ECLI:NL:PHR:2022:1165 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedPROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/01728 Zitting 13 december 2022 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 9 maart 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot 108 dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft voorts de teruggave gelast van een inbeslaggenomen geldbedrag en een vordering tot herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:2022:1165 · Parket bij de Hoge Raad: Keulen In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 9 maart 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot 108 dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft voorts de teruggave gelast van een inbeslaggenomen geldbedrag en een vordering tot herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen.
Full text
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/01728 Zitting 13 december 2022 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 9 maart 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot 108 dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft voorts de teruggave gelast van een inbeslaggenomen geldbedrag en een vordering tot herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/01003 en 21/01220. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 11 april 2022 betekend. De gerechtelijke brief is uitgereikt aan een medewerker van het parket van de Procureur-Generaal. Zij is op 22 en 29 maart 2022 (en naar ik begrijp ook op 5 april 2002) aangeboden aan het adres [a-straat 1], [postcode] [plaats], alwaar volgens de akte van uitreiking niemand aanwezig of bereid was om de brief aan te nemen.
Uit de BRP-bevraging van 11 april 2022 blijkt dat dit adres sinds 25 november 2014 het BRP-adres van verdachte is. Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de verdachte niet in het beroep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG