Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2022:202 ECLI:NL:PHR:2022:202 AI generated

ECLI:NL:PHR:2022:202 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2022:202
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/04528 U Zitting 8 maart 2022 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, hierna: de opgeëiste persoon. I. Inleiding De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 27 oktober 2021 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Israël toelaatbaar verklaard “ten behoeve van de strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals vermeld op het tussen [ ] geplaatste deel van de bijlage”.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6 EVRM, artikel 13 EVRM, artikel 1 EVRM, art. 6 EVRM, art. 1 EVRM, art. 13 EVRM; ECLI:NL:PHR:2022:202 · Parket bij de Hoge Raad: Daar wordt voorts – uiteraard wederom met verwijzingen naar de rechtspraak van het EHRM – aan deze kwalificatie het volgende toegevoegd: “A flagrant denial of justice goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial proceedings such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State itself. What is required is a breach of the principles of a fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article […].” 11.

Keywords

AI generated
artikel 6 EVRM artikel 13 EVRM artikel 1 EVRM art. 6 EVRM art. 1 EVRM art. 13 EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 6 EVRM
zo gering, dat geconcludeerd moet worden dat bij uitlevering van client het ernstige risico bestaat op een flagrante inbreuk op zijn in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op berechting binnen een redelijke termijn.
artikel 13 EVRM
Tevens staat de opgeëiste persoon ten aanzien van de schending geen rechtsmiddel, als bedoeld in artikel 13 EVRM ter beschikking in Israël.
artikel 1 EVRM
6, eerste lid, EVRM en het bepaalde in art. 14, derde lid onder c, IVBPR.
art. 6 EVRM
zo gering, dat geconcludeerd moet worden dat bij uitlevering van client het ernstige risico bestaat op een flagrante inbreuk op zijn in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op berechting binnen een redelijke termijn.
art. 1 EVRM
6, eerste lid, EVRM toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren in de weg staat aan nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering.
art. 13 EVRM
Het is in dat licht ook begrijpelijk dat de Hoge Raad een tweede eis voor een uitzondering op het vertrouwensbeginsel stelt en wel dat: (b) naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art.
artikel 13 van het EVRM
overwoog het EHRM dat artikel 13 van het EVRM de beschikbaarheid garandeert op nationaal niveau van een rechtsmiddel om de inhoud van de rechten en vrijheden van het Verdrag, in welke vorm dan ook, af te dwingen in de nationale rechtsorde.
art. 3 EVRM

