Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2023:1085 ECLI:NL:PHR:2023:1085 AI generated

ECLI:NL:PHR:2023:1085 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2023:1085
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/00363 Zitting 12 december 2023 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 20 januari 2022 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “eenvoudig witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 56 Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:PHR:2023:1085 · Parket bij de Hoge Raad: Gelet op deze algemene verklaring, ziet het hof hierin geen verificatie of ondersteuning van de verklaring van de verdachte dat het (in een broekzak in een koffer) aangetroffen geld een legale herkomst had. Gelet op de eenvoudige kasopstelling concludeert het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van € 7.139,02 uit enig eigen misdrijf afkomstig is. Het hof vindt dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig witwassen, door een bedrag van € 7.139,02 voorhanden te hebben.” 2.7 In zijn arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 heeft de Hoge Raad over het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420bis e.v.

Keywords

AI generated
artikel 56 Wetboek van Strafvordering

Cited Legislation

AI generated
artikel 56 Wetboek van Strafvordering
Aldaar wordt hij onderworpen aan een insluitingsfouillering en een fouillering op grond van artikel 56 Wetboek van Strafvordering.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2020:532
afdeling strafrecht parketnummer: 23-000729-19 datum uitspraak: 21 februari 2020 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-680006-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1985, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 oktober 2016 tot en met 6 oktober 2016, te Amsterdam en/of te Purmerend en/of te Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een of meer voorwerp(en), te weten een geldbedrag van 10.920,- euro en/of 15.000,- euro de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op een/de voorwerp(en), te weten voornoemde geldbedrag(en) was/waren, en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie een/de voorwerp(en), te weten voornoemde geldbedrag(en), voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; en/of hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 oktober 2016 tot en met 6 oktober 2016, te Amsterdam en/of te Purmerend en/of te Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een geldbedrag van 10.920,- euro en/of 15.000,- euro heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; 2. primairhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 25 januari 2017 te Purmerend, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (totaal ongeveer 26.288,- euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, (op of omstreeks 1 januari 2017) naar de woning van voornoemde [slachtoffer] is gegaan waarna hij, verdachte aan voornoemde [slachtoffer] een brief van het CJIB heeft getoond en/of voornoemde [slachtoffer] heeft medegedeeld dat hij, verdachte een bedrag van meer dan 25000,- euro aan het CJIB heeft moeten betalen en/of dat hij, voornoemde [slachtoffer] dit bedrag aan hem, verdachte zou moeten (terug)betalen en/of (daarbij) tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd: "Als je niet gaat betalen, dan gaan we het op een andere manier doen" en/of "Dat hij, verdachte op 25 januari terug zou komen", althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of (op of omstreeks 25 januari 2017) in de omgeving van en/of naar de woning van voornoemde [slachtoffer] is gereden en/of gegaan en/of voor die woning is gaan staan en/of lopen; 2. subsidiairhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 25 januari 2017 te Purmerend, althans in Nederland, ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om een ander, te weten, [slachtoffer], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, te weten voornoemde [slachtoffer] wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten door voornoemde [slachtoffer] te bewegen aan hem, verdachte een geldbedrag (van totaal ongeveer 26.288,- euro) (terug) te betalen door (op of omstreeks 1 januari 2017) naar de woning van voornoemde [slachtoffer] te gaan waarna hij, verdachte aan voornoemde [slachtoffer] een brief van het CJIB heeft getoond en/of voornoemde [slachtoffer] heeft medegedeeld dat hij, verdachte een bedrag van meer dan 25000,- euro aan het CJIB heeft moeten betalen en/of dat hij, voornoemde [slachtoffer] dit bedrag aan hem, verdachte zou moeten (terug)betalen en/of (daarbij) tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd: "Als je niet gaat betalen, dan gaan we het op een andere manier doen" en/of "Dat hij, verdachte op 25 januari terug zou komen", althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of (op of omstreeks 25 januari 2017) in de omgeving van en/of naar de woning van voornoemde [slachtoffer] te rijden en/of te gaan en/of voor die woning te gaan staan en/of lopen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Partiële vrijspraak feit 1 Met de rechtbank – en zoals door de advocaat-generaal gevorderd en door de raadsman bepleit – acht het hof niet bewezen dat de verdachte de beschikkingsmacht heeft gehad over het bedrag van € 15.000,-. De verdachte zal dan ook voor het witwassen van dit bedrag worden vrijgesproken. Vrijspraak van feit 2 primair Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van poging tot afpersing onder meer is vereist dat geprobeerd wordt iemand door middel van geweld of bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van enig goed. Het hof is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte geprobeerd heeft met geweld of bedreiging met geweld aangever [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van geld, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 primair ten laste gelegde. Bewijsoverwegingen Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde witwassen, nu de verdachte (ook) niet de beschikkingsmacht heeft gehad over het bedrag ad € 10.920,-, omdat hij op de dag van de stortingen in detentie zat en niet als heer en meester over zijn bankrekening heeft kunnen beschikken. Daar komt bij dat de verdachte geen wetenschap van of betrokkenheid heeft gehad bij het storten van het geldbedrag op zijn rekening, dan wel op de rekening van de Staat. Het hof overweegt en beslist als volgt. De verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij een groot geldbedrag, te weten € 10.920,-, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig was. Nu het dossier geen direct bewijs voor een concreet gronddelict bevat, zal allereerst moeten worden vastgesteld of er in de gegeven omstandigheden sprake is van een duidelijk vermoeden van witwassen. Het hof stelt vast dat de verdachte op 6 oktober 2016 een geldbedrag van € 10.920,- op zijn rekening heeft gehad en dat dit geldbedrag vervolgens is overgemaakt naar het ministerie van Justitie en Veiligheid. De op naam van de verdachte openstaande schadevergoedingsmaatregel is daarmee voldaan en de verdachte is in vrijheid gesteld. Nu de verdachte dit bedrag op zijn bankrekening heeft gehad, heeft hij de feitelijke beschikkingsmacht over het geldbedrag gehad. Dat de verdachte op dat moment in detentie zat doet hier niet aan af. De verdachte heeft in een gedeelte van het jaar 2016 een uitkering ontvangen. In de rest van dat jaar en in de periode daarvoor is geen legaal inkomen van de verdachte bekend. De partner van de verdachte [naam] heeft in de periode 2010 tot en met 2016 enkel inkomen uit een uitkering ontvangen. Evenals de rechtbank acht het hof het gestorte geldbedrag niet in verhouding staan tot de (legale) inkomsten van de verdachte en zijn partner. Daarbij is een feit van algemene bekendheid dat mensen die leven van een uitkering hiervan maar net rond kunnen komen. De oorsprong van het bedrag is onduidelijk en de betaling kan niet worden verklaard. Deze feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat zij het vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Onder deze omstandigheden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag. De verdachte heeft hiervoor geen verklaring afgelegd, anders dan dat hij niet weet hoe het bedrag op zijn rekening is gekomen en waar het bedrag vandaan kwam en dat hij toen in detentie zat en dus zijn rekening niet kon beheren. Het voorgaande brengt met zich dat de verdachte voor het ten laste gelegde bedrag van € 10.920,- geen verklaring heeft afgelegd die de aanwijzingen dat er sprake is van witwassen, ontzenuwt. Het hof is dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist. Door een geldbedrag van € 10.920,- op zijn bankrekening te (laten) storten en over te maken aan de Staat heeft verdachte niet de werkelijke aard en herkomst van het geldbedrag verhult. Verdachte zal worden vrijgesproken van het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er is slechts één bewijsmiddel, namelijk de verklaring van de aangever en derhalve is niet voldaan aan het bewijsminimum zoals bedoeld in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het proces-verbaal van bevindingen van 24 januari 2017 kan niet als bewijs dienen, nu verbalisanten hebben nagelaten de verdachte de cautie te geven wat een onherstelbaar vormverzuim oplevert, aldus de raadsvrouw. Tenslotte stelt de raadsvrouw dat er geen sprake is van een bedreiging zodat het feit niet bewezen kan worden verklaard. De uitlating van de verdachte is feitelijk gezien geen bedreiging en [slachtoffer] voelde zich niet bedreigd. Onvoldoende steunbewijs Het hof kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend aannemen op de verklaring van één getuige, gelet op artikel 342, tweede lid, Sv. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De strekking van artikel 342, tweede lid, Sv dwingt tot bijkomend bewijs uit een van de getuige onafhankelijke bron. Voorts gaat het niet slechts – kwantitatief – om het aantal bronnen van redengevende bewijsgronden, maar ook of de aangifte/verklaring in voldoende mate – kwalitatief – wordt ondersteund door bewijsmateriaal uit (een) andere bron(nen). Anders gezegd, er dient een inhoudelijk verband te bestaan tussen de verklaring van de getuige en het overige gebezigde bewijsmateriaal. Indien een dergelijk verband ontbreekt, zal er ‘onvoldoende steun’ bestaan. De vraag of aan dit bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Naar het oordeel van het hof bevindt zich in het dossier voldoende steunbewijs en het overweegt daartoe als volgt. [slachtoffer] heeft op 1 januari 2017 een melding gedaan bij de politie dat de verdachte hem die dag had opgezocht op het adres van zijn vriendin, waar hij inwoonde. Volgens [slachtoffer] heeft de verdachte hem een brief laten zien waaruit bleek dat de verdachte meer dan € 25.000,- aan het CJIB moest betalen. De verdachte zou tegen [slachtoffer] hebben gezegd: “Als je niet gaat betalen, dan gaan we het op een andere manier doen.” en dat hij op 25 januari 2017 zou terugkomen. [slachtoffer] heeft een foto van deze brief gemaakt en aan de politie gemaild. Op 25 januari 2017 belde [slachtoffer] dat de verdachte bij hem voor de deur stond. Verbalisanten zijn ter plaatse gekomen en hebben de verdachte in de buurt van de woning van [slachtoffer] aangetroffen. Naar het oordeel van het hof is derhalve voldaan aan het bewijsminimum zoals bedoelde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof verwerpt het verweer. De inhoud van het proces-verbaal van 24 januari 2017 wordt door het hof niet gebezigd tot het bewijs. Derhalve kan in het midden blijven of aan dit proces-verbaal gebreken kleven waaraan bewijsrechtelijke consequenties moeten worden verbonden. Dreiging? Volgens vaste jurisprudentie is van een dreiging met een feitelijkheid sprake indien deze het beoogde gevolg kon hebben. Niet is vereist dat de bedreiging met een feitelijkheid in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat er werkelijk vrees is opgewekt en de bedreigde zich in zijn vrijheid belemmerd achtte. Gelet op de aard, de inhoud, de strekking en de indringendheid van de door de verdachte gedane uitlating en het feit dat hij tweemaal [slachtoffer] bij hem thuis heeft opgezocht, terwijl niemand op de hoogte was/kon zijn/zou zijn van het adres van [slachtoffer], is het hof van oordeel dat sprake is van bedreiging in bovenbedoelde zin. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, tweede alternatief/cumulatief en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op 6 oktober 2016 in Nederland een geldbedrag van 10.920,- euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf; 2.subsidiairhij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2017 tot en met 25 januari 2017 te Purmerend, ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om een ander, te weten, [slachtoffer], door bedreiging met enige andere feitelijkheid gericht tegen voornoemde [slachtoffer] wederrechtelijk te dwingen iets te doen, te weten door voornoemde [slachtoffer] te bewegen aan hem, verdachte een geldbedrag (van totaal ongeveer 26.288,- euro) te betalen door op 1 januari 2017 naar de woning van voornoemde [slachtoffer] te gaan waarna hij, verdachte aan voornoemde [slachtoffer] een brief van het CJIB heeft getoond en voornoemde [slachtoffer] heeft medegedeeld dat hij, verdachte een bedrag van meer dan 25000,- euro aan het CJIB heeft moeten betalen en dat hij, voornoemde [slachtoffer] dit bedrag aan hem, verdachte zou moeten (terug)betalen en daarbij tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd: "Als je niet gaat betalen, dan gaan we het op een andere manier doen" en "Dat hij, verdachte op 25 januari terug zou komen", en op 25 januari 2017 naar de woning van voornoemde [slachtoffer] te rijden en voor die woning te gaan staan. Hetgeen onder 1 en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in dit arrest. Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 1. Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep onder de nummers 1, 2 en 3, met dien verstande dat in bewijsmiddel 3 wordt toegevoegd: dat Pereira recht heeft op zorgtoeslag. Dit betrof op jaarbasis in 2015 628 euro en in 2016 416 euro. ten aanzien van feit 2 2. Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep onder de nummers 4, 5 en 6, 7. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: witwassen. Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op: poging tot een ander door bedreiging met een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een bedrag van € 10.920,-. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. De verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk slechts laten leiden door financieel gewin. Daarnaast heeft de verdachte dwang proberen uit te oefenen op [slachtoffer] om hem geld te geven. Dit heeft de verdachte gedaan door een bedreiging te uiten en naar het privé adres van [slachtoffer] te gaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer]. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 63, 284 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, eerste alternatief/cumulatief en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, tweede alternatief/cumulatief en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 tweede alternatief/cumulatief en 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. N.A. Schimmel en mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 februari 2020. Mr. van Die is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
ECLI:NL:HR:2018:2352
18 december 2018 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2020:36
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 18/03396 Datum 14 januari 2020 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 27 juli 2018, nummer 23/004397-17, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998, hierna: de verdachte.
ECLI:NL:HR:2023:40
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/00595 Datum 24 januari 2023 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 februari 2022, nummer 21-001149-18, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de verdachte.
ECLI:NL:PHR:2018:1491
Zie PG Bleichrodt ECLI:NL:PHR:2018:1491, randnr.
ECLI:NL:PHR:2015:1015
39, ECLI:NL:PHR:2015:1015, randnr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/00363 Zitting 12 december 2023 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 20 januari 2022 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “eenvoudig witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel 2.1 Het middel komt op tegen het onder 3. bewezenverklaarde eenvoudig witwassen, voor zover inhoudende dat de verdachte een geldbedrag van in totaal € 7.139,02 voorhanden heeft gehad dat “afkomstig was uit enig eigen misdrijf”. Blijkens de toelichting klaagt het middel in het bijzonder dat het hof bij zijn oordeel dat het in de bewezenverklaring vermelde geldbedrag uit misdrijf afkomstig is “buiten beschouwing [laat] dat door de verdediging (…) is aangevoerd dat het aangetroffen geld deels afkomstig is uit de verkoop van Surinaamse zangvogels en uit collectegeld van de vader van rekwirant”.

