Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2022:446 ECLI:NL:PHR:2022:446 AI generated

ECLI:NL:PHR:2022:446 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2022:446
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/01913 B Zitting 24 mei 2022 CONCLUSIE T.N.B.M. Spronken In de zaak [klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, hierna: de klager. 1Het cassatieberoep 1.1. De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 2 februari 2021 het klaagschrift ex art. 552a Sv van de klager strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem ex art. 94 Sv in beslag genomen auto, een Porsche Boxter, voorzien van een Spaans kenteken [kenteken], ongegrond verklaard. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

art. 552a Sv, art. 94 Sv, art. 6 EVRM, art. 21 lid 1 Sv, art. 23 lid 2 Sv, art. 552a lid 7 Sv; ECLI:NL:PHR:2022:446 · Parket bij de Hoge Raad: Er heeft dus geen fysieke zitting plaatsgevonden. De rechtbank heeft alleen kennisgenomen van de in de beschikking vermelde stukken en standpunten. “ 3Het middel 3.1. Het middel klaagt dat de rechtbank de zaak schriftelijk heeft afgedaan, terwijl de klager geen afstand heeft gedaan van het recht op behandeling en aanwezigheid in raadkamer. Volgens de toelichting op het middel levert dit verzuim een schending op van het recht op hoor en wederhoor, meer in het bijzonder een schending van art. 6 EVRM omdat er geen sprake is geweest “van een behoorlijke procesorde”. 3.2.

Keywords

AI generated
art. 552a Sv art. 94 Sv art. 6 EVRM art. 21 lid 1 Sv art. 23 lid 2 Sv art. 552a lid 7 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 552a Sv
De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 2 februari 2021 het klaagschrift ex art. 552a Sv van de klager strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem ex art.
art. 94 Sv
552a Sv van de klager strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem ex art. 94 Sv in beslag genomen auto, een Porsche Boxter, voorzien van een Spaans kenteken [kenteken], ongegrond verklaard.
art. 6 EVRM
Volgens de toelichting op het middel levert dit verzuim een schending op van het recht op hoor en wederhoor, meer in het bijzonder een schending van art. 6 EVRM omdat er geen sprake is geweest “van een behoorlijke procesorde”.
art. 21 lid 1 Sv
Maar het recht om de zaak aan een rechter voor te leggen en dat bij de behandeling door de rechter hoor en wederhoor wordt toegepast, waarop in de cassatieschriftuur een beroep wordt gedaan, is wel geregeld in art. 21 lid 1 Sv, art.
art. 23 lid 2 Sv
21 lid 1 Sv, art. 23 lid 2 Sv (de raadkamerprocedure) en art.
art. 552a lid 7 Sv
23 lid 2 Sv (de raadkamerprocedure) en art. 552a lid 7 Sv (de beklagprocedure).
art. 25 lid 1 Sv
Ingevolge art. 25 lid 1 Sv moet van het onderzoek van de raadkamer door de griffier een proces-verbaal worden opgemaakt, vastgesteld, ondertekend en bij de processtukken worden gevoegd.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2012:BU7369
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze hebben mr. I. Leenders en mr. M.H.W.N. Lammers, beiden advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. Bij brief van 24 juni 2011 heeft mr. Lammers het zesde middel ingetrokken. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden berecht en afgedaan. 1.2. De raadslieden hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.
ECLI:NL:HR:2006:AZ1663
De bestreden beschikking De Rechtbank heeft het door de klaagster ingediende beklag strekkende tot teruggave aan haar van de in bovenstaande beschikking omschreven personenauto niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:HR:2012:BX5512
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door [klager].
ECLI:NL:HR:2021:854
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 20/01650 B Datum 22 juni 2021 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2020, nummers RK 20/80 en RK 20/81, op klaagschriften als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, hierna: de klager.
ECLI:NL:HR:2021:1568
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 20/01642 B Datum 2 november 2021 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2020, nummer RK 19/6947, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, hierna: de klager.
ECLI:NL:HR:2021:1497
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 20/03698 B Datum 2 november 2021 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 20 oktober 2020, nummer RK 20-007079, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, hierna: de klager.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/01913 B Zitting 24 mei 2022 CONCLUSIE T.N.B.M. Spronken In de zaak [klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, hierna: de klager. 1Het cassatieberoep 1.1. De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 2 februari 2021 het klaagschrift ex art. 552a Sv van de klager strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem ex art. 94 Sv in beslag genomen auto, een Porsche Boxter, voorzien van een Spaans kenteken [kenteken], ongegrond verklaard. 1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en J.R.A. Röschlau, advocaat te Zeist, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel heeft betrekking op de door de rechtbank gevolgde procedure, meer in het bijzonder dat er geen mondelinge behandeling van het klaagschrift heeft plaatsgevonden. 2De procedure 2.1. Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan. 2.2. Op 26 augustus 2020 werd bij het RDW keuringsstation door de klager een Porsche Boxter ter keuring aangeboden. Deze Porsche Boxter bleek te staan gesignaleerd omdat deze was gestolen in Spanje in 2018.

