Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2022:33 ECLI:NL:PHR:2022:33 AI generated

ECLI:NL:PHR:2022:33 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2022:33
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/01604 Zitting 14 januari 2022 CONCLUSIE M.H. Wissink In de zaak Stichting Portaal Tegen [huurder] Partijen worden hierna verkort aangeduid als Portaal respectievelijk huurder. In deze zaak is de door Portaal als verhuurder gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming afgewezen. Het cassatiemiddel stelt de reikwijdte van de uitzondering op het beslagverbod van art. 45 lid 1 onder a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) aan de orde. Voorts wordt geklaagd over met de feiten van deze zaak samenhangende vragen betreffende de toerekening en verrekening van betalingen, de grenzen van de rechtsstrijd en de toepassing van de tenzij-bepaling van art. 6:265 lid 1 BW. 1Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: (i) Portaal heeft tot en met september 2020 de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] verhuurd aan huurder.

Legislator headnote

AI generated

art. 6:265 lid 1 BW, art. 6:43 lid 1 BW, artikel 6:137 BW, artikel 6:43 lid 2 BW, artikel 6:43 lid 1 BW, Artikel 6:127 lid 1 BW; ECLI:NL:PHR:2022:33 · Parket bij de Hoge Raad: De klacht veronderstelt dat het hof heeft geoordeeld dat de bedoelde betalingen door Portaal zijn afgeboekt op de oude schuld. Dit heeft het hof echter niet geoordeeld. Het hof oordeelt in rov. 4.2 slechts, dat de bedragen die in de periode van november 2017 tot 22 januari 2019 door huurder zijn betaald (in totaal € 5.759,48) op de voet van art. 6:43 lid 1 BW dienen te worden toegerekend aan de in die periode maandelijks ontstane verplichtingen tot betaling van de huur (in totaal € 8.063,38), dus aan de nieuwe huurschuld. Op basis van dit uitgangspunt berekent het hof in rov. 4.5 de omvang van de nieuwe huurschuld door de verplichtingen ad € 8.063,38 te verminderen met onder meer het bedrag van € 5.759,48.

Keywords

AI generated
art. 6:265 lid 1 BW art. 6:43 lid 1 BW artikel 6:137 BW artikel 6:43 lid 2 BW artikel 6:43 lid 1 BW Artikel 6:127 lid 1 BW

