Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2022:199 ECLI:NL:PHR:2022:199 AI generated

ECLI:NL:PHR:2022:199 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2022:199
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 6 mei 2021 niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen de strafbeschikking van 29 december 2018 onder CJIB nummer 7132 5420 0313 743. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. van Beest, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering, art. 1:6 van de Algemene wet bestuursrecht, art. 432 Sv, art. 257e Sv, art. 6:11 Awb, art. 6:9 Awb; ECLI:NL:PHR:2022:199 · Parket bij de Hoge Raad: Dit staat overigens ook zo vermeld in de door verdachte ontvangen strafbeschikking. Nu verdachtes brief, inhoudende verzet, pas op 17 januari 2018 bij het parket van de officier van justitie is ingekomen, heeft verdachte te laat verzet gedaan. Dat betekent dat de politierechter verdachte niet-ontvankelijk had moeten verklaren in het verzet. Anders dan de raadsman heeft gesteld is het te laat doen van het verzet niet geheeld door het feit dat de politierechter in eerste aanleg de strafzaak inhoudelijk heeft behandeld.” 3.3. In de toelichting op het middel wordt onder verwijzing naar een beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 16 juli 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB1224 betoogd dat de artikelen 6:9 en 6:11 Awb zich in verzetzaken voor analogische toepassing lenen.

Keywords

AI generated
artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering art. 1:6 van de Algemene wet bestuursrecht art. 432 Sv art. 257e Sv art. 6:11 Awb art. 6:9 Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering
Het eerste lid van art. 257e bepaalt dat, voor zover hier van belang, de verdachte tegen een strafbeschikking verzet kan doen binnen veertien dagen nadat het afschrift in persoon aan hem is uitgereikt, dan wel zich anders een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is.
art. 1:6 van de Algemene wet bestuursrecht
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat art. 1:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat hoofdstuk 6 van die wet niet van toepassing is op o.m.
art. 432 Sv
art. 257e Sv
Het tweede lid van art. 257e Sv houdt in dat het verzet moet worden gedaan bij het parket dat in de strafbeschikking vermeld wordt.
art. 6:11 Awb
6:9 en art. 6:11 Awb analogisch kunnen worden toegepast op een verzetprocedure ter zake van een door middel van een dwangbevel ingevorderd bedrag.
art. 6:9 Awb
Over analogische toepassing van art. 6:9 Awb wordt - wat daar gelet op het voorgaande ook van zij - niet gesproken.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHLEE:2007:BB1224
De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft de betrokkene in het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 18 juli 2006 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
ECLI:NL:HR:2005:AS8377
Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - is bij exploot van 4 december 1998, ingeschreven onder rolnummer 98-1568, in verzet gekomen tegen een door verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - uitgevaardigd dwangbevel van 16 oktober 1998, aan hem betekend op 26 oktober 1998, bij exploot van 27 januari 1999, rolnummer 99-147, tegen een door de Gemeente uitgevaardigd dwangbevel van 16 december 1998, aan hem betekend op 23 december 1998, en bij exploot van 21 mei 1999, rolnummer 99-530, tegen een door de Gemeente uitgevaardigd dwangbevel van 7 april 1999, aan hem betekend op 12 april 1999. Bij deze exploten heeft hij tevens de Gemeente gedagvaard voor de rechtbank te Zutphen en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
NJ 2005/299
In het door de steller van het middel aangehaalde arrest oordeelde het gerechtshof Leeuwarden - onder verwijzing naar het arrest van het Hoge Raad van 13 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8377, NJ 2005/299 - dat art.
NJ 1977/562
36, onder verwijzing naar HR 1 februari 1977, NJ 1977/562 en HR 22 november 1977, NJ 1978/659.
NJ 1978/659
36, onder verwijzing naar HR 1 februari 1977, NJ 1977/562 en HR 22 november 1977, NJ 1978/659.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/02178 Zitting 8 maart 2022 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 6 mei 2021 niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen de strafbeschikking van 29 december 2018 onder CJIB nummer 7132 5420 0313 743.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. van Beest, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel 3.1. Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat het tegen de strafbeschikking gedane verzet niet-ontvankelijk is, meer in het bijzonder richt het middel zich tegen het oordeel dat de datum van ontvangst van het verzetschrift ten parkette bepalend is voor de vaststelling of het verzet tijdig is gedaan. 3.2. Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in: “Verdachte heeft een strafbeschikking ontvangen van het Centraal Justitieel Incassobureau, gedagtekend 29 december 2017, tot betaling van een geldboete van 500 euro.

Bij brief van 11 januari 2018, gericht aan het parket Oost Nederland in Arnhem, heeft verdachte de officier van justitie bericht dat hij op 29 december 2017 een boete heeft ontvangen en aan hem verzocht de strafbeschikking te vernietigen. Deze brief is blijkens het daarop vermelde stempel bij het parket ingekomen op 17 januari 2018. Op grond van het bepaalde in artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering had verdachte in dit geval binnen veertien dagen na 29 december 2017 verzet moeten doen bij het parket van de officier van justitie, waarbij de datum van ontvangst ten parkette naar het oordeel van het hof bepalend is voor de vaststelling of het verzet tijdig is gedaan.