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2003:AF3312
De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar verklaard.
ECLI:NL:PHR:1990:AD1143
ECLI:NL:PHR:1991:AB9063
ECLI:NL:HR:2003:AE5288
8 juli 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U ABG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De procesgang 1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 20 mei 2003. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage vernietigd voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment, afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998, omschreven klacht ontoelaabaar is verklaard. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. 1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 is de opgeëiste persoon verschenen en is hij gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Wladimiroff, advocaat te 's-Gravenhage, die voor hem het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities. Ook heeft de opgeëiste persoon zelf het woord ter verdediging gevoerd. Zijn pleitnotities zijn eveneens aan voornoemd proces-verbaal gehecht. De Advocaat-Generaal Jörg heeft een schriftelijke samenvatting gegeven die ertoe strekt de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 toelaatbaar te verklaren. 2. Het verzoek tot uitlevering 2.1. Het hernieuwde verzoek tot uitlevering, verder aan te duiden als het verzoek, is gedaan bij nota no. 15 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 6 februari 2001, gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In dit verzoek wordt verwezen naar het hieronder onder 2.3 (i) nog te noemen, reeds eerder gedane, doch ingetrokken, verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon voor dezelfde strafbare feiten. 2.2. Het verzoek, voorzover thans nog aan de orde, strekt tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten 2 en 3, aangeduid als "prohibited foreign trade practices" en omschreven in de hieronder onder 2.3 (v) vermelde "affidavit in support of request for extradition" op p. 3 onder a t/m o. 2.3. De verzoekende staat heeft bij het verzoek de navolgende stukken overgelegd: (i) een nota no. 24 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 4 mei 2000 inhoudende een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging; (ii) een door de Assistant Authentication Officer, Department of State, gecertificeerde verklaring van Madeleine K. Albright, Secretary of State van 20 april 2000 dat het hierna onder (iii) genoemde document het zegel van het Department of Justice van de Verenigde Staten van Amerika draagt; (iii) een door de Director/Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division of the United States Department of Justice gecertificeerde verklaring van 19 april 2000 van Janet Reno, Attorney General of the United States, dat Russel Bikoff zowel ten tijde van de ondertekening van het daaraan gehechte document als ten tijde van het opmaken van de onderhavige verklaring Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division, U.S. Department of Justice, Washington DC, was; (iv) een verklaring van 19 april 2000 houdende de certificering door voornoemde Russel Bikoff van de onder (v) genoemde verklaring en onder (vi) genoemde bijlagen; (v) een door John M. Facciola, United States Magistrate Judge, beëdigd en door Philip Urofsky, employed by the United States Department of Justice as a Trial Attorney in the Criminal Division, op 31 maart 2000 afgelegde verklaring tot staving van het verzoek om uitlevering waarin is opgenomen de identiteit van de opgeëiste persoon, de nationaliteit, de vermoedelijke verblijfplaats, een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht met vermelding van plaats en tijd ervan, het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, de wettelijke omschrijving en de toepasselijke Amerikaanse strafbepalingen; (vi) de bijlagen, gevoegd bij de onder (v) genoemde verklaring: a. een gewaarmerkt afschrift van een Superseding Indictment van de United States District Court for the District of New Jersey, van 11 september 1998, houdende een nader overzicht van de feiten en het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, ondertekend door Nicholas R. Abitante, foreperson van de Grand Jury, en Faith S. Hochberg, United States Attorney; b. een gewaarmerkt afschrift van een door Anne E. Thompson, Chief, United States District Judge, te Trenton, New Jersey, gegeven Warrant for Arrest betreffende de opgeëiste persoon, inhoudende een korte aanduiding van de feiten (zonder datering); c. de tekst van de toepasselijke strafbepalingen van de desbetreffende Amerikaanse wet waarvoor uitlevering wordt verzocht en van de wetsbepalingen houdende de straf die op de feiten is gesteld; d. een foto van drie personen onder wie de opgeëiste persoon. Voorts bevinden zich bij de stukken de vertaling in het Nederlands van de hierboven onder (ii) t/m (vi) a t/m c aangeduide stukken. 3. Beoordeling van de gevoerde verweren 3.1.1. Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de bijzonderheden van de onderhavige zaak een inbreuk rechtvaardigen op het vertrouwensbeginsel dat de relatie tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden beheerst, aangezien de opgeëiste persoon het risico loopt te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op aan de opgeëiste persoon ingevolge het EVRM toekomende rechten. In het bijzonder wordt gesteld dat een plea agreement in strijd is met art. 6 EVRM. In dit verband wordt aangevoerd dat de verwachte duur van de procedure indien geen plea agreement wordt gesloten (full trial) onevenredig lang zal zijn in verhouding tot de situatie dat wel een plea agreement wordt gesloten. De opgeëiste persoon zou aldus in redelijkheid geen vrije keus hebben. Verder wordt gesteld dat gelet op de beschikbare gegevens de afdoening van de zaak, in geval van een full trial, vermoedelijk niet binnen een naar Nederlandse maatstaven redelijk te achten termijn zal plaatsvinden. Tot slot wordt betoogd dat de eventuele toepassing van de terugkeerregeling en omzettingsprocedure illusoir zal zijn, omdat de te verwachten vrijheidsstraf waarschijnlijk zodanig zal zijn dat deze reeds zal zijn ondergaan voordat terugkeer naar Nederland zal zijn geëffectueerd vanwege de procedurele complicaties en doorlooptijden. 3.1.2. Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (Trb. 1980, 111) heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika. De Hoge Raad neemt derhalve als uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren. Dat brengt mee dat evenzeer van dat vertrouwen uitgegaan moet worden bij toepassing in de Verenigde Staten van Amerika van het aldaar tot de strafprocessuele mogelijkheden behorende systeem dat een verdachte in voorkomend geval een plea agreement kan aangaan. Die mogelijkheid bestond immers ook reeds ten tijde van de bilaterale onderhandelingen die tot het onderhavige uitleveringsverdrag hebben geleid. Dit vertrouwensbeginsel kan uitzondering lijden, voor wat betreft art. 6 EVRM, indien blijkt dat de op-geëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het vermelde uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat. 3.1.3. Gelet op de door de raadsman hiervoor onder 3.1.1 gestelde omstandigheden, welke alle betrekking hebben op toekomstige gebeurtenissen waaromtrent nog niets met zekerheid is vast te stellen noch ten nadele noch ten voordele van de opgeëiste persoon, kan mede in het licht van het voorgaande niet worden gezegd, dat tussen de mogelijkheden waaruit de opgeëiste persoon zal moeten kiezen - het ondergaan van een full trial dan wel het aangaan van een plea agreement - gelet op de duur van de onderscheiden procedures en de mogelijke verschillen in uitkomst een zodanige flagrante wanverhouding bestaat, dat de opgeëiste persoon wordt gedwongen een plea agreement aan te gaan. Het verweer wordt derhalve verworpen. 3.1.4. Ten aanzien van het verweer dat, indien het tot een full trial in de Verenigde Staten van Amerika komt, er vermoedelijk geen sprake zal zijn van een berechting binnen een redelijke termijn, geldt dat dat enkele vermoeden niet dwingt tot het oordeel dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. 3.1.5. Het betoog tenslotte dat de terugkeerregeling illusoir kan blijken te zijn - gelet enerzijds op de te verwachten hoogte van de straf en anderzijds op de duur van de administratieve afhandeling van de terugkeer naar Nederland - wordt gevoerd met de kennelijke strekking dat op grond daarvan de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Dat betoog faalt, aangezien daarmee wordt miskend dat het de uitleveringsrechter niet vrijstaat bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering de vraag te betrekken of de opgeëiste persoon zal kunnen terugkeren naar Nederland teneinde aldaar de opgelegde vrijheidsstraf (verder) te ondergaan en of die terugkeer daartoe tijdig zal geschieden. 3.2.1. Verder is door de raadsman ten verwere aangevoerd dat het legaliteitsbeginsel wordt geschonden, indien de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika zou worden uitgeleverd. Nederland kan de opgeëiste persoon zelf niet vervolgen voor de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, aangezien deze feiten ten tijde van het begaan ervan niet strafbaar waren naar Nederlands recht, aldus de raadsman. 3.2.2. Met dit betoog wordt miskend dat de rechter de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft te beoordelen naar het tijdstip van de behandeling van het verzoek daartoe. In dit geval staat vast dat de feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht, inmiddels in Nederland strafbaar zijn gesteld. Derhalve faalt het betoog. 3.2.3. Voorzover het verweer tevens moet worden bezien in het verband van een te zijner tijd te nemen beslissing op een verzoek tot overdracht van de opgeëiste persoon naar Nederland teneinde hier de vrijheidsstraf (verder) te ondergaan, faalt het verweer op de door de Hoge Raad reeds in zijn te dezer zake gewezen tussenarrest van 20 mei 2003 gegeven gronden. 3.3.1. Tenslotte heeft de raadsman gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard, omdat niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 gehechte en daarvan deel uitmakende pleitnota heeft hij daartoe het volgende aangevoerd: "17. Overigens merk ik nog op dat de verdenkingen krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, aanvankelijk alleen de corrupte betaling van eigen onderdanen en van bedrijven gevestigd in de Verenigde Staten aan buitenlandse officials strafbaar stelde. Eerst sinds 1998 stelt deze wet dergelijk handelen van buitenlanders en buitenlandse bedrijven ook strafbaar. Kort en goed: hetgeen cliënt wordt verweten was ten tijde van de gedraging ook niet strafbaar in de Verenigde Staten (krachtens de FCPA)." 3.3.2. Uit de omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, blijkt dat de verdenking tegen de opgeëiste persoon bestaat ter zake van gedragingen van hem in zijn hoedanigheid van onder meer voorzitter van de raad van beheer van Saybolt North America Inc., een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde onderneming. De Foreign Corrupt Practices Act 1977 is derhalve ook op deze onderneming van toepassing. Het verweer mist dan ook feitelijke grondslag. 4. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering 4.1. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering ter strafvervolging als volgt. 4.2. De persoon die is gehoord ter zitting van 10 juni 2003 heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], de persoon op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft, en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. 4.3. De stukken voldoen aan de eisen die art. 9, tweede en derde lid, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika stellen. Ook is voldaan aan art. 18 Uitleveringswet. 4.4. De feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, zijn naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika strafbaar krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, United States Code, titel 15, art. 78DD-2 en titel 18, art. 2. Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.5. Naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar als het misdrijf van art. 177 Sr en/of het misdrijf van art. 177a Sr, in verbinding met art. 178a Sr (omkoping van buitenlandse ambtenaren). Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.6. Aan het in art. 2 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gestelde vereiste van dubbele strafbaarheid is derhalve voldaan. 5. Slotsom Aangezien de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg zouden staan, dient, gelet op het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, als volgt te worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad verklaart de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar voor de onder 2.2 bedoelde, in het verzoek onder 2 en 3 aangeduide, feiten. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 8 juli 2003. 