In zoverre zou het verweer van de raadsvrouw ontoereikend gemotiveerd zijn verworpen. 2.2 Ten laste van de verdachte is onder 3. bewezenverklaard dat: “hij op 29 december 2020 te Amsterdam, een contant geldbedrag van € 7.139,02 voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat dit voorwerp geheel - onmiddellijk - afkomstig was uit enig eigen misdrijf.” 2.3 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “Ten aanzien van feit 3 19. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2020213515 van 29 december 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina 159].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Na zijn aanhouding wordt [verdachte] overgebracht naar het Cellencomplex Zuidoost. Aldaar wordt hij onderworpen aan een insluitingsfouillering en een fouillering op grond van artikel 56 Wetboek van Strafvordering. Hierbij worden de volgende goederen aangetroffen en in beslag genomen. - 6012298 - Geld - Biljetten - € 1.570, - - 6012299 - Geld - Muntgeld - € 56,65 20. Een proces-verbaal van bevindingen met bijlagen met nummer PL1300-2020213515-64 van 30 december 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 182 tot en met 193].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één van hen): Dienstverrichting Op woensdag 33 december waren wij, verbalisanten, belast met opsporing aan de backoffice van basisteam Oost-Watergraafsmeer. Hier hebben het inbeslaggenomen gelden door het onderzoeksteam gespecificeerd en de kennisgeving van inbeslagname opgemaakt. Wij kregen door dat het geld was aangetroffen in de woning van de verdachte: [verdachte] geboren, op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , wonende [a-straat 1] te [plaats] .

