Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2022:869 ECLI:NL:PHR:2022:869 AI generated

ECLI:NL:PHR:2022:869 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2022:869
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/03556 B Zitting 4 oktober 2022 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [klaagster] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: de klaagster. De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft bij beschikking van 27 oktober 2020 het klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag op een geldbedrag van € 90.776,93 en last tot teruggave van dit bedrag aan de klaagster, ongegrond verklaard. Er bestaat samenhang met de zaak 21/03557B. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

Legislator headnote

AI generated

art. 94 Sv, artikel 94 Sv, art. 94a Sv, artikel 435 lid 1 Sv; ECLI:NL:PHR:2022:869 · Parket bij de Hoge Raad: Ik merk allereerst op dat de opvatting dat uit de bestreden beschikking moet blijken dat het bepaalde in art. 552a, vijfde lid, Sv is nageleefd geen steun vindt in het recht. Voldoende is dat zulks uit de stukken van het dossier kan worden afgeleid. 5.3. Voorts geldt dat de klaagster, nu de rechtbank het klaagschrift ongegrond heeft verklaard, belang mist bij het (eventuele) verzuim van de rechtbank de beslagene als belanghebbende te hebben opgeroepen teneinde in raadkamer te worden gehoord. 5.4. Het middel faalt. 6Het tweede middel 6.1. Het middel klaagt dat onvoldoende duidelijk is wat de grondslag is van het beslag, terwijl in de toelichting op het beklag van 13 oktober 2020 is aangegeven dat het beslag niet op grond van art. 94 Sv is gelegd. 6.2.

Keywords

AI generated
art. 94 Sv artikel 94 Sv art. 94a Sv artikel 435 lid 1 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 94 Sv
Het middel klaagt dat onvoldoende duidelijk is wat de grondslag is van het beslag, terwijl in de toelichting op het beklag van 13 oktober 2020 is aangegeven dat het beslag niet op grond van art. 94 Sv is gelegd.
artikel 94 Sv
Volgens de raadsvrouw van de klaagster kan het beslag niet langer op grond van artikel 94 Sv worden gehandhaafd en dient het geldbedrag te worden teruggegeven aan de klaagster(s) als rechthebbenden, althans beslagene.
art. 94a Sv
Van een op art. 94a Sv gestoeld betoog blijkt in het geheel niet.
artikel 435 lid 1 Sv
Bij mijn onderzoek naar de naleving van het bepaalde in artikel 435 lid 1 Sv is door mij vastgesteld dat [betrokkene 1] (enig) bestuurder is van de klaagster en zodoende bevoegd tot het vertegenwoordigen van de klaagster (art.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2022:913
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 20/02821 Datum 21 juni 2022 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 augustus 2020, nummer 21-001514-18, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, hierna: de verdachte.
ECLI:NL:HR:2022:995
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 20/03718 B Datum 5 juli 2022 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 20 augustus 2020, nummer RK 20/005903, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klaagster], gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: de klaagster.
ECLI:NL:HR:2005:AT8049
De bestreden beschikking De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de in bovenvermelde beschikking omschreven personenauto.
NJ 2006/26
HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8049, NJ 2006/26.
ECLI:NL:HR:2002:AE3540
De bestreden beschikking De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door klaagster ingediende beklag strekkende tot teruggave aan haar van de in bovenvermelde beschikking omschreven voorwerpen en een zekere hoeveelheid geld. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door klaagster. Namens deze heeft mr. J.R. Soons, advocaat te Nijmegen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden berecht en afgedaan.
NJ 2002/616
HR 1 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3540, NJ 2002/616, HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8049, NJ 2006/26, HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7955, NJ 2012/385, PHR 9 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2071 (HR: 81 RO), PHR 18 februari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:941 (HR:80a RO).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/03556 B Zitting 4 oktober 2022 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [klaagster] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: de klaagster. De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft bij beschikking van 27 oktober 2020 het klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag op een geldbedrag van € 90.776,93 en last tot teruggave van dit bedrag aan de klaagster, ongegrond verklaard. Er bestaat samenhang met de zaak 21/03557B. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld door de klaagster en mr. S. Jankie, advocaat te Hoofddorp, heeft bij ‘voorlopige schriftuur’ twee middelen van cassatie voorgesteld. Nadien is nog een aanvullende schriftuur ingediend met daarin eveneens twee middelen van cassatie. De overige in de aanvullende schriftuur opgeworpen klachten zijn mijns inziens niet aan te merken als stellige en duidelijke klachten over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen, of worden eerst in cassatie aangevoerd, zodat ik die klachten onbesproken zal laten. 4Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep 4.1.

Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een “akte instellen cassatie”, inhoudende dat op 12 november 2020 ter griffie van de rechtbank Noord-Holland [betrokkene 1] , zelfstandig bevoegd bestuurder van klaagster, kwam en verklaarde cassatie in te stellen tegen de bestreden beschikking. Aan genoemde akte is een faxbericht gehecht dat is gedateerd 9 november 2020 en geadresseerd aan de Hoge Raad. Genoemd faxbericht houdt in dat [betrokkene 1] , handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van de klaagster, beroep in cassatie wenst in te stellen tegen de bestreden beschikking.

Dit faxbericht is door de strafgriffie van de Hoge Raad doorgestuurd naar de juiste instantie: de rechtbank Haarlem. De brief is op 12 november bij de griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen en op dezelfde dag is genoemde akte opgemaakt. 4.2. Hoewel het beroep – in eerste instantie - niet is ingesteld bij “de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven” (art. 449, eerste lid, Sv), meen ik dat het niet op de juiste wijze instellen van het cassatieberoep hier niet fataal is, nu het beroep niet door een advocaat - van wie mag worden verwacht dat hij/zij bij het instellen van een rechtsmiddel de juiste weg bewandeld - maar door een vertegenwoordiger van de klaagster is ingesteld.

Daarbij merk ik nog op dat zich hier niet een geval van ‘getrapte’ vertegenwoordiging voordoet. In een dergelijk geval - waarin de rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door een persoon, die zelf weer wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde - geldt dat de wet niet de mogelijkheid biedt dat een dergelijke volmacht anders dan in persoon ter griffie wordt overgelegd. 5Het eerste middel 5.1. Het middel klaagt dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de derde, onder wie voornoemd geldbedrag in beslag is genomen, conform art. 552a, lid 5, Sv is opgeroepen. 5.2.

Ik merk allereerst op dat de opvatting dat uit de bestreden beschikking moet blijken dat het bepaalde in art. 552a, vijfde lid, Sv is nageleefd geen steun vindt in het recht. Voldoende is dat zulks uit de stukken van het dossier kan worden afgeleid. 5.3. Voorts geldt dat de klaagster, nu de rechtbank het klaagschrift ongegrond heeft verklaard, belang mist bij het (eventuele) verzuim van de rechtbank de beslagene als belanghebbende te hebben opgeroepen teneinde in raadkamer te worden gehoord. 5.4. Het middel faalt. 6Het tweede middel 6.1. Het middel klaagt dat onvoldoende duidelijk is wat de grondslag is van het beslag, terwijl in de toelichting op het beklag van 13 oktober 2020 is aangegeven dat het beslag niet op grond van art. 94 Sv is gelegd. 6.2.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat (onder andere) het genoemde geldbedrag op 7 juli 2020 onder [betrokkene 2] wegens verdenking van onder meer witwassen in beslag is genomen. Hoewel een kennisgeving van inbeslagneming bij de onderhavige gedingstukken ontbreekt, heeft de rechtbank zich blijkens de bestreden beschikking op dit punt klaarblijkelijk op het onderliggende strafdossier gebaseerd. Voorts merk ik op dat hieromtrent tijdens de behandeling in raadkamer op 27 oktober 2020 door de verdediging ook geen punt is gemaakt.