20 mei 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/DAT Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het beroep en het middel zijn uitsluitend gericht tegen de weigering de verzochte uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de in het verzoek onder 2 en 3 genoemde feiten, te weten: - verboden buitenlandse handelspraktijken, in overtreding van titel 15, art. 78DD-2 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek; - reizen naar het buitenland en van Staat naar Staat ten behoeve van criminele ondernemingen, in overtreding van titel 18, art. 1952 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek. Namens de opgeëiste persoon is het cassatieberoep tegengesproken door mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep op grond dat de schriftuur niet is ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 2.2. Bij tussenarrest van 3 december 2002 heeft de Hoge Raad de Officier van Justitie ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Kort samengevat heeft de Hoge Raad geoordeeld: dat een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW meebrengt dat de officier van justitie in uitleveringszaken gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen, en dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak op 10 juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 2.3. De Hoge Raad gedraagt zich naar het tussenarrest. Weliswaar is nadien namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep op grond dat de uitspraak niet op 10 juni 2002, maar op 4 juni 2002 ter beschikking is gekomen, maar de juistheid van hetgeen aldus is aangevoerd kan in het midden blijven nu vaststaat dat het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank niet eerder dan eind juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen. 2.4. De Advocaat-Generaal Jörg heeft aanvullend geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en een dag zal bepalen waarop de zaak voor de Hoge Raad zal dienen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel komt met rechtsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 ontoelaatbaar dient te worden verklaard. 3.2. De Rechtbank heeft de uitlevering voor die feiten ontoelaatbaar verklaard en daartoe het volgende overwogen: "De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De Verenigde Staten van Amerika en Nederland zijn beide partij bij het op 21 maart 1983 gesloten Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. In verbinding met de exchange of letters of understanding, General Affairs Department DA2/J2-ISN-38245 No 81 van 11 juli 1991 zou dus technisch de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika ter zake van het feitencomplex sub 2 en sub 3, waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, teruglevering aan Nederland gegarandeerd kunnen worden om in Nederland tenuitvoerlegging van het gewijsde te ondergaan of verder te ondergaan. Ten tijde van de periode waarin het feitencomplex sub 2 en sub 3 volgens het uitleveringsverzoek zou zijn begaan, was dit complex als zodanig niet strafbaar naar Nederlands recht. De rechtbank zou door in casu uitlevering toe te laten, voorziend dat wegens het hierna te noemen legaliteitsbeginsel exequatur bij teruglevering in zoverre geweigerd zou moeten worden, inbreuk maken op het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht ongeclausuleerde en onvoorwaardelijk verbod tot berechting en bestraffing van iemand ter zake van feiten die ten tijde van begaan daarvan niet bij of krachtens de Nederlandse wet strafbaar waren gesteld. Immers, de opgeëiste persoon heeft, zoals overwogen, de Nederlandse nationaliteit en bij teruglevering van de opgeëiste persoon aan Nederland zou overneming en positieve erkenning van het veroordelend gewijsde een inbreuk inhouden van dit ongeclausuleerde verbod. Weliswaar kan het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 7 van het EVRM - waaraan Nederland als verdragsluitende partij gebonden is - vervatte legaliteitsbeginsel door verdragen of krachtens besluiten van volkenrechtelijke organisaties opzij worden gezet, zoals de Hoge Raad uitdrukkelijk overweegt in zijn arrest van 18 december 2001 in de zaak tegen [A] (de Hoge Raad leest: HR 18 september 2001, NJ 2002, 559), zulks op een voordracht tot cassatie in het belang der wet van een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 20 november 2000, maar in het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag is geen voorziening opgenomen waaruit deze terzijdestelling zou volgen. Derhalve staat vooralsnog vast dat aan enige veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika voor de sub 2 en 3 genoemde feiten als gekwalificeerd in het uitleveringsverzoek, bij teruglevering exequatur geweigerd zal moeten worden. De uitlevering dient mitsdien voor deze feiten op voornoemde gronden ontoelaatbaar verklaard te worden. Mochten de Verenigde Staten van Amerika slechts voornemens zijn geldboetes op te leggen, dan dient te gelden dat het te dezen toepasselijke verdrag niet voorziet in rechtshulp daartoe." 3.3. De eerste klacht van het middel, die in een aantal onderdelen uiteenvalt, is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat in geval van een veroordeling in de Verenigde Staten van Amerika ter zake van genoemde feiten het exequatur - waarmee de Rechtbank klaarblijkelijk doelt op het verlof tot tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) - geweigerd zou moeten worden. Het meest verstrekkende onderdeel van die klacht luidt dat de Rechtbank aldus ten onrechte is vooruitgelopen op de beslissing van de exequaturrechter. Dit onderdeel van de klacht treft doel. De beantwoording van de vraag of verlof dient te worden verleend tot tenuitvoerlegging van een vonnis van een buitenlandse rechter is voorbehouden aan de rechter die daaromtrent ingevolge de bepalingen van de WOTS heeft te oordelen. Het staat de uitleveringsrechter niet vrij de (te verwachten) beantwoording van die vraag bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering te betrekken. De gegrondheid van dit onderdeel van de klacht brengt mee dat de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven en de overige klachten geen bespreking behoeven. 3.4. Niettemin vindt de Hoge Raad aanleiding het middel nog te bespreken voorzover het kennelijk strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de exequaturrechter - na overdracht van de gevonniste persoon aan Nederland - het vereiste van strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht (art. 3, eerste lid onder c, WOTS) dient te beoordelen naar het moment waarop die feiten zijn gepleegd. Het middel bestrijdt dat oordeel terecht. De strekking van genoemd vereiste is immers te voorkomen dat Nederland medewerking zou moeten verlenen aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht. Voor de beantwoording van de vraag of aan dat vereiste is voldaan is daarom beslissend of de desbetreffende feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn ten tijde van de beslissing van de daartoe ingevolge de WOTS aangewezen rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging. Het verlenen door die rechter van een verlof tot tenuitvoerlegging kan niet worden aangemerkt als "berechting en bestraffing" van die feiten, zodat, anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, in geval van een dergelijk verlof ten aanzien van feiten die op het tijdstip waarop zij zijn gepleegd naar Nederlands recht nog niet strafbaar waren gesteld, van schending van het legaliteitsbeginsel geen sprake kan zijn. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998 omschreven aanklacht ontoelaatbaar is verklaard; Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 te 12:00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 mei 2003. ======================= 3 december 2002 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/SM Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De raadsvrouwe van de opgeëiste persoon, mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, heeft het cassatieberoep tegengesproken. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. In zijn verweerschrift tegen het cassatieberoep is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde beroep, aangezien de middelen niet zijn ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 3.2. Op grond van art. 31, derde lid, UW is de Officier van Justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie. 3.3. Het cassatieberoep is blijkens de daarvan opgemaakte akte ingesteld op 31 mei 2002. De schriftuur is blijkens een daarop geplaatst stempel op 9 juli 2002 bij de Hoge Raad ingekomen. De schriftuur is derhalve niet binnen de bij de wet bepaalde termijn ingediend. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter een schrijven van de Officier van Justitie van 19 juli 2002, inhoudende dat zij eerst op 10 juni 2002 kon beschikken over de uitgewerkte uitspraak. De Hoge Raad gaat uit van de juistheid van deze mededeling. Kennelijk heeft de Officier van Justitie aangenomen dat de wettelijke termijn van een maand voor het indienen van de schriftuur aanving op de datum van ontvangst van de uitgewerkte uitspraak waartegen het cassatieberoep was gericht. 3.4. In zijn beslissing van 16 april 1996, NJ 1996, 527, heeft de Hoge Raad in een strafzaak waarin het openbaar ministerie een van de kernstukken van het geding - het proces-verbaal van de terechtzitting - pas na verloop van de termijn voor het indienen van de schriftuur had ontvangen, beslist dat een redelijke toepassing van art. 433 (oud) Sv meebrengt dat die termijn pas begint te lopen na de ontvangst van het ontbrekende stuk. 3.5.1. Sedert de inwerkingtreding op 1 oktober 2000 van de wetswijziging van 28 oktober 1999, Stb. 467, is de regeling voor het indienen van de cassatieschriftuur in strafzaken neergelegd in art. 437 Sv. De termijn voor het indienen van de schriftuur van een maand vangt voor het openbaar ministerie thans aan nadat de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv aan hem is verzonden. Ook de verdachte is thans op straffe van niet-ontvankelijkheid gehouden zijn schriftuur binnen een termijn (twee maanden) nadat de aanzegging aan hem is betekend te doen indienen. 3.5.2. Voor de toepassing van art. 437 Sv heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 4 juli 2000, NJ 2000, 581, in een geval waarin de raadsman van een verdachte de kernstukken van het geding niet tijdig had ontvangen, beslist dat een dergelijk verzuim van de strafadministratie kan meebrengen dat de raadsman door de rolraadsheer (de enkelvoudige strafkamer van de Hoge Raad) desverzocht alsnog een termijn wordt gegund om een aanvullend middel in te dienen na toezending van de desbetreffende stukken voorzover kennisneming van die stukken onontbeerlijk is voor het formuleren van de middelen. Naar de stand van de huidige rechtspraak is het dan ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de officier van justitie onderscheidenlijk de verdachte een nadere termijn voor het indienen van de middelen wordt gegund en geldt niet meer de hiervoor onder 3.4 gegeven regel dat in ieder geval aanspraak kan worden gemaakt op de volle termijn vanaf de ontvangst van de kernstukken. 3.6. De te beantwoorden vraag is thans of het vorenstaande evenzeer geldt in uitleveringszaken. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. De regeling van art. 31, derde lid, UW wijkt in zoverre af van die van art. 437 Sv dat de termijn van een maand, waarbinnen de officier van justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid zijn schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad moet indienen, niet aanvangt na de verzending van een aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv, derhalve nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, maar nadat hij het beroep in cassatie heeft ingesteld. De opgeëiste persoon die beroep in cassatie instelt kan, anders dan de officier van justitie, een schriftuur indienen, en wel tot de dienende dag. 3.7. Dit verschil tussen de regeling van het Wetboek van Strafvordering en die van de Uitleveringswet heeft tot gevolg dat zaken waarin art. 437 Sv van toepassing is, reeds wel bij de Hoge Raad bekend zijn op het moment dat de termijn voor het indienen van de schriftuur begint te lopen, zodat de rolraadsheer dienaangaande in voorkomend geval kan beoordelen of er aanleiding is een nadere termijn te gunnen, terwijl de stukken van het geding in uitleveringszaken veelal nog niet bij de Hoge Raad ingekomen zijn in de fase waarin de wettelijke termijn voor het indienen van de schriftuur voor de officier van justitie loopt. De rolraadsheer zal in die gevallen dan ook niet in staat zijn een verzoek om verlenging van de termijn te beoordelen. 3.8. Gelet hierop brengt een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW mee dat de officier van justitie in uitleveringszaken, naar analogie van de hiervoor onder 3.4 weergegeven - voor strafzaken inmiddels achterhaalde - rechtspraak, gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen. 3.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 4. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat het door de Officier van Justitie ingestelde beroep in behandeling kan worden genomen. De zaak dient - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - te worden verwezen naar de rolzitting van de Hoge Raad voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel. 5. Beslissing De Hoge Raad: Verklaart de Officier van Justitie ontvankelijk in het cassatieberoep; Verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2003 voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel; Houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 december 2002.
ECLI:NL:HR:2017:463
21 maart 2017 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2017:955
23 mei 2017 Strafkamer nr. S 16/04742 U AJ/CB Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 6 september 2016, nummer [001] , op een verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/04528 U Zitting 8 maart 2022 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, hierna: de opgeëiste persoon. I. Inleiding De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 27 oktober 2021 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Israël toelaatbaar verklaard “ten behoeve van de strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals vermeld op het tussen [ ] geplaatste deel van de bijlage”.