SPECIFICATIE GELDEN Goednummer 6012382 In de waardenzak die was aangetroffen in de ruimte slaapkamer op het bed is de volgende hoeveelheid gelden aangetroffen: 60 biljetten van 50 euro 43 biljetten van 20 euro 20 biljetten van 10 euro 10 biljetten van 5 euro. Totaalbedrag van 4.110 euro. Goednummer 6012338 in de waardenzak die was aangetroffen naast de kast is de volgende hoeveelheid gelden aangetroffen: 65 biljetten van 50 euro Totaalbedrag van 3.250 euro. Goednummer 6012401 in de waardenzak die was aangetroffen stapel naast bed/kast is de volgende hoeveelheid gelden, aangetroffen:

KOPIE 1S2 163 biljetten van: 5 euro 36 biljetten van 20 euro 7 biljetten van 10 euro 3 biljetten van 5 euro. Totaalbedrag van 9.055 euro. Goednummer 1012410 In de waardenzak die was aangetroffen stapel naast bed/kast is de volgende hoeveelheid gelden aangetroffen: 10 biljetten van 100 euro; 171 biljetten van 50 euro 76 biljetten van 20 euro 46 biljetten van 10 euro 35 biljetten van 5 euro. Totaalbedrag van 11.705 euro. Goednummer 6012442 In de waardenzak die was aangetroffen op het bed deel 3 is de volgende hoeveelheid gelden aangetroffen: 151 biljetten van 50 euro 36 biljetten van 20 euro 13 biljetten van 10 euro 2 biljetten van 5 euro.

Totaalbedrag van 8410 euro.

21. Een proces-verbaal van bevindingen inbeslaggenomen muntgeld met nummer 202021.1515 van 5 januari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 248 tot en met 249]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Aanleiding Op 29 december 2020 heeft er een doorzoeking onder leiding van de rechter-commissaris, mr. Van de Water, plaatsgevonden in de woning [a-straat 1] te [plaats] . In de woning zijn twee plastic boodschappentassen vol met muntgeld aangetroffen en in beslag genomen.

Het ging hier in totaal om 25,5 kilogram aan muntgeld. Deze tassen zijn onder de goednummers 6014179 en 6014180 in beslag genomen. Goednummer 6014179 betrof een plastic tas van de supermarkt Albert Heijn en goednummer 6014180 van de supermarkt Lidl. Specificatie muntgeld Op dinsdag 5 januari 2021 is het geld geteld met behulp van een geld telmachine bij de Centrale Kas van de Eenheid Amsterdam. Het geld is geteld onder het toeziend oog van collega [verbalisant 5] en mij, verbalisant. Goednummer Gewicht (kg) Euro 6014179 17,1 € 1641,89 6014180 8,4 € 674,75 In totaal gaat het om E2316,64 verdeelt over twee plastic boodschappentassen.

In de woning is er inclusief het muntgeld een totaalbedrag van € 38.846,64 aangetroffen en in beslag genomen.

22. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL1300- 2020213515-68, van 29 december 2020, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] . Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Inbeslagneming Plaats: [a-straat 1] , [postcode] [plaats] Datum: 29 december 2020 Omstandigheden: Inbeslaggenomen tijdens RC-doorzoeking woning, geld is aangetroffen in de slaapkamer Beslagenen Naam: [verdachte] Geboren: op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] Adres: [a-straat 1] , [postcode] [plaats] Volgnummer 1 Goednummer:

PL1300-2020213 515-6014179 Object: Geld (munten) Hoeveelheid: € 1.641,89 23. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL1300-2020213515-67, van 29 december 2020, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] . Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Inbeslagneming Plaats: [a-straat 1] , [postcode] [plaats] Datum: 29 december 2020 Omstandigheden: Muntgeld aangetroffen in de slaapkamer van de verdachte Beslagenen Naam: [verdachte] Geboren: op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] Adres: [a-straat 1] , [postcode] [plaats] Volgnummer 1 Goednummer:

PL1300-2020213515-6014180 Object: Geld (munten) Hoeveelheid: € 674,75 24. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2020213515 van 19 februari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 3.005 tot en met 3.009]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Om te onderzoeken of de verklaring van [verdachte] aannemelijk is, heb ik, verbalisant [verbalisant 1] , een versimpelde versie van de eenvoudige kasopstelling opgemaakt.