Integendeel; de raadsvrouw van de klaagster heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering voortzetting van het beslag niet meer vordert, omdat niet blijkt dat justitie onderzoek verricht aan de geldbiljetten of het fysieke geld om andere reden noodzakelijk is om de waarheid aan de dag te brengen of wederrechtelijk voordeel aan te tonen en het voorts, nu [betrokkene 2] niet de rechthebbende op de gelden blijkt, hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een verbeurdverklaring zal komen. Volgens de raadsvrouw van de klaagster kan het beslag niet langer op grond van artikel 94 Sv worden gehandhaafd en dient het geldbedrag te worden teruggegeven aan de klaagster(s) als rechthebbenden, althans beslagene.

Subsidiair is verzocht de zaak aan te houden, indien het Openbaar Ministerie de toegezonden onderbouwende stukken nog nader wenst te onderzoeken. Van een op art. 94a Sv gestoeld betoog blijkt in het geheel niet. 6.3. Het middel faalt. 7Het derde middel 7.1. Het middel dat klaagt dat de rechtbank had moeten nagaan of voortzetting van het conservatoire beslag in overeenstemming was met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, ziet eraan voorbij dat de rechtbank heeft vastgesteld dat het hier een klassiek beslag ex art. 94 Sv betreft en de toetsingsmaatstaven voor de op grond van art. 94 Sv en art. 94a Sv gelegde beslagen niet verplichten tot een ambtshalve onderzoek met betrekking tot de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Door de verdediging is ook op dit punt geen verweer gevoerd. 7.2. Het middel faalt. 8Het vierde middel 8.1. Het middel klaagt dat de rechtbank onvoldoende is ingegaan op hetgeen de raadsvrouw van de klaagster over het zijn van rechthebbende heeft aangevoerd. 8.2. Dit middel ziet eraan voorbij dat de in deze toepasselijke toetsingsmaatstaf meebrengt dat de rechter eerst dient te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene dient te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In het onderhavige geval heeft de rechtbank geoordeeld dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet omdat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen geldbedrag zal verbeurd verklaren. Nu de eerstgenoemde vraag bevestigend is beantwoord, is de rechtbank – logischerwijze - aan de vraag of de klaagster als rechthebbende moet worden beschouwd niet toegekomen. 8.3. Het middel faalt.

9. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Bijvoorbeeld de in de aanvullende schriftuur verwoorde klacht dat in het onderhavige geval niet is voldaan aan de voorwaarden betreffende de kennisgeving van inbeslagneming, zoals verwoord in de Aanwijzing inbeslagneming (2014A006), waardoor de voortduring van het beslag onrechtmatig zou zijn. Bij mijn onderzoek naar de naleving van het bepaalde in artikel 435 lid 1 Sv is door mij vastgesteld dat [betrokkene 1] (enig) bestuurder is van de klaagster en zodoende bevoegd tot het vertegenwoordigen van de klaagster (art. 528, eerste lid, Sv).

Zie bijv. HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:913. Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:995. Dit is overigens identiek aan hetgeen in het onder 4.1 vermelde faxbericht is aangevoerd. HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8049, NJ 2006/26. Vgl. bijv. HR 1 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3540, NJ 2002/616, HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8049, NJ 2006/26, HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7955, NJ 2012/385, PHR 9 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2071 (HR: 81 RO), PHR 18 februari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:941 (HR:80a RO). Dit is anders voor gevallen waarin het klaagschrift geheel gegrond is verklaard (vgl. HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8667, NJ 2008/629 en HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:966 (OM-cassatie)) of gedeeltelijk (vgl. HR 6 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4193) gegrond is verklaard.

Zie bijv. HR 14 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1755 (art. 94 Sv) en HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2881 (art. 94a Sv). HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.8.