Deze feiten leveren naar het oordeel van de rechtbank naar Nederlands recht op: (i) opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, (ii) opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en (iii) deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld. II. Het middel 3.

Het middel komt op tegen de beslissing tot toelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon. Aangevoerd wordt dat de bestreden uitspraak in strijd is met het recht, dan wel ontoereikend is gemotiveerd, aangezien “thans reeds vast staat dat het recht op berechting van de strafzaak tegen rekwirant binnen een redelijke termijn (zonder onredelijke vertraging) wordt geschonden omdat hij al vanaf november 2016 met zijn vervolging en een strafproces rekening diende te houden en met de vervolging en het strafproces na uitlevering een manifest en flagrante inbreuk wordt gemaakt op zowel artikel 6 EVRM als artikel 14 IVBPR; zonder dat de rechtbank heeft vastgesteld of, en zo ja op welke wijze rekwirant na uitlevering aan Israël (specifiek) zal worden gecompenseerd voor deze inbreuk in bij voorbeeld de straftoemeting”.

4. In de toelichting op het middel wordt naar voren gebracht dat het middel niet ten betoge strekt dat de rechtbank de uitlevering zonder meer ontoelaatbaar had moeten verklaren, maar wel dat de rechtbank de uitlevering “niet toelaatbaar had mogen verklaren zonder nadere waarborgen te verlangen dat rekwirant voor de aanzienlijke schending van de redelijke termijn, die reeds had plaatsgevonden, adequaat zal worden gecompenseerd”. Ter onderbouwing van dit standpunt roept de steller van het middel een legal opinion van de in Israël ingeschreven advocaat Rotem Tubul in, waarop door de raadsvrouw in haar pleitnota ook een beroep is gedaan op de zitting van de rechtbank (zie hieronder nader de randnummers 5 en 6).

Uit deze legal opinion zou, zo betoogt de steller van het middel, geenszins blijken “dat de Israëlische rechter een adequate compensatie biedt voor schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn hetgeen het eventuele vermoeden dat dit recht zal worden beschermd door de Israëlische rechter weerlegt, en zelfs een vermoeden van het tegendeel rechtvaardigt”. III. De bestreden uitspraak 5. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel, het volgende in (hier met weglating van de voetnoten): “5.

Dreigende flagrante schending van artikel 6 van het Europees Verdrag betreffende de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een dreiging van een flagrante schending van artikel 6 EVRM, meer in het bijzonder van het recht op berechting binnen een redelijke termijn, wanneer de uitlevering toelaatbaar zou worden verklaard. De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van dit standpunt onder meer verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2017.

In de onderhavige zaak is sprake van een dermate lange termijn waarbinnen de Israëlische justitiële autoriteiten hebben nagelaten de strafrechtelijke vervolging van de opgeëiste persoon voort te zetten, dat van een berechting binnen een redelijke termijn al geen sprake meer is. De opgeëiste persoon is op verzoek van de Israëlische justitiële autoriteiten op 15 en 16 november 2016 door de Nederlandse autoriteiten verhoord als een verdachte. Dat brengt mee dat de redelijke termijn op dat moment is aangevangen. Tevens staat de opgeëiste persoon ten aanzien van de schending geen rechtsmiddel, als bedoeld in artikel 13 EVRM ter beschikking in Israël.

De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar de legal opinion van de Israëlische advocaat mr. Tübul. De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Subsidiair heeft zij de rechtbank verzocht het onderzoek te schorsen teneinde de Israëlische justitiële autoriteiten om nadere informatie te vragen ten aanzien van het rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: MvJeV) te adviseren de uitlevering niet toe te staan.

Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het EUV in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: het IVBPR) zal respecteren. De verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering moet slechts wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

Uit de rechtspraak van Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM dat moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. In dat verband kan worden gewezen op EHRM 17 januari 2012, Othman tegen het V.K., waar gevallen zijn opgesomd waarin sprake is van een flagrant denial of justice. De rechtbank is van oordeel dat aan het hiervoor onder (a) genoemde vereiste niet is voldaan.

Het feit dat de opgeëiste persoon sinds 15 of 16 november 2016 in afwachting is geweest van de voortzetting van de strafvervolging door de Israëlische justitiële autoriteiten leidt niet tot de vaststelling dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon al sprake is van dreiging van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM. De rechtbank stelt daarnaast vast dat Israël is aangesloten bij het IVBPR. Aldus dient de rechtbank er op basis van het vertrouwensbeginsel van uit te gaan dat Israël het recht op een berechting binnen een redelijke termijn ex artikel 14, derde lid, onder c, IVBPR zal waarborgen.

Het primaire verweer wordt verworpen. Het subsidiair gedane verzoek wordt afgewezen, omdat een dreigende flagrante schending van het recht op een berechting binnen een redelijke termijn niet is vastgesteld. Voor wat betreft het meer subsidiair gedane verzoek verwijst de rechtbank naar haar advies aan de MvJeV.