Hierbij heb ik rekening gehouden met zijn hierboven weergegeven verklaring, zijn beschikbare geldstortingen en opnames en het bij hem aangetroffen geld. Zie hieronder de eenvoudige kasopstelling (toelichting volgende pagina) Beginsaldo contant geld € 17.000,00 +/+ Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen € 24.560,00 -/- Eindsaldo contant geld € 40.473,29 Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 1.086,71 -/- Werkelijk contante uitgaven inclusief bankstoring € 8.225,73 Verschil - € 7.139,02 Beginsaldo contant geld (€ 17.000,00) Verdachte verklaart dat hij voor de verkoop van zijn horecaonderneming 6 à 7 jaar geleden € 15.000,- heeft ontvangen en uit zijn toen ter tijd aldaar aanwezige gokkasten zou € 2.000,- hebben gehaald.

Dit resulteert in een bedrag van € 17.000,-. Stel dat hij dit gehele bedrag in de afgelopen 6 à 7 jaar ongeroerd heeft gelaten, dan zou het beginsaldo vastgesteld kunnen worden op dit bedrag van € 17.000,-. Het is een feit van algemene bekendheid dat mensen die leven van een uitkering hiervan vaak net rond kunnen komen. (ECLI:NL:GHAMS:2020:532) Het is derhalve niet aannemelijk dat hij in de afgelopen jaren duizenden euro's (contant) heeft kunnen sparen. Daarnaast verklaart [verdachte] dat hij van de sociale dienst maximaal € 11.000,- op zijn rekening mag hebben en om drie reden zijn geld contant opneemt.

Op 2 december 2018 heeft [verdachte] een bedrag van € 6.322,41 op zijn rekening staan. Het is daarom niet aannemelijk dat hij in het kader van het afromen vlak voor deze datum geld heeft opgenomen. Het beginsaldo wordt op basis van voornoemde gesteld op € 17.000,- . Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen (€ 24.560,00) [verdachte] verklaart de door hem ontvangen uitkering en toeslagen contant op te nemen. In totaal pint hij in deze twee jaar € 24.560,00. Stel dat hij dit geldbedrag in de periode van 2 december 2018 tot en met 30 december 2020 niet uitgegeven zou hebben, maar hebben gespaard dan zou dit gehele bedrag nog in zijn bezit kunnen zijn.

Een uitkering heeft tot doel iemand in zijn of haar eerste levensbehoeften te laten doen voorzien. Dus voor het kopen van eten, drinken, kleding en het betalen van de huur en gas, water en licht. Alhoewel niet aannemelijk, maar stel dat hij dit gehele gepinde bedrag dus nog in zijn bezit zou hebben op de dag van aanhouding dan kunnen de legale contante ontvangsten gesteld worden op € 24.560,00. Eindsaldo contant geld (€ 40.473, 29) Op de dag van aanhouding had verdachte [verdachte] een totaalbedrag van € 40.473,29 aan contant geld voorhanden.

Dit totaalbedrag is opgebouwd uit de volgende bedragen: In de woning (briefgeld): € 36.530,- ln de woning (muntgeld): € 2.316,64 Tijdens fouillering: € 1.626,65 + Totaalbedrag voorhanden: € 40.473,29 Dit bedrag zal als eindsaldo worden meegenomen in eenvoudige kasopstelling. Beschikbaar voor het doen van uitgaven (€ 1.086,71) Het beginsaldo contant geld plus de legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen geeft een bedrag van € 41.560,-. Dit bedrag minus het eindsaldo contant geld geeft een bedrag van € 1.086,71 dat beschikbaar is voor het doen van uitgaven.

Werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen (E 8.225, 73) Het opsporingsonderzoek heeft geen inzicht gegeven in de contante uitgaven van verdachte [verdachte] . Stel dat hij in deze periode geen contant geld zou hebben uitgegeven aan het kopen van boodschappen, kleding of andere producten dan zouden alleen zijn bankstortingen van zijn contante vermogen af zijn gegaan. Dit bedrag kan op basis van zijn historische transactiegegevens worden vastgesteld op € 8.225,73. Verschil (- € 7.139,02) Dit betekent dat verdachte [verdachte] in ieder geval € 7.139,02 meer contant geld heeft uitgegeven of in zijn bezit heeft dan waar hij op een legale manier over zou kunnen beschikken.

Dit is feitelijk onmogelijk. Iemand kan immers niet meer contant geld uitgeven dan dat hij bezit.” 2.4 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel relevant – in (met gedeeltelijke weglating van voetnoten): “37. Daarnaast verkoopt (verkocht) cliënt soms Surinaamse zangvogels. Client hield altijd veel van dit soort vogels, 'broedde' ze ook zelf, en verkocht er ieder jaar wel een aantal.

Per vogel kreeg hij - afhankelijk van hoe mooi de vogel kon zingen - zo'n € 400,- tot € 1000,-. Dat cliënt deze vogels houdt, vindt steun in het dossier. Dat dergelijke prijzen zeer gangbaar zijn voor het verkopen van Surinaamse zangvogels blijkt ook uit een eenvoudige zoekslag op internet. (…) 45. De grote hoeveelheid muntgeld (en de stortingen daarvan) heeft hij toegelicht naar aanleiding van het feit dat zijn vader tot 2019 als hindoepriester werkzaam is geweest en collectegeld kreeg. (…) 46. De officier van justitie heeft naar aanleiding van het hoger beroep de vader van cliënt laten horen door de politie.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat die verklaring niet betrouwbaar is. De vader van cliënt vertoont namelijk een dementieel beeld. Ik overleg u een verklaring van de huisarts (bijlage 1).

47. De vader van cliënt was tot 2019 hindoepriester. Sinds de afgelopen jaren vertoont de vader van cliënt veel trekken van vergeetachtigheid en dementie. De bevraging van vader over de concrete invulling van zijn werk als hindoepriester en hoe daar met het collectegeld werd omgesprongen, kan dan ook wat betreft de verdediging niet meewegen voor het onaannemelijk maken van die verklaring van cliënt. Client blijft bij het standpunt dat hij wel degelijk het muntgeld van de collecte voor zijn vader inwisselde.” 2.5 Voor de beoordeling van het middel is voorts relevant dat de advocaat-generaal blijkens voornoemd proces-verbaal het woord ter terechtzitting in hoger beroep onder meer als volgt heeft gevoerd:

“Dat de vader van de verdachte in een Hindoetempel collectegeld ontving en dit onderbracht bij de verdachte wordt door de vader ontkend.” 2.6 Het bestreden arrest bevat de volgende overwegingen ten aanzien van het bewijs: “Feit 3 De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het witwassen van de tenlastegelegde geldbedragen bewezen kan worden verklaard. Het inbeslaggenomen contante geld is afkomstig van de drugshandel waaraan de verdachte zich schuldig maakte. De verdachte heeft weliswaar verschillende alternatieve verklaringen afgelegd over de herkomst van het geld, maar dat was steeds op een zodanig Iaat tijdstip, tot aan de zitting in hoger beroep, dat deze niet meer onderzocht, geverifieerd of gefalsifieerd konden worden.

Deze verklaringen zijn voorts niet bevestigd door stukken of getuigenverklaringen. De raadsvrouw heeft het bepleit de verdachte vrij te spreken van het onder 3 tenlastegelegde. Op de bankrekening van de verdachte zijn geen vreemde dingen te zien. Wat betreft de contante geldbedragen die in de woning zijn aangetroffen heeft de verdachte vanaf het begin een duidelijke verklaring afgelegd; het geld is in de loop der jaren gespaard. De verdachte heeft 26 jaar lang een normale baan gehad, hij heeft een uitkering en toeslagen ontvangen, hij verkoopt soms Surinaamse zangvogels die hij zelf ‘broedt’ en hij heeft geld overgehouden aan de verkoop van zijn horecaonderneming in 2014.

Het muntgeld is afkomstig van zijn vader die als hindoepriester collectegeld beheerde. Voorts heeft de verdachte uitgelegd waarom hij een dergelijk geldbedrag contant bewaarde; hij mocht namelijk vanwege het ontvangen van een uitkering niet meer dan € 11.000 op zijn bankrekening hebben. Tenslotte heeft de verdachte in hoger beroep nog verklaard dat hij elk jaar geld ontving van zijn (inmiddels overleden) zus voor haar begrafenis, dit betrof in totaal ongeveer € 10.000 contant. In 2016 zou hij eenmalig een groot bedrag hebben ontvangen aan (achterstallige) kindertoeslag.

Het hof overweegt als volgt. Bij de doorzoeking van het huis van de verdachte zijn contanten aangetroffen tot een totaal van € 38.846,64 en in de fouillering van de verdachte is € 1.626,65 aangetroffen. Het gaat in deze zaak om de vraag of kan worden bewezen dat dit geld, dat de verdachte voorhanden heeft gehad, van misdrijf afkomstig is. Het hof merkt hierbij op dat het niet vereist is dat wordt vastgesteld dat het geld afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf.

Om dit te beoordelen hanteert het hof het volgende toetsingskader. Indien op basis van de feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen kan worden vastgesteld, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag. Deze verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het geldbedrag en een bepaald misdrijf, dan nog kan bewezen worden dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

Dit is mogelijk als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Naar het oordeel van het hof levert het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid contant geld, terwijl de verdachte leeft van een uitkering en verschillende toeslagen, en hij verdacht en veroordeeld wordt van en voor handel in verdovende middelen, een vermoeden van witwassen op. Van de verdachte mag dan ook worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van dit geldbedrag.