Cited Legislation

AI generated
art. 6:265 lid 1 BW
Voorts wordt geklaagd over met de feiten van deze zaak samenhangende vragen betreffende de toerekening en verrekening van betalingen, de grenzen van de rechtsstrijd en de toepassing van de tenzij-bepaling van art. 6:265 lid 1 BW.
art. 6:43 lid 1 BW
Voorts wordt geklaagd over met de feiten van deze zaak samenhangende vragen betreffende de toerekening en verrekening van betalingen, de grenzen van de rechtsstrijd en de toepassing van de tenzij-bepaling van art. 6:265 lid 1 BW.
artikel 6:137 BW
Van een eerdere mededeling is het hof niet gebleken en evenmin ziet het hof in de processtukken aanwijzingen dat partijen afspraken hebben gemaakt waarmee zij zijn afgeweken van de wettelijke regeling van artikel 6:137 BW in combinatie met artikel 6:43 lid 2 BW.
artikel 6:43 lid 2 BW
Van een eerdere mededeling is het hof niet gebleken en evenmin ziet het hof in de processtukken aanwijzingen dat partijen afspraken hebben gemaakt waarmee zij zijn afgeweken van de wettelijke regeling van artikel 6:137 BW in combinatie met artikel 6:43 lid 2 BW.
artikel 6:43 lid 1 BW
Dit volgt uit de artikelen 6:127 lid 1 en 6:137 lid 1 BW en sluit aan bij artikel 6:43 lid 1 BW.
Artikel 6:127 lid 1 BW
2.7 Artikel 6:127 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft, aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering verrekent, beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet gaan.
Artikel 6:137 lid 1 BW
Artikel 6:137 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een verrekeningsverklaring onvoldoende aangeeft welke verbintenissen in de verrekening zijn betrokken, de volgorde van toerekening zoals aangegeven in de artikelen 6:43 en 6:44 BW geldt.
art. 6:43 lid 2 BW
Wanneer een dergelijke aanwijzing ontbreekt, bepaalt art. 6:43 lid 2 BW de toerekening van de betaling op de verbintenissen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHDHA:2015:1183
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.149.725/01 Rolnummer rechtbank : 2253852 / 13-23593 Arrest van 26 mei 2015 in de zaak van [appellant], wonende te Den Haag, appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool te Den Haag, tegen Stichting Vidomes, gevestigd te Leidschendam-Voorburg, geïntimeerde, hierna te noemen: Vidomes, advocaat: mr. R. van Gelder te Bleiswijk, gemeente Lansingerland. Het geding Voor de gang van zaken tot 1 juli 2014 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum, waarbij een comparitie van partijen is gelast.
ECLI:NL:GHARL:2021:205
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.270.435 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, 7494180) arrest van 12 januari 2021 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant] , advocaat: mr. D. Coşkun, tegen: de stichting Stichting Portaal, gevestigd te Utrecht, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna: Portaal, advocaat: mr. J.D. van Vlastuin. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van de tussenarresten van 21 januari 2020 en 18 augustus 2020 hier over. 1.2 Vervolgens heeft op 13 oktober 2020 een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door mr.
ECLI:NL:GHSHE:2014:2173
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.150.235/01 arrest van 15 juli 2014 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats], appellante, hierna aan te duiden als [appellante], advocaat: mr. J. in 't Ven te Kerkrade, tegen Stichting Wonen Zuid, gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, hierna aan te duiden als Wonen Zuid, advocaat: mr. A.N.A.G. Boer te Klimmen, op het bij exploot van dagvaarding van 27 mei 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 april 2014 (zie ten aanzien van de datum hierna onder 3.1.), gewezen tussen [appellante] als eiseres en Wonen Zuid als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/189841/kg za 14-173) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep met grieven, eiswijziging en twee producties; - de memorie van antwoord met vier producties. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling Ontvankelijkheid 3.1 Het hof heeft geconstateerd dat het bestreden vonnis in de kop melding maakt van uitspraakdatum 29 april 2014 en onder het dictum van uitspraakdatum 25 april 2014. Aangezien het appel te laat is ingesteld bij een uitspraak op 25 april 2014, heeft het hof ambtshalve navraag gedaan naar die uitspraakdatum. De griffie van de rechtbank Limburg heeft meegedeeld dat uit het audiëntieblad én de dagstempel op de grosse blijkt dat het vonnis is uitgesproken op 29 april 2014. Het hof gaat derhalve van die uitspraakdatum uit. Gelet op de aard van deze informatie en nu beide partijen kennelijk ook van die datum zijn uitgegaan -Wonen Zuid heeft immers geen beroep gedaan op overschrijding van de appeltermijn- acht het hof geen termen aanwezig om partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover nog nader uit te laten. [appellante] kan derhalve in het hoger beroep ontvangen worden. Inhoudelijk 3.2. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten, waarvan ook in hoger beroep kan worden uitgegaan: [appellante] heeft van Wonen Zuid gehuurd de woning gelegen te [plaats 1] aan de [perceel 1]. Bij vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Heerlen, van 17 april 2013 (zaaknr. 504747 CV EXPL 12-10735) is de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en is eiseres veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en betaling aan gedaagde van - onder meer - de huurachterstand vermeerderd met rente en kosten. Nadien is [appellante] een andere woning gaan huren van Heem Wonen aan de [perceel 2] te [plaats 2]. Ten behoeve van die huurverplichting is aan [appellante] (wederom) huurtoeslag toegekend. Tussen partijen staat vast dat eiseres daarop de huurachterstand aan gedaagde heeft voldaan, maar de kosten niet. Wonen Zuid heeft op 16 oktober 2013 op grond van het vonnis van 17 april 2013 op de huurtoeslag van eiseres executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de ontvanger van de Belastingdienst Utrecht. Daarbij is blijkens het proces-verbaal van de deurwaarder (productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg) executoriaal derdenbeslag gelegd om betaling te verkrijgen van de volgende bedragen:rente tot 10-10-2013 € 19,11 en verdere rente vanaf 10-10-2013 PMproceskosten € 954,17Betekening € 97,80Executiekosten € 87,43 Nasalaris € 121,00kosten van dit exploot € 150,12kosten overbetekening € 77,29 -------------------------- € 1.506,92 + PM 3.2.1. In de onderhavige procedure vordert [appellante] in eerste aanleg -samengevat- opheffing van het door Wonen Zuid op 16 oktober 2013 ten laste van haar gelegde executoriale derdenbeslag onder de Belastingdienst, alsmede terugbetaling van de aldus door Wonen Zuid geïncasseerde huurtoeslag vanaf november 2013 tot en met april 2014, volgens haar in totaal € 1.482,00 (6x € 247,00). 3.2.2. Aan deze vordering heeft [appellante], kort samengevat, primair ten grondslag gelegd dat sprake is van een beslagverbod ex art. 45 lid 1 aanhef en onder a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Subsidiair heeft [appellante] aangevoerd dat het beslag vexatoir is omdat zij ten gevolge van het beslag haar huidige huur niet kan betalen, waardoor ontbinding van die huurovereenkomst en ontruiming dreigt. 3.2.3. Wonen Zuid heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.3. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vordering van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld. 3.4. [appellante] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar gewijzigde eis, die als volgt luidt: Primair: - opheffing van het executoriaal derdenbeslag, althans veroordeling van Wonen Zuid tot opheffing van dat beslag binnen 24 uur na de betekening van dit arrest, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Wonen Zuid hiermee in gebreke blijft; Subsidiair: - Wonen Zuid te bevelen dat zij, zolang het recht op de huurtoeslag is beslagen, bij de bepaling van de hoogte van de beslagvrije voet de verhoging met de woonkosten niet mag verminderen met die toeslag; Primair en subsidiair: Wonen Zuid te veroordelen om alle door haar ten onrechte in beslag genomen en geïncasseerde huurtoeslag te betalen aan [appellante], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van inbeslagneming tot de dag van voldoening aan [appellante], met veroordeling van Wonen Zuid in de kosten van beide instanties vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit arrest. 3.4.1. Wonen Zuid heeft verweer gevoerd. 3.5. Het hof is van oordeel dat [appellante] ook in hoger beroep een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Dat volgt uit de aard van het geschil. 3.6. Met de grieven I tot en met V voert [appellante] aan dat art. 45 Awir zich verzet tegen een executoriaal derdenbeslag door een verhuurder (voor een vordering wegens niet-nakoming van de betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst) op huurtoeslagen van de huurder toegekend in verband met een andere huurovereenkomst met betrekking tot een andere woning. 3.7. Bij de beantwoording van de vraag of art. 45 Awir zich verzet tegen een dergelijk beslag acht het hof het volgende van belang. Art. 475a lid 1 Rv bepaalt in het kader van executoriaal derdenbeslag: Het beslag strekt zich niet uit tot vorderingen of zaken die volgens de wet niet voor beslag vatbaar zijn (…) Art. 45 lid 1 Awir kent het volgende beslagverbod: Een tegemoetkoming is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tenzij het betreft beslag wegens: a. een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming;(…) 3.8. Art. 45 Awir lid 1 formuleert aldus een beslagverbod op een tegemoetkoming, zoals de huurtoeslag. In lid 1 aanhef en onder a wordt daarvan uitgezonderd het beslag op de huurtoeslag wegens een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting (huur) wegens een geleverde prestatie (terbeschikkingstelling van de woning), waarbij de betalingsverplichting (de huur) ter zake van die prestatie (die terbeschikkingstelling van de woning) oorzaak is voor de huurtoeslag. 3.9. Gelet op de formulering van de uitzonderingsbepaling onder a is sprake van een te ver verwijderd verband bij een beslag op huurtoeslagen die gelden als tegemoetkoming voor huurverplichtingen uit hoofde van een andere huurovereenkomst (voor een andere woning). Daarbij betrekt het hof dat uitgangspunt is dat de huurder, die een huurtoeslag ontvangt, die toeslag dient aan te wenden voor de betaling van lopende huurtermijnen. 3.10. De conclusie is dat in een dergelijke situatie het beslagverbod van art. 45 lid 1 Awir heeft te gelden. Ook de wetsgeschiedenis biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een ruimere uitleg van de uitzonderingsbepaling van lid 1 aanhef en onder a. 3.11. Wonen Zuid heeft nog aangevoerd dat het beslagverbod is bedoeld om te verzekeren dat de huurtoeslag enkel wordt aangewend voor het doel waarvoor zij wordt verstrekt, te weten het betalen van huur. Aan die bedoeling wordt, aldus Wonen Zuid, tegemoet gekomen door aan te nemen dat ook een eerdere verhuurder beslag kan leggen op huurtoeslagen. Deze stelling, die op zichzelf niet onbegrijpelijk is, doet echter onvoldoende af aan hetgeen hiervoor is overwogen. Hetgeen overigens door partijen is gesteld, kan evenmin leiden tot een ander oordeel. 3.12. De slotsom is dat in deze zaak het beslagverbod in de weg staat aan het executoriaal derdenbeslag dat door Wonen Zuid ten laste van [appellante] is gelegd onder de Belastingdienst. Ook een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Het hof zal het beslag opheffen en Wonen Zuid veroordelen tot betaling aan [appellante] van hetgeen zij op grond van deze beslaglegging heeft geïncasseerd. Wonen Zuid heeft nog aangevoerd dat geen sprake is van onverschuldigde verrijking en dat niet gebleken is dat [appellante] schade heeft geleden als gevolg van de executie. Daartegenover staat echter dat Wonen Zuid op onrechtmatige wijze heeft geëxecuteerd. [appellante] heeft voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van die onrechtmatige executie schade lijdt, in dier voege dat zij de huidige huur niet kan betalen en zich als gevolg daarvan geconfronteerd ziet met rechtsmaatregelen door de huidige huurder (zie productie 1 in hoger beroep van [appellante]). Wonen Zuid zal worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep. 3.13. De overige grieven en stellingen van partijen behoeven geen bespreking. 4De uitspraak Het hof: vernietigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van 29 april 2014 en opnieuw rechtdoende: heft op het door Wonen Zuid ten laste van [appellante] gelegde executoriaal derdenbeslag onder de Ontvanger van de Belastingdienst te Utrecht; veroordeelt Wonen Zuid tot betaling aan [appellante] van de geïncasseerde huurtoeslagen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van incassering van de gelden tot de dag van de terugbetaling. veroordeelt Wonen Zuid in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] worden begroot op € 170,80 aan verschotten en op € 527,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 308,-- aan verschotten en op € 632,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M. van Ham en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 juli 2014.
ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7217
De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 15 maart 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
ECLI:NL:RBLIM:2014:4044
vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/189841 / KG ZA 14-173 Vonnis in kort geding van 29 april 2014 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats], eiseres, advocaat mr. J. in 't Ven te Kerkrade (toevoeging), tegen de stichting STICHTING WONEN ZUID, gevestigd te Heerlen, gedaagde, advocaat mr. A.N.A.G. Boer te Klimmen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het exploot van de dagvaarding van 14 april 2014, met producties, de op 21 en 23 april door gedaagde toegezonden producties, de mondelinge behandeling, de pleitnota van eiseres, de pleitnota van gedaagde. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Eiseres heeft van gedaagde gehuurd, gelijk gedaagde aan haar heeft verhuurd, de woning gelegen te [adres]. 2.2. Bij vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Heerlen, van 17 april 2013 (zaaknr. 504747 CV EXPL 12-10735) is de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en is eiseres veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en betaling aan gedaagde van - onder meer - de huurachterstand vermeerderd met rente en kosten. 2.3. Tussen partijen staat vast dat eiseres daarop de huurachterstand aan gedaagde heeft voldaan, maar de kosten niet. 2.4. Gedaagde heeft op 16 oktober 2013 op grond van het vonnis van 17 april 2013 op de huurtoeslag van eiseres executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de ontvanger van de Belastingdienst Utrecht. Daarbij is blijkens het proces-verbaal van de deurwaarder (productie 2 bij dagvaarding) executoriaal derdenbeslag gelegd om betaling te verkrijgen van de volgende bedragen: rente tot 10-10-2013 € 19,11 en verdere rente vanaf 10-10-2013 PM proceskosten € 954,17 Betekening € 97,80 Executiekosten € 87,43 Nasalaris € 121,00 kosten van dit exploot € 150,12 kosten overbetekening € 77,29 --------------------- € 1.506,92 + PM 3Het geschil 3.1. Eiseres vordert - samengevat - opheffing van het door gedaagde op 16 oktober 2013 ten laste van haar gelegde executoriale derdenbeslag onder de Belastingdienst, alsmede terugbetaling van de door gedaagde geïncasseerde huurtoeslag vanaf november 2013 tot en met april 2014, volgens haar in totaal € 1.482,00 (6 × € 247,00). 3.1.1. Eiseres stelt primair dat sprake is van het beslagverbod ex artikel 45, lid 1 aanhef en sub a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (verder: Awir), zodat reeds op grond daarvan het gelegde beslag dient te worden opgeheven. Dit beslagverbod maakt dat slechts de huidige verhuurder van de woning van eiseres, met het oog waarop de huurtoeslag sedert november 2013 wordt verstrekt, beslag mag leggen op de aan eiseres toekomende huurtoeslag wegens niet-nakoming van haar betalingsverplichting uit hoofde van de huurovereenkomst ter zake van die woning. Eiseres doet in dit kader mede een beroep op een uitspraak van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 22 maart 2013 (NJF 2013/232, ECLI:NL:RBDHA:2013: BB7217). De huurtoeslag waarop gedaagde beslag heeft gelegd betreft de huurtoeslag voor de huidige woning van eiseres, welke zij huurt van HEEM Wonen te Kerkrade en ten aanzien waarvan gedaagde geen rechtsverhouding met eiseres heeft. 3.1.2. Eiseres stelt subsidiair dat zij door het gelegde beslag haar huurpenningen niet (volledig) aan HEEM Wonen kan betalen en dat daardoor een ontbinding van de huurovereenkomst en gedwongen ontruiming dreigt. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar financiële situatie naar een door haar gezonden brief aan de deurwaarder Adactio van 28 november 2013 (productie 4 bij dagvaarding). Het op de huurtoeslag gelegde beslag is dan ook vexatoir en dient te worden opgeheven, aldus eiseres. 3.2. Gedaagde betwist dat eiseres een geslaagd beroep op artikel 45, lid 1 aanhef en sub a van de Awir toekomt. Volgens gedaagde legt eiseres dit artikel te beperkt uit. Gedaagde verwijst in dit kader mede naar de door haar ter terechtzitting genoemde jurisprudentie (punt 14 e.v. pleitnota) en voert - samengevat - aan dat ook uit hoofde van haar voormalige huurrelatie met eiseres en de op grond daarvan ontstane vorderingen jegens eiseres beslag kan worden gelegd op de huidige huurtoeslag van eiseres. Daarbij behoefde gedaagde niet de beslagvrije voet te berekenen, aldus gedaagde. 3.2.1. Gedaagde betwist verder de gestelde (financiële) noodsituatie van eiseres, respectievelijk de door eiseres gemaakte opstelling in productie 4. Zij stelt dat eiseres, ook met het beslag op de huurtoeslag, alsnog een inkomen ontvangt dat slechts € 12,00 lager is dan de beslagvije voet. Zij heeft aangevoerd dat eiseres de in artikel 475f Rv bedoelde procedure dient te volgen als zij vindt dat haar beslagvrije voet met de huurtoeslag moet worden verhoogd. 3.2.2. Gedaagde heeft tot slot, onder verwijzing naar het door haar overgelegde e-mailbericht van 15 april 2014, gesteld dat tot en met maart 2013 een bedrag van € 853,00 is geïncasseerd. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nog nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen volgt uit de aard van de zaak. 4.2. De inhoud van het vonnis van 17 april 2013 (zaaknr. 504747 CV EXPL 12-10735) productie 1 bij dagvaarding) staat niet ter discussie. Op grond van het vonnis heeft gedaagde jegens eiseres een executoriale titel tot betaling door eiseres van - samengevat en voor zover thans relevant - de huurachterstand vermeerderd met rente, gebruiksvergoeding, rente en proceskosten. Namens gedaagde is op de huurtoeslag van eiseres executoriaal derdenbeslag gelegd om betaling te verkrijgen van - samengevat - de nog niet betaalde proceskosten, executiekosten en rentes. 4.5. Artikel 45, lid 1 aanhef en sub a van de Awir luidt dat een tegemoetkoming (in casu de huurtoeslag) niet vatbaar is voor beslag tenzij het betreft beslag wegens “een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie, waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming.” De voorzieningenrechter begrijpt deze bepaling aldus dat voor betalingsverplichtingen die voortvloeien uit een huurovereenkomst executoriaal beslag mag worden gelegd op de huurtoeslag. De uitleg die eiseres geeft aan deze bepaling – namelijk dat alleen de huidige verhuurder executoriaal beslag zou mogen leggen – is naar het oordeel van de rechtbank te beperkt. De tekst van de wet, noch de wetsgeschiedenis biedt hiervoor een aanknopingspunt. In de memorie van toelichting is ten aanzien van dit artikel vermeld: “Met de in onderdeel a genoemde prestatie van een schuldeiser wordt gedoeld op, bijvoorbeeld, het beschikbaar stellen van een woning door een verhuurder of het verlenen van zorg voor een kind door een gastouder. Als de belanghebbende niet aan zijn betalingsverplichtingen jegens die schuldeisers voldoet, is het billijk dat door hen verhaal kan worden gezocht op de tegemoetkoming. De tegemoetkoming is immers bedoeld de belanghebbende beter in staat te stellen aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen juist als het gaat om die prestaties.” Dat de huurtoeslag bedoeld is voor de het betalen van de lopende huur, is in beginsel juist, doch kennelijk heeft dit uitgangspunt niet geleid tot een algemeen beslagverbod op de huurtoeslag. Nu executoriaal beslag naar zijn aard altijd wordt gelegd ter verkrijging van betaling van “oude” vorderingen en nooit gelegd kan worden ter verkrijging van de lopende huurtermijnen en de wetgever kennelijk executoriaal beslag wegens huurschulden op de huurtoeslag heeft willen toestaan, valt niet in te zien dat dat niet meer mogelijk zou zijn indien de huurrelatie inmiddels is beëindigd. Het enkele feit dat het beslag is gelegd door een voormalige verhuurder, leidt derhalve niet tot het voorshandse oordeel dat dit beslag onrechtmatig moet worden geacht. 4.6. Eiseres heeft subsidiair aangevoerd dat, indien het beslag op de huurtoeslag rechtmatig zou worden geoordeeld, de beslagvrije voet dient te worden verhoogd met het bedrag van de beslagen huurtoeslag. Zij heeft aan deze stelling echter geen vordering verbonden (en gedaagde heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling onbetwist aangevoerd dat hiervoor een andere rechtsgang ex artikel 475 f Rv open staat), zodat onduidelijk is wat zij met deze stelling beoogt. Indien zij heeft bedoeld te stellen dat eiseres door het beslag op de huurtoeslag door gedaagde in een financiële noodsituatie terecht is gekomen en dat daarom het beslag dient te worden opgeheven, dan heeft zij die stelling – zeker in het licht van het daartegen gemotiveerd gevoerde verweer – volstrekt onvoldoende onderbouwd. 4.7. Gelet op al het vorenoverwogene dient de gevorderde opheffing van het beslag te worden afgewezen. 4.8. De onder punt 2 in het petitum van de dagvaarding gevorderde terugbetaling van de namens gedaagde geïncasseerde huurtoeslag dient gelet hierop eveneens te worden afgewezen. 4.9. Eiseres wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagde worden begroot op: - griffierecht € 608,00, - salaris advocaat € 816,00, totaal € 1.424,00. 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen af, 5.2. veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op € 1.424,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen en na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.3. veroordeelt eiseres in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2014. CM
ECLI:NL:RBALM:2009:BH4739
RECHTBANK ALMELO Sector civiel recht zaaknummer: 100100 / KG ZA 09-50 datum vonnis: 3 maart 2009 (sn) Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van: [naam eiseres], wonende te Almere, eiseres, verder te noemen eiseres, advocaat: mr. M.C. Danel, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam B.V.], gevestigd te Hengelo, gedaagde, verder te noemen gedaagde, advocaat: mr. J.D. van Vlastuin. Het procesverloop Eiseres heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding. De zaak is behandeld ter terechtzitting van 24 februari 2009.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/01604 Zitting 14 januari 2022 CONCLUSIE M.H. Wissink In de zaak Stichting Portaal Tegen [huurder] Partijen worden hierna verkort aangeduid als Portaal respectievelijk huurder. In deze zaak is de door Portaal als verhuurder gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming afgewezen. Het cassatiemiddel stelt de reikwijdte van de uitzondering op het beslagverbod van art. 45 lid 1 onder a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) aan de orde. Voorts wordt geklaagd over met de feiten van deze zaak samenhangende vragen betreffende de toerekening en verrekening van betalingen, de grenzen van de rechtsstrijd en de toepassing van de tenzij-bepaling van art. 6:265 lid 1 BW. 1Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: (i) Portaal heeft tot en met september 2020 de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] verhuurd aan huurder.