6. Slotsom Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd is bevonden dat aan alle daarvoor in de UW en het toepasselijke Verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard. […] 8. Beslissing Verklaart TOELAATBAAR de door Israël verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon] ten behoeve van de strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals vermeld op het tussen [ ] geplaatste deel van de bijlage.” IV. Het namens de opgeëiste persoon gevoerde verweer 6.

Uit het proces-verbaal van de zitting van 13 oktober 2021 blijkt dat de aldaar door de raadsvrouw van de opgeëiste persoon overgelegde pleitnota aan dat proces-verbaal is gehecht en de inhoud ervan als ingevoegd geldt. De pleitnota houdt onder meer in: “Ontoelaatbaar verklaring uitlevering in verband met risico flagrante schending art. 6 EVRM, meer in het bijzonder berechting binnen een redelijke termijn: In HR 11-03-2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312 overweegt de Hoge Raad – onder verwijzing naar HR 29-05-1990, ECLI:NL:PHR:1990:AD1143 en HR 05-03-1991, ECLI:NL:PHR:1991:AB9063 –dat tijdsverloop een grond kan opleveren voor ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering, namelijk indien het tijdsverloop van dien aard is dat er – alle omstandigheden in aanmerking genomen – geen sprake meer kan zijn van een berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en het bepaalde in art. 14, derde lid onder c, IVBPR.

In de gevallen – zoals in voormeld arrest van 11 maart 2003 – waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat zijn toegetreden tot het EVRM, komt aan de rechter die moet oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering in het algemeen niet toe te beslissen over de vraag of in het kader van die strafvervolging enig in het EVRM gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is of dreigt te worden geschonden, omdat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen.

Israël is niet toegetreden tot het EVRM. Uit HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288 volgt evenwel dat ook als het gaat om niet bij het EVRM aangesloten landen, dat ook dan het uitgangspunt is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een door Nederland mede ondertekend uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en IVBPR zal respecteren.

In de onderhavige zaak betreft het een uitlevering naar Israël. Israël is niet aangesloten bij het EVRM. Israël en Nederland hebben evenwel beiden het EUV geratificeerd. Israël is daardoor, via het kennelijke vertrouwen in Israël dat Nederland met die ondertekening tot uitdrukking brengt, een land waarbij in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van het EVRM zal eerbiedigen. Ik zal dat als uitgangspunt nemen. De jurisprudentie heeft zich sinds 2003 verder ontwikkeld. Daarin komt tot uitdrukking dat, wat betreft art. 6 EVRM, voormeld vertrouwensbeginsel uitzondering kan lijden, zie HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463 en HR 23 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:955, indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren in de weg staat aan nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering.

Dit preciseert de Hoge Raad nader door te oordelen dat het vertrouwensbeginsel weliswaar meebrengt dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere), strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende Staat, maar dat dit anders is – en de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering in dat geval ook komt te vervallen – indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid IVBPR toekomend recht.

Daarbij overweegt de HR ook – en ik noem dat zodat u weet dat ik mij dat heb gerealiseerd – dat de uitleveringsrechter bij een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging in de regel niet toe komt aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer over een dreigende flagrante schending van art. 6, eerste lid, EVRM, omdat de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie.

Het is in dat licht ook begrijpelijk dat de Hoge Raad een tweede eis voor een uitzondering op het vertrouwensbeginsel stelt en wel dat: (b) naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat ter zake van die inbreuk. U als uitleveringsrechter dient op grond van bevoegdheidstoedeling tussen de rechter en de Minister zoals die in de hiervoor aangehaalde arresten uit 2017 naar voren komt, te oordelen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM onderscheidenlijk art. 14, eerste lid, IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat.

Mijn betoog zal zijn dat in de onderhavige zaak sprake is van een zo lange tijd waarin door de autoriteiten is stilgezeten, dat van een berechting binnen een redelijke termijn al niet meer kan worden gesproken. Dat is op zich – nu het gaat om strafvervolging en zoals uit het voorgaande volgt – een kwestie die na een eventuele uitlevering door de strafrechter in Israël te zijner tijd beoordeling zal moeten worden. Ik meen echter dat op grond van de bijgaande legal opinion van mijn collega uit Israel, Rotem Tubul, moet worden geconcludeerd dat die rechterlijke beoordeling onvoldoende is gegarandeerd en dat van een rechterlijke voorziening als bedoeld in art. 13 EVRM met betrekking tot deze schending geen sprake is.

Flagrante inbreuk op recht op berechting binnen een redelijke termijn: Wat betreft de redelijke termijn en de schending daarvan kan worden vastgesteld dat de aan verzoeker verweten feiten in december 2015 en juli 2016 zouden zijn gepleegd. Dat is bijna zes resp. meer dan vijf jaren geleden. Verder kan worden vastgesteld dat toen ook de redelijke termijn is aangevangen: zoals de Israëlische autoriteiten in het uitleveringsverzoek zelf aangeven, is cliënt in het kader van een rechtshulpverzoek door de Nederlandse autoriteiten op 15 en 16 November 2016 verhoord, bij welk verhoor hij zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen (zie punt 13. van de ‘Summary of the Evidence’).

De Israëlische autoriteiten hebben als het gaat om de vervolging van cliënt, sindsdien stilgezeten. Voor dat stilzitten gedurende deze vijf, zes jaren zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen. Zij wordt, met andere woorden, nergens door gerechtvaardigd. Ik wijs er daarbij op dat uit de ‘Summary of Evidence’ dat in het uitleveringsverzoek is opgenomen, volgt dat de procedures tegen de medeverdachten, [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in 2016 en 2017 reeds waren afgerond. Gedurende het strafrechtelijke onderzoek en/of nadat [betrokkene 3] zijn voor cliënt belastende verklaring heeft afgelegd, is door Israël niet gevraagd om uitlevering van cliënt.

In de brief met aanvullende informatie van 9 februari 2021 (ontvangen op 2 september 2021) wordt door de Israëlische autoriteiten opgemerkt dat zij na het verkrijgen van door Nederland vergaard materiaal, de Nederlandse autoriteiten nog om verdere assistentie hebben gevraagd met betrekking tot een 'additional suspect’, te weten [betrokkene 4]. Vervolgens werd pas twee jaar later, in 2018, vastgesteld dat deze [betrokkene 4] zich niet in Nederland bevond. Daarna hebben de Israëlische autoriteiten nog, zeggen zij, overwogen een aanvullend verzoek om rechtshulp te doen uitgaan in verband met een ander ‘criminal scheme’ dat onderzocht werd, maar dat hebben ze na verdere overwegingen en in het licht van de tijd die was verstreken toch maar niet gedaan.

Over die overwegingen hebben ze kennelijk nog eens drie jaren (2018-2021) moeten doen. Voor zover die omstandigheden al als een door de Israëlische autoriteiten gegeven verklaring voor het bijzonder lange tijdsverloop moet worden aangemerkt – zij noemen dat verband niet zelf en de onderliggende stukken zijn door de Officier van Justitie ondanks mijn verzoek van 8 september j.l. niet overgelegd – kunnen zij niet als een redelijke verklaring daarvoor gelden: in de samenvatting van de feiten komt de genoemde [betrokkene 4] als betrokkene in het geheel niet voor (geen van de medeverdachten heeft zich daarover kennelijk geuit).

Ook is er geen redelijke verklaring gegeven voor het feit dat het ruim twee jaar heeft moeten duren om tot de conclusie te komen dat die [betrokkene 4] zich niet meer in Nederland zou bevinden. Belang voor de zaak en urgentie om deze [betrokkene 4] te vinden hebben kennelijk ontbroken. Dat [betrokkene 4] van belang zou zijn voor de strafzaak wordt bovendien weersproken door het feit dat de strafzaken tegen [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] gewoon zijn doorgegaan zonder dat op [betrokkene 4] en diens verklaring is gewacht. Bovendien ontbreekt een begrijpelijke verklaring voor het feit dat de Israëlische autoriteiten hebben nagelaten om tijdens de zoektocht naar [betrokkene 4] Nederland om uitlevering van cliënt te verzoeken.