Voor de beoordeling van die verklaring, waaraan niet de eis mag worden gesteld dat de verdachte zijn onschuld bewijst, is mede ven belang het moment waarop en de omstandigheden waaronder deze door de verdachte wordt gegeven. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij een uitkering en verschillende toeslagen ontving en dat hij daarvan geld had gespaard. Verder heeft verdachte verklaard dat het geld deels afkomstig was van de verkoop van zijn café in 2014. Hij zou voor die verkoop € 15.000 hebben ontvangen plus € 2.000 aan muntgeld afkomstig uit de in dat café staande gokkasten.

Om te onderzoeken of de verklaring van de, verdachte aannemelijk is, bevat het dossier een proces-verbaal waarin een verbalisant een de eenvoudige kasopstelling heeft opgemaakt. Hierbij is rekening gehouden met de hierboven weergegeven verklaring van verdachte, zijn geldstortingen en -opnames en met het bij hem aangetroffen geld. Uit deze eenvoudige kasopstelling volgt dat de verdachte € 7.139,02 meer heeft uitgegeven of in zijn bezit heeft gehad dan waar hij op een legale manier over had kunnen beschikken. In hoger beroep heeft de verdachte voorts voor het eerst verklaard dat zijn (inmiddels overleden) zus een hartafwijking had, daardoor geen uitvaartverzekering kon afsluiten en de verdachte daarom vanaf 2016 ieder jaar € 2.000 in contanten heeft gegeven voor als zij zou komen te overlijden.

De zus van verdachte is in mei 2021 overleden en de verdachte had aldus in totaal ongeveer € 10.000 van zijn zus ontvangen welk bedrag hij naar eigen zeggen bewaarde in de zak van een broek die in een koffer lag. Ten aanzien van deze verklaring overweegt het hof dat dit - mede gelet op het moment waarop die is gegeven - een niet verifieerbare verklaring betreft. Uit de e-mail van zijn broer en zus, die de verdachte ter ondersteuning van deze verklaring in hoger beroep heeft overgelegd, volgt enkel dat de inmiddels overleden zus in de loop der jaren geld opzij heeft gelegd voor een eventuele uitvaart en dat zij met de verdachte heeft besproken dat hij (onder andere) de financiële afhandeling van de uitvaart op zich zou nemen.

Gelet op deze algemene verklaring, ziet het hof hierin geen verificatie of ondersteuning van de verklaring van de verdachte dat het (in een broekzak in een koffer) aangetroffen geld een legale herkomst had. Gelet op de eenvoudige kasopstelling concludeert het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van € 7.139,02 uit enig eigen misdrijf afkomstig is. Het hof vindt dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig witwassen, door een bedrag van € 7.139,02 voorhanden te hebben.” 2.7 In zijn arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 heeft de Hoge Raad over het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420bis e.v.

Sr), het volgende overwogen: “2.3.2. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. 2.3.3. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.” 2.8 In deze zaak doet zich het geval voor dat in cassatie wordt geklaagd over de bewijsvoering van een feit waarvoor in hoger beroep een veroordeling is gevolgd, terwijl de verdachte daarvan in eerste aanleg was vrijgesproken. Aan deze vrijspraak heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat niet kon worden vastgesteld dat de bij de verdachte aangetroffen contante geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, omdat de verdachte een verifieerbare, niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de legale herkomst van het geld had gegeven, die door he openbaar ministerie niet nader was onderzocht.

Daarbij doelde de rechtbank blijkens het vonnis onder andere op de hiervoor genoemde verklaring van de verdachte over de verkoop van zangvogels en over de opbrengst van collectes van de vader van de verdachte. 2.9 Het hof heeft daarentegen geoordeeld dat “gelet op de eenvoudige kasopstelling” het niet anders kan zijn dan dat het in de bewezenverklaring vermelde geldbedrag uit enig eigen misdrijf afkomstig is. De (eenvoudige) kasopstelling is een methode waarin het verschil tussen contante legale inkomsten en feitelijke uitgaven wordt berekend om wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten, maar deze methode wordt ook gebruikt in strafzaken teneinde de omvang van het witgewassen geldbedrag vast te stellen, zoals in de onderhavige zaak het geval lijkt te zijn.

In dergelijke gevallen is van belang dat een bewijsredenering met de strekking dat uit de enkele uitkomst van een kasopstelling kan worden afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat het verschil tussen legale inkomsten en gedane uitgaven uit misdrijf afkomstig is, onvoldoende zal zijn. Wel kunnen de resultaten van een (eenvoudige) kasopstelling een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen als bedoeld in het hiervoor weergegeven arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 opleveren, zodat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat genoemd verschil tussen legale inkomsten en feitelijke uitgaven niet van misdrijf afkomstig is. 2.10 In de onderhavige zaak heeft het hof een vermoeden van witwassen echter al afgeleid uit de omstandigheden dat de verdachte een groot contant geldbedrag voorhanden had terwijl hij leefde van een uitkering en werd veroordeeld voor drugshandel.