Hierbij gaat het om zogenaamde sociale verhuur. In oktober 2020 heeft huurder een andere huurwoning betrokken. (ii) Voordat Portaal de dagvaarding in eerste aanleg heeft uitgebracht was huurder al in een vonnis van 17 november 2017 veroordeeld om aan Portaal een huurschuld te betalen van € 622,75 ter zake de huur tot en met oktober 2017, verhoogd met rente en (proces)kosten. Hieronder zal deze schuld 'de oude huurschuld' worden genoemd. In de procedure die tot het vonnis van 2017 leidde, had Portaal eerst ook de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning gevorderd.

Die vorderingen heeft zij echter ingetrokken, kennelijk omdat huurder de dag voor de comparitie in die procedure nog een bedrag van € 800,- bleek te hebben betaald. (iii) In de periode van november 2017 tot het moment van de dagvaarding in eerste aanleg (22 januari 2019) zijn de volgende huurtermijnen verschenen: Maand Bedrag Nov. ’17 € 534,74 Dec. ‘17 € 534,74 Jan. ‘18 € 534,74 Feb. ‘18 € 534,74 Mrt. ‘18 € 534,74 Apr. ‘18 € 534,74 Mei ‘18 € 534,74 Jun. ‘18 € 534,74 Jul. ‘18 € 540,78 Aug. ‘18 € 540,78 Sep.

‘18 € 540,78 Okt. ‘19 € 540,78 Nov. ‘18 € 540,78 Dec. ‘18 € 540,78 Jan. ‘18 € 540,78 Totaal € 8.063,38 Over de daarop volgende periode vanaf de dagvaarding in eerste aanleg tot 1 juni 2019 is huurder de volgende huurtermijnen verschuldigd. Maand Bedrag Feb. ‘19 € 540,78 Mrt. ‘19 € 540,78 Apr. ’19 € 540,78 Mei ’19 € 540,78 Jun. ’19 € 540,78 Totaal € 2.723,91 (iv) In de periode van november 2017 tot 22 januari 2019 heeft huurder de volgende bedragen overgemaakt aan Portaal, onder opgave van de betalingsreden die hieronder telkens achter iedere betaling staat vermeld.

Datum Bedrag Omschrijving bankafschrift 9 jan. ‘18 € 1.000,- [postcode] [a-straat 1] huur van dec. en jan. 22 jan. ’18 € 600,- huur van januari adres [postcode] [a-straat 1] 25 jan. ‘18 € 550,- [a-straat 1] [postcode] [plaats] huur februari 26 mrt. ‘18 € 329,74 [postcode] [a-straat 1] [plaats] huur maart 205 euro incasso bureau betaald 29 mrt. ‘18 € 329,74 huur mei [a-straat 1] [postcode] [plaats] 205 euro naar incasso betaald 24 mei ‘18 € 400,- huur juni [postcode] [a-straat 1] [plaats] 25 juni. ‘18 € 400,- [postcode] [a-straat 1] [plaats] huur van juli 210 euro betaald aan incasso bureau 23 juli.

‘18 € 400,- huur augustus [postcode] [a-straat 1] [plaats] 200 incasso betaald 23 aug ‘18 € 400,- huur september [a-straat 1] [postcode] [plaats] 200 euro incasso bureau betaald 23 okt. ‘18 € 400,- huur van november [a-straat 1] [postcode] 200 aan incasso betaald 21 dec. ‘18 € 600,- huur van [a-straat 1] [postcode] [plaats] januari Totaal € 5.759,48 Over de periode vanaf de dagvaarding in eerste aanleg tot 1 juni 2019 heeft huurder de volgende bedragen overgemaakt aan Portaal, telkens onder opgave van de vermelde betalingsreden.