De auto werd wegens deze signalering ex art. 94 Sv in beslag genomen. 2.3. Op 9 november 2020 is aan de klager schriftelijk medegedeeld dat het openbaar ministerie heeft besloten om op grond van art. 116 lid 2 jo. lid 3 Sv het onder de klager in beslag genomen voertuig terug te geven aan degene die volgens het openbaar ministerie redelijkerwijs als belanghebbende kan worden aangemerkt, te weten degene die aangifte heeft gedaan van diefstal van deze auto. 2.4. Namens de klager is op 22 november 2020 een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag met last tot teruggave van het voertuig aan de klager. 2.5.

Op 13 januari 2021 heeft de officier van justitie schriftelijk gereageerd op dit klaagschrift. 2.6. Het klaagschrift is op 19 januari 2021 zonder mondelinge behandeling in raadkamer aan de orde geweest en bij beschikking van 2 februari 2021 ongegrond verklaard. In de bestreden beschikking staat met betrekking tot de gevolgde procedure het volgende opgenomen: “In verband met de beperkende maatregelen wegens de uitbraak van het corona-virus en met instemming van de officier van justitie en de raadsman is het klaagschrift na schriftelijke wisseling van standpunten zonder mondelinge behandeling aan de orde geweest in raadkamer van 19 januari 2021.” 2.7.

Op 2 februari 2021 heeft de raadsvrouw van de klager aan de rechtbank te kennen gegeven dat zij zich niet kan herinneren dat zij of de klager toestemming heeft gegeven om af te zien van een hoorzitting. De rechtbank heeft hier bij e-mailbericht van 4 februari 2021 als volgt op gereageerd: “Het is inderdaad juist dat u noch uw cliënt toestemming hebben gegeven voor een schriftelijke afdoening van de zaak. Uw zaak is abusievelijk toch schriftelijk afgedaan. Dit kan niet meer ongedaan worden gemaakt. U kunt in cassatie gaan bij de Hoge Raad wegens een procedurefout.” 2.8.

Aangezien bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer ontbreekt, heeft de Hoge Raad inlichtingen ingewonnen bij de rechtbank. Dit verzoek heeft geleid tot een verklaring van de rechtbank die het volgende inhoudt: “De rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Utrecht, heeft op 2 februari 2021 een beslissing gewezen op het klaagschrift strekkende tot teruggave van de onder klager in beslag genomen auto, Porsche Boxter. In verband met de maatregelen rondom het coronavirus is het klaagschrift schriftelijk behandeld.

Er heeft dus geen fysieke zitting plaatsgevonden. De rechtbank heeft alleen kennisgenomen van de in de beschikking vermelde stukken en standpunten. “ 3Het middel 3.1. Het middel klaagt dat de rechtbank de zaak schriftelijk heeft afgedaan, terwijl de klager geen afstand heeft gedaan van het recht op behandeling en aanwezigheid in raadkamer. Volgens de toelichting op het middel levert dit verzuim een schending op van het recht op hoor en wederhoor, meer in het bijzonder een schending van art. 6 EVRM omdat er geen sprake is geweest “van een behoorlijke procesorde”. 3.2.