Ik begrijp de overwegingen van het hof dan ook zo dat het de kasopstelling heeft gebruikt om na te gaan of de door het hof aannemelijk geachte stellingen van de verdachte over de legale herkomst van het geld een voldoende verklaring zijn voor het gehele bij de verdachte aangetroffen bedrag en voor alle door hem gedane contante uitgaven. 2.11 Uit de kasopstelling in de onderhavige zaak (bewijsmiddel 24) blijkt dat de verdachte op basis van legaal geachte inkomsten een bedrag van € 1.086,71 beschikbaar had voor het doen van contante uitgaven en dat de werkelijke contante uitgaven € 8.225,73 bedroegen.

Op grond daarvan heeft het hof vastgesteld dat de verdachte € 7.139,02 meer heeft uitgegeven of in zijn bezit heeft gehad dan waar hij op een legale manier over had kunnen beschikken. Daarbij is het hof er kennelijk van uitgegaan dat de verdachte inderdaad voor de verkoop van zijn horecaonderneming een bedrag van € 15.000,- heeft ontvangen, dat hij daarnaast € 2.000,- uit de aldaar aanwezige gokkasten heeft gehaald en dat hij er inderdaad in is geslaagd van zijn uitkering een bedrag van € 24.560,- te sparen. 2.12 Over de legale herkomst van het ten laste gelegde geldbedrag is door en namens de verdachte echter ook aangevoerd dat de verdachte Surinaamse zangvogels verkocht, dat hij collectegelden van zijn vader ontving (om deze in te wisselen) en dat hij van zijn inmiddels overleden zus jaarlijks geld ontving voor haar toekomstige uitvaart.

Over deze laatste verklaring heeft het hof geoordeeld dat dit een niet verifieerbare verklaring betreft. Anders dan de rechtbank heeft het hof er echter geen blijk van gegeven te hebben beoordeeld of de verklaring van de verdachte over de verkoop van de Surinaamse zangvogels en de door zijn vader ontvangen collectegelden voldoende concreet, verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk is. Hoewel het voor de hand ligt dat het hof de verklaring over de zangvogels – die erop neerkomt dat de verdachte “soms” Surinaamse zangvogels verkocht en dat hij daarvoor “zo’n € 400,- tot € 1000,-” kreeg – onvoldoende concreet heeft geacht en het de verklaring over het collectegeld op basis van de hiervoor onder 2.5 weergegeven onderzoeksresultaten mogelijk niet aannemelijk heeft geacht, geeft het arrest van het hof mijns inziens onvoldoende aanknopingspunten om in cassatie ervan uit te gaan dat dit daadwerkelijk de gedachtegang van het hof is geweest.

Dat geldt temeer nu de verdediging blijkens de onder 2.4 weergegeven pleitnota heeft aangevoerd dat de vader van de verdachte “een dementieel beeld [vertoont]” en dit met stukken lijkt te hebben onderbouwd. In aanmerking genomen hetgeen onder 2.7 is vooropgesteld, is de bewezenverklaring derhalve niet toereikend gemotiveerd. 2.13 Het middel slaagt. Afronding 3.1 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 3.2 Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. AG Pagina 195, verklaring dochter cliënt: “(…) dat zij er ook nu niet gaat slapen om voor de vogels te zorgen”. Het in dit arrest door de Hoge Raad uiteengezette toetsingskader is ook van belang in de gevallen waarin de rechter aan de omstandigheden waaronder een voorwerp wordt aangetroffen, het vermoeden ontleent dat dit voorwerp “onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf” als bedoeld in (onder meer) het in de onderhavige zaak van toepassing zijnde art. 420bis.1 Sr. Zie HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:36, rov. 3.3.3.

HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40 (de Jaddoe-problematiek). Daarvoor verschillen de bewijsregimes in straf- en ontnemingsprocedures te veel van elkaar. Zie PG Bleichrodt ECLI:NL:PHR:2018:1491, randnr. 39, ECLI:NL:PHR:2015:1015, randnr. 27 en ECLI:NL:PHR:2014:1749, randnr. 16 en 17. Zie HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668 en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Keulen (ECLI:NL:PHR:2019:436). Vlg. ook HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:36 waarin de Hoge Raad overwoog dat het hof in het midden had gelaten of de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring had gegeven over de herkomst van het (gehele) geldbedrag en oordeelde dat de bewezenverklaring niet toereikend was gemotiveerd.

Zie verder de conclusie van PG Bleichrodt van 26 mei 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1015, randnr. 30: “De verdachte heeft (…) een alternatieve bron aangedragen waarover het hof zich niet heeft uitgelaten. Door de juistheid van de verklaring van de verdachte en hetgeen daarover door de verdediging is aangevoerd in het midden te laten, is ‘s hofs oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.” De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak (zie HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1793).