Dit staat overigens ook zo vermeld in de door verdachte ontvangen strafbeschikking. Nu verdachtes brief, inhoudende verzet, pas op 17 januari 2018 bij het parket van de officier van justitie is ingekomen, heeft verdachte te laat verzet gedaan. Dat betekent dat de politierechter verdachte niet-ontvankelijk had moeten verklaren in het verzet. Anders dan de raadsman heeft gesteld is het te laat doen van het verzet niet geheeld door het feit dat de politierechter in eerste aanleg de strafzaak inhoudelijk heeft behandeld.” 3.3. In de toelichting op het middel wordt onder verwijzing naar een beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 16 juli 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB1224 betoogd dat de artikelen 6:9 en 6:11 Awb zich in verzetzaken voor analogische toepassing lenen.

Volgens de steller van het middel is het verzet in het onderhavige geval tijdig ingesteld, omdat het verzetschrift binnen een week na het einde van de termijn op het parket van de officier van justitie is binnengekomen, als bedoeld in art. 6:9, tweede lid, Awb. Het hof had de verdachte dan ook ontvankelijk moeten verklaren in zijn verzet. 3.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat art. 1:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat hoofdstuk 6 van die wet niet van toepassing is op o.m. de vervolging van strafbare feiten.

Dat betekent dat de Awb ook niet van toepassing is in het geval de vervolging plaatsvindt door middel van een strafbeschikking, waarvan in het onderhavige geval sprake is. Voorts moet worden vooropgesteld dat in strafzaken niet de verzendtheorie, maar de ontvangsttheorie wordt gehuldigd. Dat betekent dat niet de datum van verzending, maar de datum van ontvangst bepalend is voor de vaststelling of het rechtsmiddel tijdig is ingesteld. Ook geldt dat vertragingen in de postbezorging in de regel voor rekening van de verdachte komen. 3.5. Het doen van verzet tegen een strafbeschikking is geregeld in de vijfde afdeling van Titel IVa van het Wetboek van Strafvordering (met het opschrift Vervolging door een strafbeschikking).

Het eerste lid van art. 257e bepaalt dat, voor zover hier van belang, de verdachte tegen een strafbeschikking verzet kan doen binnen veertien dagen nadat het afschrift in persoon aan hem is uitgereikt, dan wel zich anders een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is. Met deze laatste formulering wordt aangesloten bij de bepalingen waarin termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen tegen rechterlijke uitspraken zijn geregeld (vgl. art. 408 en art. 432 Sv). Het ligt voor de hand om in het geval van termijnoverschrijding tevens aan te sluiten bij de jurisprudentie die betrekking heeft op genoemde bepalingen.

Het tweede lid van art. 257e Sv houdt in dat het verzet moet worden gedaan bij het parket dat in de strafbeschikking vermeld wordt. 3.6. In het door de steller van het middel aangehaalde arrest oordeelde het gerechtshof Leeuwarden - onder verwijzing naar het arrest van het Hoge Raad van 13 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8377, NJ 2005/299 - dat art. 6:9 en art. 6:11 Awb analogisch kunnen worden toegepast op een verzetprocedure ter zake van een door middel van een dwangbevel ingevorderd bedrag. Afgezien van de naam van het rechtsmiddel - verzet - is de in die hof-beschikking aan de orde zijnde procedure - betrekking hebbend op de tenuitvoerlegging van reeds onherroepelijke WAHV-beschikkingen - echter op geen enkele wijze vergelijkbaar met het verzet tegen de strafbeschikking.

Voorts heeft het oordeel van de Hoge Raad in genoemd arrest uitsluitend betrekking op art. 6:11 Awb, welke bepaling inhoudt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Over analogische toepassing van art. 6:9 Awb wordt - wat daar gelet op het voorgaande ook van zij - niet gesproken. 3.7. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 29 december 2017 bekend is geraakt met de strafbeschikking en dat het verzetschrift van de verdachte blijkens het daarop vermelde stempel bij het parket is ingekomen op 17 januari 2018.

Volgens het hof is de datum waarop het verzetschrift door het parket is ontvangen bepalend voor de vaststelling of het verzet tijdig is gedaan. Daarin ligt besloten dat het hof uitgaat van de ontvangstleer. Dat oordeel geeft, gelet op hetgeen onder 3.4 is vooropgesteld, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het verzet te laat is gedaan is, gelet op voornoemde vaststellingen en in aanmerking genomen dat de beroepstermijn ingevolge ar. 257e, eerste lid, Sv veertien dagen bedraagt, voorts niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 3.8.

Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer Deventer 2018, p. 36, onder verwijzing naar HR 1 februari 1977, NJ 1977/562 en HR 22 november 1977, NJ 1978/659. Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer Deventer 2018, p. 36, onder verwijzing naar HR 19 mei 1992, DD 92.334.