Dat zou als voordeel hebben gehad dat cliënt zelf ook nog effectief gebruik had kunnen maken van zijn verdedigingsrecht om getuigen op te laten oproepen en te horen teneinde zijn onschuld aan te tonen. Dat was in deze zaak ook van groot belang gelet op zijn ontkenning van betrokkenheid en het feit dat kennelijk alleen [betrokkene 3] een belastende verklaring heeft afgelegd. Nu is dat recht een lege huls: ontlastend materiaal is verdwenen en of [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] nog te vinden zijn is de vraag, terwijl een herinnering van iets dat vijf/zes jaar al dan niet zou hebben plaats gevonden en wie daar al dan niet bij betrokken niet meer betrouwbaar is te achten.

Daarbij merk ik op dat opvallend is dat [betrokkene 3], die volgens de weergave van de feiten door de Israëlische autoriteiten niet de minste is als het gaat om de verweten feiten, tot ‘slechts’ 24 maanden gevangenisstraf is veroordeeld terwijl zijn companen 36 maanden ([betrokkene 1]) resp. 30 maanden ([betrokkene 2]) hebben gekregen. Dat dit verschil mogelijk wordt verklaard door een overeenkomst die met [betrokkene 3] is gesloten in ruil voor een belastende verklaring, is niet uitgesloten. Het belang van ondervraging van hem en vooral ook de andere twee is daarmee des te groter.

En zélfs toen de Israëlische autoriteiten tot de conclusie waren gekomen dat [betrokkene 4] onvindbaar was, is nagelaten om uitlevering te verzoeken. De Israëlische autoriteiten schermen nog wat met een ander ‘criminal scheme’ waarop ze het oog hadden zonder te zeggen wat dat zou hebben ingehouden. Meer nog: het is niet eens duidelijk dat dit met client te maken had. Daar zouden ze, zo wordt geschreven, dan misschien de Nederlandse autoriteiten ook nog wat vragen over moesten stellen maar ze hebben dat toch maar niet gedaan omdat het al zo lang geleden was allemaal.

Het toppunt van vaagheid, en dat heeft dan ook nog eens drie jaar moeten duren. Een dergelijke zogenaamde rechtvaardiging voor het tijdsverloop kan door uw rechtbank bezwaarlijk serieus worden genomen. Ik verwijs in dat verband ook naar de zaak van het EHRM van 20 februari 2003, Hutchison Reid v. United Kingdom (appl. nr 50272/99) waar een jaar per instantie als vuistregel werd gehanteerd: “While one year per instance may be a rough rule of thumb in Article 6 § 1 cases, Article 5 § 4, concerning issues of liberty, requires particular expedition.” We weten dat onze Hoge Raad de redelijke termijn heeft bepaald op twee jaar per instantie, maar ook die tijd is in de zaak van cliënt al lang en breed verstreken.

En zelfs als de behandeling van een zaak in zijn totaliteit niet onredelijk veel tijd in beslag heeft genomen, dan nog kan de duur van de afzonderlijke fasen daarvan tot de conclusie leiden dat sprake is van schending van art.

6. Zie de zaak Abdoella (EHRM 25 november 1992, NJ 1993/24 (Abdoella)). Daar komt nog bij dat het geenszins aan cliënt heeft gelegen dat het allemaal zo lang heeft geduurd: hij heeft zich nooit op ook maar enig moment aan naspeuringen van justitie onttrokken. Hij is altijd beschikbaar geweest. Hij was na de ontvangst van het uitleveringsverzoek door het IRC op 5 augustus 2020 en het naar aanleiding daarvan op 23 november 2020 uitgevaardigde bevel tot aanhouding dan ook snel te vinden: zijn aanhouding vond op 1 december 2020 plaats. Terecht noemen de autoriteiten in hun stukken dan ook niet dat cliënt niet te vinden zou zijn geweest: hij was er.

De overschrijding van de redelijke termijn die een en ander oplevert is dermate groot en de rechtvaardiging daarvoor afwezig c.q. zo gering, dat geconcludeerd moet worden dat bij uitlevering van client het ernstige risico bestaat op een flagrante inbreuk op zijn in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op berechting binnen een redelijke termijn. En dat, terwijl hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Van de laatste stelling wil de Hoge Raad dat die voldoende wordt onderbouwd.

Daarover het volgende. Omdat ik niet bekend ben met het Israëlische recht is mijn Israëlische collega Rotem Bulul gevraagd ons daarover voor te lichten, meer in het bijzonder over de vraag of cliënt een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie ten dienste staat. En dan gaat het niet om een rechterlijke instantie waarbij je een klacht over de schending van een mensenrecht kunt neerleggen en waarvan je dan maar hoopt dat die er wat mee doet, maar om eentje die, als sprake is van een schending – en daarvan kunnen we nu al uitgaan – die ook zal compenseren.

Daarvan is in casu naar ik meen te concluderen op basis van de legal opinion geen sprake. In Mcfarlane t. Ierland (EHRM 10 september 2010, appl. nr. 31333/06, r.o. 108) overwoog het EHRM dat artikel 13 van het EVRM de beschikbaarheid garandeert op nationaal niveau van een rechtsmiddel om de inhoud van de rechten en vrijheden van het Verdrag, in welke vorm dan ook, af te dwingen in de nationale rechtsorde. Het met artikel 13 beoogde doel is een nationale voorziening die de inhoud van een "arguable complaint' op grond van het Verdrag behandelt en die passende maatregelen kan nemen.

De voorziening moet zowel in de praktijk als naar de wet effective zijn, waarmee is bedoeld dat die doelmatig (adequate) en toegankelijk (accessible) moet zijn. In het geval van een doeltreffend rechtsmiddel voor vertraging in strafrechtelijke procedures is vereist dat het zonder buitensporige vertraging werkt en een passend niveau van compensatie biedt. In de legal opinion naar aanleiding van mijn verzoek, wordt allereerst geconcludeerd dat het verstrijken van de tijd voor de rechter op zich geen reden is om het proces tegen cliënt in Israël te staken.

Dat is ook niet wat art. 13 EVRM verlangt. Verder komt uit de opinie naar voren, dat het verstrijken van de tijd bij de beoordeling weliswaar een rol kan spelen, maar dan, bijvoorbeeld, 'insofar as [opgeëiste persoon] has not committed additional offenses since the offenses for which he was requested to be extradited, the Israeli court can take this consideration into account and mitigate the sentence to some extent.’ Met andere woorden: als hij heeft laten zien dat hij gedurende die tijd geen strafbare feiten heeft gepleegd, dan kan dit bij de strafoplegging worden meegewogen.

Kennelijk telt het verstrijken van de tijd alleen dan mee. En dan nog is het effect daarvan relatief, aldus de opinie, omdat meer wordt gekeken naar het doel van de straf en de weigering van client om zonder meer naar Israël te worden uitgeleverd. Dat is niet waar het bij de schending van de redelijke termijn en het recht op een doeltreffende rechterlijke voorziening om gaat: het gaat er om dat de rechter voor een schending van de redelijke termijn in de zin van het onredelijk lang onder de druk van een vervolging moeten leven, adequate compensatie biedt.

Dat lijkt bij een berechting in Israël niet gewaarborgd. Naar ik meen kan aldus uit de constatering dat er vijf jaren zijn verstreken waarin door de vervolgende Israëlische autoriteiten niet of nauwelijks wat is gedaan en waarvoor geen (toereikende) rechtvaardiging is gegeven noch is te vinden, reeds nu worden geconstateerd dat de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in art. 6 EVRM en 14 IVBPR is geschonden. Dat lange tijdsverloop heeft consequenties voor cliënt: niet alleen heeft hij al die tijd onder de druk van een vervolging moeten leven met, hetgeen een verzwarende omstandigheid is, een mogelijke uitlevering naar Israël, hij wordt door dat lange tijdverloop in zijn verdediging in de strafzaak op grote achterstand gezet als het gaat om zijn mogelijkheden aannemelijk te maken dat hij onschuldig is.

Bewijsmateriaal dat dit kan ondersteunen is verdwenen, evenals getuigen die dat zouden kunnen bevestigen en voor zover die getuigen zijn te vinden zal het tijdverloop hun herinneringen ernstig hebben aangetast. Naar ik meen is voorts voldoende onderbouwd dat als cliënt zou worden uitgeleverd aan Israël, hij daar geen recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie waar zijn klacht over schending van dit mensenrecht wordt behandeld en waarbij is voorzien in een adequate compensatie daarvoor. Daarmee is sprake van een risico op flagrante schending van art. 6 EVRM en 14 IVBPR, te weten het recht op een berechting binnen een redelijke termijn.

Aldus concludeer ik dat de voorwaarden voor een uitzondering op het vertrouwensbeginsel zijn vervuld en dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard. […] In zoverre u meent op basis van hetgeen ik u heb overgelegd nog niet te kunnen komen tot de conclusie dat een daadwerkelijk rechtsmiddel ontbreekt, dan meen ik, subsidiair, dat hetgeen ik heb betoogd aanleiding dient te zijn voor een aanhouding en het bij de Israëlische autoriteiten vragen om meer informatie in verband met de waarborgen van art. 13 EVRM. Tot slot verzoek ik u, meer subsidiair, de Minister te adviseren de uitlevering niet toe te staan vanwege deze overschrijding van de redelijke termijn, de gevolgen die dit heeft voor de eerlijkheid van de procedure en de medische problematiek van client. […]” V.

De bespreking van het middel 7. Bij de bespreking van het middel kan het arrest van HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. Rozemond tot uitgangspunt worden genomen. Dit arrest houdt, voor zover in cassatie van belang, het volgende in: “3.5. Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van [de opgeëiste persoon, AG] de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken – gelet op het systeem van de Uitleveringswet (hierna: UW), zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet – het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek [de opgeëiste persoon, AG] zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen.

Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van [de opgeëiste persoon, AG] is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. […] 3.6. Bij een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten die [de opgeëiste persoon, AG] in art. 6 EVRM zijn toegekend, geldt het volgende. A. […] B. (i) Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending.

In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW […] deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen. (ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat [de opgeëiste persoon, AG] in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van [de opgeëiste persoon, AG] op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.

Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van [de opgeëiste persoon, AG] op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. (iii) Het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan (a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens (b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.

In zo een geval staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve – kort gezegd – de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM onderscheidenlijk art. 14, eerste lid, IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat.

Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. In dat verband kan worden gewezen op EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., nr. 8139/09, NJ 2013/360, rov. 259 waar gevallen zijn opgesomd waarin sprake is van een 'flagrant denial of justice'.” 8. Ook de rechtbank heeft kennelijk het hiervoor weergegeven arrest van de Hoge Raad tot uitgangspunt genomen bij haar beoordeling van het namens de verdediging ingenomen standpunt dat sprake is van een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, in het bijzonder van het recht op berechting binnen een redelijke termijn.

Blijkens haar overwegingen heeft de rechtbank daarbij mede in aanmerking genomen wat de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.6 van voormeld arrest onder B. (ii) en (iii) heeft overwogen. Kennelijk in aansluiting daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat in dit verband niet is voldaan aan het vereiste dat – naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer – is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat de opgeëiste persoon sinds 15 of 16 november 2016 in afwachting is geweest van de voortzetting van de strafvervolging door de Israëlische autoriteiten niet leidt tot “de vaststelling dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon al sprake is van dreiging van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM”. Ik begrijp uit de overwegingen van de rechtbank dat naar haar oordeel evenmin sprake is van dreiging van zo een inbreuk op art. 14, eerste lid, IVBPR.

9. Dit oordeel van de rechtbank moet mede worden gelezen tegen de achtergrond van de door haar – kennelijk in navolging van het voormelde arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017 – vooropgestelde constatering dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. In dat verband heeft de rechtbank – wederom net als is geschied in het genoemde arrest van 21 maart 2017 – verwezen naar EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09 (Othman/V.K.), NJ 2013/360, m.nt. Keijzer, waar gevallen zijn opgesomd die zijn aan te merken als een flagrant denial of justice.

10. Geen van de gevallen die in de uitspraak van het EHRM van 17 januari 2012 in de zaak van Othman/V.K. zijn opgesomd, betreft een (dreigende) schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn of zijn daarmee (enigszins) gelijk te stellen. De daar genoemde gevallen zijn a) een verstekveroordeling zonder een mogelijkheid tot heropening van de procedure, b) een verkorte procedure waarin sprake is van een totale veronachtzaming van verdedigingsrechten, c) detentie zonder enige toegang tot een onafhankelijk en onpartijdig tribunaal dat de legaliteit van de detentie kan toetsen, en d) opzettelijke en systematische weigeringen van toegang tot een advocaat.

Zoals blijkt uit de voor het laatst op 31 december 2021 bijgewerkte “Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights. Right to a fair trial (criminal limb)”, die op de website van het EHRM is gepubliceerd, zijn de in de uitspraak in de zaak Othman/V.K. vermelde gevallen nog immer illustratief. In de ‘Guide on Article 6’ (p. 104) worden naast de vier onder a-d beschreven voorbeelden van een flagrant denial of justice – onder verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM – nog twee gevallen aangewezen:

e) het gebruik in een strafprocedure van verklaringen die van een ander dan de verdachte zijn verkregen door middel van handelen in strijd met art. 3 EVRM en f) een proces voor een militaire commissie zonder dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de commissie is gegarandeerd terwijl een hoge waarschijnlijkheid bestond dat bewijs tijdens het proces voor de commissie werd toegelaten dat was verkregen door marteling. In navolging van de overwegingen van het EHRM wordt de ‘flagrant denial of justice’-toets in de ‘Guide on Article 6’ als stringent gekwalificeerd.

Daar wordt voorts – uiteraard wederom met verwijzingen naar de rechtspraak van het EHRM – aan deze kwalificatie het volgende toegevoegd: “A flagrant denial of justice goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial proceedings such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State itself. What is required is a breach of the principles of a fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article […].” 11.

Uit het voorafgaande volgt dat de rechtbank terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel een blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM wordt aangenomen, die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt immers, zo blijkt uit de uitspraak in de zaak Othman/V.K en de analyse van de (overige) rechtspraak in de ‘Guide on Article 6’, dat zich pas een flagrant denial of justice voordoet indien de inbreuk op de door art. 6 EVRM gegarandeerde beginselen van een eerlijk proces zo fundamenteel is dat deze resulteert in het tenietdoen, of de destructie, van de essentie van het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

12. Tegen de achtergrond van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. Rozemond en de hiervoor aangehaalde rechtspraak van het EHRM, is de rechtbank van het juiste rechtskader uitgegaan bij haar oordeel dat niet is komen vast te staan dat ten aanzien van de opgeëiste persoon al sprake is van dreiging van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM respectievelijk art. 14, eerste lid, IVBPR. Dit oordeel acht ik ook niet onbegrijpelijk en, bezien in het licht van wat door de verdediging ter zitting is aangevoerd, toereikend gemotiveerd.