Datum Bedrag Omschrijving bankafschrift 23 jan. ‘19 € 545,- huur van februari [a-straat 1] [postcode] [plaats] 25 feb. ‘19 € 700,- Huur van maart en openslaande [a-straat 1] [postcode] [plaats] 22 mrt. ‘19 € 700,- huur van april en achterstand [a-straat 1] [postcode] [plaats] 11 apr. ‘19 € 250,- huur van [a-straat 1] [postcode] 18 apr. ‘19 € 300,- huur van [a-straat 1] [postcode] [plaats] 23 apr. ‘19 € 700,- huur van mei en achterstand van huur [a-straat 1] [postcode] [plaats] 23 mei ‘19 € 650,- [a-straat 1] [postcode] [plaats] huur van juni en 100 euro huur achterstand van 2018 Totaal € 3.845,- (v) Portaal heeft met het vonnis in de oude zaak executoriaal beslag gelegd op de huursubsidie-uitkering van huurder, waarmee zij de volgende bedragen heeft geïnd.

Datum Bedrag 26 mrt. ’18 € 205,- 26 apr. ‘18 € 205,- 28 mei ‘18 € 205,- 25 jun. ‘18 € 205,- 26 jul. ’18 € 206,- 24 aug. ’18 € 206,- 26 sep. ’18 € 206,- 7 nov. ’18 € 206,- 28 nov. ‘18 € 137,59 Totaal € 1.781,59 1.2 In eerste aanleg heeft Portaal de ontbinding gevorderd van de huurovereenkomst, de ontruiming van het gehuurde, de betaling van een huurachterstand van € 1.191,69 over de huurperiode tot en met juni 2019 en een vergoeding van € 540,78 per maand vanaf 1 juli 2019 voor het gebruik van de woning tot de ontruiming, vermeerderd met rente en kosten. 1.3 De kantonrechter heeft bij vonnis de vorderingen van Portaal toegewezen met veroordeling van huurder in de proceskosten. 1.4 Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 12 januari 2021 het vonnis van de kantonrechter vernietigd en opnieuw rechtdoende de vorderingen van Portaal afgewezen, met veroordeling van Portaal in de kosten van beide instanties 1.5 Bij procesinleiding van 12 april 2021 – en daarmee tijdig – heeft Portaal cassatieberoep ingesteld.

Er is geen gebruik gemaakt van het voorbehoud in de procesinleiding om het middel aan te vullen na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 13 oktober 2020 en de aantekeningen van de griffier van de voortgezette comparitie in eerste aanleg. Het middel is niet afzonderlijk toegelicht. Huurder is in cassatie niet verschenen en tegen hem is verstek verleend. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel bestaat uit zes klachten. Klacht I betreft het oordeel in rov. 4.2 dat Portaal bepaalde bedragen heeft afgeboekt op de oude huurschuld.

Klacht II betreft het oordeel in rov. 4.3 over de verrekening van de servicekosten. Volgens klacht III is het hof met zijn oordeel in rov. 4.4 dat sprake is van een beslagverbod buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Klacht IV betreft het oordeel over de strekking van de uitzondering op het beslagverbod van art. 45 Awir. Klacht V betreft het oordeel in rov. 4.5 dat de ontbinding niet gerechtvaardigd is. Klacht VI bevat een louter voortbouwende klacht. 2.2 Ik stel het volgende voorop. In zijn arrest maakt het hof een onderscheid tussen de ‘oude huurschuld’ (dat wil zeggen het in rov. 2.2 bedoelde bedrag van € 622,75 ter zake de huur tot en met oktober 2017, waarvoor Portaal een executoriale titel had) en de ‘nieuwe huurschuld’ (dat wil zeggen hetgeen de huurder nog verschuldigd is in de periode van november 2017 tot het moment van dagvaarding in eerste aanleg).

Om de omvang van de nieuwe huurschuld op de peildatum (22 januari 2019) te kunnen berekenen, dient het hof te bepalen of tot de peildatum de verschillende bedragen die (i) in de periode van november 2017 tot 22 januari 2019 door huurder zijn betaald (€5.759,48; rov. 4.2), (ii) door Portaal wegens te veel betaalde voorschotten servicekosten aan huurder verschuldigd waren geworden (€ 25,34 en € 318,65; rov. 4.3) dan wel (iii) door Portaal krachtens het beslag op de huurtoeslag (door het hof huursubsidie genoemd) ontvangen waren (€ 1.781,59; rov. 4.4), moeten worden toegerekend aan de oude dan wel aan de nieuwe huurschuld.

Na te hebben overwogen dat de verschillende bedragen moeten worden toegerekend aan de nieuwe huurschuld (rov. 4.2-4.4) komt het hof in rov. 4.5 tot de volgende berekening van de nieuwe huurschuld: € 8.063,38 (de in de periode van november 2017 tot 22 januari 2019 maandelijks ontstane verplichtingen tot betaling van de huur) verminderd met € 5.759,48 (door huurder verrichte betalingen), verminderd met € 1.781,59 (het door Portaal in 2018 krachtens het beslag op de huurtoeslag geïnde bedrag) en verminderd met € 25,34 en € 318,65 (de vaststelling in 2018 van de in 2017 te veel betaalde servicekosten), zodat resteert als nieuwe huurschuld € 178,32.

Klacht I 2.3 Deze klacht is gericht tegen de laatste volzin van rov. 4.2. Hierin overweegt het hof dat “deze betalingen [van de huurder van in totaal € 5.759,48 in de periode van november 2017 tot 22 januari 2019; plv.] hadden moeten worden afgeboekt op de verschuldigde huurtermijnen over de periode van november 2017 tot 22 januari 2019, en niet op de oude huurschuld”. Volgens de klacht is deze overweging onjuist althans onbegrijpelijk, omdat Portaal deze betalingen wel degelijk heeft afgeboekt op de huurtermijnen over de periode van november 2017 tot 22 januari 2019 en niet op de oude huurtermijnen. 2.4 Klacht I berust op een onjuiste lezing van de bestreden overweging en dient daarom te falen.

De klacht veronderstelt dat het hof heeft geoordeeld dat de bedoelde betalingen door Portaal zijn afgeboekt op de oude schuld. Dit heeft het hof echter niet geoordeeld. Het hof oordeelt in rov. 4.2 slechts, dat de bedragen die in de periode van november 2017 tot 22 januari 2019 door huurder zijn betaald (in totaal € 5.759,48) op de voet van art. 6:43 lid 1 BW dienen te worden toegerekend aan de in die periode maandelijks ontstane verplichtingen tot betaling van de huur (in totaal € 8.063,38), dus aan de nieuwe huurschuld. Op basis van dit uitgangspunt berekent het hof in rov. 4.5 de omvang van de nieuwe huurschuld door de verplichtingen ad € 8.063,38 te verminderen met onder meer het bedrag van € 5.759,48.

Klacht II 2.5 Deze klacht komt op tegen rov 4.3, waarin het hof overwoog: “4.3 [huurder] heeft over de jaren 2017 en 2018 teveel servicekosten betaald. Op 1 mei 2018 en 21 juni 2018 heeft Portaal wegens in 2017 teveel betaalde servicekosten aan [huurder] € 25,34 en € 318,65 toegekend. Ook over het jaar 2018 heeft [huurder] teveel voorschotten betaald. Dit heeft Portaal met hem afgerekend door op 1 mei 2019 aan [huurder] € 595,32 en € 35,26 toe te kennen. Portaal heeft de teveel betaalde servicekosten niet uitbetaald, maar wil deze verrekenen met de oude huurschuld van [huurder]: zie de berekening die haar gemachtigde bij e-mailbericht van 17 juni 2019 aan de advocaat van [huurder] heeft gestuurd.

Deze mededeling dateert echter van kort voor de zitting in eerste aanleg. Van een eerdere mededeling is het hof niet gebleken en evenmin ziet het hof in de processtukken aanwijzingen dat partijen afspraken hebben gemaakt waarmee zij zijn afgeweken van de wettelijke regeling van artikel 6:137 BW in combinatie met artikel 6:43 lid 2 BW. Volgens die wettelijke regeling moest Portaal de teruggave van de servicekosten over 2017 verrekenen met de schuld die voor [huurder] de meest bezwarende schuld was. Dat was de nieuwe huurschuld, omdat die schuld het gevaar van ontbinding en ontruiming opriep. (…).” Het hof heeft vervolgens in rov. 4.5 bij de berekening van de omvang van de nieuwe huurschuld op de verplichtingen ad € 8.063,38 ook in mindering gebracht de bedragen van € 25,34 en € 318,65, die Portaal in 2018 (dus voor de peildatum van 22 januari 2019) had toegekend. 2.6 Volgens klacht II is rov. 4.3 onjuist althans onbegrijpelijk, omdat degene die zich op verrekening beroept in beginsel een vrije keuze heeft welke vordering en schuld hij in zijn beroep op verrekening betrekt.

Dit volgt uit de artikelen 6:127 lid 1 en 6:137 lid 1 BW en sluit aan bij artikel 6:43 lid 1 BW. Men komt pas toe aan artikel 6:43 lid 2 BW als de verrekeningsverklaring onvoldoende aangeeft welke verbintenissen in de verrekening zijn betrokken. Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit het overzicht van 17 juni 2019 blijkt dat Portaal de servicekosten wilde verrekenen met de oude huurschuld, zoals het hof onderkent in rov. 4.3. Dat Portaal pas vlak voor de zitting de verrekeningsverklaring heeft gedaan, is rechtens niet relevant. Evenmin is relevant dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over afwijking van de artikelen 6:137 en 6:43 lid 2 BW, nu partijen daarvan niet zijn afgeweken, aldus de klacht. 2.7 Artikel 6:127 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft, aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering verrekent, beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet gaan.

