gaan.

Ik merk daarom volledigheidshalve op dat geen zekerheidsstelling kan worden gevorderd voor niet-betaalde kosten van vorige instanties. Die zekerheidsstelling vordert Staedion dan ook niet. 3.4 Wel vordert Staedion zekerheidsstelling voor het griffierecht dat zij in cassatie heeft voldaan – zijnde een bedrag van € 7.115,-, naar zij stelt en naar de griffie van de Hoge Raad mij heeft bevestigd –, de te verwachten kostenveroordeling voor salaris advocaat in de hoofdzaak in cassatie – het reguliere bedrag van € 2.200,- in geval van een verwerping van het cassatieberoep in een vorderingszaak (zie het liquidatietarief van de Hoge Raad op diens website) – de te verwachten kostenveroordeling voor salaris advocaat in dit incident – volgens haar € 800,-, hetgeen inderdaad het hiervoor gebruikelijke bedrag is (zie opnieuw genoemd liquidatietarief) – en de nakosten – € 157,- volgens haar.

Dit zijn allemaal kosten die onder art. 224 lid 1 Rv vallen en waarover de zekerheidsstelling zich dus kan uitstrekken. 3.5 Hoewel [eiser] zich in dit incident heeft gerefereerd, bestaat m.i. geen grond om van een kostenveroordeling in het incident af te zien. [eiser] heeft immers niet aangevoerd dat Staedion dit incident onnodig is begonnen, omdat [eiser] ook zonder beslissing van de Hoge Raad bereid was om de verlangde zekerheid te stellen. Dat zo zijnde is een veroordeling van [eiser] in de kosten van dit incident op zijn plaats. 3.6 Het voorgaande betekent dat de gevorderde zekerheidsstelling, ten bedrage van € 10.272,- (het totaal van de hiervoor in 3.4 genoemde bedragen), toewijsbaar is. 3.7 Staedion heeft aangevoerd zekerheid te wensen in de vorm van een storting op de derdengeldenrekening van het kantoor van de cassatieadvocaten van [eiser].

Over deze wens behoeft in dit incident niet te worden beslist. Art. 224 lid 5 Rv houdt slechts in dat de uitspraak waarbij het stellen van zekerheid wordt bevolen, de som uitdrukt tot beloop waarvan de zekerheid moet worden verstrekt. Het is aan de veroordeelde om te bepalen hoe hij zekerheid stelt. Te dien aanzien gelden slechts de eisen van art. 6:51 lid 2 BW, te weten dat de aangeboden zekerheid ‘behoorlijke dekking’ moet vormen voor hetgeen verschuldigd zal zijn, en dat de schuldeiser daarop ‘zonder moeite verhaal’ moet kunnen nemen. 3.8 De rechter kan op de vraag of bepaalde zekerheid voldoet, eventueel wel al ingaan bij het bevel tot het stellen daarvan.

Daarom merk ik op dat storting op de derdengeldenrekening van de eigen advocaat in beginsel voldoende kan worden geacht. Dat is ook wat [eiser] in zijn verweerschrift tot referte heeft aangeboden. Staedion heeft niet aangevoerd dat deze vorm van zekerheid in dit geval niet aan genoemde eisen van art. 6:51 lid 2 BW voldoet. 3.9 Staedion verlangt mede dat [eiser] wordt bevolen om aanvullende zekerheid te stellen voor het geval dat blijkt dat de zekerheid die op grond van het in dit incident te wijzen arrest moet worden gesteld, niet voldoende is. Voor deze veroordeling zie ik in dit geval geen grond, nu Staedion niet heeft toegelicht dat en waarom het hiervoor in 3.6 genoemde bedrag mogelijk te laag zal zijn en dat zonder die toelichting niet onmiddellijk valt in te zien.

Staedion heeft op dit punt niets aangevoerd. Zij heeft zelfs geen bedrag voor deze aanvullende zekerheid genoemd, zodat het ook niet goed mogelijk is om te voldoen aan het genoemde voorschrift van art. 224 lid 5 Rv, dat de uitspraak waarbij het stellen van zekerheid wordt bevolen, de som vermeldt waarvoor zekerheid moet worden gesteld. Dit onderdeel van de vordering is dus onvoldoende onderbouwd. 3.10 Staedion verlangt tot slot, naar ik begrijp, dat een termijn wordt gesteld waarbinnen de zekerheid moet zijn gesteld op straffe van niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn cassatieberoep.

Dit verlangen valt wel in te willigen. Uit de aard van het in de art. 224 en 414 Rv bepaalde volgt dat oorspronkelijk eiser niet-ontvankelijk is in zijn beroep als (en zolang, ben ik geneigd eraan toe te voegen) hij geen zekerheid stelt. Art. 224 Rv geeft echter niet de mogelijkheid om een (fatale) termijn te stellen voor het verstrekken van de zekerheid. Art. 616 Rv, dat het stellen van processuele zekerheid in het algemeen regelt, geeft die mogelijkheid wel (in lid 3), met de mogelijkheid te bepalen dat de zekerheid binnen de gestelde termijn moet zijn gesteld of aangeboden ‘op straffe van verval van de bevoegdheid met het oog op welker uitoefening de zekerheidstelling is bevolen’ (art. 616 lid 3, aanhef en onder a, Rv), en met ook de mogelijkheid van termijnverlenging (art. 616 lid 4 Rv).

Art. 616 Rv is ook van toepassing te achten op de zekerheid bedoeld in de art. 224 en 414 Rv. In de rechtspraak van de Hoge Raad op art. 414 Rv wordt art. 616 lid 3 Rv dan ook toegepast. Aan het bevel valt dan ook een termijn te verbinden met genoemde sanctie. 4Conclusie De conclusie strekt tot het bevelen van het stellen van zekerheid voor de proceskosten van de cassatieprocedure door [eiser] voor een bedrag van € 10.272,- binnen twee weken na de datum van het arrest in het incident en tot veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident, onder afwijzing van het meer of anders door Staedion gevorderde.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, A-G Rechtbank Rotterdam 19 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:1573. Gerechtshof Den Haag 15 juni 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:989. Gerechtshof Den Haag 14 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:934. De procesinleiding is op 14 september 2022 ingediend bij de Hoge Raad. Voetnoot 1 van haar incidentele conclusie, waar worden vermeld Hof Amsterdam 10 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4172, rov. 2.1-2.3, Rb. Gelderland 6 augustus 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:3930, rov. 2.2, en Rb. Rotterdam 6 januari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:230, rov. 2.3.

In de verdragenbank vond ik geen verdrag die mogelijk een relevante bepaling op dit punt bevat. Incidentele vordering onder 3 en 5, onder verwijzing naar bij het verweerschrift overgelegde correspondentie daarover. Zie HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:651, NJ 2021/166, rov. 3.2.3. Dit is het standaardbedrag voor nakosten van het liquidatietarief voor rechtbanken en gerechtshoven, zoals dat gold tot 1 februari 2021. Zie wat de kosten van dit incident betreft HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:651, NJ 2021/166, rov. 3.2.2. Dat ook zonder beslissing ex art. 224 Rv zekerheid voor de proceskosten kan worden gesteld, blijkt uit HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:408, rov. 4.4.

Zie uitdrukkelijk HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1607, NJ 2019/411, rov. 3.3.6. Zie voorts HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1181, rov. 3.3, en HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1740, rov. 3.2.2 en 3.2.3, alsmede GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 224 Rv, aant. 11 (G. Snijders). Zie genoemd HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1740, rov. 3.2.2. Vgl. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:408, rov. 4.4, waarin het ging om een betalingstoezegging van die advocaat, en HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1181, rov. 3.5, m.b.t. een depotstorting op de kwaliteitsrekening van een notaris.

HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1740, rov. 3.2.3, liet het oordeel over de vraag of deze zekerheid in het geval van die zaak voldeed, over aan de verwijzingsrechter. Zie het petitum onder b van de incidentele vordering. Het petitum onder a van de incidentele vordering. Als gezegd heeft art. 616 Rv een algemene strekking. Zie de op die bepaling gegeven toelichting, Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 276, waarin onder meer de zekerheid ex de art. 233 en 235 Rv wordt genoemd, die verwant is aan die van art. 224 Rv. Art. 616 Rv valt dan ook mede op laatstgenoemde zekerheid te betrekken.

Vgl. ook GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 224 Rv, aant. 12 (G. Snijders). Zie (impliciet) HR 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:36.