Daarbij neem ik in aanmerking dat i) de rechtbank er op basis van het vertrouwensbeginsel van uit is gegaan dat Israël het recht op een berechting binnen een redelijke termijn ex art. 14, derde lid aanhef en onder c, IVBPR zal waarborgen, ii) een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn in de rechtspraak van het EHRM en de rechtspraak van de Hoge Raad niet als een flagrant denial of justice wordt aangeduid, iii) de schending van dat recht ook niet verwant is aan de in die rechtspraak wel als zodanig aangeduide gevallen en iv) niet zonder meer valt in te zien hoe een geïsoleerde schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn een zo fundamentele inbreuk op de beginselen van een eerlijk proces oplevert dat deze resulteert in het tenietdoen, of de destructie, van de essentie van het in art. 6 EVRM respectievelijk art. 14 IVBPR neergelegde recht op een eerlijk proces.

In het licht van deze constateringen was, naar mijn inzicht, een nadere onderbouwing vereist van het verweer dát de gestelde schending van het recht van de opgeëiste persoon op berechting binnen een redelijke termijn erin resulteert dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.

13. Een nadere onderbouwing zoals hiervoor bedoeld, ontbreekt evenwel in het verweer. Blijkens de (in randnummer 6 weergegeven) pleitnota heeft de verdediging met haar verweer vooral gewezen op het verloop van enkele jaren tussen het eerste verhoor van de opgeëiste persoon en het aan de rechtbank voorgelegde uitleveringsverzoek. Door de verdediging is immers aangevoerd – en ook de rechtbank is daarvan uitgegaan – dat de opgeëiste persoon sinds 15 of 16 november 2016 in afwachting is geweest van de voortzetting van de strafvervolging door de Israëlische justitiële autoriteiten. Het gestelde verloop van enkele jaren tussen het eerste verhoor van de opgeëiste persoon en het voorgelegde uitleveringsverzoek volstaat echter niet ter onderbouwing van het verweer dat sprake zal zijn van een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn, en al helemaal niet van de daarop gebaseerde blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.

14. De blijkens de pleitnota ook door de verdediging ingenomen stelling, die erop neerkomt dat de Israëlische autoriteiten sinds het op 15 en 16 november 2016 uitgevoerde verhoor wat betreft de vervolging van de opgeëiste persoon zonder voldoende rechtvaardiging hebben stilgezeten, maakt het vorenstaande niet wezenlijk anders. De omstandigheden die kennelijk ter onderbouwing van deze stelling zijn aangevoerd houden in dat i) de procedures tegen de medeverdachten van de opgeëiste persoon ([betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]) reeds in 2016 en 2017 waren afgerond, ii) een begrijpelijke verklaring ontbreekt voor het feit dat de uitlevering van de opgeëiste persoon niet is verzocht tijdens de zoektocht naar de zich mogelijk in Nederland bevindende medeverdachte [betrokkene 4], iii) zelfs toen de Israëlische autoriteiten tot de conclusie waren gekomen dat [betrokkene 4] onvindbaar was, zou zijn nagelaten om uitlevering van de opgeëiste persoon te verzoeken, en iv) het geenszins aan cliënt heeft gelegen dat het allemaal zo lang heeft geduurd, omdat hij zich nooit op ook maar enig moment aan naspeuringen van justitie zou hebben onttrokken.

Deze (gestelde) omstandigheden leiden echter niet tot het oordeel dat sprake is van een schending van het recht op berechting binnen een redelijk termijn, laat staan dus tot het oordeel dat sprake is van het risico van een flagrante inbreuk op dat in art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR neergelegde recht (waaraan de opgeëiste persoon zou zijn blootgesteld). Ik wijs hierbij op de vaste rechtspraak van het EHRM over het recht op berechting binnen een redelijke termijn waaruit onder meer volgt dat de complexiteit van de zaak, de proceshouding van de verdachte/opgeëiste persoon en het optreden van de relevante administratieve en rechterlijke instanties, als beoordelingsfactoren worden betrokken bij de vraag of de redelijke termijn is overschreden.

Met uitzondering van het gedrag van de opgeëiste persoon – waarover door de verdediging is gesteld dat de opgeëiste persoon zich nooit op ook maar enig moment aan naspeuringen van justitie heeft onttrokken –, is door de verdediging niet voldoende op basis van de relevante beoordelingsfactoren aangevoerd waarom het gestelde tijdsverloop tussen het eerste verhoor en de behandeling van het voorliggende uitleveringsverzoek leidt tot de slotsom dat de strafvervolging van de opgeëiste persoon onredelijk lang duurt en/of zal duren. En waarom de gestelde (en dreigende) schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn het risico met zich brengt van een inbreuk op art. 6 EVRM en/of art. 14 IVBPR die als flagrant zal moeten worden aangemerkt, wordt (nogmaals) in het geheel niet onderbouwd in het verweer.

15. Voor zover het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon al sprake is van dreiging van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM respectievelijk art. 14, eerste lid, IVBPR, faalt het dus. Dat brengt – in het licht van HR 1 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. Rozemond – mee dat het middel geen bespreking meer behoeft voor zover het berust op de stelling dat door de verdediging voldoende onderbouwd is aangevoerd dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ter zake van een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat omdat in Israël geen ‘adequate compensatie’ mogelijk zou zijn voor een schending van dat recht. VI. Slotsom 16. Het middel faalt.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Ik merk op dat de rechtbank in haar weergave van het standpunt van de verdediging tot uitdrukking heeft gebracht dat de raadsvrouw in haar pleitnota heeft verwezen naar HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. Rozemond. Te raadplegen via https://www.echr.coe.int/Documents/Guide_Art_6_criminal_ENG.pdf. Ik heb geen rechtspraak van het EHRM na 1 januari 2022 gevonden, waarin andere gevallen zijn aangeduid. Vgl. ook HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2019, NJ 2019/228, m.nt.

Rozemond. Zie ‘Guide on Article 6’, p. 104. Dit zijn ook de bewoordingen die het Straatsburgse Hof gebruikt in par. 260 van EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09 (Othman/V.K.), NJ 2013/360, m.nt. Keijzer. Ik lees de door de rechtbank gebruikte woorden ‘dreiging van’ als een verwijzing naar de door de Hoge Raad in zijn arrest van 21 maart 2017 gebruikte term ‘blootstelling aan’. Zie over deze criteria – met een verwijzing naar zijn vaste rechtspraak – EHRM 28 mei 2019, nr. 173/15 (Liblik e.a. t. Estland), par.

91. Door de Hoge Raad in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NK:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis (rov. 3.13.1) zijn vergelijkbare beoordelingsfactoren aangeduid met de termen ‘de ingewikkeldheid van de zaak’, ‘de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop’, ‘de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld’. In HR 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1426, NJ 2018/371 (rov. 2.5) wees de Hoge Raad eveneens naar het in algemene termen gevoerde verweer dat sprake was van een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM om te komen tot een verwerping van het middel dat tegen de verwerping van dat verweer was gericht.

HR 16 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5361, NJ 2007/566 biedt een (ouder) voorbeeld van een geval waarin sprake is van een middel dat gericht was tegen de verwerping van het verweer dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn, maar faalde (rov. 4.3.2). Zie voor een geval waarin naar het oordeel van de Hoge Raad niet was gebleken dat voldoende onderbouwd was aangevoerd dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ingeval van een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat:

HR 23 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:955.