Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2021:80 ECLI:NL:PHR:2021:80 AI generated

ECLI:NL:PHR:2021:80 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2021:80
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/01460 en 20/01461 Datum 28 januari 2021 Belastingkamer 3A Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2006 tot en met 2011 en boetebeschikkingen, Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2006 en 2007, omzetbelasting voor de jaren 2006 tot en met 2009 Nrs. Gerechtshof 18/00198 tot en met18/00210 en 18/00214 tot en met 18/00216 Nrs. Rechtbank HAA 15/5034 tot en met 15/5046 en HAA 15/5050 tot en met HAA 15/5052 CONCLUSIE R.L.H. IJzerman in de zaak van [X1] respectievelijk [X2] tegen de Staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 20/01460 naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X1] , belanghebbende, tegen de uitspraak van 19 maart 2020 van Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof).

Legislator headnote

AI generated

artikel 437 Wetboek van Strafrecht, artikel 437 Sr, artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 6 EVRM, artikel 8:77 Awb, artikel 6 van het EVRM; ECLI:NL:PHR:2021:80 · Parket bij de Hoge Raad: Het grootste gedeelte van de inkopen (90% tot 95%) is zogeheten ‘sloopgoud’ dat wordt aangeboden aan afnemer [D] B.V. (hierna: [D] ) die het omsmelt tot baren goud en zilver. 2.3. [X2] beheert het filiaal aan de [b-straat] , waar alleen inkoop van goederen plaatsvindt. Hij is bevoegd om zelfstandig te bepalen welke prijs hij biedt. Hij is de enige die de inkoopbonnen van beide vestigingen in het aankoopregister als bedoeld in artikel 437 Wetboek van Strafrecht (Sr) inschrijft. De overige drie firmanten werken in het filiaal aan de [a-straat] . [X1] heeft feitelijk de meeste zeggenschap binnen de vennootschap.

Keywords

AI generated
artikel 437 Wetboek van Strafrecht artikel 437 Sr artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht artikel 6 EVRM artikel 8:77 Awb artikel 6 van het EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 437 Wetboek van Strafrecht
Hij is de enige die de inkoopbonnen van beide vestigingen in het aankoopregister als bedoeld in artikel 437 Wetboek van Strafrecht (Sr) inschrijft.
artikel 437 Sr
Op grond van artikel 437 Sr is de vof verplicht tot het bijhouden van een register waarin alle inkopen worden vastgelegd.
artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
artikel 6 EVRM
Het Hof dient ambtshalve te onderzoeken of er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM).
artikel 8:77 Awb
Schending van het recht, in het bijzonder van de artikelen 67d en 67e AWR, en verzuim van vormen in de zin van artikel 8:77 Awb, doordat het Hof oordeelde dat de vergrijpboeten passend en geboden zijn, zulks echter zoals hierna wordt uiteengezet ten onrechte, dan wel op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen.
artikel 6 van het EVRM
37984, BNB 2005/337, zal de Hoge Raad bij het bieden van compensatie voor de hieruit voortvloeiende schending van artikel 6 van het EVRM voortaan de hierna onder 4.2 te vermelden uitgangspunten hanteren: 4.2.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2017:3873
afdeling strafrecht parketnummer: 23-000349-15 datum uitspraak: 11 augustus 2017 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-656356-11 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2016, 20 april 2016, 14 juli 2017, 17 juli 2017, 21 juli 2017, 4 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat: 1:hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009, in de gemeente Amsterdam, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen een deel van de bedrijfsadministratie, althans een financiële administratie/boekhouding ten name van eenmanszaak [eenmanszaak] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt, ondermeer: A: in de periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009 tweeëntwintig (22) (12 en 10), althans een aantal, vervalste inkoopbonnen (zaaksdossier D), waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; B: in de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 december 2009 kasjournalen die in strijd met de waarheid de post(en) lening(en) en familie bevatten, teneinde het ontbrekende (negatieve) kassaldo aan te vullen (paragraaf 7 zaaksdossier B); zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 2:[v.o.f.] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 in de gemeente Amsterdam, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen een deel van de bedrijfsadministratie, althans een financiële administratie/boekhouding ten name van [v.o.f.] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [v.o.f.] telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt, ondermeer: A: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 achttien (18), althans een aantal, vervalste inkoopbonnen (zaaksdossier D), waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; B: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 kasjournalen die in strijd met de waarheid de post(en) lening(en) en familie bevatten, teneinde het ontbrekende (negatieve) kassaldo aan te vullen (paragraaf 7 zaaksdossier B); C: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 het registerboek 2011, zoals bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht, waarin onder meer telkens in strijd met de waarheid is opgenomen vervalste inkoopbonnen als bedoeld onder A en/of in strijd met de waarheid inkopen niet zijn vermeld (paragraaf 6 zaaksdossier B), zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedragingen; 3:hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2011, in de gemeente Amsterdam en/of Uithoorn en/of Amstelveen, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van verdachte en/of in de [adres 2] te Amsterdam en/of de [adres 3] te Amsterdam, woningen [adres 1] te Uithoorn en/of [adres 4] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening bij [B.V.] , de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel heeft hij, verdachte, verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten boven genoemde voorwerp(en), was of wie die bovenomschreven voorwerp (en) voorhanden had, en/of (telkens) (een) voorwerp(en), te weten - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van verdachte en/of in de [adres 2] te Amsterdam en/of de [adres 3] te Amsterdam, woningen [adres 1] te Uithoorn en/of [adres 4] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening bij [B.V.] , heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten bovengenoemde voorwerpen gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat/die bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; 4:[v.o.f.] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011, in ieder geval op of omstreeks 20 september 2011, in de gemeente Amsterdam en/of Uithoorn en/of Amstelveen, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben [v.o.f.] en/of haar mededader(s) (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten, - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van [v.o.f.] in de [adres 2] te Amsterdam en/of de [adres 3] te Amsterdam, woningen [adres 1] te Uithoorn en/of [adres 4] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [v.o.f.] bij [B.V.] , de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel heeft zij, verdachte, verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten bovengenoemde voorwerpen, was of wie die bovenomschreven voorwerp (en) voorhanden had, en/of (telkens) (een) voorwerp(en), te weten - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van [v.o.f.] in de [adres 2] te Amsterdam en/of de [adres 3] te Amsterdam, woningen [adres 1] te Uithoorn en/of [adres 4] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [v.o.f.] bij [B.V.] , heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten bovengenoemde voorwerpen gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl [v.o.f.] en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat/die bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven gedraging(en). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Inleiding De eenmanszaak met de handelsnaam “ [eenmanszaak] ” wordt sinds 1992 gedreven voor rekening en risico van [eigenaar eenmanszaak] . Het bedrijf is sinds 1997 gevestigd aan de [adres 2] in Amsterdam. [verdachte] werkte bij [eenmanszaak] . Op 29 december 2009 wordt de eenmanszaak gestaakt en worden de activiteiten voortgezet in een vennootschap onder firma met de naam [v.o.f.] . De vennoten zijn [eigenaar eenmanszaak] , zijn echtgenote [echtgenote van eigenaar eenmanszaak] , [verdachte] en diens echtgenote [echtgenote verdachte] . De bedrijfsactiviteiten bestaan uit de in- en verkoop van edelmetalen, munten en (gebruikte) sieraden. Er zijn twee vestigingen; naast de eerdergenoemde vestiging aan de [adres 2] is ook een vestiging geopend aan de [adres 3] 248 te Amsterdam. Daarnaast worden sieraden ook via internet te koop aangeboden. [verdachte] beheert het filiaal aan de [adres 3] , waar alleen inkoop van goederen plaatsvindt. Hij is bevoegd om zelfstandig te bepalen welke prijs hij biedt. Hij is de enige die de inkoopbonnen van beide vestigingen in het aankoopregister als bedoeld in artikel 437 Wetboek van Strafrecht (Sr) inschrijft. De overige drie vennoten werken in het filiaal aan de [adres 2] . [eigenaar eenmanszaak] heeft de meeste zeggenschap binnen de vennootschap. Men overlegt bijna alles met hem, hij gaat over het geld en onderhoudt het contact met de boekhouder. De beide echtgenotes verrichten de dagelijkse werkzaamheden in de winkel en met betrekking tot de website. In het vervolg van dit arrest zullen de verdachte en de gelijktijdig terechtstaande verdachte [eigenaar eenmanszaak] ook wel alleen met hun voornaam worden aangeduid. De verdachte [v.o.f.] zal worden aangeduid als [v.o.f.] , maar ook als de vof. Bespreking van de gevoerde verweren ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde Het onder 1 ten laste gelegde feit houdt – kort samengevat – in dat de verdachte al dan niet tezamen met anderen de bedrijfsadministratie van eenmanszaak [eenmanszaak] valselijk heeft opgemaakt door opname daarin van: A) valse/vervalste inkoopbonnen; B) kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’. Het onder 2 ten laste gelegde feit houdt – kort samengevat – in dat [v.o.f.] de bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt door opname daarin van: A) valse/vervalste inkoopbonnen; B) kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’; C) registerboek 2011:  met daarin opgenomen valse inkoopbonnen;  zonder vermelding van bepaalde inkopen, en dat de verdachte daaraan feitelijk leiding zou hebben gegeven. 1A) en 2A) Valse/vervalste inkoopbonnen Door de onderneming [eenmanszaak] (waarbij [verdachte] werkzaam was) en sinds 29 december 2009 door [v.o.f.] (waar [verdachte] medevennoot is) worden edelmetalen, munten en (gebruikte) sierraden ingekocht van particulieren. Het grootste gedeelte van de inkopen (90% tot 95%) is zogeheten ‘sloopgoud’ dat wordt aangeboden aan afnemer [B.V.] (hierna: [B.V.] ) die het omsmelt tot baren goud en zilver. Ter zake van deze inkopen van particulieren maakt [eenmanszaak] , later [v.o.f.] , een inkoopbon op (waarvan aan de klant een kopie wordt uitgereikt) die de basis vormt van de inkoopadministratie van beide ondernemingen. Op de bon wordt onder andere de naam van de verkoper vermeld, het nummer van zijn identiteitsbewijs, een korte omschrijving van de inkoop en het betaalde bedrag, waarna de verkoper de bon voorziet van zijn handtekening. Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd (onder feit 1, letter A) het vervalsen van 22 inkoopbonnen zoals opgemaakt door [eenmanszaak] gedurende de periode 1 april 2004 tot en met 28 december 2009, en (onder feit 2, letter A) het vervalsen van 18 inkoopbonnen zoals opgemaakt door [v.o.f.] gedurende de periode 29 december 2009 tot en met 20 september 2011. Beide feiten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. [verdachte] wordt verweten dat hij in een aantal gevallen, na afronding van de inkoop en het vertrek van de klant, het bedrag op de inkoopbon heeft verhoogd. Het betreft dan steeds (bij de tenlastegelegde bonnen) een inkoop bij een bonafide klant (die niet bij justitie bekend is, geen antecedenten heeft). Deze inkoop wordt (cijfermatig) verhoogd met het bedrag van een andere inkoop van een niet-bonafide klant. Uitgaande van deze hypothese van verbalisant [verbalisant] (zaaksdossier B, paragraaf 6) wordt uiteindelijk niet het inkoopbedrag van de niet-bonafide klant buiten de administratie gehouden, maar (alleen) zijn persoonsgegevens. Het bedrag van deze inkoop staat niet op enige bon (omdat die niet is opgemaakt) maar is cijfermatig verwerkt in de wel opgemaakte bon van een bonafide klant. Aldus blijft de niet-bonafide klant buiten beeld, maar wordt het aan hem betaalde bedrag wel (cijfermatig) in de financiële administratie verwerkt. Door het verhogen van het inkoopbedrag van de bonafide inkoop met het bedrag van de te maskeren inkoop (die voor het overige dus niet is vastgelegd) wordt op jaarbasis het bedrag van de inkopen (en de inkoopwaarde omzet, en daarmee de winst) correct vastgelegd. Het doel daarvan is, dat daarmee de (omvang van de) leveringen aan [B.V.] kunnen worden verklaard en onderbouwd (Relaas financieel onderzoek valsheid in geschrifte en witwassen in de bedrijfsvoering van [v.o.f.] , p. 1.0262). Als voorbeeld van deze handelwijze kan dienen, de inkoop van klant [klant 1] die op 17 september 2011 ‘sloopgoud’ verkoopt voor een bedrag van € 1.502,-. Een kopie van de door [klant 1] ontvangen en door hem bewaarde bon bevindt zich in het dossier (p. 3.0180). In het dossier bevindt zich een kopie van de in de administratie van de vof opgenomen bon (p. 3.0179) die identiek is aan eerstgenoemde bon met uitzondering van het inkoopbedrag dat tot € 4.502,- is opgehoogd. [klant 1] bevestigt het lagere bedrag in zijn verklaring (zakelijk weergegeven): “Ik dacht € 1.508,- te hebben ontvangen. Ik heb het bonnetje thuis liggen, dat bonnetje kunt u van mij krijgen”. [verdachte] erkent ook dat hij het bedrag heeft opgehoogd, en heeft dienaangaande verklaard dat het een automatische verschrijving was die hij achteraf niet meer goed kan verklaren. Het hof is van oordeel dat [verdachte] de (in de administratie opgenomen) inkoopbon bewust heeft vervalst. Zijn (ter zitting herhaalde) verklaring dat hij nadat hij op de bon de datum (terecht) heeft gecorrigeerd, hij ‘automatisch’ ook het inkoopbedrag naar boven heeft aangepast, zonder daar bij na te denken, acht het hof ongeloofwaardig. Daarvoor is het aanpassen, zijnde het handmatig wijzigen van een ‘1’ in een ‘4’ op de bon een te doelbewuste handeling die moeilijk als een ‘automatische verschrijving’ kan worden uitgevoerd/aangemerkt. Van [klant 1] is overigens de enige klant, door de politie gehoord, die zijn bon heeft bewaard en overgelegd. Desondanks acht het hof, mede gelet op de verklaring van [klant 1] en de door hem overgelegde bon, aannemelijk dat [verdachte] de bonnen terzake van de navolgende inkopen op overeenkomstige wijze heeft vervalst door achteraf de inkoopbedragen te verhogen. Het hof acht daarbij van belang dat de desbetreffende klanten stellig hebben verklaard dat zij een substantieel lager bedrag hebben ontvangen dan op de bon vermeld. Zo verklaart [klant 2] dat hij een gouden armband heeft verkocht voor € 714 terwijl op de inkoopbon een bedrag van € 2.714 staat en de getuige verklaart (als hij voornoemd bedrag verneemt van de verbalisant) dat dit absoluut onjuist is. Het betreft de volgende bonnen, met de datum van de inkoop, de naam van de klant en het op de factuur vermelde (opgehoogde) bedrag: Feit 1: [eenmanszaak] , 12 bonnen 24 mei 2004, [klant 3] , € 2.150,- 15 mei 2004, [klant 4] , € 980,- 21 juni 2006, [klant 5] , € 680,- 25 juli 2006, [klant 6] , € 2.820,- 9 januari 2007, [klant 7] , € 1.384,- 23 januari 2007, [klant 8] , € 1.400,- 4 juni 2007, [klant 9] , € 2.333,- 17 april 2008, [klant 10] , € 1.330,- 10 september 2008, [klant 11] , € 1.375,- 15 december 2008, [klant 12] , € 944,- 8 april 2009, [klant 13] , € 564,- 22 september 2009, [klant 14] , € 1.300,- Feit 2: [v.o.f.] , 13 bonnen 18 januari 2010, [klant 21] , € 1.907,- 13 januari 2010, [klant 22] , € 1.673,- 30 januari 2010, [klant 23] , € 1.052,- 30 juni 2010, [klant 24] , € 1.266,- 16 juli 2010, [klant 25] , € 1.282,- 16 april 2011, [klant 13] , € 1.608,- 19 april 2011, [klant 15] , € 1.605,- 14 mei 2011, [klant 16] , € 2.624,- 12 augustus 2011, [klant 17] € 5.200,- 25 augustus 2011, [klant 18] , € 1.793,- 9 september 2011, [klant 2] , 2.714,- 13 september 2011, [klant 19] , € 4.075,- 16 september 2011, [klant 20] , € 3.244,- In de tenlastelegging worden 22 (feit 1) en 18 (feit 2) bonnen genoemd die in het requisitoir in eerste aanleg (p. 14) worden gespecificeerd ( zie ook dossier p. 5.0626 ev, 5.0302 ev en 5.1638 ev). In hoger beroep komen de klanten [klant 26] , [klant 27] , [klant 28] en [klant 29] te vervallen (requisitoir in hoger beroep, p. 3). Het hof heeft vervolgens nog de bonnen ter zake van de aankopen van [klant 30] , [klant 31] , [klant 32] , [klant 33] , [klant 34] , [klant 35] en [klant 36] buiten beschouwing gelaten, aangezien deze klanten niet zelfstandig een bedrag (om en nabij) hebben genoemd, niet of onvoldoende stellig hebben verklaard over de ontvangen prijs of dat deze prijs onvoldoende afweek van de gefactureerde bedrag. Het hof heeft voorts, naar aanleiding van de opmerkingen van [verdachte] zoals opgenomen in de bijlage bij de pleitnota, buiten beschouwing gelaten de bonnen die zijn uitgeschreven aan [klant 37] , [klant 38] en [klant 39] / [klant 40] . Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat [verdachte] in de onderhavige periode, zijnde bijna acht jaren, in totaal 12 (feit 1) en 13 (feit 2) bonnen heeft vervalst. Met het vervalsen van de bonnen en het in de administratie (doen) opnemen van deze valse bonnen heeft [verdachte] de bedrijfsadministratie, althans de financiële administratie van de onderneming [eenmanszaak] (feit 1) dan wel de vof (feit 2) valselijk opgemaakt. 1B) Kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’ In de ten laste gelegde periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009 zijn geen kasjournalen aangetroffen. Ook anderszins is geen bewijs aangetroffen dat tot een bewezenverklaring voor deze periode kan leiden. [verdachte] zal dan ook worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging. 2B) Kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’ Nog daargelaten dat [eigenaar eenmanszaak] bij gelijktijdig uitgesproken arrest is vrijgesproken voor dit onderdeel, is niet gebleken dat [verdachte] op enige wijze betrokken was bij de boekhouding of het bijhouden van de administratie van de eenmanszaak en de vennootschap, anders dan het inschrijven van de inkoopbonnen in het register. [verdachte] moet dan ook worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging. Getuigenverzoek ten aanzien van erfenis en Bulgarije-project Tijdens de zitting van 6 april 2016 is door de verdediging, in verband met de gestelde ontvangen erfenis en de investering in het zogenaamde Bulgarije-project, verzocht getuigen te horen. Het hof heeft ter terechtzitting van 20 april 2016 overwogen dat op voornoemde verzoeken wordt beslist bij (tussen)arrest. Gelet op het feit dat [verdachte] van hetgeen onder 2 onder B ten laste is gelegd wordt vrijgesproken, wijst het hof het verzoek tot het horen van de getuigen af, nu de verdediging geen belang heeft bij het horen van de getuigen. 2C) Registerboek 2011 [verdachte] is binnen de onderneming verantwoordelijk voor het bijhouden van het inkoopregister, door het inschrijven van de transacties zoals al eerder vastgelegd op de inkoopbonnen. [verdachte] wordt verweten dat hij in de periode 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 de bedrijfsadministratie van [v.o.f.] valselijk heeft opgemaakt door het daartoe behorende register valselijk op te maken door er (het hof begrijpt: de gegevens zoals vermeld op) valse inkoopbonnen in op te nemen en/of bepaalde inkopen er in het geheel niet in op te nemen. Op grond van artikel 437 Sr is de vof verplicht tot het bijhouden van een register waarin alle inkopen worden vastgelegd. Naar het oordeel van het hof maakt het register deel uit van de bedrijfsadministratie als bedoeld in de tenlastelegging, nu er aantekening in wordt gemaakt van activiteiten die het bedrijf betreffen en die het bedrijf gehouden is vast te leggen. In dit register dient te worden opgenomen (onder meer) de naam van de verkoper, de omschrijving van de ingekochte goederen en de betaalde prijs (Besluit van 6 januari 1992, ter uitvoering van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). Met het verplicht stellen van deze registratie wordt beoogd heling tegen te gaan, omdat het daarmee voor dieven moeilijker wordt gestolen goederen te verkopen. Bij verkoop aan ondernemers als [v.o.f.] wordt immers de verkoop vastgelegd in het register, samen met de identiteit van de verkoper, zodat in voorkomende gevallen (als wordt vastgesteld dat het de verkoop van een gestolen goed betreft) deze verkoper getraceerd kan worden hetgeen dit verkoopkanaal voor een dief (veel) minder aantrekkelijk maakt. Zoals hiervóór reeds vastgesteld heeft [verdachte] in de onderhavige periode valse bonnen opgemaakt (in de zin, dat de betaalde en op de bon vermelde prijs achteraf is opgehoogd). Deze onjuiste (opgehoogde) inkoopbedragen zijn door [verdachte] vastgelegd in het register. Het hof is dan ook van oordeel dat [verdachte] ten aanzien van het opnemen van (gegevens zoals vermeld op) deze vervalste bonnen het register (in zoverre) valselijk heeft opgemaakt. [verdachte] wordt tevens verweten (het tweede gedeelte van letter C) dat hij het register onvolledig heeft bijgehouden omdat hij (in strijd met de waarheid) inkopen niet heeft vermeld. Het hof acht dat onderdeel niet bewezen, en overweegt daartoe als volgt. Ten aanzien van het niet volledig bijhouden van het register verwijst de advocaat-generaal (requisitoir, p. 8) naar een drietal (gestolen) horloges die niet terug zijn te vinden in het register, naar observaties op 13 en 26 april 2011, en naar beelden van de bewakingscamera buiten en in de vestiging op de [adres 3] . Bij de observaties op 13 en 26 april 2011 is door de politie vastgesteld dat op enig moment twee personen de vestiging op de [adres 3] zijn binnengegaan en met geld het pand weer hebben verlaten. Deze vaststelling is onvoldoende om te kunnen concluderen dat deze personen (ook) iets hebben verkocht waarvan een vastlegging in de administratie had moeten worden gemaakt. De beelden van de bewakingscamera in de vestiging op de [adres 3] zijn gemaakt op 19 en 20 september 2011 en daarmee kort vóór de doorzoeking. Het hof acht aannemelijk dat [verdachte] , die in ander verband heeft verklaard dat hij eerst de dag na de aankopen het register (met alle inkoopbonnen van de voorgaande werkdag) bijwerkte, door de doorzoeking niet meer in de gelegenheid is geweest deze inkopen te verwerken hetgeen de omissies verklaart. Ten aanzien van de drie horloges, overweegt het hof als volgt. Het horloge omschreven Omega Seamaster is aangetroffen op het privéadres van [verdachte] . Niet kan worden vastgesteld dat het tot de bedrijfsvoorraad behoort van [v.o.f.] . Alsdan kan [verdachte] niet worden verweten dat hij dit horloge niet heeft ingeschreven in het register. De overige twee horloges (Cartier Chronoscap 21, kastnummer 2424 en Ebel mini bicolor kastnummer 51609290 E1157111) zijn aangetroffen in de vitrine van de vestiging in de [adres 2] , zodat aannemelijk is dat zij tot de bedrijfsvoorraad behoren van [v.o.f.] . Uit de locatie waarop de beide horloges zijn aangetroffen, niet apart bewaard in een zakje met bonnetje zoals aankopen de eerste week worden bewaard, maar al in de winkelvitrine, leidt het hof af dat de horloges niet op 19 of 20 september zijn ingekocht, zodat hetgeen hiervoor is opgemerkt ten aanzien van de registraties op die dagen voor deze twee horloges niet geldt. Beide horloges zijn niet terug te vinden in het register: maar dat is ofwel omdat ze in het geheel niet zijn opgenomen in het register; ofwel omdat ze wel zijn opgenomen maar onvoldoende gespecificeerd vanwege een te algemene of te vage omschrijving (als ‘horloge’ zonder specificatie). Dat laatste is niet in de tenlastelegging opgenomen. In de tenlastelegging is slechts opgenomen, het (in het geheel) niet opnemen van inkopen. Nu niet kan worden uitgesloten dat de horloges wel zijn opgenomen maar met een te onduidelijke omschrijving, hetgeen wel strafbaar, maar niet tenlastegelegd is, dient [verdachte] van dit feit te worden vrijgesproken. Vrijspraak van het onder 3 en 4 ten laste gelegde Reikwijdte tenlastelegging De onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten houden - naar de kern genomen in - dat [verdachte] al dan niet tezamen met anderen diverse nader omschreven voorwerpen heeft witgewassen (feit 3) en (feit 4) dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het witwassen van diverse voorwerpen door [v.o.f.] . De rechtbank heeft overwogen dat de tenlastelegging aldus moet worden uitgelegd dat de verkrijging van gestolen goederen het gronddelict voor het witwasverwijt vormt en dat de tenlastelegging niet mede omvat eventueel gepleegde fiscale delicten. De rechtbank overwoog in dat kader: 3.1.3. Het oordeel van de rechtbank In reactie op het preliminaire verweer heeft de officier van justitie uiteengezet dat - samengevat - de verkrijging van gestolen goederen het gronddelict vormt waarop de witwasbeschuldiging is gebaseerd. Doordat dit op grote schaal gebeurde, de ingekochte goederen niet individualiseerbaar werden bewaard en de administratie zeer gebrekkig was, heeft vermenging plaatsgevonden waardoor de gehele voorraad is aangetast. De rechtbank overweegt dat het weliswaar het uitgangspunt is bij witwaszaken dat het gronddelict niet hoeft te worden gespecificeerd in de tenlastelegging, maar dat in dit specifieke geval het gronddelict moet worden begrepen zoals door de officier van justitie ter terechtzitting is verwoord. Het onderliggende dossier is ook overeenkomstig het door de officier van justitie ingenomen standpunt ingericht. Van enig onderzoek door het Openbaar Ministerie dat gericht is op eventueel gepleegde fiscale delicten is niet gebleken. (…) Zij (hof: de rechtbank) zal de officier van justitie wel houden aan het kader dat zij ter terechtzitting in haar reactie op het preliminaire verweer heeft geschetst. Dit heeft tot consequentie dat de mogelijkheid van een fiscaal delict als gronddelict bij de beoordeling van de vraag of sprake is van witwassen buiten beschouwing wordt gelaten.” Het hof constateert dat tegen dit oordeel van de rechtbank in appel geen grief is gericht, zodat ook het hof dit als uitgangspunt neemt. Feit 3 Met de rechtbank is het hof is van oordeel – zoals door de advocaat-generaal gevorderd en door de verdediging bepleit – dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte onder 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Feit 4 Standpunt advocaat-generaal In de kern wordt de verdachten door de advocaat-generaal verweten dat zij een loopje hebben genomen met de van hen te vergen waakzaamheid en registratieverplichtingen in relatie tot het opkopen van tweedehands juwelen (aldus de advocaat-generaal in zijn requisitoir, op pagina 1). Ten gevolge van dit handelen zijn in de juwelierszaak van de verdachten grote hoeveelheden van misdrijf (diefstal, overval) afkomstige sieraden terechtgekomen. Door hun manier van handelen hebben de verdachten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij van misdrijf afkomstige goederen inkochten. De advocaat-generaal komt in zijn requisitoir met betrekking tot feit 4 tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht: “het in de periode 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 door [v.o.f.] maken van een gewoonte van het voorhanden hebben van een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten andere edelmetalen en edelstenen, en van het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [v.o.f.] bij [B.V.] , terwijl [v.o.f.] wist dat deze voorwerpen van misdrijf afkomstig waren, aan welke gedraging de verdachte leiding heeft gegeven.” Ter onderbouwing van deze conclusie wijst de advocaat-generaal in zijn requisitoir onder 32 op door [eigenaar eenmanszaak] op 8 augustus 2011 bij [B.V.] aangeboden gouden voorwerpen (vier ringen en een armband) die op basis van inscripties aantoonbaar van misdrijf afkomstig bleken te zijn en waarvan aangifte van inbraak is gedaan op respectievelijk 2 augustus 2011, 4 juli 2011, 1 juli 2011 en 20 juni 2011. Opmerkelijk is, aldus de advocaat-generaal dat deze voorwerpen kort tot zeer kort na de verschillende inbraken door [v.o.f.] ter omsmelting bij [B.V.] werden aangeboden. Daarnaast wijst de advocaat-generaal onder 33 op het door [v.o.f.] op 24 april 2010 aankopen van twee gestolen ringen en een gestolen armband, ingekocht als sloopgoud maar later verkocht aan [klant 41] , waarna onder 34 onder a. tot en met s. gestolen voorwerpen worden opgesomd die, aldus de advocaat-generaal, in ieder geval zijn witgewassen. De advocaat-generaal merkt in dit verband in zijn requisitoir op (onder 30) dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat men in het juweliersbedrijf bij het inkopen van voorwerpen bedacht moet zijn op het aanbieden van gestolen voorwerpen en maatregelen moest treffen om te voorkomen dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig waren. Deze zorgplichten liggen niet alleen ten grondslag aan de helings- en witwasbepalingen, maar ook aan de registerverplichting van art. 437 Sr, de algemeen gangbare witwastypologieën en de meldingsplichten betreffende ongebruikelijke transacties. Voor een bedrijf als [v.o.f.] brengen deze zorgplichten mee dat aangekochte goederen deugdelijk moeten worden geregistreerd, dat de identiteit van verkopende partijen goed moet worden vastgelegd, dat bij het aanbieden van bijzondere objecten vragen moeten worden gesteld over de herkomst en dat eventueel wordt gevraagd naar aankoopbewijzen en echtheidscertificaten (bijvoorbeeld bij de aankoop van bijzonder horloges). Binnen [v.o.f.] zijn evenwel structureel de minimaal denkbare maatregelen veronachtzaamd om inkoop van besmette waar te voorkomen: er werden geen vragen gesteld over de herkomst van voorwerpen, minimale onderzoeksplichten in relatie tot de persoon van de verkoper of aangeboden voorwerpen werden niet in acht genomen, gegevens van verkopers werden niet deugdelijk vastgelegd, bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers, werden niet vastgelegd, aankopen werden niet geregistreerd en de voorraadadministratie was gebrekkig. Uit deze omstandigheden moet worden afgeleid dat binnen de vof een praktijk bestond waarin structureel welbewust de aanmerkelijke kans werd aanvaard dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig bleken te zijn. Het voor witwassen door de vof vereiste (voorwaardelijk) opzet kan wettig en overtuigend worden bewezen, aldus de advocaat-generaal. Standpunt verdediging In zijn pleitaantekeningen stelt [verdachte] dat de rechtbank ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen van feit 4. [verdachte] heeft naar voren gebracht dat door of namens hem vanaf het eerste verhoor is aangegeven dat zijn wijze van handel drijven niet afweek van wat in de branche gebruikelijk was, dat hij zich hield aan de aanwijzingen van de politie op dat punt en dat hij alles deed wat redelijkerwijs in zijn macht lag om de inkoop van gestolen sieraden tegen te gaan. De rechtbank liet in haar vonnis - aldus [verdachte] - na te motiveren dat en waarom de wijze waarop hij zijn handel inrichtte in zodanige mate afweek van de wijze waarop in de branche gebruikelijker wijze gehandeld wordt dat zijn handelwijze als laakbaar bestempeld kan worden en veroordeling van de verdachte dient te volgen. Bij pleidooi wordt door de verdachte(n) ontkend dat er te weinig maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat gestolen sieraden werden ingekocht. Gesteld wordt dat de verdachten zich aan alle voorschriften hebben gehouden die in de branche gebruikelijk zijn. Het is bij deze vorm van handel nu eenmaal onmogelijk om met 100% zekerheid te weten of je te maken hebt met een bonafide of een malafide klant. Dat er af en toe van diefstal afkomstige goederen doorheen glippen is onderdeel van het risico van het vak. Uit onderzoek is ook niet gebleken dat er structureel en op grote schaal van diefstal afkomstige goederen werden ingekocht. Ter onderbouwing hiervan wordt, kort samengevat, aangevoerd dat altijd om een legitimatie werd gevraagd, dat het legitimatienummer en de naam van de verkoper werden genoteerd op de bon, waarna de verkoper op de bon dan nog zijn handtekening diende te zetten, dat het register - zij het rudimentair - wel degelijk werd bijgehouden aan de hand van de bonnen, dat [verdachte] naar de politie is geweest om te vragen hoe het register in te vullen, dat hij altijd conform deze instructies is blijven werken, dat de verdachten van de politie nimmer te horen hebben gekregen dat het register te summier of te gebrekkig was, dat het verwijt dat er geen vragen worden gesteld de praktijk van alledag miskent, dat het ronduit naïef is te veronderstellen dat een klant die te kwader trouw is niet een standaard gelikt antwoord klaar zou hebben, dat de eis een kopie van de legitimatie te maken bij iedere aankoop nergens is terug te vinden en ook