In beginsel geldt dat art. 6 EVRM op de beklagprocedure niet van toepassing is omdat in deze procedure geen rechten of verplichtingen van burgerrechtelijke aard worden vastgesteld. Maar het recht om de zaak aan een rechter voor te leggen en dat bij de behandeling door de rechter hoor en wederhoor wordt toegepast, waarop in de cassatieschriftuur een beroep wordt gedaan, is wel geregeld in art. 21 lid 1 Sv, art. 23 lid 2 Sv (de raadkamerprocedure) en art. 552a lid 7 Sv (de beklagprocedure). Op grond van art. 23 lid 2 Sv moeten het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers worden gehoord, althans hiertoe worden opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven.

Daarnaast bepaalt art. 552a lid 7 Sv dat het klaagschrift tijdens een openbare raadkamerzitting dient te worden behandeld. Ingevolge art. 25 lid 1 Sv moet van het onderzoek van de raadkamer door de griffier een proces-verbaal worden opgemaakt, vastgesteld, ondertekend en bij de processtukken worden gevoegd. Bovendien eist art. 21 lid 1 Sv dat de behandeling ook daadwerkelijk door de raadkamer geschiedt: “In alle gevallen waarin niet de beslissing door het rechterlijk college op de terechtzitting is voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt genomen, geschiedt de behandeling door de raadkamer.” Dus bepaalde onderdelen van art. 6 EVRM zijn in de beklagprocedure wel doorgevoerd.

Ik lees het eerste middel dan ook zo dat met name een beroep wordt gedaan op de hiervoor vermelde bepalingen in de Nederlandse strafvordering die betrekking hebben op het recht om gehoord te worden tijdens een mondelinge behandeling van het klaagschrift in de beklagprocedure. 3.3. De rechtbank is op grond van ‘de coronamaatregelen’ afgeweken van het uitgangspunt dat het klaagschrift tijdens een openbare behandeling in raadkamer, in bijzijn van alle betrokken partijen dient te worden behandeld, zo blijkt uit de beschikking. 3.4. Niet naleving van het voorschrift dat een klaagschrift in openbare raadkamer moet worden behandeld leidt in beginsel tot nietigheid van de behandeling en de beschikking. 3.5.

In onderhavige zaak heeft de rechtbank overwogen dat in verband met de beperkende maatregelen wegens de uitbraak van het corona-virus en met instemming van de officier van justitie en de raadsman is afgeweken van het uitgangspunt dat het klaagschrift tijdens een openbare behandeling in raadkamer, in bijzijn van alle betrokken partijen dient te worden behandeld, zo blijkt uit de beschikking. Over de vraag of in verband met de uitbraak van de epidemie van COVID-19 en de in dat verband door de rechtbank getroffen maatregelen van een openbare raadkamerzitting, buiten de daarvoor in de wet geregelde gevallen, kan worden afgeweken indien alle betrokken partijen daarmee instemmen heeft de Hoge Raad zich inmiddels een aantal keer uitgelaten. 3.6.

Uit correspondentie van de rechtbank blijkt echter dat in deze zaak noch door de raadsman noch door de klager toestemming is gegeven voor een schriftelijke afdoening en de zaak abusievelijk toch schriftelijk is afgedaan. 3.7. Dat betekent dat het middel slaagt. 4Conclusie 4.1. Het middel slaagt. 4.2. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beslissing aanleiding behoren te geven. 4.3. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Dit e-mailbericht is als bijlage opgenomen bij de cassatieakte. Zie HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7369, rov 4.4 en 4.5. Kamerstukken II 1991/92, 22584, 3, p. 13-14. Vgl. HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1663; HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5512. Vgl. HR 22 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:854; HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1568; HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1497.