Artikel 6:137 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een verrekeningsverklaring onvoldoende aangeeft welke verbintenissen in de verrekening zijn betrokken, de volgorde van toerekening zoals aangegeven in de artikelen 6:43 en 6:44 BW geldt. Artikel 6:43 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een schuldenaar een betaling verricht die zou kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens een zelfde schuldeiser, de toerekening geschiedt op de verbintenis welke de schuldenaar bij de betaling aanwijst. Wanneer een dergelijke aanwijzing ontbreekt, bepaalt art. 6:43 lid 2 BW de toerekening van de betaling op de verbintenissen.

De toerekening geschiedt dan in de eerste plaats op de opeisbare verbintenissen. Zijn er meerdere opeisbare verbintenissen, dan geschiedt de toerekening in de eerste plaats op de meest bezwarende en zijn de verbintenissen even bezwarend, op de oudste. Zijn de verbintenissen bovendien even oud, dan geschiedt de toerekening naar evenredigheid. Artikel 6:44 lid BW geeft de imputatieregeling voor geldschulden. Betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente. 2.8 Klacht II slaagt.

Uit rov. 4.3 volgt dat Portaal blijkens de berekening die was gevoegd bij de e-mail van 17 juni 2019 de bedragen aan te veel betaalde servicekosten ad € 25,34 en € 318,65 heeft willen verrekenen met de oude huurschuld. Het hof gaat dus uit van het bestaan van een verrekeningsverklaring die betrekking heeft op de oude huurschuld. De klacht wijst er terecht op dat dit meebrengt dat niet wordt toegekomen aan toepassing van artikel 6:43 lid 2 BW, omdat volgens artikel 6:137 lid 1 BW daaraan pas wordt toegekomen indien de verrekeningsverklaring onvoldoende aangeeft welke verbintenissen in de verrekening zijn betrokken.

In dit verband is niet relevant de omstandigheid dat de verrekeningsverklaring dateert van kort voor de zitting in eerste aanleg. Een verrekeningsverklaring kan immers in beginsel worden uitgebracht zodra en zolang een partij daartoe op grond van. 6:127 lid 1 BW bevoegd is. Het hof heeft niets vastgesteld over omstandigheden die op het bestaan of de uitoefening van deze bevoegdheid van invloed kunnen zijn. Het oordeel in rov. 4.3 geeft hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is het zonder nadere motivering, die ontbreekt, onvoldoende begrijpelijk.

Klacht III 2.9 Deze klacht komt op tegen rechtsoverweging 4.4, waarin het hof heeft geoordeeld dat de bedragen die Portaal in de periode tussen maart 2018 en november 2018 heeft geïnd door de beslaglegging op de huurtoeslag van huurder (in totaal € 1.781,59) niet mogen worden toegerekend aan de oude huurschuld. 2.10 Volgens klacht III is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. De vraag of het beslag nietig is en de daarmee verband houdende vraag of Portaal de geïnde bedragen rechtsgeldig kon afboeken op de oude huurschuld zijn niet in het partijdebat aan de orde gekomen.

De huurder is in de memorie van grieven slechts ingegaan op de vraag in welke volgorde de geïnde bedragen in mindering moeten worden gebracht op de hoofdsom, rente en kosten. Het hof mocht gelet op de reikwijdte van het partijdebat niet (ambtshalve) de rechtmatigheid van het beslag beoordelen. Van een uitzondering op de regels van openbare orde is hier geen sprake, aldus de klacht. 2.11.1 In deze procedure heeft de huurder zich op het standpunt gesteld dat er geen nieuwe huurschuld is, omdat steeds is afbetaald op de lopende huur. De advocaat van huurder heeft in eerste aanleg onder meer aangevoerd dat met de huurtoeslag de oude huurschuld is betaald en dat Portaal de betalingen niet mocht afboeken op de (proces)kosten van de oude zaak, maar wel op eventuele huur die nog openstond (zie het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg van 21 juni 2019, p. 2).

In de memorie van grieven (nr.

10) heeft huurder aangevoerd dat beslag op huurtoeslag alleen mogelijk is voor een huurschuld; en dat ook de betalingen die volgen uit het beslag op de huurschuld in mindering dienen te strekken. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is vervolgens aan de orde gekomen de vraag aan welke schulden de inkomsten uit de huurtoeslag moeten worden toegerekend (zie het proces-verbaal van de zitting van het hof van 13 oktober 2020, p. 2, onderaan). Daarop is een debat gevolgd over de vraag of de wet toelaat om de krachtens het beslag geïnde bedragen toe te rekenen aan de rente en kosten in verband met de incasso van een huurschuld (p. 3).

Tevens heeft de advocaat van de huurder desgevraagd verklaard: “[Huurder] heeft alle huurtermijnen voldaan en een deel van de incassokosten betaald. Dit was ten tijde van de comparitie in eerste aanleg. Vijf maanden na de dagvaarding. Vóór de eerste zitting was er al geen huurschuld meer.” (p. 5). Het hof overweegt in rov. 4.4 onder meer dat huurder heeft aangevoerd dat Portaal geen beslag had mogen leggen op de huursubsidie omdat beslag daarop wettelijk is uitgesloten. 211.2 Het hof kon naar mijn mening uit het voorgaande afleiden, dat het partijdebat niet alleen ging over de vraag of de krachtens het beslag geïnde bedragen slechts konden worden toegerekend aan een huurschuld dan wel ook aan rente en kosten ter zake van een dergelijke schuld.

Er is namelijk ook een verband gelegd met de vraag op welke huurschulden deze bedragen konden worden toegerekend. Dit laatste hing samen met de stelling van huurder dat er geen nieuwe huurschuld is. Het hof geeft dit verkort weer door in rov. 4.4. te overwegen dat huurder heeft aangevoerd dat Portaal geen beslag had mogen leggen op de huursubsidie omdat beslag daarop wettelijk is uitgesloten. Het hof heeft daarom in rov. 4.4 niet de grenzen van het partijdebat overschreden. Klacht III slaagt naar mijn mening niet. Klacht IV 2.12 Deze klacht betreft de uitleg die het hof in rov. 4.4 geeft aan artikel 45 lid 1 onder a Awir en de gevolgen die het hof daaraan vervolgens verbindt.

Na een weergave van deze bepaling en van een passage uit de daarbij behorende memorie van toelichting, overweegt het hof: “Voorop staat dat het door Portaal op de huursubsidie gelegde beslag in beginsel nietig is, dit onder meer om te waarborgen dat de subsidie daadwerkelijk wordt gebruikt voor het doel waarvoor deze aan [huurder] is toegekend. Portaal beroept zich op de uitzondering waarmee zij toch verhaal op de huursubsidie mag zoeken wanneer [huurder] niet zijn betalingsverplichtingen nakomt met het oog waarop de huursubsidie hem is verleend.

De huursubsidie was bedoeld om [huurder] beter in staat te stellen om aan zijn verplichting tot betaling van de lopende huurtermijnen te voldoen. Dat is iets anders dan de voldoening van de huurschuld uit 2017. Zou de huursubsidie worden gebruikt voor de schuld uit andere jaren, zoals Portaal dat heeft gedaan door de beslagopbrengsten op de schuld uit 2018 af te boeken, dan wordt daarmee het tijdgebonden karakter van de huursubsidie miskend. De subsidie, die inkomstenafhankelijk is, wordt immers steeds slechts voor een bepaalde periode toegekend.

Het beslag frustreert daarmee de besteding van de huursubsidie aan de uitgaven waarvoor die wordt verleend. Hier komt bij dat de incasso van de oude huurschuld door de beslaglegging op de huursubsidie logischerwijs een 'nieuwe' huurschuld doet ontstaan: de huursubsidie wordt immers toegekend omdat [huurder] zonder die subsidie de lopende huurtermijnen niet kan betalen. Het vervolgens gebruiken van de aldus gecreëerde nieuwe huurschuld om ontbinding en ontruiming te vorderen maakte het voor [huurder] feitelijk onmogelijk om in de huurwoning te blijven wonen, terwijl Portaal in de procedure die leidde tot het vonnis van 17 november 2017 de vordering tot ontbinding had ingetrokken, met als gevolg dat [huurder] zijn woonrecht nu juist kon behouden.In lijn met de bedoelingen van de wetgever met het verstrekken van de huursubsidie en het beslagverbod zal het hof de door de beslaglegging geïnde huursubsidie dan ook in mindering brengen op de huurvordering die in de onderhavige procedure is ingesteld.

Het hof houdt daarom geen rekening met de kosten van het nietige, althans onrechtmatige beslag.” 2.13 Volgens klacht IV heeft het hof met het oordeel dat geen beslag mag worden gelegd op huurtoeslag voor de voldoening van een oude huurschuld en beslag op huurtoeslag alleen is toegestaan voor de voldoening van lopende huurtermijnen, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd. Een verhuurder kan beslag leggen op huurtoeslag die is verstrekt voor de huur van een bepaalde woning, tot voldoening van de huur van die woning, ongeacht of de huurschuld ‘oud’ of ‘nieuw’ is. (procesinleiding nr. 2.4.1).