in strijd zou zijn met de regels Wet bescherming persoonsgegevens, en dat het handelen in strijd met artikel 437bis lid 1 Sr hoogstens een overtreding oplevert maar op zich nog geen aanwijzing vormt voor heling c.q. witwassen, waarna geciteerd wordt uit het eerste politieverhoor van [verdachte] : Als ik zie dat een junk een restant van een sieraad heeft dan geef ik er een paar euro voor, maar als de junk een mooie ring inlevert dan waag ik mij daar niet aan. Misschien komt de eigenaar of is hij gestolen. (…) Ik mag niet discrimineren op uiterlijk daarom is iedereen bij mij welkom. Ik kijk wel naar zijn gedrag. Is hij agressief of druk dan hoef ik hem niet als klant. (…) pag. 11 e.v. van voornoemde pleitaantekeningen). Daarnaast is het verweer gevoerd voor negen van de negentien door de advocaat-generaal specifiek genoemde voorwerpen dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat ze überhaupt van diefstal afkomstig zijn (pag. 22 van die pleitaantekeningen). Het hof overweegt als volgt. Het dossier bevat geen bewijs dat de bij de verdachten aangetroffen sieraden afkomstig zijn van door de verdachten zelf begane diefstallen of overvallen. Daarvoor is de enkele omstandigheid dat gestolen voorwerpen bij hen zijn aangetroffen, ontoereikend. Het gaat in deze strafzaak om de vraag of de verdachten van de (particuliere) verkopers voldoende gegevens hebben opgevraagd; hebben zij hen voldoende aan de tand gevoeld over de door die verkopers te koop aangeboden sieraden en hebben zij dit op een juiste wijze geregistreerd, waarbij de vraag opgeworpen kan worden of de omstandigheid dat de verdachten het door hen ingekochte goud voor 90 tot 95% lieten omsmelten mogelijk van belang is voor het antwoord op de hiervoor gestelde vragen in die zin dat dit zou leiden tot een minder vergaande onderzoeks- c.q. registratieplicht. Deze laatste vraag dient naar het oordeel van het hof negatief te worden beantwoord. Immers, wat men doet met aangekochte spullen doet niet af aan de vraag of men op het moment van de aankoop te goeder trouw was. Dat het voor de interne c.q. externe boekhouding hoogstwaarschijnlijk niet uitmaakt, maakt dat niet anders. Vooropgesteld wordt dat het hof zich geheel kan vinden in de overweging van de rechtbank dat de verdachten werkzaam zijn in een gevoelige branche en dat het algemeen bekend is dat sieraden en edelmetalen doelwitten zijn voor criminelen en dat deze vervolgens verzilverd worden. Van opkopers in deze branche mag inderdaad waakzaamheid worden verwacht. Geconstateerd wordt (echter) dat met betrekking tot (alle) door de advocaat-generaal genoemde specifieke voorwerpen omtrent de wijze van verkrijging, de gang van zaken rond de inkoop, niets bekend is, dat geldt ook voor of en zo ja wat er door de verdachten is gevraagd aan c.q. gezegd is door de verkopers. Derhalve kan (reeds) met betrekking tot die specifieke voorwerpen niet op individuele basis, per afzonderlijke transactie, worden getoetst of de verdachten inderdaad een loopje hebben genomen met de waakzaamheid en registratieverplichtingen en aldus bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij van misdrijf afkomstige voorwerpen hebben ingekocht. De advocaat-generaal baseert zijn conclusie dat die door hem in zijn requisitoir genoemde voorwerpen zijn witgewassen op de stelling dat binnen [v.o.f.] structureel de minimaal denkbare maatregelen veronachtzaamd zijn om inkoop van besmette waar te voorkomen: er werden geen vragen gesteld over de herkomst van voorwerpen, minimale onderzoeksplichten in relatie tot de persoon van de verkoper of aangeboden voorwerpen werden niet in acht genomen, gegevens van verkopers werden niet deugdelijk vastgelegd, bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers, werden niet vastgelegd, aankopen werden niet geregistreerd en de voorraadadministratie was gebrekkig. Hierdoor aanvaardden de verdachten bewust de aanmerkelijke kans (voorwaardelijk opzet) dat zij gestolen voorwerpen inkochten. De vraag is echter of op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden - op basis van bewijsmiddelen - en met voorbijgaan aan hetgeen door de verdachten is verklaard deze vergaande conclusies kunnen worden getrokken. Aan de hand van de inkoopbonnen en de verklaringen die zich in het dossier bevinden kan worden vastgesteld dat de verdachte(n) op de inkoopbonnen (van sieraden) noteerden de datum van inkoop, de naam van de verkoper, het nummer dat op zijn of haar identiteitsbewijs stond, de inkooprijs van het sieraad alsmede een zeer summiere omschrijving van het ingekochte goed (bijv. gekocht gouden horloge Omega, dossier pag. 05 0632, gekocht gouden armband 18ct, dossier pag. 05 0633, gekocht gouden ketting, ringen speld zilveren kettingen, dossier pag. 05 0635) evenwel zonder vermelding van de eventuele bijzonderheden van het sieraad. Ook diende de verkoper zijn handtekening te plaatsen op de inkoopbon. Gedurende een week werd vervolgens het ingekochte goed samen met de inkoopbon in een apart zakje bewaard, waarna de sieraden in de reguliere bedrijfsvoorraad werden opgenomen en los van het bonnetje werden bewaard. Dat de verdachten structureel minimale onderzoekplichten in relatie tot de persoon van de verkoper niet in acht hebben genomen kan - gelet op het voorgaande - dan ook niet worden aangenomen. Evenmin kan gezegd worden dat gegevens met betrekking tot de persoon van de verkoper structureel niet deugdelijk werden vastgelegd. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de verdachten structureel minimale onderzoekplichten met betrekking tot de aangeboden voorwerpen niet in acht hebben genomen, welk verwijt in twee onderdelen uiteenvalt te weten ten eerste het niet, althans onvoldoende vragen naar de herkomst van de voorwerpen en ten tweede het niet deugdelijk vastleggen van bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers. Voor zover de verdachten het verwijt wordt gemaakt - kort samengevat - dat zij aan de (particuliere) verkopers niet hebben gevraagd hoe zij aan de voorwerpen kwamen wordt overwogen dat deze conclusie niet zonder meer uit hun verklaringen kan worden opgemaakt, zie in dit verband het hiervoor opgenomen citaat uit de verklaring van [verdachte] , alsmede het hierna op te nemen citaat uit de verklaring van [eigenaar eenmanszaak] . Overigens valt niet aan te nemen dat verkopers die met gestolen spullen komen, verteld zouden hebben hoe de vork (echt) in de steel zat, en rijst de vraag of de verdachte aan de hand van de verzonnen antwoorden zonder meer had moeten begrijpen dat hij werd voorgelogen. [eigenaar eenmanszaak] heeft bij de rechter-commissaris (gehoord als getuige en verdachte) op 17 september 2013 onder meer verklaard: “U vraagt mij welke maatregelen ik tot en met 2011 nam om te voorkomen dat ik sieraden inkoop die van misdrijf afkomstig zijn. Ik vroeg aan de verkoper zich te identificeren en ik schreef zijn naam en de nummer van zijn identiteitsbewijs in het registratieboek. Als ik een splinternieuw voorwerp kreeg aangeboden, bijvoorbeeld met een labeltje eraan, stelde ik nadere vragen. Ik kocht geen sieraden van kinderen. Ik hield mij ruimschots aan de voorgeschreven bewaartermijn: ik dacht dat ik ingekochte sieraden een week moest bewaren en na mijn aanhouding hoorde ik dat de bewaartermijn maar drie dagen was. Verder kan ik niet voorkomen dat mij iets wordt verkocht wat gestolen is. Niemand gaat dat toegeven. Als je zoveel jaren klanten ziet langskomen en alle verhalen hoort, merk je dat mensen op allerlei manieren aan sieraden komen: door erfenissen, stukgelopen relaties en wat niet al. Inscripties zeggen dan ook niet zoveel en gaven mij geen reden om vragen te stellen. Ik kan niet aan iemands uiterlijk zien of hij eerlijk is of niet. In de loop van de tijd heb ik wel een paar cliënten verbannen van wie ik de zaak niet vertrouwde. Expliciete informatie over de concrete gang van zaken bij het doen van inkopen door de verdachten bevindt zich niet dan wel nauwelijks in het dossier, in elk geval onvoldoende om te kunnen spreken van het structureel in dit opzicht niet voldoen aan onderzoekplichten naar de herkomst van de voorwerpen. Dit laatste geldt naar het oordeel van het hof ook voor de tweede te beantwoorden vraag, te weten of ervan kan worden uitgegaan dat de verdachten structureel bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers niet hebben vastgelegd waaruit moet worden afgeleid dat binnen de vof een praktijk bestond waarin structureel welbewust de aanmerkelijke kans werd aanvaard dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig bleken te zijn. Bovendien is in eerste aanleg door de officier van justitie in een brief van 20 december 2011, afstand genomen van eerdere berichtgeving dat er bij de [v.o.f.] op grote schaal sprake zou zijn van heling. In dit verband wordt (nog) van belang geacht dat (ook) in art. 437 lid 1 onder a Sr deze conclusie niet getrokken wordt. Tenslotte is in het dossier en requisitoir met bewijsmiddelen noch feiten van algemene bekendheid, onderbouwd hoe een gebrekkige registratie van de goederen na aankoop, zou hebben geleid tot het aanbieden en aankopen van (meer) gestolen goederen. Met betrekking tot hetgeen (overigens) nog door de advocaat-generaal is aangevoerd wordt overwogen dat dit evenmin kan leiden tot de vergaande conclusies die de advocaat-generaal daaraan wil verbinden. Het hof acht niet bewezen dat de verdachten (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op het verwerven van voorwerpen van criminele herkomst. Ten overvloede merkt het hof op dat bij die stand van zaken ook heling niet het grondmisdrijf voor een veroordeling voor witwassen (als een ‘eigen misdrijf’) kan vormen. Het vorenstaande brengt mee dat naar het oordeel van het hof bij gebreke van voldoende wettig bewijs niet tot een veroordeling kan worden gekomen ter zake van hetgeen onder feit 3 en 4 is tenlastegelegd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1:hij in de periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009, in de gemeente Amsterdam, een deel van de bedrijfsadministratie ten name van eenmanszaak [eenmanszaak] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen: A: in de periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009 een aantal vervalste inkoopbonnen, waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 2:[v.o.f.] in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 in de gemeente Amsterdam, een deel van de bedrijfsadministratie ten name van [v.o.f.] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [v.o.f.] toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt: A: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 een aantal vervalste inkoopbonnen, waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; C: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 het registerboek 2011, zoals bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht, waarin onder meer telkens in strijd met de waarheid is opgenomen vervalste inkoopbonnen als bedoeld onder A, zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedragingen. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar, alsmede tot een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door het vervalsen van inkoopbonnen en het laten opnemen van de valse bonnen in de bedrijfsadministratie. De verdachte heeft hierdoor het vertrouwen dat de maatschappij in schriftelijke stukken moet kunnen stellen geschaad. Het hof heeft kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 juni 2017, waaruit blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld. Het hof overweegt voorts dat bij de doorzoeking op de bedrijfsadressen op 20 september 2011 (vrijwel) de gehele voorraad in beslag is genomen. Het hof is van oordeel, zoals vastgelegd in het gelijktijdig gewezen arrest inzake [v.o.f.] , dat het beslag voor het overgrote deel kan worden opgeheven. Dit volgt (eerst) uit de eerder gewezen vonnissen alsmede de arresten die heden in de zaken van [verdachte] en zijn medeverdachten worden gewezen. Niet geconcludeerd kan worden dat op 20 september 2011 niet in redelijkheid tot in beslagname kon worden overgegaan. Echter, het is de vraag of daarbij de gehele bedrijfsvoorraad in beslag had moeten worden genomen. En belangrijker of – gelet op de onderzoeksresultaten volgend op inbeslagname – niet al eerder had moeten worden overgegaan tot gedeeltelijke vrijval. Daarbij past de opmerking dat een duidelijk overzicht ontbreekt (zoals ook deugdelijke beslaglijsten ontbreken). Dat klemt te meer omdat door dit beslag de facto de bedrijfsactiviteiten stil kwamen te liggen tot op de dag van vandaag. [verdachte] heeft daardoor (net als zijn broer [eigenaar eenmanszaak] ) - zoals hij ter zitting nader heeft toegelicht - zijn werkzaamheden niet of slechts op zeer bescheiden schaal kunnen voortzetten. De daartoe benodigde materialen en onderdelen ontbraken, vanwege het beslag, terwijl van (vrijwel de meeste van) deze materialen en onderdelen gesteld noch gebleken is dat deze van diefstal afkomstig zijn. Het hof verwijst in dit verband naar de brief van de officier van justitie van 20 december 2011, waarin zij afstand heeft genomen van eerdere berichtgeving dat er bij de [v.o.f.] op grote schaal sprake zou zijn van heling. In beginsel acht het hof een taakstraf voor duur van 60 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren voor de onderhavige feiten passend en geboden. In aanmerking genomen dat de strafvervolging van de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is echter een vermindering van die straf op zijn plaats. Het hof gaat daarbij uit van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna twee jaren. Het hof komt, al het vorenstaande afwegende, tot het oordeel dat thans kan worden volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uren, met een proeftijd van twee jaren. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis. Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. S. Clement en mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 augustus 2017. mrs. P. Greve en A.M. van Amsterdam zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
ECLI:NL:GHAMS:2017:3871
afdeling strafrecht parketnummer: 23-000348-15 datum uitspraak: 11 augustus 2017 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-656359-11 tegen [verdachten] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, adres: [adres 3] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2016, 20 april 2016, 14 juli 2017, 17 juli 2017, 21 juli 2017, 4 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1:hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009, in de gemeente Amsterdam, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen een deel van de bedrijfsadministratie, althans een financiële administratie/boekhouding ten name van eenmanszaak [bedrijf] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt, ondermeer: A: in de periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009 tweeëntwintig (22) (12 en 10), althans een aantal, vervalste inkoopbonnen (zaaksdossier D), waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; B: in de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 december 2009 kasjournalen die in strijd met de waarheid de post(en) lening(en) en familie bevatten, teneinde het ontbrekende (negatieve) kassaldo aan te vullen (paragraaf 7 zaaksdossier B); zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 2:[v.o.f.] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 in de gemeente Amsterdam, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen een deel van de bedrijfsadministratie, althans een financiële administratie/boekhouding ten name van [v.o.f.] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [v.o.f.] telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt, ondermeer: A: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 achttien (18), althans een aantal, vervalste inkoopbonnen (zaaksdossier D), waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; B: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 kasjournalen die in strijd met de waarheid de post(en) lening(en) en familie bevatten, teneinde het ontbrekende (negatieve) kassaldo aan te vullen (paragraaf 7 zaaksdossier B); C: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 het registerboek 2011, zoals bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht, waarin onder meer telkens in strijd met de waarheid is opgenomen vervalste inkoopbonnen als bedoeld onder A en/of in strijd met de waarheid inkopen niet zijn vermeld (paragraaf 6 zaaksdossier B), zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedragingen; 3:hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2011, in de gemeente Amsterdam en/of Uithoorn en/of Amstelveen, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten, - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van verdachte en/of in de [adres 2] te Amsterdam en/of de [adres 4] te Amsterdam, woningen [adres 5] te Uithoorn en/of [adres 3] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening bij [B.V.] , de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel heeft hij, verdachte, verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten boven genoemde voorwerp(en), was of wie die bovenomschreven voorwerp (en) voorhanden had, en/of (telkens) (een) voorwerp(en), te weten - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van verdachte en/of in de [adres 2] te Amsterdam en/of de [adres 4] te Amsterdam, woningen [adres 5] te Uithoorn en/of [adres 3] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening bij [B.V.] , heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten bovengenoemde voorwerpen gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat/die bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; 4:[v.o.f.] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011, in ieder geval op of omstreeks 20 september 2011, in de gemeente Amsterdam en/of Uithoorn en/of Amstelveen, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben [v.o.f.] en/of haar mededader(s) (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten, - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van [v.o.f.] in de [adres 2] te Amsterdam en/of de [adres 4] te Amsterdam, woningen [adres 5] te Uithoorn en/of [adres 3] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [v.o.f.] bij [B.V.] , de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel heeft zij, verdachte, verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten bovengenoemde voorwerpen, was of wie die bovenomschreven voorwerp (en) voorhanden had, en/of (telkens) (een) voorwerp(en), te weten - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van [v.o.f.] in de [adres 2] te Amsterdam en/of de [adres 4] te Amsterdam, woningen [adres 5] te Uithoorn en/of [adres 3] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [v.o.f.] bij [B.V.] , heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten bovengenoemde voorwerpen gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl [v.o.f.] en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat/die bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven gedraging(en). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep weliswaar zijdelings een opmerking gemaakt over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar is daar in zijn pleidooi verder niet meer op teruggekomen. De raadsman heeft in hoger beroep ook overigens niet onderbouwd waarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden, zodat dit ‘verweer’ geen bespreking behoeft. Vordering van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feiten 2 A en B, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaar, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Inleiding De eenmanszaak met de handelsnaam “ [bedrijf] ” wordt sinds 1992 gedreven voor rekening en risico van [verdachten] , de verdachte. Het bedrijf is sinds 1997 gevestigd aan de [adres 2] in Amsterdam. Zijn broer [broer] werkte bij [bedrijf] . Op 29 december 2009 wordt de eenmanszaak gestaakt en worden de activiteiten voortgezet in een vennootschap onder firma met de naam [v.o.f.] De vennoten zijn [verdachten] , zijn echtgenote [echtgenote] , [broer] en diens echtgenote [echtgenote broer] . De bedrijfsactiviteiten bestaan uit de in- en verkoop van edelmetalen, munten en (gebruikte) sieraden. Er zijn twee vestigingen; naast de eerdergenoemde vestiging aan de [adres 2] is ook een vestiging geopend aan de [adres 4] te Amsterdam. Daarnaast worden sieraden ook via internet te koop aangeboden. [broer] beheert het filiaal aan de [adres 4] , waar alleen inkoop van goederen plaatsvindt. Hij is bevoegd om zelfstandig te bepalen welke prijs hij biedt. Hij is de enige die de inkoopbonnen van beide vestigingen in het aankoopregister als bedoeld in artikel 437 Wetboek van Strafrecht (Sr) inschrijft. De overige drie vennoten werken in het filiaal aan de [adres 2] . [verdachten] heeft de meeste zeggenschap binnen de vennootschap. Men overlegt bijna alles met hem, hij gaat over het geld en onderhoudt het contact met de boekhouder. De beide echtgenotes verrichten de dagelijkse werkzaamheden in de winkel en met betrekking tot de website. In het vervolg van dit arrest zullen de verdachte en de gelijktijdig terechtstaande verdachte [broer] ook wel alleen met hun voornaam worden aangeduid. De verdachte [v.o.f.] zal worden aangeduid als [v.o.f.] dan wel als de vof. Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde Het onder 1 ten laste gelegde feit houdt – kort samengevat – in dat de verdachte al dan niet tezamen met anderen de bedrijfsadministratie van eenmanszaak [bedrijf] valselijk heeft opgemaakt door opname daarin van: A) valse/vervalste inkoopbonnen; B) kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’. Het hof is van oordeel – zoals door de advocaat-generaal gevorderd en door de verdediging bepleit – dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte onder 1 A en B is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe als volgt. 1A) Valse/vervalste inkoopbonnen Uit het dossier en de door [verdachten] en [broer] afgelegde verklaringen bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep volgt dat [broer] , ook al in de periode toen hij nog geen vennoot was van de vof maar nog werkzaam bij de eenmanszaak [bedrijf] van [verdachten] , het filiaal aan de [adres 4] heeft gerund en dat zijn werkzaamheden in de loop der jaren dezelfde zijn gebleven. Het leeuwendeel van de inkopen vond aan de [adres 4] plaats en de bonnen zijn vrijwel allemaal uitgeschreven door [broer] , die ook zelfstandig het register van de inkopen bijhield. Ten aanzien van [verdachten] blijkt niet van gedragingen die hem tot medepleger van het valselijk opmaken van inkoopbonnen maken. 1B) Kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’ In de ten laste gelegde periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009 zijn geen kasjournalen aangetroffen. Ook anderszins is geen bewijs aangetroffen dat tot een bewezenverklaring voor deze periode kan leiden. Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde Het onder 2 ten laste gelegde feit houdt – kort samengevat – in dat [v.o.f.] de bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt door opname daarin van: A) valse/vervalste inkoopbonnen; B) kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’; C) registerboek 2011:  met daarin opgenomen valse inkoopbonnen;  zonder vermelding van inkopen, en dat de verdachte daaraan feitelijk leiding zou hebben gegeven. 2A) Valse/vervalste inkoopbonnen De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat bewezen kan worden verklaard dat [broer] inkoopbonnen vervalste en dat uit de inkoopbon van het Louis Vuitton horloge, die is opgemaakt door [verdachten] en waarop een veel te hoog bedrag wordt vermeld, kan worden afgeleid dat [verdachten] niet onbekend was met het opmaken van valse inkoopbonnen door [broer] . Volgens de advocaat-generaal was het binnen het bedrijf kennelijk gewoon op inkoopbonnen een onjuiste inkoopprijs te vermelden. De advocaat-generaal vordert op basis daarvan en op basis van de positie die [verdachten] in het bedrijf in nam tot het veroordelen van [verdachten] voor het feitelijk leidinggeven aan het valselijk opmaken van inkoopbonnen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Ten aanzien van de inkoopbonnen is hiervoor reeds overwogen dat [broer] het filiaal aan de [adres 4] runde, waar het leeuwendeel van de inkopen plaatsvond. De inkoopbonnen zijn vrijwel allemaal uitgeschreven door [broer] en hij hield het register van de inkopen bij. [broer] is bij gelijktijdig uitgesproken arrest van 11 augustus 2017 van dit hof veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het vervalsen van inkoopbonnen en het registerboek 2011 van [v.o.f.] . Het dossier bevat echter geen aanwijzingen - in verband met de inkoopbon van het Louis Vuitton horloge wordt verwezen naar de volgende alinea - dat [verdachten] zelf inkoopbonnen heeft vervalst. Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat [verdachten] wist dat [broer] inkoopbonnen vervalste en ook overigens blijkt ten aanzien van [verdachten] niet van gedragingen die hem tot medepleger van het valselijk opmaken van inkoopbonnen maken. Dat geldt ook voor de aankoop van genoemd Louis Vuitton horloge. Over dit horloge heeft [verdachten] verklaard - naar de kern samengevat - dat hij dit horloge heeft ingekocht, maar dat hij toen hij begon te twijfelen over de echtheid ervan het verder als een privéaankoop heeft aangemerkt. De door hem opgemaakte inkoopbon is (dan ook) niet in de administratie van [v.o.f.] opgenomen (hetgeen ook blijkt uit het ontbreken van het vinkje dat de boekhouder bij het inboeken op de bonnen zet). Het hof is verder van oordeel dat ten aanzien van voornoemde inkoopbon niet gesproken kan worden van het ophogen van het bedrag, aangezien duidelijk waarneembaar is dat er een punt staat voor de nul en er dus € 5.500.0 staat, zodat het bedrag van € 5.500,- op de inkoopbon staat. Het hof spreekt de verdachte vrij van het onder 2A tenlastegelegde. 2B) Kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’ Volgens de advocaat-generaal berusten de in de kasjournalen opgenomen posten ‘leningen’ en ‘familie’ niet op daadwerkelijke contante kasstortingen, maar dienen zij slechts om de kasjournalen administratief sluitend te maken en om daarmee zogenoemde negatieve kassen te verhullen. Ter onderbouwing van zijn stelling wijst de advocaat-generaal onder meer op het feit dat het feitelijke kassaldo op 20 september 2011 - de datum van de doorzoekingen - € 244.197 niet aansloot bij het saldo zoals vermeld in het kasjournaal. Overeenkomstig het kasjournaal zou het kassaldo op 31 augustus 2011 slechts € 5.038 bedragen. Daarnaast heeft de advocaat-generaal er op gewezen dat op 14 oktober 2010 van de vennoten een bedrag zou zijn geleend van € 260.000 waarvan op 31 augustus 2011 nog een (rest)schuld open stond van € 200.000 terwijl het privé-vermogen daartoe (volstrekt) ontoereikend was omdat er geen sprake was van een erfenis of een investeringsproject in Bulgarije waaruit deze lening had kunnen voortkomen, aldus de advocaat-generaal. De verdediging heeft aangevoerd dat (er) daadwerkelijk sprake is geweest van privé-leningen van de vennoten aan de vof vanuit een eerder ontvangen erfenis en een investeringsproject in Bulgarije. Aansluiting administratieve en fysieke kas Het hof is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de fysieke (zakelijke) kas niet aansluit bij het administratieve (zakelijke) kassaldo. Daarvoor is er een te groot tijdsverloop tussen de in het dossier voor de vergelijking gehanteerde twee verschillende peildata, zijnde 31 augustus 2011 voor het saldo van de administratieve kas (€ 5.038) en 20 september 2011 voor de aanwezige contante gelden (€ 244.197). In een onderneming met zeer omvangrijke contante geldstromen - waarvan naar het oordeel van het hof sprake is bij de vof - kan een verschil van drie weken in de peildatum leiden tot een aanzienlijk verschil in het kassaldo. Het hof wijst ter onderbouwing van de omvang van de kasmutaties bij [v.o.f.] - ter illustratie - naar de contante opname op 8 september 2011 van de zakelijke rekening van een bedrag van € 70.000. Verder werd in de onderneming (blijkens het kasjournaal over de maand augustus 2011) maandelijks voor honderdduizenden euro’s contant ingekocht (Bev. Fin 030 p. 07 340). Het hof stelt voorts vast dat uit het overzicht van het verloop van de lening van privé aan de vof (Bev. Fin 031, p. 07 0383) blijkt dat er niet alleen regelmatig bedragen vanuit privé in de zakelijke kas werden gestort, maar ook dat er zeer regelmatig aflossingen op de leningen plaatsvonden waardoor het door de vof verschuldigde bedrag sterk wisselde. Leningen werden daarbij veelal binnen een periode van twee á drie maanden weer uit de kas (grotendeels) afgelost. Zo was op 31 juli 2011 de schuld geheel afgelost. Nu in het proces-verbaal door de verbalisanten geen aansluiting is gezocht tussen het administratieve kassaldo per 31 augustus 2011, de daarop volgende contante inkomsten en -uitgaven in de periode tot en met 20 september 2011 en het op 20 september 2011 in de kas aangetroffen geldbedrag valt naar het oordeel van het hof niet vast te stellen dat het administratieve kassaldo niet aansluit bij de werkelijk aanwezige kasgelden. Daarbij komt nog dat vrijwel al het geld dat is aangetroffen bij de twee vestigingen en in de kluizen door de verbalisanten tot de zakelijke kas is gerekend. Het toerekenen van aangetroffen gelden aan de zakelijke kas vergroot het gepretendeerde verschil tussen administratieve en fysieke zakelijke kas. Die toerekening is echter nauwelijks voorzien van enige onderbouwing en is arbitrair te noemen. Als voorbeeld kan daarbij worden genoemd het toerekenen van het geld uit de kluizen aan de zakelijke kas. Erfenis Ten aanzien van de erfenis overweegt het hof als volgt. [verdachten] heeft al in zijn eerste verhoor op de dag van de inval en [broer] in zijn tweede verhoor, de dag na de inval, over uit erfenis ontvangen geldbedragen verklaard. De verklaringen van de verdachten worden onderbouwd door het fiscaal verantwoorden van een plotselinge toename van het privé-vermogen van de verdachten. Uit het dossier blijkt dat [verdachten] in zijn belastingaangifte over 2007 melding heeft gemaakt van een toename van zijn box 3 vermogen met ongeveer € 160.000 (PV bevindingen informatie Belastingdienst opgenomen als bijlage bij PV zaaksdossier B, na p. 281). Ook [broer] en zijn partner [echtgenote broer] geven in hetzelfde jaar een gezamenlijke vermogenstoename op van ongeveer € 160.000. Op grond van de verklaringen van de verdachten (vanaf het eerste begin) en de gegevens van de Belastingdienst is het hof van oordeel dat het aannemelijk is dat de verdachten over voldoende vermogen, voortgekomen uit een erfenis, nog afgezien van eventuele gelden uit een project in Bulgarije, hebben kunnen beschikken om bedoelde leningen aan de vof ter beschikking hebben kunnen stellen. Het hof acht op grond van bovenstaande niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachten] de kasjournalen valselijk heeft opgemaakt door daarin fictieve posten ‘leningen’ en ‘familie’ op te nemen. Getuigenverzoek ten aanzien van erfenis en Bulgarije-project Tijdens de zitting van 6 april 2016 is door de verdediging, in verband met de gestelde ontvangen erfenis en de investering in het zogenaamde Bulgarije-project, verzocht getuigen te horen. Het hof heeft ter terechtzitting van 20 april 2016 overwogen dat op voornoemde verzoeken wordt beslist bij (tussen)arrest. Gelet op het feit dat [verdachten] van hetgeen onder 2 onder B ten laste is gelegd wordt vrijgesproken, wijst het hof het verzoek tot het horen van de getuigen af, nu de verdediging geen belang heeft bij het horen van de getuigen. 2C) Registerboek 2011 Het hof stelt vast dat [broer] de enige was die de inkoopbonnen van beide vestigingen in het inkoopregister als bedoeld in artikel 437 Sr inschreef. Gelet hierop en op het feit dat [verdachten] wordt vrijgesproken van het feitelijk leidinggeven aan het vervalsen van inkoopbonnen, kan niet worden bewezen verklaard dat [verdachten] feitelijk leiding heeft gegeven aan het valselijk opmaken van het registerboek 2011 en hij zal hier dan ook voor worden vrijgesproken. Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat [verdachten] hiervan moet worden vrijgesproken. Vrijspraak van het onder 3 en 4 ten laste gelegde Reikwijdte tenlastelegging De onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten houden - naar de kern genomen - in dat [verdachten] al dan niet tezamen met anderen diverse nader omschreven voorwerpen heeft witgewassen (feit 3) en (feit 4) dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het witwassen van diverse voorwerpen door [v.o.f.] . De rechtbank heeft overwogen dat de tenlastelegging aldus moet worden uitgelegd dat de verkrijging van gestolen goederen het gronddelict voor het witwasverwijt vormt en dat de tenlastelegging niet mede omvat eventueel gepleegde fiscale delicten. De rechtbank overwoog in dat kader: 3.1.3. Het oordeel van de rechtbank In reactie op het preliminaire verweer heeft de officier van justitie uiteengezet dat - samengevat - de verkrijging van gestolen goederen het gronddelict vormt waarop de witwasbeschuldiging is gebaseerd. Doordat dit op grote schaal gebeurde, de ingekochte goederen niet individualiseerbaar werden bewaard en de administratie zeer gebrekkig was, heeft vermenging plaatsgevonden waardoor de gehele voorraad is aangetast. De rechtbank overweegt dat het weliswaar het uitgangspunt is bij witwaszaken dat het gronddelict niet hoeft te worden gespecificeerd in de tenlastelegging, maar dat in dit specifieke geval het gronddelict moet worden begrepen zoals door de officier van justitie ter terechtzitting is verwoord. Het onderliggende dossier is ook overeenkomstig het door de officier van justitie ingenomen standpunt ingericht. Van enig onderzoek door het Openbaar Ministerie dat gericht is op eventueel gepleegde fiscale delicten is niet gebleken. (…) Zij (hof: de rechtbank) zal de officier van justitie wel houden aan het kader dat zij ter terechtzitting in haar reactie op het preliminaire verweer heeft geschetst. Dit heeft tot consequentie dat de mogelijkheid van een fiscaal delict als gronddelict bij de beoordeling van de vraag of sprake is van witwassen buiten beschouwing wordt gelaten.” Het hof constateert dat tegen dit oordeel van de rechtbank in appel geen grief is gericht, zodat ook het hof dit als uitgangspunt neemt. Standpunt advocaat-generaal In de kern wordt de verdachten door de advocaat-generaal verweten dat zij een loopje hebben genomen met de van hen te vergen waakzaamheid en registratieverplichtingen in relatie tot het opkopen van tweedehands juwelen (aldus de advocaat-generaal in zijn requisitoir, op pagina 1). Ten gevolge van dit handelen zijn in de juwelierszaak van de verdachten grote hoeveelheden van misdrijf (diefstal, overval) afkomstige sieraden terechtgekomen. Door hun manier van handelen hebben de verdachten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij van misdrijf afkomstige goederen inkochten. De advocaat-generaal komt in zijn requisitoir met betrekking tot feit 4 tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht: “het in de periode 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 door [v.o.f.] maken van een gewoonte van het voorhanden hebben van een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten andere edelmetalen en edelstenen, en van het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [v.o.f.] bij [B.V.] , terwijl [v.o.f.] wist dat deze voorwerpen van misdrijf afkomstig waren, aan welke gedraging de verdachte leiding heeft gegeven.” Ter onderbouwing van deze conclusie wijst de advocaat-generaal in zijn requisitoir onder 32 op door [verdachten] op 8 augustus 2011 bij [B.V.] aangeboden gouden voorwerpen (vier ringen en een armband) die op basis van inscripties aantoonbaar van misdrijf afkomstig bleken te zijn en waarvan aangifte van inbraak is gedaan op respectievelijk 2 augustus 2011, 4 juli 2011, 1 juli 2011 en 20 juni 2011. Opmerkelijk is, aldus de advocaat-generaal dat deze voorwerpen kort tot zeer kort na de verschillende inbraken door [v.o.f.] ter omsmelting bij [B.V.] werden aangeboden. Daarnaast wijst de advocaat-generaal onder 33 op het door [v.o.f.] op 24 april 2010 aankopen van twee gestolen ringen en een gestolen armband, ingekocht als sloopgoud maar later verkocht aan [koper 1] , waarna onder 34 onder a. tot en met s. gestolen voorwerpen worden opgesomd die, aldus de advocaat-generaal, in ieder geval zijn witgewassen. De advocaat-generaal merkt in dit verband in zijn requisitoir op (onder 30) dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat men in het juweliersbedrijf bij het inkopen van voorwerpen bedacht moet zijn op het aanbieden van gestolen voorwerpen en maatregelen moest treffen om te voorkomen dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig waren. Deze zorgplichten liggen niet alleen ten grondslag aan de helings- en witwasbepalingen, maar ook aan de registerverplichting van art. 437 Sr, de algemeen gangbare witwastypologieën en de meldingsplichten betreffende ongebruikelijke transacties. Voor een bedrijf als [v.o.f.] brengen deze zorgplichten mee dat aangekochte goederen deugdelijk moeten worden geregistreerd, dat de identiteit van verkopende partijen goed moet worden vastgelegd, dat bij het aanbieden van bijzondere objecten vragen moeten worden gesteld over de herkomst en dat eventueel wordt gevraagd naar aankoopbewijzen en echtheidscertificaten (bijvoorbeeld bij de aankoop van bijzonder horloges). Binnen [v.o.f.] zijn evenwel structureel de minimaal denkbare maatregelen veronachtzaamd om inkoop van besmette waar te voorkomen: er werden geen vragen gesteld over de herkomst van voorwerpen, minimale onderzoeksplichten in relatie tot de persoon van de verkoper of aangeboden voorwerpen werden niet in acht genomen, gegevens van verkopers werden niet deugdelijk vastgelegd, bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers, werden niet vastgelegd, aankopen werden niet geregistreerd en de voorraadadministratie was gebrekkig. Uit deze omstandigheden moet worden afgeleid dat binnen de vof een praktijk bestond waarin structureel welbewust de aanmerkelijke kans werd aanvaard dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig bleken te zijn. Het voor witwassen door de vof vereiste (voorwaardelijk) opzet kan wettig en overtuigend worden bewezen, aldus de advocaat-generaal. Standpunt verdediging In zijn appelschriftuur stelt [verdachten] dat de rechtbank ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen van feit 4. [verdachten] heeft naar voren gebracht dat door of namens hem vanaf het eerste verhoor is aangegeven dat zijn wijze van handel drijven niet afweek van wat in de branche gebruikelijk was, dat hij zich hield aan de aanwijzingen van de politie op dat punt en dat hij alles deed wat redelijkerwijs in zijn macht lag om de inkoop van gestolen sieraden tegen te gaan. De rechtbank liet in haar vonnis - aldus [verdachten] - na te motiveren dat en waarom de wijze waarop hij zijn handel inrichtte in zodanige mate afweek van de wijze waarop in de branche gebruikelijker wijze gehandeld wordt dat zijn handelwijze als laakbaar bestempeld kan worden en veroordeling van de verdachte dient te volgen. Bij pleidooi wordt door de verdachte(n) ontkend dat er te weinig maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat gestolen sieraden werden ingekocht. Gesteld wordt dat de verdachten zich aan alle voorschriften hebben gehouden die in de branche gebruikelijk zijn. Het is bij deze vorm van handel nu eenmaal onmogelijk om met 100% zekerheid te weten of je te maken hebt met een bonafide of een malafide klant. Dat er af en toe van diefstal afkomstige goederen doorheen glippen is onderdeel van het risico van het vak. Uit onderzoek is ook niet gebleken dat er structureel en op grote schaal van diefstal afkomstige goederen werden ingekocht (pag. 1 pleitaantekeningen van [broer] , welke pleitaantekeningen in de procedure van [verdachten] en de vof als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd). Ter onderbouwing hiervan wordt, kort samengevat, aangevoerd dat altijd om een legitimatie werd gevraagd, dat het legitimatienummer en de naam van de verkoper werden genoteerd op de bon, waarna de verkoper op de bon dan nog zijn handtekening diende te zetten, dat het register - zij het rudimentair - wel degelijk werd bijgehouden aan de hand van de bonnen, dat [broer] naar de politie is geweest om te vragen hoe het register in te vullen, dat hij altijd conform deze instructies is blijven werken, dat de verdachten van de politie nimmer te horen hebben gekregen dat het register te summier of te gebrekkig was, dat het verwijt dat er geen vragen worden gesteld de praktijk van alledag miskent, dat het ronduit naïef is te veronderstellen dat een klant die te kwader trouw is niet een standaard gelikt antwoord klaar zou hebben, dat de eis een kopie van de legitimatie te maken bij iedere aankoop nergens is terug te vinden en ook in strijd zou zijn met de regels Wet bescherming persoonsgegevens, en dat het handelen in strijd met artikel 437bis lid 1 Sr hoogstens een overtreding oplevert maar op zich nog geen aanwijzing vormt voor heling c.q. witwassen, waarna geciteerd wordt uit het eerste politieverhoor van [broer] : Als ik zie dat een junk een restant van een sieraad heeft dan geef ik er een paar euro voor, maar als de junk een mooie ring inlevert dan waag ik mij daar niet aan. Misschien komt de eigenaar of is hij gestolen. (…) Ik mag niet discrimineren op uiterlijk daarom is iedereen bij mij welkom. Ik kijk wel naar zijn gedrag. Is hij agressief of druk dan hoef ik hem niet als klant. (…) pag. 11 e.v. van voornoemde pleitaantekeningen). Daarnaast is het verweer gevoerd voor negen van de negentien door de advocaat-generaal specifiek genoemde voorwerpen dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat ze überhaupt van diefstal afkomstig zijn (pag. 22 van die pleitaantekeningen). Het hof overweegt als volgt. Het dossier bevat geen bewijs dat de bij de verdachten aangetroffen sieraden afkomstig zijn van door de verdachten zelf begane diefstallen of overvallen. Daarvoor is de enkele omstandigheid dat gestolen voorwerpen bij hen zijn aangetroffen, ontoereikend. Het gaat in deze strafzaak om de vraag of de verdachten van de (particuliere) verkopers voldoende gegevens hebben opgevraagd; hebben zij hen voldoende aan de tand gevoeld over de door die verkopers te koop aangeboden sieraden en hebben zij dit op een juiste wijze geregistreerd, waarbij de vraag opgeworpen kan worden of de omstandigheid dat de verdachten het door hen ingekochte goud voor 90 tot 95% lieten omsmelten mogelijk van belang is voor het antwoord op de hiervoor gestelde vragen in die zin dat dit zou leiden tot een minder vergaande onderzoeks- c.q. registratieplicht. Deze laatste vraag dient naar het oordeel van het hof negatief te worden beantwoord. Immers, wat men doet met aangekochte spullen doet niet af aan de vraag of men op het moment van de aankoop te goeder trouw was. Dat het voor de interne c.q. externe boekhouding hoogstwaarschijnlijk niet uitmaakt, maakt dat niet anders. Vooropgesteld wordt dat het hof zich geheel kan vinden in de overweging van de rechtbank dat de verdachten werkzaam zijn in een gevoelige branche en dat het algemeen bekend is dat sieraden en edelmetalen doelwitten zijn voor criminelen en dat deze vervolgens verzilverd worden. Van opkopers in deze branche mag inderdaad waakzaamheid worden verwacht. Geconstateerd wordt (echter) dat met betrekking tot (alle) door de advocaat-generaal genoemde specifieke voorwerpen omtrent de wijze van verkrijging, de gang van zaken rond de inkoop, niets bekend is, dat geldt ook voor of en zo ja wat er door de verdachten is gevraagd aan c.q. gezegd is door de verkopers. Derhalve kan (reeds) met betrekking tot die specifieke voorwerpen niet op individuele basis, per afzonderlijke transactie, worden getoetst of de verdachten inderdaad een loopje hebben genomen met de waakzaamheid en registratieverplichtingen en aldus bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij van misdrijf afkomstige voorwerpen hebben ingekocht. De advocaat-generaal baseert zijn conclusie dat die door hem in zijn requisitoir genoemde voorwerpen zijn witgewassen op de stelling dat binnen [v.o.f.] structureel de minimaal denkbare maatregelen veronachtzaamd zijn om inkoop van besmette waar te voorkomen: er werden geen vragen gesteld over de herkomst van voorwerpen, minimale onderzoeksplichten in relatie tot de persoon van de verkoper of aangeboden voorwerpen werden niet in acht genomen, gegevens van verkopers werden niet deugdelijk vastgelegd, bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers, werden niet vastgelegd, aankopen werden niet geregistreerd en de voorraadadministratie was gebrekkig. Hierdoor aanvaardden de verdachten bewust de aanmerkelijke kans (voorwaardelijk opzet) dat zij gestolen voorwerpen inkochten. De vraag is echter of op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden - op basis van bewijsmiddelen - en met voorbijgaan aan hetgeen door de verdachten is verklaard deze vergaande conclusies kunnen worden getrokken. Aan de hand van de inkoopbonnen en de verklaringen die zich in het dossier bevinden kan worden vastgesteld dat de verdachte(n) op de inkoopbonnen (van sieraden) noteerden de datum van inkoop, de naam van de verkoper, het nummer dat op zijn of haar identiteitsbewijs stond, de inkooprijs van het sieraad alsmede een zeer summiere omschrijving van het ingekochte goed (bijv. gekocht gouden horloge Omega, dossier pag. 05 0632, gekocht gouden armband 18ct, dossier pag. 05 0633, gekocht gouden ketting, ringen speld zilveren kettingen, dossier pag. 05 0635) evenwel zonder vermelding van de eventuele bijzonderheden van het sieraad. Ook diende de verkoper zijn handtekening te plaatsen op de inkoopbon. Gedurende een week werd vervolgens het ingekochte goed samen met de inkoopbon in een apart zakje bewaard, waarna de sieraden in de reguliere bedrijfsvoorraad werden opgenomen en los van het bonnetje werden bewaard. Dat de verdachten structureel minimale onderzoekplichten in relatie tot de persoon van de verkoper niet in acht hebben genomen kan - gelet op het voorgaande - dan ook niet worden aangenomen. Evenmin kan gezegd worden dat gegevens met betrekking tot de persoon van de verkoper structureel niet deugdelijk werden vastgelegd. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de verdachten structureel minimale onderzoekplichten met betrekking tot de aangeboden voorwerpen niet in acht hebben genomen, welk verwijt in twee onderdelen uiteenvalt te weten ten eerste het niet, althans onvoldoende vragen naar de herkomst van de voorwerpen en ten tweede het niet deugdelijk vastleggen van bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers. Voor zover de verdachten het verwijt wordt gemaakt - kort samengevat - dat zij aan de (particuliere) verkopers niet hebben gevraagd hoe zij aan de voorwerpen kwamen wordt overwogen dat deze conclusie niet zonder meer uit hun verklaringen kan worden opgemaakt, zie in dit verband het hiervoor opgenomen citaat uit de verklaring van [broer] , alsmede het hierna op te nemen citaat uit de verklaring van [verdachten] . Overigens valt niet aan te nemen dat verkopers die met gestolen spullen komen, verteld zouden hebben hoe de vork (echt) in de steel zat, en rijst de vraag of de verdachte aan de hand van de verzonnen antwoorden zonder meer had moeten begrijpen dat hij werd voorgelogen. [verdachten] heeft bij de rechter-commissaris (gehoord als getuige en verdachte) op 17 september 2013 onder meer verklaard: “U vraagt mij welke maatregelen ik tot en met 2011 nam om te voorkomen dat ik sieraden inkoop die van misdrijf afkomstig zijn. Ik vroeg aan de verkoper zich te identificeren en ik schreef zijn naam en de nummer van zijn identiteitsbewijs in het registratieboek. Als ik een splinternieuw voorwerp kreeg aangeboden, bijvoorbeeld met een labeltje eraan, stelde ik nadere vragen. Ik kocht geen sieraden van kinderen. Ik hield mij ruimschots aan de voorgeschreven bewaartermijn: ik dacht dat ik ingekochte sieraden een week moest bewaren en na mijn aanhouding hoorde ik dat de bewaartermijn maar drie dagen was. Verder kan ik niet voorkomen dat mij iets wordt verkocht wat gestolen is. Niemand gaat dat toegeven. Als je zoveel jaren klanten ziet langskomen en alle verhalen hoort, merk je dat mensen op allerlei manieren aan sieraden komen: door erfenissen, stukgelopen relaties en wat niet al. Inscripties zeggen dan ook niet zoveel en gaven mij geen reden om vragen te stellen. Ik kan niet aan iemands uiterlijk zien of hij eerlijk is of niet. In de loop van de tijd heb ik wel een paar cliënten verbannen van wie ik de zaak niet vertrouwde. Expliciete informatie over de concrete gang van zaken bij het doen van inkopen door de verdachten bevindt zich niet dan wel nauwelijks in het dossier, in elk geval onvoldoende om te kunnen spreken van het structureel in dit opzicht niet voldoen aan onderzoekplichten naar de herkomst van de voorwerpen. Dit laatste geldt naar het oordeel van het hof ook voor de tweede te beantwoorden vraag, te weten of ervan kan worden uitgegaan dat de verdachten structureel bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers niet hebben vastgelegd waaruit moet worden afgeleid dat binnen de vof een praktijk bestond waarin structureel welbewust de aanmerkelijke kans werd aanvaard dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig bleken te zijn. Bovendien is in eerste aanleg door de officier van justitie in een brief van 20 december 2011, afstand genomen van eerdere berichtgeving dat er bij de [v.o.f.] op grote schaal sprake zou zijn van heling. In dit verband wordt (nog) van belang geacht dat (ook) in art. 437 lid 1 onder a Sr deze conclusie niet getrokken wordt. Tenslotte is in het dossier en requisitoir met bewijsmiddelen noch feiten van algemene bekendheid, onderbouwd hoe een gebrekkige registratie van de goederen na aankoop, zou hebben geleid tot het aanbieden en aankopen van (meer) gestolen goederen. Met betrekking tot hetgeen (overigens) nog door de advocaat-generaal is aangevoerd wordt overwogen dat dit evenmin kan leiden tot de vergaande conclusies die de advocaat-generaal