Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2022:35 ECLI:NL:PHR:2022:35 AI generated

ECLI:NL:PHR:2022:35 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2022:35
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/00785 Zitting 18 januari 2022 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, hierna: de verdachte. De verdachte is bij arrest van 4 april 2019 door het Gerechtshof Den Haag wegens ‘overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’, veroordeeld tot een geldboete van € 150, subsidiair 3 dagen hechtenis. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest.

Legislator headnote

AI generated

artikel 48 Sv, art. 48 Sv; ECLI:NL:PHR:2022:35 · Parket bij de Hoge Raad: In de cassatieschriftuur wordt niet ingegaan op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Het voorgestelde middel houdt – kort gezegd – de klacht in dat in strijd met artikel 48 Sv de raadsman van de verdachte niet is opgeroepen voor de terechtzitting in hoger beroep.

Keywords

AI generated
artikel 48 Sv art. 48 Sv

Cited Legislation

AI generated
artikel 48 Sv
Het voorgestelde middel houdt – kort gezegd – de klacht in dat in strijd met artikel 48 Sv de raadsman van de verdachte niet is opgeroepen voor de terechtzitting in hoger beroep.
art. 48 Sv
Op grond van art. 48 Sv ontvangt de raadsman onverwijld afschrift van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht (behoudens het bepaalde in art.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1995:ZC9983
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie onder meer HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983, NJ 1995/500 m.nt.
NJ 1995/500
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie onder meer HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983, NJ 1995/500 m.nt.
ECLI:NL:HR:2004:AN8587
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 11 juli 2001 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van € 226,-, subsidiair vier dagen hechtenis.
NJ 2004/181
onder meer HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181.
ECLI:NL:HR:2013:BZ1453
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
ECLI:NL:HR:2017:3225
19 december 2017 Strafkamer nr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/00785 Zitting 18 januari 2022 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, hierna: de verdachte. De verdachte is bij arrest van 4 april 2019 door het Gerechtshof Den Haag wegens ‘overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’, veroordeeld tot een geldboete van € 150, subsidiair 3 dagen hechtenis. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep vraagt de aandacht. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep op 11 februari 2019 in persoon aan de verdachte is betekend. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2019 is de verdachte aldaar verschenen. Dit brengt mee dat het cassatieberoep op grond van art. 432, eerste lid, aanhef en onder a en b, Sv binnen veertien dagen na de uitspraak van het hof en dus uiterlijk op 18 april 2019 kon worden ingesteld.

Uit de akte cassatie blijkt dat het cassatieberoep op 24 februari 2021 – en derhalve (ruim) na het verstrijken van de termijn – is ingesteld. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van beroep in cassatie door de verdachte betekent in de regel dat de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen. Dat is anders indien sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding.

Daarbij kan worden gedacht aan voor het verstrijken van de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt of aan een zodanige psychische stoornis bij de verdachte dat in verband daarmee het verzuim tijdig beroep in cassatie in te stellen niet aan hem kan worden toegerekend.

5. In de cassatieschriftuur wordt niet ingegaan op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Het voorgestelde middel houdt – kort gezegd – de klacht in dat in strijd met artikel 48 Sv de raadsman van de verdachte niet is opgeroepen voor de terechtzitting in hoger beroep.

6. Op grond van art. 48 Sv ontvangt de raadsman onverwijld afschrift van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht (behoudens het bepaalde in art. 32, tweede lid, Sv). Uw Raad acht dit voorschrift van zo grote betekenis dat de niet-nakoming daarvan moet worden geacht ‘aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan. De niet-naleving van dat artikel brengt evenwel niet mee dat overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar is.

7. Ik wijs er in dit verband nog op dat op de (in persoon aan de verdachte uitgereikte) dagvaarding in hoger beroep staat vermeld: ‘Tegen een uitspraak kan beroep in cassatie worden ingesteld. In het algemeen loopt de termijn voor het aanwenden van dit rechtsmiddel slechts gedurende 14 dagen na de uitspraak’. Voorts wijs ik op het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, waaruit blijkt dat door de voorzitter is medegedeeld ‘dat de verdachte uiterlijk veertien dagen na heden beroep in cassatie kan instellen’.

8. Nu het beroep te laat is ingesteld en zich geen omstandigheden voordoen op grond waarvan de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar is, kan de verdachte niet in het cassatieberoep worden ontvangen.

9. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie onder meer HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983, NJ 1995/500 m.nt. Schalken. Vgl. onder meer HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181. Ingevolge de Wet van 17 november 2016, houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met aanvulling van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen, Stb. 2016, 476, is art. 51 (oud) Sv vervallen; de inhoud is verplaatst naar art. 48 Sv. Deze wet trad op 1 maart 2017 in werking (Stb. 2017, 66). Zie met betrekking tot art. 51 (oud) Sv onder meer HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1453 en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3225. Uw Raad betrekt deze regel in laatstgenoemd arrest ook op het thans geldende art. 48 Sv. Vgl. HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6401, NJ 2007/651 alsmede (de conclusie van A-G Bleichrodt voor) HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:753 (art. 81 RO).