Op grond van artikel 3:276 BW kan een schuldeiser zijn vordering verhalen op alle goederen van zijn schuldenaar, tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt. Op grond van artikel 45 lid 1 onder a Awir kan beslag worden gelegd op huurtoeslag die is verstrekt voor de huur van een bepaalde woning, voor een huurvordering ter zake van die woning. (procesinleiding nr. 2.4.2.) Uit artikel 22 lid 7 Awir blijkt ook dat beslag op een tegemoetkoming niet tijdvakgebonden is (procesinleiding nr. 2.4.3). De klacht betoogt voorts, samengevat, dat het oordeel dat het door Portaal gelegde beslag op de huurtoeslag voor de “oude huurschuld” nietig is, onjuist althans onbegrijpelijk is, dat het hof de (ratio van) de wettelijke uitzondering van artikel 45 lid 1 onder a Awir miskend en dat er geen sprake is van “een te ver verwijderd verband” bij het beslag op de huurtoeslag ten behoeve van de inning van de hier aan de orde zijnde “oude huurschuld”. (procesinleiding nrs. 2.4.7-3.4.11) Een verhuurder als Portaal mag in ieder geval binnen de met de huurder bestaande rechtsverhouding (het lopende huurcontract) beslag leggen op de huurtoeslag ter incassering van de oude huurschuld en de in verband daarmee gemaakte proces- en buitengerechtelijke kosten, die de rechter bij zijn uitspraak heeft vastgesteld. (procesinleiding nr. 2.4.12) 2.14 Ik schets het juridisch kader alvorens deze klacht te bespreken.

Op grond van artikel 3:276 BW kan een schuldeiser zijn vordering verhalen op alle goederen van zijn schuldenaar, tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt. Volgens artikel 475a Rv strekt een executoriaal derdenbeslag zich niet uit tot, onder meer, vorderingen die volgens de wet niet voor beslag vatbaar zijn. Artikel 45 Awir bevat een dergelijk beslagverbod. 2.15 Aanvankelijk bepaalde artikel 32 Huursubsidiewet: “1. De huursubsidie is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, behoudens dat beslag is toegestaan met het oog op de inning van de huur. 2.Elk beding, strijdig met het eerste lid, is nietig.” Deze bepaling is destijds als volgt toegelicht:

“Overdracht van de bijdrage die in allerlei vormen kan geschieden, brengt administratief nogal wat rompslomp te weeg. Zij is ook in strijd met de gedachte die aan de huursubsidie ten grondslag ligt, namelijk dat de huurder die subsidie nodig heeft om te kunnen wonen. Dit geldt ook voor het beslag op de bijdrage. Om deze reden wordt een beslag op de bijdrage wettelijk uitgesloten. Om elke twijfel uit te sluiten dat partijen geen beding in strijd met het eerste lid kunnen maken, wordt in het tweede lid bepaald dat een dergelijk beding nietig is.” Een vergelijkbare bepaling in artikel 41 Wet kinderopvang (Stb. 2004/455) kende vanaf de aanvang een uitzondering op het (beslag)verbod voor (destijds) vorderingen van houders of gastouders ter zake van verleende kinderopvang of van het Rijk, de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Hieraan lag ten grondslag: “De tegemoetkoming is bedoeld voor kinderopvang; daarom kan in het kader van de betaling van die kinderopvang, wel cessie, beslag en dergelijke plaatsvinden.” 2.16 Bij de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is de Wet op de huursubsidie vernoemd tot Wet op de huurtoeslag en spreekt die wet niet langer van huursubsidie, maar van huurtoeslag. De Awir beoogt inkomensafhankelijke regelingen, met name voor zorg, kinderen en wonen, verder te stroomlijnen. In verband daarmee is artikel 32 Huursubsidiewet vervallen en bepaalt artikel 1a onder a van de Wet op de huurtoeslag, kort gezegd, dat op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing is. 2.17.1 Artikel 45 Awir bepaalt:

“1. Een tegemoetkoming is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tenzij het betreft beslag wegens: a. een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming; b. een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering dat betrekking heeft op dezelfde inkomensafhankelijke regeling.

De uitzondering opgenomen in onderdeel a van dit lid is niet van toepassing met betrekking tot een tegemoetkoming in het kader van de Wet op het kindgebonden budget.

2. Bij een beslag als bedoeld in het eerste lid is artikel 475c, tweede lid, niet van toepassing.

3. Elk beding dat strijdt met het eerste lid is nietig.” 2.17.2 In de Memorie van Toelichting is bij artikel 44, thans artikel 45 Awir, opgenomen: “Artikel 44 Beslagverbod Ter bescherming van de belanghebbende en om te waarborgen dat de toegekende tegemoetkoming daadwerkelijk wordt aangewend voor het doel waarvoor deze is bestemd, is in dit artikel geregeld dat de in civielrechtelijke zin gebruikelijke rechtshandelingen met betrekking tot vermogensbestanddelen niet het daarmee beoogde rechtsgevolg hebben als het gaat om de tegemoetkoming. De Huursubsidiewet en de Wet kinderopvang bevatten tot aan de inwerkingtreding van deze wet een soortgelijke bepaling.

In een tweetal gevallen geldt hierop een uitzondering. Met de in onderdeel a genoemde prestatie van een schuldeiser wordt gedoeld op, bijvoorbeeld, het beschikbaar stellen van een woning door een verhuurder of het verlenen van zorg voor een kind door een gastouder. Als de belanghebbende niet aan zijn betalingsverplichtingen jegens die schuldeisers voldoet, is het billijk dat door hen verhaal kan worden gezocht op de tegemoetkoming. De tegemoetkoming is immers bedoeld de belanghebbende beter in staat te stellen aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen juist als het gaat om die prestaties.

Het bepaalde in onderdeel b bestendigt de lijn zoals die ook is opgenomen in de verrekeningsbevoegdheid van de Belastingdienst Toeslagen om een nog uit te betalen tegemoetkoming te kunnen aanwenden ten behoeve van de voldoening van een terug te vorderen bedrag terzake van een eerder uitbetaalde tegemoetkoming in het kader van dezelfde regeling.” 2.17.3 De laatste volzin van artikel 45 lid 1 Awir is later ingevoegd om beslag op het kindgebonden budget geheel uit te sluiten. In de toelichting ook een opmerking gemaakt over de positie van de verhuurder:

“Daarnaast wordt een onderdeel toegevoegd, waarin artikel 45 van de Awir wordt gewijzigd. In artikel 45 van de Awir is opgenomen dat een beslagverbod geldt voor tegemoetkomingen op grond van de Awir tenzij het betreft een beslag wegens een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij die betalingsverplichting de oorzaak is van de tegemoetkoming (zie het eerste lid, onderdeel a, van artikel 45 van de Awir). Dit betekent bijvoorbeeld dat indien een huurder zijn huur niet betaalt, beslag gelegd kan worden op zijn huurtoeslag.

Voor het kindgebonden budget geldt dat er niet een specifieke kostenpost te benoemen is waarvoor het kindgebonden budget wordt gegeven. Immers, het kindgebonden budget ziet op een categorie van kosten, namelijk de kosten voor kinderen. Indien de hierbedoelde bepaling ook van toepassing zou zijn op het kindgebonden budget, dan zou dat betekenen dat vele schuldeisers beslag zouden kunnen leggen op dat kindgebonden budget. Er zijn ten slotte vele kostenposten die verband houden met kinderen. Dit acht het kabinet niet wenselijk. Om die reden wordt in deze bepaling een volzin toegevoegd die ertoe leidt dat de uitzondering opgenomen in onderdeel a niet van toepassing is op het kindgebonden budget.

Dit betekent in feite dat er voor kindgebonden budget een algeheel beslagverbod geldt.” 2.17.4 Het tweede lid van artikel 45 Awir is ingevoegd bij de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en verwijst naar artikel 475c lid 2 Rv. In de Memorie van Toelichting is hierover opgemerkt: “Met de wijziging van artikel 45 Awir wordt een nieuw tweede lid ingevoegd. Hierin wordt geregeld dat voor beslag op tegemoetkomingen als bedoeld in de Awir de in Rv voorgeschreven volgorde niet van toepassing is. Zou de volgorde regeling hier wel onverkort op van toepassing zijn dan zou beslag op dit inkomensbestanddeel gezien zijn positie in de volgorde vrijwel niet tot de mogelijkheden behoren, daar waar de beperkte mogelijkheden tot beslaglegging, zoals vormgegeven in artikel 45 Awir, juist de zorgverzekeraar, de kinderopvanginstelling dan wel de huidige verhuurder een extra verhaalsmogelijkheid willen geven, voor zover hier met in acht name van de beslagvrije voet ruimte voor is.” 2.17.5 Artikel 22 lid 7 Awir is eveneens later ingevoegd.

Deze bepaling maakt het mogelijk beslag te leggen op een voorschot op een toeslag, hetgeen voor de Belastingdienst/Toeslagen een besparing op de uitvoeringskosten meebrengt. 2.18 Uit het voorgaande blijkt dat het in artikel 45 lid 1 Awir opgenomen (beslag)verbod strekt “[t]er bescherming van de belanghebbende en om te waarborgen dat de toegekende tegemoetkoming daadwerkelijk wordt aangewend voor het doel waarvoor deze is bestemd”. De onder a van die bepaling opgenomen uitzondering op het (beslag)verbod voor “een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming” stelt bepaalde schuldeisers in staat verhaal te nemen op de met hun prestatie samenhangende tegemoetkoming.

De uitzondering op het (beslag)verbod volgt daarmee de ratio van het verbod, in zoverre dat “[d]e tegemoetkoming is (…) bedoeld de belanghebbende beter in staat te stellen aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen juist als het gaat om die prestaties.” Hiervan is onder meer sprake bij “het beschikbaar stellen van een woning door een verhuurder” respectievelijk wanneer “een huurder zijn huur niet betaalt”. In de opvatting van de wetgever wordt er dus een inhoudelijk verband gelegd tussen enerzijds de vordering van de verhuurder ter zake van diens prestatie en anderzijds de toeslag die beoogt de huurder in staat te stellen deze vordering te voldoen.

Er wordt geen temporeel verband gelegd tussen de vordering en de toeslag, in die zin dat de uitzondering op het (beslag)verbod slechts zou gelden voor zover het betreft een (huur)toeslag voor de periode waarop de betreffende (huur)vordering ziet. Dat is verklaarbaar, omdat bij een executoriaal beslag sprake zal zijn van schulden die zijn ontstaan in het verleden en waarvoor een titel is verkregen die ten uitvoer kan worden gelegd. 2.19.1 In de rechtspraak wordt de in artikel 45 lid 1 onder a Awir opgenomen uitzondering op het (beslag)verbod restrictief uitgelegd.

Zo is de uitzondering door het Hof ‘s-Hertogenbosch Bosch niet van toepassing geacht op huurtoeslagen die gelden als tegemoetkoming voor huurverplichtingen uit hoofde van een andere huurovereenkomst (voor een andere woning). 2.19.2 De uitzondering is voorts door het Hof Amsterdam niet van toepassing geacht op beslag tot verhaal van een vordering van een voormalige verhuurder, die de verhuurde woning had overgedragen zodat de huurovereenkomst krachtens artikel 7:226 BW wordt voortgezet door de verkrijger van de woning als nieuwe verhuurder. Het hof achtte het niet billijk dat de voormalige verhuurder langs de weg van executoriaal beslag de huurtoeslag zou innen, met als gevolg dat de toeslag niet ten goede kan komen aan voldoening van de betalingsverplichtingen van de huurder aan de huidige verhuurder, die de betreffende prestatie levert.

De annotator bij deze uitspraak merkt op dat de huurder huurtoeslag krijgt op basis van de geleverde prestatie door de huidige verhuurder, zodat de oorzaak van de huurtoeslag niet een betalingsverplichting aan de voormalige verhuurder is, maar een betalingsverplichting aan de nieuwe verhuurder. In een dergelijke situatie sluipt een temporeel element in de toepassing van de uitzonderingsbepaling van artikel 45 lid 1 onder a Awir. Het is echter niet dit element, maar de wisseling van de partij die de prestatie levert die verklaart waarom de voormalige verhuurder voor zijn ‘oude’ vordering geen beslag kan leggen op de lopende huurtoeslag. 2.19.3 Hof Den Haag 26 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1183, betrof een geval dat lijkt op het geval in deze cassatieprocedure.

In een eerdere procedure was de huurder veroordeeld tot betaling van een huurachterstand, vermeerderd met rente en kosten (‘vonnis I‘). De verhuurder legde beslag op de lopende huurtoeslag tot verhaal van deze ‘oude’ huurschuld. Toen vervolgens weer een huurachterstand ontstond, vorderde de verhuurder ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming. De huurder betwistte niet dat de verhuurder beslag op de huurtoeslag mocht leggen tot verhaal van de ‘oude’ schuld, maar betoogde dat bij de toepassing van de tenzij-bepaling van artikel 6:265 lid 1 BW moest meewegen dat de nieuwe achterstand was veroorzaakt door het beslag op de lopende huurtoeslagen.

Het hof overwoog daarover: “9. [appellant] heeft betoogd, naar het hof begrijpt, dat het beslag dat is gelegd ter verhaal van vonnis I, bij de beoordeling van de uitzonderingsgrond moeten worden ‘weggedacht’, althans tenminste voor zover daarmee de kosten zijn verhaald, en wel in die zin dat het bedrag aan huurachterstand eerst fictief moet worden verminderd met het in beslag genomen bedrag (althans voor zover dit bedrag is aangewend ter verhaal van kosten uit vonnis I), waarna slechts de aldus verkregen (geringere) huurachterstand moet worden beoordeeld op de aspecten aard en ernst van de tekortkoming (in de zin van artikel 6:265, eerste lid BW).

In zijn algemeenheid gaat dit betoog naar het oordeel van het hof te ver. Wél is het hof van oordeel dat voor zover het beslag is aangewend ter verhaal van kosten in het lopende huurcontract, dit een omstandigheid is die dient te worden meegewogen bij alle omstandigheden van het geval.” 2.20 In de literatuur wordt niet bestreden dat de verhuurder bij een lopende huurovereenkomst beslag kan leggen op de huurtoeslag tot verhaal van een in het verleden ontstane huurschuld waarvoor de verhuurder een executoriale titel heeft verkregen. Wel wordt gesignaleerd dat dit tot gevolg kan hebben dat de huurder daardoor in de problemen komt met de betaling van de lopende huurtermijnen.

Van der Putten en Van Zanten merken hierover op: “De keuze van de wetgever om de verhuurder de bevoegdheid te geven beslag op de huurtoeslag te leggen, is op zichzelf niet zo vreemd. Er is immers een huurschuld ontstaan en kennelijk is de huurtoeslag niet aan de huur besteed. Eenzelfde redenering geldt voor de zorgverzekeraar en de kinderopvanginstelling. De uitwerking van het beslag heeft echter onwenselijke gevolgen. Aan het beslag ligt een vonnis ten grondslag waarbij de rechter aan een achterstand een executoriale titel heeft verleend. Door vervolgens beslag op een toeslag te leggen, worden de geïnde toeslagen afgeboekt op deze achterstand.

De kans is erg groot dat de lopende betalingsverplichtingen hierdoor niet meer voldaan kunnen worden. Wel zal met invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet direct een beslagvrije voet gaan gelden en is een verzoek hiertoe op basis van art. 475f Rv bij de kantonrechter niet meer nodig. Bij een combinatie van beslag op toeslag en loonbeslag of verrekening zal gelden: wie het eerst komt, het eerst maalt. Wanneer eerst beslag op een toeslag en later loonbeslag wordt gelegd, dan moet bij het loonbeslag rekening worden gehouden met het beslag op de toeslag.

En vice versa. Een gemiste kans, want de wetswijziging lost de kern van het probleem niet op, te weten dat beslag op de toeslag de lopende betalingsverplichting doorkruist. Dit kan voorkomen worden door in plaats van beslag op toeslagen, verhuurders, zorgverzekeraars en kinderopvanginstellingen bij een achterstand een zelfstandig recht te geven om de toeslag rechtstreeks te innen om daarmee de lopende verplichting te voldoen.” 2.21 Het hof overweegt in rov. 4.4 op zichzelf terecht dat de huurtoeslag (huursubsidie) is bedoeld om de huurder in staat te stellen om aan zijn verplichting tot betaling van de lopende huurtermijnen te voldoen en dat huurtoeslag slechts voor een bepaalde periode wordt toegekend.

De huurtoeslag wordt per berekeningsjaar toegekend en is onder meer afhankelijk van de draagkracht. Het hof verbindt hieraan de conclusie dat de over een bepaald jaar toegekende huurtoeslag niet mag dienen als verhaalsobject voor een over een ander (dat wil zeggen eerder) jaar ontstane huurschuld. Anders frustreert het beslag de besteding van de huurtoeslag aan de uitgaven waarvoor die wordt verleend. In deze procedure maakt het hof een onderscheid tussen ‘de oude huurschuld’ tot en met oktober 2017 (waarover tussen partijen eerder een procedure is gevoerd die eindigde met het vonnis van de kantonrechter van 17 november 2017 dat Portaal ten uitvoer kan leggen) en ‘de nieuwe huurschuld’ (die ziet op de periode november 2017 tot 22 januari 2019 en waarover deze procedure gaat).

Zou de huurtoeslag over 2018 worden gebruikt voor een schuld uit 2017, dan wordt volgens het hof het tijdgebonden karakter van de huurtoeslag miskend. Het hof brengt de in 2018 door Portaal op grond van het beslag geïnde bedragen aan huurtoeslag daarom in mindering op de huurvordering die in de onderhavige procedure is ingesteld. 2.22 In de rechtsopvatting van het hof bevat de in artikel 45 lid 1 onder a Awir bedoelde uitzondering op het beslagverbod een temporeel element. Dit element komt niet voor in de tekst van deze bepaling, Uit de toelichting op deze bepaling blijkt niet, dat bij de totstandkoming van deze bepaling aan een dergelijke temporeel element is gedacht of dat een verband is gelegd tussen de uitzondering op het beslagverbod en het gegeven dat de huurtoeslag jaarlijks wordt toegekend.

Nog bij herziening van de regeling van de beslagvrije voet is overwogen dat “de beperkte mogelijkheden tot beslaglegging, zoals vormgegeven in artikel 45 Awir, juist (…) de huidige verhuurder een extra verhaalsmogelijkheid willen geven, voor zover hier met in acht name van de beslagvrije voet ruimte voor is.” Het blijkt niet dat de wetgever een verband heeft gelegd tussen de uitzondering op het beslagverbod en het gegeven dat de huurtoeslag jaarlijks wordt toegekend. 2.23 Zie ik het goed, dan brengt de rechtsopvatting van het hof mee dat een verhuurder beslag kan leggen op de huurtoeslag in een bepaald jaar voor de huurschuld in dat jaar.

Dat biedt een beperkte verhaalsmogelijkheid voor een verhuurder die in de loop van enig jaar een executoriale titel heeft verkregen ter zake van een in dat jaar ontstane huurschuld. De omvang van deze verhaalsmogelijkheid wordt dan bepaald door het moment waarop de titel wordt verkregen en het executoriale beslag op de toeslag kan worden gelegd. In veel gevallen resteert in deze opvatting echter geen mogelijkheid om beslag te leggen op de huurtoeslag. 2.24 Ik meen dat het middel terecht klaagt dat rov. 4.4 is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting, omdat artikel 45 lid 1 onder a Awir toelaat dat de verhuurder binnen een met de huurder bestaande rechtsverhouding (het lopende huurcontract) beslag legt op de huurtoeslag ter incassering van een huurschuld.

Klacht IV slaagt in zoverre. 2.25 In zijn in cassatie bestreden arrest heeft het hof geen oordeel gegeven over de vraag of het beslag, voor zover dat wordt toegelaten door artikel 45 lid 1 onder a Awir, ook betrekking heeft op de rente en kosten ter zake van de huurschuld waarvoor het beslag op de huurtoeslag kan worden gelegd. Het hiervoor in 2.19.3 genoemde arrest van het Hof Den Haag 26 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1183, overwoog daarover: “(…) Naar het oordeel van het hof dienen onder deze huurschulden in beginsel ook begrepen te worden de in verband daarmee gemaakte proces- en buitengerechtelijke kosten, die de rechter bij zijn uitspraak heeft vastgesteld.

Niet valt immers in te zien dat de kosten die de verhuurder heeft moeten maken om zijn huurvordering te incasseren en die door de rechter zijn toegekend, niet onder de uitzondering van artikel 45, aanhef en onder a. Awir zouden vallen. (…)” Ik ben geneigd dot standpunt te onderschrijven. De incasso van schulden gaat nu eenmaal gepaard met rente en kosten. Artikel 6:44 lid 1 BW gaat daar ook vanuit. Artikel 45 lid 1 onder a Awir noch de toelichting daarop geven aanleiding om anders te oordelen. Zou het beslag op de huurtoeslag alleen de hoofdsom omvatten en niet de bedragen voor rente en kosten, dan zal de verhuurder vermoedelijk andere maatregelen dienen te treffen om die bedragen te incasseren, zoals een executoriaal beslag op andere goederen van de huurder, met alle extra kosten van dien. 2.26 Het hof heeft in rov. 4.4 voorts aandacht besteed aan de omstandigheden dat de incasso van de ‘oude’ huurschuld door de beslaglegging op de huurtoeslag door Portaal een ‘nieuwe’ huurschuld doet ontstaan, dat Portaal haar vorderingen tot ontbinding en ontruiming op deze nieuwe schuld baseert en dat dit het voor de huurder feitelijk onmogelijk maakt om in de huurwoning te blijven wonen, terwijl Portaal in de procedure die leidde tot het vonnis van 17 november 2017 de vordering tot ontbinding had ingetrokken, met als gevolg dat huurder zijn woonrecht nu juist kon behouden.

Dergelijke omstandigheden kunnen worden gewogen in het kader van de tenzij-bepaling van artikel 6:265 lid 1 BW. Bij beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Zo kan ten gunste van de schuldenaar bijvoorbeeld rekening worden gehouden met het feit dat hij na het intreden van zijn verzuim de achterstallige bedragen alsnog heeft betaald, met de aard van de desbetreffende overeenkomst, met de aard en betekenis van het beding in de naleving waarvan de schuldenaar is tekortgeschoten of met de omstandigheid dat de schuldenaar zich niet bewust was van de tekortkoming, het bestaan van een voor de schuldenaar minder bezwaarlijke mogelijkheid van redres, het belang van sociale woningbouwverenigingen of -stichtingen om de woning beschikbaar te krijgen ten behoeve van anderen die aangewezen zijn op een sociale huurwoning en het belang van de huurder om het ingrijpende gevolg van ontbinding en ontruiming te vermijden.

Overige klachten; slotsom 2.27 Klacht V komt op tegen rov. 4.5 en 4.6, waarin het hof concludeert dat de ontbinding niet gerechtvaardigd was. De klacht (in de procesinleiding nr. 2.5.2) dat voor zover voorgaande klachten slagen deze rechtsoverwegingen evenmin in stand kunnen blijven, slaagt. Klacht VI bevat een op de voorgaande klachten louter voortbouwende klacht die is gericht tegen met name de rov. 4.6 tot en met 5.3 en het eindoordeel in rechtsoverweging 6. Gezien het slagen van onderdeel II en IV, slagen ook de klachten V en VI. 2.28 De slotsom is dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en dat de zaak dient te worden verwezen naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing. 3Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Plv. Vgl. het in cassatie bestreden het arrest, Hof Arnhem-Leeuwarden 12 januari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:205, JHV 2021/10 m.nt. A. Machielse, rov.

2. Stb. 1997/197. Kamerstukken II, 1996-1997, 25 090, nr. 3, p. 39 (artikel 31 in het wetsvoorstel). Een houder is degene die een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert (artikel1 lid 1 onder m Wet kinderopvang). Kamerstukken II, 2001–2002, 28 447, nr. 3, p.

76. Wet van 23 juni 2005 tot wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang, de Huursubsidiewet en enige andere wetten, Stb. 2005/345, artikel IV. MvT, Kamerstukken II, 2004–2005, 29 764, nr. 3, p. 1; H.C.I. Rietman, Module Inkomensafhankelijke regelingen, regeling Awir, aant. 1.1; Lexplicatie, commentaar op Awir, Inleiding; I. Lunenburg & H.W.M. Nacinovic, PS-Special Armoedebestrijding, 2012, p.

87. Art. I onder DD respectievelijk onder B van de Wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen), Stb. 2005/343. Kamerstukken II, 2004-2005, 29 764, nr. 3, p.

63. Wet van 20 december 2007, houdende wijzigingen van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Stb. 2007/563); Kamerstukken II, 2007-2008, 31 206, nr. 15, p. 7-8. Wet van 8 maart 2017 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten in verband met een vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Wet vereenvoudiging beslagvrije voet(, Stb. 2017/110. Art. 475c lid 2 Rv ging luiden: “De beslaglegger legt beslag op de vorderingen tot periodieke betaling, bedoeld in het eerste lid, in de volgorde van de onderdelen in dit lid. Indien sprake is van meerdere vorderingen tot periodieke betaling binnen een onderdeel gaat de hoogste vordering voor.” Kamerstukken II, 2016-2017, 34 628, nr. 3, p.

76. Wet van 23 december 2010 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2011), Stb. 2010/873; Kamerstukken II, 2010–2011, 32 505, nr. 3, p.

45. Terzijde: de aanpassingen van de Awir in verband met de “kindertoeslagaffaire” (Stb. 2020, 543) staan los van art. 45 Awir. Hof ‘s-Hertogenbosch 15 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2173, WR 2014/120 m.nt. J.M. Huber, rov. 3.9. In deze zin ook Rb. Den Haag 22 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7217, rov. 3.5. Vgl. anders Rb. Limburg 29 april 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:4044, rov. 4.5, en i.v.m. kinderopvangtoeslag Rb. Almelo 3 maart 2009, ECLI:NL:RBALM:2009:BH4739, rov.

4. Hof Amsterdam 22 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3889, WR 2015/3 m.nt. J.M. Huber, rov. 3.6. Vgl. H.G. Punt, Memo beslagrecht, 2020, p. 47 en 394; Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/24 en voorts de in de volgende voetnoot genoemde literatuur. N. Jungmann, A.J. Moerman, H.D.L.M. Schruer & I. van den Berg, Rapport Paritas Passé, maart 2012, p. 80 e.v.; A. Moerman, De waanzin van beslag op toeslag, Tijdschrift voor Schuldsanering 2015/2, p.

7. S.J.W. van der Putten & M.R. van Zanten, Compendium Beslag- en executierecht, 2018, nr. 8.4. De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (art. 475b e.v. Rv) is in werking getreden op 1 januari 2021. Zie A.J. Gieske, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 475b Rv, aant. 1.b en 5. De voetnoot bij dit citaat vermeldt: “Voor zorgverzekeraars heeft de Tweede Kamer al een amendement aangenomen waardoor art. 18aa Zorgverzekeringswet regelt dat bij of krachtens AMvB te stellen voorwaarden de zorgtoeslag rechtstreeks aan de zorgverzekeraar uitbetaald kan worden indien er een premieachterstand van drie maanden is (Kamerstukken II, 2014-2015, 33 683, nr. 43).

Eenzelfde regeling zou ook ingevoerd kunnen worden voor verhuurders en kinderopvanginstellingen.” Artikel 18aa Zorgverzekeringswet voorziet vanaf 1 juli 2016 in een dergelijke mogelijkheid, die beoogt dat zwaardere maatregelen (het bestuursrechtelijk regime als bedoeld in artikel 18c e.v. Zvw) voorkomen kunnen worden. Zie Kamerstukken II 2014/15, 33683, 53, p. 2; C.C. Beerepoot, Lexplicatie, commentaar op art. 18aa Zvw. Artikel 1a Wet op de huurtoeslag in verbinding met de artikel 2 lid 1 onder b Awir. Artikelen 7 en 14 Wet op de huurtoeslag. Zie A.

Machielse in haar noot onder dit arrest in JHV 2021/10. Vgl. ook artikel 18a lid 1 onder b Zorgverzekeringswet (een betalingsregeling na twee maanden achterstand omvat mede afspraken inzake de afwikkeling van de uit de zorgverzekering voortvloeiende schulden van de verzekeringnemer aan de zorgverzekeraar, inclusief rente en incassokosten). Artikel 18f Zorgverzekeringswet biedt een grondslag waarop het CAK de bestuursrechtelijke premie kan innen. Artikel 8 lid 6 van de Beleidsregels CAK inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2018 bepaalt:

“Het CJIB zal, namens het CAK, de kosten van invordering en beslaglegging in verband met de invordering van het saldo op de eindafrekening bij de verzekeringnemer in rekening brengen.” Vgl. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810, NJ 2019/446 m.nt. J. Hijma, JBPr 2018/61 m.nt. F.J.P. Lock, TBR 2018/197 m.nt. S. van Gulijk, AA20190293 m.nt. H.N. Schelhaas, JHV 2018/29 m.nt. T. Gardenbroek, Jurisprudentie Grondzaken 2018/255 m.nt. F.M.A. van der Loo (Tenzij-arrest), rov. 3.8.2, 3.8.3 en 3.9.