daaraan wil verbinden. Het hof acht niet bewezen dat de verdachten (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op het verwerven van voorwerpen van criminele herkomst. Ten overvloede merkt het hof op dat bij die stand van zaken ook heling niet het grondmisdrijf voor een veroordeling voor witwassen (als een ‘eigen misdrijf’) kan vormen. Het vorenstaande brengt mee dat - onder verwijzing naar hetgeen hierna nog met betrekking tot het onder feit 3 ten laste gelegde feit wordt overwogen - naar het oordeel van het hof bij gebreke van voldoende wettig bewijs niet tot een veroordeling kan worden gekomen ter zake van hetgeen onder feit 3 en 4 is tenlastegelegd. Aanvullende overweging met betrekking tot Louis Vuitton horloge De rechtbank heeft het derde tenlastegelegde feit bewezen verklaard voor wat betreft een Louis Vuitton horloge dat zich in de bankkluis van [verdachten] bevond. In het vonnis van de rechtbank zijn de navolgende passages gewijd aan feit 3 (pag. 20/21): “In de privé kluis bij de Rabobank van [verdachten] is bij de doorzoeking op 21 september 2011 een horloge van het merk Louis Vuitton, type P1950 Platinum, nummer 18Q1027 aangetroffen. Dit horloge heeft [koper 2] in augustus 2008 in een café voor € 50,- gekocht van een onverzorgd uitziende Engelse man. Daarna is hij ermee naar de juwelierszaak van [verdachten] gegaan en heeft hij het horloge verkocht. [verdachten] heeft het horloge zelf ingekocht. Van dit type horloge zijn er wereldwijd 20 gemaakt. Dit specifieke horloge blijkt te zijn gestolen in juli 2008 tijdens het transport van het hoofdkantoor van Louis Vuitton in Parijs naar de winkel in de [adres 7] in Amsterdam. De verkoopprijs was € 50.000,-. De rechtbank overweegt het volgende. Op de inkoopbon die betrekking heeft op voornoemd horloge en een ander horloge, staat een bedrag van € 55.000,- vermeld. Zowel [verdachten] als [koper 2] hebben verklaard dat dat niet juist kan zijn. Volgens Vasili moet het € 5.500,- zijn en [koper 2] verklaart dat hij € 1.500,- heeft gekregen. [verdachten] heeft verklaard dat hij dit horloge als privé-aankoop heeft gedaan. De rechtbank gaat in die verklaring mee. Deze verklaring wordt namelijk door andere bewijsmiddelen ondersteund in die zin dat de inkoopbon, die achter in de zaak in een kast is aangetroffen, niet in het registerboek is opgenomen en dat er geen “vinkje” op staat, hetgeen betekent dat de boekhouder de bon niet in de administratie van het bedrijf heeft verwerkt. [verdachten] had moeten weten hoe bijzonder dit horloge was. Desalniettemin heeft hij het voor een zeer laag bedrag (het is hierbij om het even of dat €1.500,- o f €5.500,- is) ingekocht. Gelet op de normale gang van zaken bij de inkoop gaat de rechtbank er van uit dat hij ook in dit geval geen vragen aan de verkoper heeft gesteld. Vasili heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel dacht dat het horloge nep was en dat hij daarom de camerabeelden waarop [koper 2] te zien is, heeft bewaard. Alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat [verdachten] op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit voorwerp van misdrijf afkomstig was. Ondanks dat, heeft hij het horloge toch ingekocht. Vervolgens heeft hij het naar de bank gebracht en sindsdien in zijn privékluis aldaar bewaard. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot een bewezenverklaring van , kort gezegd, het verwerven en het voorhanden hebben van dit uit misdrijf afkomstige horloge. (…) “. De advocaat-generaal komt in zijn requisitoir met betrekking tot dit feit tot de conclusie dat het wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij merkt op dat op grond van het zeldzame karakter van het horloge, de reële waarde ervan in het handelsverkeer, de omstandigheden waaronder de verdachte het heeft aangekocht en de voor het horloge betaalde prijs de verdachte minstens welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het horloge van misdrijf afkomstig was. De rechtbank heeft het verwerven en voorhanden hebben van dit horloge terecht als strafbaar witwassen aangemerkt, aldus de advocaat-generaal in zijn requisitoir. Bij pleidooi in hoger beroep heeft de verdediging, naast de eerder weergeven verweren met betrekking tot het inkoopproces, meer specifiek met betrekking tot feit 3 nog twee verweren aangevoerd. Allereerst wordt betwist dat het in beslag genomen horloge is gestolen, in welk verband erop wordt gewezen dat vaststaat dat horloge nummer 18 ooit is gestolen, maar dat zowel de beslaglijst als het proces-verbaal van inbeslagname serienummer 13 vermeldt. Van horloge nummer 13 staat niet vast dat het ooit is gestolen. Zonder fysiek kennis te nemen van het horloge dat zich in het beslag bevindt, kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat het betreffende horloge gestolen is en dus dient Vasili, aldus de verdediging, te worden vrijgesproken. Kort samengevat wordt daarnaast naar voren gebracht dat op de pakbon een waarde van € 18.500 staat en dat [taxateur] het taxeert voor € 15.000 zodat de door de verdachte betaalde prijs van € 5.500 helemaal nog niet zo gek is. Met betrekking tot het Louis Vuitton horloge wordt door het hof het navolgende overwogen. In het dossier zit een ondertekende inkoopbon d.d. 7 augustus 2008 (dossier pagina 03 0347) waarop het navolgende is vermeld: “(…) NM6BHR727 M. [koper 2] 2 stk gouden horloge gekocht Jaeger Le Coutre 18k, Louis Vuitton p.t. € 5.500.0”. [koper 2] heeft hierover verklaard dat zijn paraaf op deze bon staat en dat hij zich moest legitimeren, omdat - aldus [koper 2] - [v.o.f.] niet inkoopt zonder paspoort (dossier pagina’s 03 0528/03 0536). De inkoopbon - die is niet gevonden tussen de reguliere stapels bonnen maar lag tussen lege dozen en certificaten achter in de winkel in de [adres 2] - is niet verwerkt in de administratie (dossier pagina 03 0318). Het horloge bevond zich in de privékluis van [verdachten] . Vasili heeft verklaard dat het een privé aankoop betrof (dossier pagina 03 0319), dat hij aan [koper 2] € 5.500 heeft betaald, maar dat hij na de aanschaf ging twijfelen over de echtheid van het horloge. [koper 2] heeft verklaard dat hij € 1.500 heeft ontvangen van de verdachte, maar dat het - kort samengevat - om een ander horloge ging. De heer [taxateur] heeft in zijn taxatierapport van 4 november 2011 het horloge getaxeerd op € 15.000 (dossier pagina 05 1211). Het hof acht aannemelijk dat [koper 2] het Louis Vuitton horloge aan [verdachten] heeft verkocht voor € 5.500, nu [koper 2] heeft verklaard dat het zijn paraaf is die op de inkoopbon staat en dat hij zich moest legitimeren. Niets wijst erop dat eerst € 1.500 op de bon zou hebben gestaan, dan wel dat [koper 2] een ander horloge heeft verkocht dan wel dat hij niet wist wat hij ondertekende. Het hof acht de verklaring van [koper 2] ongeloofwaardig. Voorts wordt van belang geacht dat [koper 2] weliswaar heeft verklaard dat hij het horloge voor € 50 had gekocht in een kroeg van een onverzorgde man die gebrekkig Nederlands sprak met een Engels accent, maar dat uit het dossier niet blijkt dat [verdachten] hierover is geïnformeerd door [koper 2] . Het hof is overigens van oordeel - zoals hiervoor in verband met het onder 2 ten laste gelegde feit reeds is overwogen - dat ten aanzien van voornoemde inkoopbon niet gesproken kan worden van het ophogen van het bedrag, aangezien duidelijk waarneembaar is dat er een punt staat voor de nul en er dus € 5.500.0 staat, zodat het bedrag van € 5.500 op de inkoopbon staat. Voorts wordt overwogen dat in het licht van de door [taxateur] verrichte taxatie niet gezegd kan worden dat de verdachte - tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is opgemerkt - het horloge voor een zeer laag bedrag heeft ingekocht, (nog daargelaten dat het een inkoper natuurlijk vrij staat voor een zo laag mogelijke prijs in te kopen) zodat niet reeds op basis van de door [verdachten] betaalde inkoopprijs gezegd kan worden dat de verdachte op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit voorwerp van misdrijf afkomstig is. Ook is er geen sprake van een verkoper wiens identiteit niet meer te achterhalen valt en evenmin van een bijzondere verkoopplaats. Een vraag die gesteld zou kunnen worden is: “Is het aankopen van dit horloge zonder dat [koper 2] beschikte over een certificaat dan wel inkoopbon (wel) voldoende om op te baseren dat de verdachte op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit voorwerp van misdrijf afkomstig is”, nu het hier ook nog gaat om een ook voor [verdachten] als zodanig herkenbaar zeer bijzonder horloge. Voornoemde vraag wordt ontkennend beantwoord. Een inkoper is (vanzelfsprekend) vrij alleen dan tot inkoop over te gaan indien de verkoper beschikt over echtheidscertificaten - en dit zal waarschijnlijk voor de verkoper ook wel leiden tot een hogere opbrengst - maar dat dit in de branche waarin [verdachten] werkzaam is gebruikelijk zou zijn is niet gebleken. Omstandigheden die hadden moeten meebrengen dat van [verdachten] had mogen worden verwacht dat hij op het moment van de aankoop om dit soort officiële papieren had moeten vragen zijn gesteld noch gebleken. Dit laatste geldt ook voor zover [verdachten] het verwijt wordt gemaakt dat hij aan [koper 2] niet zou hebben gevraagd hoe hij aan het horloge kwam. Niet alleen is hierover tijdens de verhoren geen vraag gesteld, ook lijkt niet aannemelijk dat [koper 2] dan verteld zou hebben hoe de vork (echt) in de steel zat, dan wel dat Vasili aan de hand van de verzonnen antwoorden van [koper 2] zonder meer had moeten begrijpen dat hij werd voorgelogen. Het hof komt op grond van dit alles tot het oordeel - als reeds overwogen - dat hetgeen [verdachten] onder feit 3) is tenlastegelegd ten aanzien van het Louis Vuitton horloge niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten overvloede wordt er nog op gewezen dat in het licht van het eerste in verband met feit 3) gevoerde verweer het nog maar zeer de vraag is of op basis van het dossier en het behandelde ter terechtzitting er zonder meer vanuit had kunnen worden gegaan dat er gesproken had kunnen worden van een van misdrijf afkomstig goed (serienummer 13 of 18). Deze vraag behoeft echter gezien hetgeen hiervoor is overwogen geen beantwoording meer, maar had niet kunnen worden beantwoord zonder fysieke kennisname van het in beslag genomen Louis Vuitton horloge. De vraag hoe het handelen van de verdachte fiscaal moet worden geduid (omdat er wel een aankoopbon is opgemaakt maar [verdachten] op enig moment heeft besloten de aankoop niet binnen de onderneming te laten plaatsvinden maar in plaats daarvan door hem zelf in privé, zodat hij daarmee mogelijk de onderneming een winst heeft laten ontgaan) kan (gelet op hetgeen in dit verband is opgemerkt onder feit 4 met betrekking tot mogelijke fiscale verwijten) buiten beschouwing blijven. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. S. Clement en mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 augustus 2017. mrs. P. Greve en A.M. van Amsterdam zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen ========================================================================= […]
ECLI:NL:GHAMS:2017:3872
afdeling strafrecht parketnummer: 23-003463-15 datum uitspraak: 11 augustus 2017 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-657207-11 tegen [verdachte] , gevestigd op het adres [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2016, 20 april 2016, 14 juli 2017, 17 juli 2017, 21 juli 2017, 4 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1:[verdachte] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 in de gemeente Amsterdam, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen een deel van de bedrijfsadministratie, althans een financiële administratie/boekhouding ten name van [verdachte] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [verdachte] telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt, ondermeer: A: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 achttien (18), althans een aantal, vervalste inkoopbonnen (zaaksdossier D), waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; B: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 kasjournalen die in strijd met de waarheid de post(en) lening(en) en familie bevatten, teneinde het ontbrekende (negatieve) kassaldo aan te vullen (paragraaf 7 zaaksdossier B); C: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 het registerboek 2011, zoals bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht, waarin onder meer telkens in strijd met de waarheid is opgenomen vervalste inkoopbonnen als bedoeld onder A en/of in strijd met de waarheid inkopen niet zijn vermeld (paragraaf 6 zaaksdossier B), zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 2:[verdachte] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011, in ieder geval op of omstreeks 20 september 2011, in de gemeente Amsterdam en/of Uithoorn en/of Amstelveen, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben [verdachte] en/of haar mededader(s) (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten, - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van [verdachte] in de [adres 2] te Amsterdam en/of de Nieuwezijds Voorburgwal 248 te Amsterdam, woningen [adres 3] te Uithoorn en/of [adres 4] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [verdachte] bij [B.V.] , de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel heeft zij, verdachte, verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten bovengenoemde voorwerp(en) was of wie die bovenomschreven voorwerp (en) voorhanden had, en/of (telkens) (een) voorwerp(en), te weten - losse geldbedragen en/of - een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten, andere edelmetalen en/of edelstenen aanwezig en voorhanden in de filialen van [verdachte] in de [adres 2] te Amsterdam en/of de [adres 1] te Amsterdam, woningen [adres 3] te Uithoorn en/of [adres 4] te Amstelveen en de bankkluis ING-bank en de bankkluis bij Rabobank (beslaglijst onder 11) en/of - het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [verdachte] bij [B.V.] , heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten bovengenoemde voorwerpen gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl [verdachte] en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat/die bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep weliswaar zijdelings een opmerking gemaakt over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar is daar in zijn pleidooi verder niet meer op teruggekomen. De raadsman heeft in hoger beroep ook overigens niet onderbouwd waarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden, zodat dit ‘verweer’ geen bespreking behoeft. Inleiding De eenmanszaak met de handelsnaam “ [handelsnaam] ” wordt sinds 1992 gedreven voor rekening en risico van [eigenaar] . Het bedrijf is sinds 1997 gevestigd aan de [adres 2] in Amsterdam. [broer eigenaar] werkte voor [handelsnaam] . Op 29 december 2009 wordt de eenmanszaak gestaakt en worden de activiteiten voortgezet in een vennootschap onder firma met de naam [verdachte] . De vennoten zijn [eigenaar] , zijn echtgenote [vrouw eigenaar] , [broer eigenaar] en diens echtgenote [vrouw broer eigenaar] . De bedrijfsactiviteiten bestaan uit de in- en verkoop van edelmetalen, munten en (gebruikte) sieraden. Er zijn twee vestigingen; naast de eerdergenoemde vestiging aan de [adres 2] is ook een vestiging geopend aan de [adres 1] te Amsterdam. Daarnaast worden sieraden via internet te koop aangeboden. [broer eigenaar] beheert het filiaal aan de [adres 1] , waar alleen inkoop van goederen plaatsvindt. Hij is bevoegd zelfstandig te bepalen welke prijs hij biedt. Hij is de enige die de inkoopbonnen van beide vestigingen in het aankoopregister als bedoeld in artikel 437 Wetboek van Strafrecht (Sr) inschrijft. De overige drie vennoten werken in het filiaal aan de [adres 2] . [eigenaar] heeft de meeste zeggenschap binnen de vennootschap. Men overlegt bijna alles met hem, hij gaat over het geld en onderhoudt het contact met de boekhouder. De beide echtgenotes verrichten de dagelijkse werkzaamheden in de winkel en met betrekking tot de website. In het vervolg van dit arrest zal de verdachte mede aangeduid worden als [verdachte] , maar ook als de vof en zullen de gelijktijdig terechtstaande verdachten [eigenaar] en [broer eigenaar] ook wel alleen met hun voornaam worden aangeduid. Bespreking van de gevoerde verweren ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde Het onder 1 ten laste gelegde feit houdt – kort samengevat – in dat de verdachte al dan niet tezamen met anderen de bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt door opname daarin van: A) valse/vervalste inkoopbonnen; B) kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’; C) registerboek 2011:  met daarin opgenomen valse inkoopbonnen;  zonder vermelding van inkopen. 1A) Valse/vervalste inkoopbonnen Door de onderneming [verdachte] (waar [broer eigenaar] medevennoot is) worden edelmetalen, munten en (gebruikte) sierraden ingekocht van particulieren. Het grootste gedeelte van de inkopen (90% tot 95%) is zogeheten ‘sloopgoud’ dat wordt aangeboden aan afnemer [B.V.] (hierna: [B.V.] ) die het omsmelt tot baren goud en zilver. Ter zake van deze inkopen van particulieren maakt [verdachte] , een inkoopbon op (waarvan aan de klant een kopie wordt uitgereikt) die de basis vormt van de inkoopadministratie van de onderneming. Op de bon wordt onder andere de naam van de verkoper vermeld, het nummer van zijn identiteitsbewijs, een korte omschrijving van de inkoop en het betaalde bedrag, waarna de verkoper de bon voorziet van zijn handtekening. Aan de vof wordt ten laste gelegd (onder feit 1, letter A) het vervalsen van 18 inkoopbonnen gedurende de periode 29 december 2009 tot en met 20 september 2011. De vof wordt verweten dat het in een aantal gevallen, na afronding van de inkoop en het vertrek van de klant, het bedrag op de inkoopbon heeft verhoogd. Het betreft dan steeds (bij de tenlastegelegde bonnen) een inkoop van een bonafide klant (die niet bij justitie bekend is, geen antecedenten heeft). Deze inkoop wordt (cijfermatig) verhoogd met het bedrag van een andere inkoop van een niet-bonafide klant. Uitgaande van deze hypothese van verbalisant [verbalisant] (zaaksdossier B, paragraaf 6) wordt uiteindelijk niet het inkoopbedrag van de niet-bonafide klant buiten de administratie gehouden, maar (alleen) zijn persoonsgegevens (het niet-vermelden van welke specifieke goederen zijn ingekocht bespreekt het hof onder feit 1, onderdeel C). Het bedrag van deze inkoop staat niet op enige bon (omdat die niet is opgemaakt) maar is cijfermatig verwerkt in de wel opgemaakte bon van een bonafide klant. Aldus blijft de niet-bonafide klant buiten beeld, maar wordt het aan hem betaalde bedrag wel (cijfermatig) in de financiële administratie verwerkt. Door het verhogen van het inkoopbedrag van de bonafide inkoop met het bedrag van de te maskeren inkoop (die voor het overige dus niet is vastgelegd) wordt op jaarbasis het bedrag van de inkopen (en de inkoopwaarde omzet, en daarmee de winst) correct vastgelegd. Het doel daarvan is, dat daarmee de (omvang van de) leveringen aan [B.V.] kunnen worden verklaard en onderbouwd (Relaas financieel onderzoek valsheid in geschrifte en witwassen in de bedrijfsvoering van [verdachte] , p. 1.0262). Als voorbeeld van deze handelwijze kan dienen, de inkoop van klant [klant 1] die op 17 september 2011 ‘sloopgoud’ verkoopt voor een bedrag van € 1.502,-. Een kopie van de door [klant 1] ontvangen en door hem bewaarde bon bevindt zich in het dossier (p. 3.0180). In het dossier bevindt zich een kopie van de in de administratie van de vof opgenomen bon (p. 3.0179) die identiek is aan eerstgenoemde bon met uitzondering van het inkoopbedrag dat tot € 4.502,- is opgehoogd. [klant 1] bevestigt het lagere bedrag in zijn verklaring (zakelijk weergegeven): “Ik dacht € 1.508,- te hebben ontvangen. Ik heb het bonnetje thuis liggen, dat bonnetje kunt u van mij krijgen”. [broer eigenaar] , als zijnde feitelijk leidinggever voor wat betreft in elk geval dit deel van de werkzaamheden binnen de vof, erkent dat hij het bedrag heeft opgehoogd, en heeft dienaangaande verklaard dat het een automatische verschrijving was die hij achteraf niet meer goed kan verklaren. Het hof is van oordeel dat de vof de (in de administratie opgenomen) inkoopbon bewust heeft vervalst. Zijn (ter zitting herhaalde) verklaring dat hij nadat hij op de bon de datum (terecht) heeft gecorrigeerd, hij ‘automatisch’ ook het inkoopbedrag naar boven heeft aangepast, zonder daar bij na te denken, acht het hof ongeloofwaardig. Daarvoor is het aanpassen, zijnde het handmatig wijzigen van een ‘1’ in een ‘4’ op de bon een te doelbewuste handeling die moeilijk als een ‘automatische verschrijving’ kan worden uitgevoerd/aangemerkt. Van [klant 1] is overigens de enige klant, door de politie gehoord, die zijn bon heeft bewaard en overgelegd. Desondanks acht het hof, mede gelet op de verklaring van [klant 1] en de door hem overgelegde bon, aannemelijk dat de vof de bonnen ter zake van de navolgende inkopen op overeenkomstige wijze heeft vervalst door achteraf de inkoopbedragen te verhogen. Het hof acht daarbij van belang dat de desbetreffende klanten stellig hebben verklaard dat zij een substantieel lager bedrag hebben ontvangen dan op de bon vermeld. Zo verklaart [klant 2] dat hij een gouden armband heeft verkocht voor € 714 terwijl op de inkoopbon een bedrag van € 2.714 staat en de getuige verklaart (als hij voornoemd bedrag verneemt van de verbalisant) dat dit absoluut onjuist is. Het betreft de volgende bonnen, met de datum van de inkoop, de naam van de klant en het op de factuur vermelde (opgehoogde) bedrag: [verdachte] , 13 bonnen 18 januari 2010, [klant 3] , € 1.907,- 13 januari 2010, [klant 4] , € 1.673,- 30 januari 2010, [klant 5] , € 1.052,- 30 juni 2010, [klant 6] , € 1.266,- 16 juli 2010, [klant 9] , € 1.282,- 16 april 2011, [klant 7] , € 1.608,- 19 april 2011, [klant 8] , € 1.605,- 14 mei 2011, [klant 10] , € 2.624,- 12 augustus 2011, [klant 11] € 5.200,- 25 augustus 2011, [klant 12] , € 1.793,- 9 september 2011, [klant 2] , 2.714,- 13 september 2011, [klant 13] , € 4.075,- 16 september 2011, [klant 14] , € 3.244,- In de tenlastelegging worden 18 bonnen genoemd die in het requisitoir in eerste aanleg (p. 14) worden gespecificeerd (zie ook dossier p. 5.0626 ev, 5.0302 ev en 5.1638 ev). In hoger beroep komt de klant [klant 15] te vervallen (requisitoir in hoger beroep, p. 3). Het hof heeft vervolgens nog de bon ter zake van de aankoop van [klant 16] , buiten beschouwing gelaten, aangezien deze klant niet zelfstandig een bedrag (om en nabij) heeft genoemd. Het hof heeft voorts, naar aanleiding van de opmerkingen van [broer eigenaar] zoals opgenomen in de bijlage bij de pleitnota die in de zaak van de vof als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, buiten beschouwing gelaten de bonnen die zijn uitgeschreven aan [klant 17] en [klant 18] / [klant 19] . Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de vof in de onderhavige periode, in totaal 13 bonnen heeft vervalst. Met het vervalsen van de bonnen en het in de administratie (doen) opnemen van deze valse bonnen heeft de vof de bedrijfsadministratie, althans de financiële administratie valselijk opgemaakt. 1B) Kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’ Volgens de advocaat-generaal berusten de in de kasjournalen opgenomen posten ‘leningen’ en ‘familie’ niet op daadwerkelijke contante kasstortingen, maar dienen zij slechts om de kasjournalen administratief sluitend te maken en om daarmee zogenoemde negatieve kassen te verhullen. Ter onderbouwing van zijn stelling wijst de advocaat-generaal onder meer op het feit dat het feitelijke kassaldo op 20 september 2011 - de datum van de doorzoekingen - € 244.197 niet aansloot bij het saldo zoals vermeld in het kasjournaal. Overeenkomstig het kasjournaal zou het kassaldo op 31 augustus 2011 slechts € 5.038 bedragen. Daarnaast heeft de advocaat-generaal er op gewezen dat op 14 oktober 2010 van de vennoten een bedrag zou zijn geleend van € 260.000 waarvan op 31 augustus 2011 nog een (rest)schuld open stond van € 200.000 terwijl het privé-vermogen daartoe (volstrekt) ontoereikend was omdat er geen sprake was van een erfenis of een investeringsproject in Bulgarije waaruit deze lening had kunnen voortkomen, aldus de advocaat-generaal. De verdediging heeft aangevoerd dat (er) daadwerkelijk sprake is geweest van privé-leningen van de vennoten aan de vof vanuit een eerder ontvangen erfenis en een investeringsproject in Bulgarije. Aansluiting administratieve en fysieke kas Het hof is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de fysieke (zakelijke) kas niet aansluit bij het administratieve (zakelijke) kassaldo. Daarvoor is er een te groot tijdsverloop tussen de in het dossier voor de vergelijking gehanteerde twee verschillende peildata, zijnde 31 augustus 2011 voor het saldo van de administratieve kas (€ 5.038) en 20 september 2011 voor de aanwezige contante gelden (€ 244.197). In een onderneming met zeer omvangrijke contante geldstromen - waarvan naar het oordeel van het hof sprake is bij de vof - kan een verschil van drie weken in de peildatum leiden tot een aanzienlijk verschil in het kassaldo. Het hof wijst ter onderbouwing van de omvang van de kasmutaties bij [verdachte] - ter illustratie - naar de contante opname op 8 september 2011 van de zakelijke rekening van een bedrag van € 70.000. Verder werd in de onderneming (blijkens het kasjournaal over de maand augustus 2011) maandelijks voor honderdduizenden euro’s contant ingekocht (Bev. Fin 030 p. 07 340). Het hof stelt voorts vast dat uit het overzicht van het verloop van de lening van privé aan de vof (Bev. Fin 031, p. 07 0383) blijkt dat er niet alleen regelmatig bedragen vanuit privé in de zakelijke kas werden gestort, maar ook dat er zeer regelmatig aflossingen op de leningen plaatsvonden waardoor het door de vof verschuldigde bedrag sterk wisselde. Leningen werden daarbij veelal binnen een periode van twee á drie maanden weer uit de kas (grotendeels) afgelost. Zo was op 31 juli 2011 de schuld geheel afgelost. Nu in het proces-verbaal door de verbalisanten geen aansluiting is gezocht tussen het administratieve kassaldo per 31 augustus 2011, de daarop volgende contante inkomsten en -uitgaven in de periode tot en met 20 september 2011 en het op 20 september 2011 in de kas aangetroffen geldbedrag valt naar het oordeel van het hof niet vast te stellen dat het administratieve kassaldo niet aansluit bij de werkelijk aanwezige kasgelden. Daarbij komt nog dat vrijwel al het geld dat is aangetroffen bij de twee vestigingen en in de kluizen door de verbalisanten tot de zakelijke kas is gerekend. Het toerekenen van aangetroffen gelden aan de zakelijke kas vergroot het gepretendeerde verschil tussen administratieve en fysieke zakelijke kas. Die toerekening is echter nauwelijks voorzien van enige onderbouwing en is arbitrair te noemen. Als voorbeeld kan daarbij worden genoemd het toerekenen van het geld uit de kluizen aan de zakelijke kas. Erfenis Ten aanzien van de erfenis overweegt het hof als volgt. [eigenaar] heeft al in zijn eerste verhoor op de dag van de inval en [broer eigenaar] in zijn tweede verhoor, de dag na de inval, over uit erfenis ontvangen geldbedragen verklaard. De verklaringen van de verdachten worden onderbouwd door het fiscaal verantwoorden van een plotselinge toename van het privé-vermogen van de verdachten. Uit het dossier blijkt dat [eigenaar] in zijn belastingaangifte over 2007 melding heeft gemaakt van een toename van zijn box 3 vermogen met ongeveer € 160.000 (PV bevindingen informatie Belastingdienst opgenomen als bijlage bij PV zaaksdossier B, na p. 281). Ook [broer eigenaar] en zijn partner [vrouw broer eigenaar] geven in hetzelfde jaar een gezamenlijke vermogenstoename op van ongeveer € 160.000. Op grond van de verklaringen van de verdachten (vanaf het eerste begin) en de gegevens van de Belastingdienst is het hof van oordeel dat het aannemelijk is dat de verdachten over voldoende vermogen, voortgekomen uit een erfenis, nog afgezien van eventuele gelden uit een project in Bulgarije, hebben kunnen beschikken om bedoelde leningen aan de vof ter beschikking hebben kunnen stellen. Het hof acht op grond van bovenstaande niet wettig en overtuigend bewezen dat de vof de kasjournalen valselijk heeft opgemaakt door daarin fictieve posten ‘leningen’ en ‘familie’ op te nemen. Getuigenverzoek ten aanzien van erfenis en Bulgarije-project Tijdens de zitting van 6 april 2016 is door de verdediging, in verband met de gestelde ontvangen erfenis en de investering in het zogenaamde Bulgarije-project, verzocht getuigen te horen. Het hof heeft ter terechtzitting van 20 april 2016 overwogen dat op voornoemde verzoeken wordt beslist bij (tussen)arrest. Gelet op het feit dat de vof van hetgeen onder 1 onder B ten laste is gelegd wordt vrijgesproken, wijst het hof het verzoek tot het horen van de getuigen af, nu de verdediging geen belang heeft bij het horen van de getuigen. 1C) Registerboek 2011 De vof wordt verweten dat hij in de periode 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 de bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt door het daartoe behorende register valselijk op te maken door er (het hof begrijpt: de gegevens zoals vermeld op) valse inkoopbonnen in op te nemen en/of bepaalde inkopen er in het geheel niet in op te nemen. Op grond van artikel 437 Sr is de vof verplicht tot het bijhouden van een register waarin alle inkopen worden vastgelegd. Naar het oordeel van het hof maakt het register deel uit van de bedrijfsadministratie als bedoeld in de tenlastelegging, nu er aantekening in wordt gemaakt van activiteiten die het bedrijf betreffen en die het bedrijf gehouden is vast te leggen. In dit register dient te worden opgenomen (onder meer) de naam van de verkoper, de omschrijving van de ingekochte goederen en de betaalde prijs (Besluit van 6 januari 1992, ter uitvoering van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). Met het verplicht stellen van deze registratie wordt beoogd heling tegen te gaan, omdat het daarmee voor dieven moeilijker wordt gestolen goederen te verkopen. Bij verkoop aan ondernemers als [verdachte] wordt immers de verkoop vastgelegd in het register, samen met de identiteit van de verkoper, zodat in voorkomende gevallen (als wordt vastgesteld dat het de verkoop van een gestolen goed betreft) deze verkoper getraceerd kan worden hetgeen dit verkoopkanaal voor een dief (veel) minder aantrekkelijk maakt. Zoals hiervóór reeds vastgesteld heeft de vof in de onderhavige periode valse bonnen opgemaakt (in de zin, dat de betaalde en op de bon vermelde prijs achteraf is opgehoogd). Deze onjuiste (opgehoogde) inkoopbedragen zijn door de vof vastgelegd in het register. Het hof is dan ook van oordeel dat de vof ten aanzien van het opnemen van (gegevens zoals vermeld op) deze vervalste bonnen het register (in zoverre) valselijk heeft opgemaakt. De vof wordt tevens verweten (het tweede gedeelte van letter C) dat hij het register onvolledig heeft bijgehouden omdat hij (in strijd met de waarheid) inkopen niet heeft vermeld. Het hof acht dat onderdeel niet bewezen, en overweegt daartoe als volgt. Ten aanzien van het niet volledig bijhouden van het register verwijst de advocaat-generaal (requisitoir, p. 8) naar een drietal (gestolen) horloges die niet terug zijn te vinden in het register, naar observaties op 13 en 26 april 2011, en naar beelden van de bewakingscamera buiten en in de vestiging op de [adres 1] . Bij de observaties op 13 en 26 april 2011 is door de politie vastgesteld dat op enig moment twee personen de vestiging op de [adres 1] zijn binnengegaan en met geld het pand weer hebben verlaten. Deze vaststelling is onvoldoende om te kunnen concluderen dat deze personen (ook) iets hebben verkocht waarvan een vastlegging in de administratie had moeten worden gemaakt. De beelden van de bewakingscamera in de vestiging op de [adres 1] zijn gemaakt op 19 en 20 september 2011 en daarmee kort vóór de doorzoeking. Het hof acht aannemelijk dat [broer eigenaar] , die in ander verband heeft verklaard dat hij eerst de dag na de aankopen het register (met alle inkoopbonnen van de voorgaande werkdag) bijwerkte, door de doorzoeking niet meer in de gelegenheid is geweest deze inkopen te verwerken hetgeen de omissies verklaart. Ten aanzien van de drie horloges, overweegt het hof als volgt. Het horloge omschreven Omega Seamaster is aangetroffen op het privéadres van [broer eigenaar] . Niet kan worden vastgesteld dat het tot de bedrijfsvoorraad behoort van [verdachte] . Alsdan kan de vof niet worden verweten dat zij, middels haar feitelijk leidinggevende [broer eigenaar] , dit horloge niet heeft ingeschreven in het register. De overige twee horloges (Cartier Chronoscap 21, kastnummer 2424 en Ebel mini bicolor kastnummer 51609290 E1157111) zijn aangetroffen in de vitrine van de vestiging in de [adres 2] , zodat aannemelijk is dat zij tot de bedrijfsvoorraad behoren van [verdachte] . Uit de locatie waarop de beide horloges zijn aangetroffen, niet apart bewaard in een zakje met bonnetje zoals aankopen de eerste week worden bewaard, maar al in de winkelvitrine, leidt het hof af dat de horloges niet op 19 of 20 september zijn ingekocht, zodat hetgeen hiervoor is opgemerkt ten aanzien van de registraties op die dagen voor deze twee horloges niet geldt. Beide horloges zijn niet terug te vinden in het register: maar dat is ofwel omdat ze in het geheel niet zijn opgenomen in het register; ofwel omdat ze wel zijn opgenomen maar onvoldoende gespecificeerd vanwege een te algemene of te vage omschrijving (als ‘horloge’ zonder specificatie). Dat laatste is niet in de tenlastelegging opgenomen. In de tenlastelegging is slechts opgenomen, het (in het geheel) niet opnemen van inkopen. Nu niet kan worden uitgesloten dat de horloges wel zijn opgenomen maar met een te onduidelijke omschrijving, hetgeen wel strafbaar, maar niet tenlastegelegd is, dient de vof van dit feit te worden vrijgesproken. Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde Reikwijdte tenlastelegging Het onder 2 tenlastegelegde feit houdt - naar de kern genomen - in dat de vof al dan niet tezamen met anderen diverse nader omschreven voorwerpen heeft witgewassen. De rechtbank heeft overwogen dat de tenlastelegging aldus moet worden uitgelegd dat de verkrijging van gestolen goederen het gronddelict voor het witwasverwijt vormt en dat de tenlastelegging niet mede omvat eventueel gepleegde fiscale delicten. De rechtbank overwoog in dat kader: 3.1.3. Het oordeel van de rechtbank In reactie op het preliminaire verweer heeft de officier van justitie uiteengezet dat - samengevat - de verkrijging van gestolen goederen het gronddelict vormt waarop de witwasbeschuldiging is gebaseerd. Doordat dit op grote schaal gebeurde, de ingekochte goederen niet individualiseerbaar werden bewaard en de administratie zeer gebrekkig was, heeft vermenging plaatsgevonden waardoor de gehele voorraad is aangetast. De rechtbank overweegt dat het weliswaar het uitgangspunt is bij witwaszaken dat het gronddelict niet hoeft te worden gespecificeerd in de tenlastelegging, maar dat in dit specifieke geval het gronddelict moet worden begrepen zoals door de officier van justitie ter terechtzitting is verwoord. Het onderliggende dossier is ook overeenkomstig het door de officier van justitie ingenomen standpunt ingericht. Van enig onderzoek door het Openbaar Ministerie dat gericht is op eventueel gepleegde fiscale delicten is niet gebleken. (…) Zij (hof: de rechtbank) zal de officier van justitie wel houden aan het kader dat zij ter terechtzitting in haar reactie op het preliminaire verweer heeft geschetst. Dit heeft tot consequentie dat de mogelijkheid van een fiscaal delict als gronddelict bij de beoordeling van de vraag of sprake is van witwassen buiten beschouwing wordt gelaten.” Het hof constateert dat tegen dit oordeel van de rechtbank in appel geen grief is gericht, zodat ook het hof dit als uitgangspunt neemt. Standpunt advocaat-generaal In de kern wordt de verdachten door de advocaat-generaal verweten dat zij een loopje hebben genomen met de van hen te vergen waakzaamheid en registratieverplichtingen in relatie tot het opkopen van tweedehands juwelen (aldus de advocaat-generaal in zijn requisitoir, op pagina 1). Ten gevolge van dit handelen zijn in de juwelierszaak van de verdachten grote hoeveelheden van misdrijf (diefstal, overval) afkomstige sieraden terechtgekomen. Door hun manier van handelen hebben de verdachten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij van misdrijf afkomstige goederen inkochten. De advocaat-generaal komt in zijn requisitoir tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht: “het in de periode 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 maken van een gewoonte van het voorhanden hebben van een voorraad (sloop)goud, (sloop)zilver, sieraden, munten andere edelmetalen en edelstenen, en van het gewicht van het (edel)metaal op de gewichtsrekening van [verdachte] bij [B.V.] , terwijl [verdachte] wist dat deze voorwerpen van misdrijf afkomstig waren.” Ter onderbouwing van deze conclusie wijst de advocaat-generaal in zijn requisitoir onder 32 op door [eigenaar] op 8 augustus 2011 bij [B.V.] aangeboden gouden voorwerpen (vier ringen en een armband) die op basis van inscripties aantoonbaar van misdrijf afkomstig bleken te zijn en waarvan aangifte van inbraak is gedaan op respectievelijk 2 augustus 2011, 4 juli 2011, 1 juli 2011 en 20 juni 2011. Opmerkelijk is, aldus de advocaat-generaal dat deze voorwerpen kort tot zeer kort na de verschillende inbraken door [verdachte] ter omsmelting bij [B.V.] werden aangeboden. Daarnaast wijst de advocaat-generaal onder 33 op het door [verdachte] op 24 april 2010 aankopen van twee gestolen ringen en een gestolen armband, ingekocht als sloopgoud maar later verkocht aan [klant 20] , waarna onder 34 onder a. tot en met s. gestolen voorwerpen worden opgesomd die, aldus de advocaat-generaal, in ieder geval zijn witgewassen. De advocaat-generaal merkt in dit verband in zijn requisitoir op (onder 30) dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat men in het juweliersbedrijf bij het inkopen van voorwerpen bedacht moet zijn op het aanbieden van gestolen voorwerpen en maatregelen moest treffen om te voorkomen dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig waren. Deze zorgplichten liggen niet alleen ten grondslag aan de helings- en witwasbepalingen, maar ook aan de registerverplichting van art. 437 Sr, de algemeen gangbare witwastypologieën en de meldingsplichten betreffende ongebruikelijke transacties. Voor een bedrijf als [verdachte] brengen deze zorgplichten mee dat aangekochte goederen deugdelijk moeten worden geregistreerd, dat de identiteit van verkopende partijen goed moet worden vastgelegd, dat bij het aanbieden van bijzondere objecten vragen moeten worden gesteld over de herkomst en dat eventueel wordt gevraagd naar aankoopbewijzen en echtheidscertificaten (bijvoorbeeld bij de aankoop van bijzonder horloges). Binnen [verdachte] zijn evenwel structureel de minimaal denkbare maatregelen veronachtzaamd om inkoop van besmette waar te voorkomen: er werden geen vragen gesteld over de herkomst van voorwerpen, minimale onderzoeksplichten in relatie tot de persoon van de verkoper of aangeboden voorwerpen werden niet in acht genomen, gegevens van verkopers werden niet deugdelijk vastgelegd, bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers, werden niet vastgelegd, aankopen werden niet geregistreerd en de voorraadadministratie was gebrekkig. Uit deze omstandigheden moet worden afgeleid dat binnen de vof een praktijk bestond waarin structureel welbewust de aanmerkelijke kans werd aanvaard dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig bleken te zijn. Het voor witwassen door de vof vereiste (voorwaardelijk) opzet kan wettig en overtuigend worden bewezen, aldus de advocaat-generaal. Standpunt verdediging In zijn appelschriftuur stelt de vof dat de rechtbank ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen van feit 2. De vof heeft naar voren gebracht dat door of namens [eigenaar] vanaf het eerste verhoor is aangegeven dat zijn wijze van handel drijven niet afweek van wat in de branche gebruikelijk was, dat hij zich hield aan de aanwijzingen van de politie op dat punt en dat hij alles deed wat redelijkerwijs in zijn macht lag om de inkoop van gestolen sieraden tegen te gaan. De rechtbank liet in haar vonnis - aldus [broer eigenaar] - na te motiveren dat en waarom de wijze waarop hij zijn handel inrichtte in zodanige mate afweek van de wijze waarop in de branche gebruikelijker wijze gehandeld wordt dat zijn handelwijze als laakbaar bestempeld kan worden en veroordeling van de verdachte dient te volgen. Bij pleidooi wordt door de verdachte(n) ontkend dat er te weinig maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat gestolen sieraden werden ingekocht. Gesteld wordt dat de verdachten zich aan alle voorschriften hebben gehouden die in de branche gebruikelijk zijn. Het is bij deze vorm van handel nu eenmaal onmogelijk om met 100% zekerheid te weten of je te maken hebt met een bonafide of een malafide klant. Dat er af en toe van diefstal afkomstige goederen doorheen glippen is onderdeel van het risico van het vak. Uit onderzoek is ook niet gebleken dat er structureel en op grote schaal van diefstal afkomstige goederen werden ingekocht. (pag. 1 pleitaantekeningen van [broer eigenaar] , welke pleitaantekeningen in de procedure van [eigenaar] en de vof als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd). Ter onderbouwing hiervan wordt, kort samengevat, aangevoerd dat altijd om een legitimatie werd gevraagd, dat het legitimatienummer en de naam van de verkoper werden genoteerd op de bon, waarna de verkoper op de bon dan nog zijn handtekening diende te zetten, dat het register - zij het rudimentair - wel degelijk werd bijgehouden aan de hand van de bonnen, dat [broer eigenaar] naar de politie is geweest om te vragen hoe het register in te vullen, dat hij altijd conform deze instructies is blijven werken, dat de verdachten van de politie nimmer te horen hebben gekregen dat het register te summier of te gebrekkig was, dat het verwijt dat er geen vragen worden gesteld de praktijk van alledag miskent, dat het ronduit naïef is te veronderstellen dat een klant die te kwader trouw is niet een standaard gelikt antwoord klaar zou hebben, dat de eis een kopie van de legitimatie te maken bij iedere aankoop nergens is terug te vinden en ook in strijd zou zijn met de regels Wet bescherming persoonsgegevens, en dat het handelen in strijd met artikel 437bis lid 1 Sr hoogstens een overtreding oplevert maar op zich nog geen aanwijzing vormt voor heling c.q. witwassen, waarna geciteerd wordt uit het eerste politieverhoor van [broer eigenaar] : Als ik zie dat een junk een restant van een sieraad heeft dan geef ik er een paar euro voor, maar als de junk een mooie ring inlevert dan waag ik mij daar niet aan. Misschien komt de eigenaar of is hij gestolen. (…) Ik mag niet discrimineren op uiterlijk daarom is iedereen bij mij welkom. Ik kijk wel naar zijn gedrag. Is hij agressief of druk dan hoef ik hem niet als klant. (…) pag. 11 e.v. van voornoemde pleitaantekeningen). Daarnaast is het verweer gevoerd voor negen van de negentien door de advocaat-generaal specifiek genoemde voorwerpen dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat ze überhaupt van diefstal afkomstig zijn (pag. 22 van die pleitaantekeningen). Het hof overweegt als volgt. Het dossier bevat geen bewijs dat de bij de verdachten aangetroffen sieraden afkomstig zijn van door de verdachten zelf begane diefstallen of overvallen. Daarvoor is de enkele omstandigheid dat gestolen voorwerpen bij hen zijn aangetroffen, ontoereikend. Het gaat in deze strafzaak om de vraag of de verdachten van de (particuliere) verkopers voldoende gegevens hebben opgevraagd; hebben zij hen voldoende aan de tand gevoeld over de door die verkopers te koop aangeboden sieraden en hebben zij dit op een juiste wijze geregistreerd, waarbij de vraag opgeworpen kan worden of de omstandigheid dat de verdachten het door hen ingekochte goud voor 90 tot 95% lieten omsmelten mogelijk van belang is voor het antwoord op de hiervoor gestelde vragen in die zin dat dit zou leiden tot een minder vergaande onderzoeks- c.q. registratieplicht. Deze laatste vraag dient naar het oordeel van het hof negatief te worden beantwoord. Immers, wat men doet met aangekochte spullen doet niet af aan de vraag of men op het moment van de aankoop te goeder trouw was. Dat het voor de interne c.q. externe boekhouding hoogstwaarschijnlijk niet uitmaakt, maakt dat niet anders. Vooropgesteld wordt dat het hof zich geheel kan vinden in de overweging van de rechtbank dat de verdachten werkzaam zijn in een gevoelige branche en dat het algemeen bekend is dat sieraden en edelmetalen doelwitten zijn voor criminelen en dat deze vervolgens verzilverd worden. Van opkopers in deze branche mag inderdaad waakzaamheid worden verwacht. Geconstateerd wordt (echter) dat met betrekking tot (alle) door de advocaat-generaal genoemde specifieke voorwerpen omtrent de wijze van verkrijging, de gang van zaken rond de inkoop, niets bekend is, dat geldt ook voor of en zo ja wat er door de verdachten is gevraagd aan c.q. gezegd is door de verkopers. Derhalve kan (reeds) met betrekking tot die specifieke voorwerpen niet op individuele basis, per afzonderlijke transactie, worden getoetst of de verdachten inderdaad een loopje hebben genomen met de waakzaamheid en registratieverplichtingen en aldus bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij van misdrijf afkomstige voorwerpen hebben ingekocht. De advocaat-generaal baseert zijn conclusie dat die door hem in zijn requisitoir genoemde voorwerpen zijn witgewassen op de stelling dat binnen [verdachte] structureel de minimaal denkbare maatregelen veronachtzaamd zijn om inkoop van besmette waar te voorkomen: er werden geen vragen gesteld over de herkomst van voorwerpen, minimale onderzoeksplichten in relatie tot de persoon van de verkoper of aangeboden voorwerpen werden niet in acht genomen, gegevens van verkopers werden niet deugdelijk vastgelegd, bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers, werden niet vastgelegd, aankopen werden niet geregistreerd en de voorraadadministratie was gebrekkig. Hierdoor aanvaardden de verdachten bewust de aanmerkelijke kans (voorwaardelijk opzet) dat zij gestolen voorwerpen inkochten. De vraag is echter of op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden - op basis van bewijsmiddelen - en met voorbijgaan aan hetgeen door de verdachten is verklaard deze vergaande conclusies kunnen worden getrokken. Aan de hand van de inkoopbonnen en de verklaringen die zich in het dossier bevinden kan worden vastgesteld dat de verdachte(n) op de inkoopbonnen (van sieraden) noteerden de datum van inkoop, de naam van de verkoper, het nummer dat op zijn of haar identiteitsbewijs stond, de inkooprijs van het sieraad alsmede een zeer summiere omschrijving van het ingekochte goed (bijv. gekocht gouden horloge Omega, dossier pag. 05 0632, gekocht gouden armband 18ct, dossier pag. 05 0633, gekocht gouden ketting, ringen speld zilveren kettingen, dossier pag. 05 0635) evenwel zonder vermelding van de eventuele bijzonderheden van het sieraad. Ook diende de verkoper zijn handtekening te plaatsen op de inkoopbon. Gedurende een week werd vervolgens het ingekochte goed samen met de inkoopbon in een apart zakje bewaard, waarna de sieraden in de reguliere bedrijfsvoorraad werden opgenomen en los van het bonnetje werden bewaard. Dat de verdachten structureel minimale onderzoekplichten in relatie tot de persoon van de verkoper niet in acht hebben genomen kan - gelet op het voorgaande - dan ook niet worden aangenomen. Evenmin kan gezegd worden dat gegevens met betrekking tot de persoon van de verkoper structureel niet deugdelijk werden vastgelegd. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de verdachten structureel minimale onderzoekplichten met betrekking tot de aangeboden voorwerpen niet in acht hebben genomen, welk verwijt in twee onderdelen uiteenvalt te weten ten eerste het niet, althans onvoldoende vragen naar de herkomst van de voorwerpen en ten tweede het niet deugdelijk vastleggen van bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers. Voor zover de verdachten het verwijt wordt gemaakt - kort samengevat - dat zij aan de (particuliere) verkopers niet hebben gevraagd hoe zij aan de voorwerpen kwamen wordt overwogen dat deze conclusie niet zonder meer uit hun verklaringen kan worden opgemaakt, zie in dit verband het hiervoor opgenomen citaat uit de verklaring van [broer eigenaar] , alsmede het hierna op te nemen citaat uit de verklaring van [eigenaar] . Overigens valt niet aan te nemen dat verkopers die met gestolen spullen komen, verteld zouden hebben hoe de vork (echt) in de steel zat, en rijst de vraag of de verdachte aan de hand van de verzonnen antwoorden zonder meer had moeten begrijpen dat hij werd voorgelogen. [eigenaar] heeft bij de rechter-commissaris (gehoord als getuige en verdachte) op 17 september 2013 onder meer verklaard: “U vraagt mij welke maatregelen ik tot en met 2011 nam om te voorkomen dat ik sieraden inkoop die van misdrijf afkomstig zijn. Ik vroeg aan de verkoper zich te identificeren en ik schreef zijn naam en de nummer van zijn identiteitsbewijs in het registratieboek. Als ik een splinternieuw voorwerp kreeg aangeboden, bijvoorbeeld met een labeltje eraan, stelde ik nadere vragen. Ik kocht geen sieraden van kinderen. Ik hield mij ruimschots aan de voorgeschreven bewaartermijn: ik dacht dat ik ingekochte sieraden een week moest bewaren en na mijn aanhouding hoorde ik dat de bewaartermijn maar drie dagen was. Verder kan ik niet voorkomen dat mij iets wordt verkocht wat gestolen is. Niemand gaat dat toegeven. Als je zoveel jaren klanten ziet langskomen en alle verhalen hoort, merk je dat mensen op allerlei manieren aan sieraden komen: door erfenissen, stukgelopen relaties en wat niet al. Inscripties zeggen dan ook niet zoveel en gaven mij geen reden om vragen te stellen. Ik kan niet aan iemands uiterlijk zien of hij eerlijk is of niet. In de loop van de tijd heb ik wel een paar cliënten verbannen van wie ik de zaak niet vertrouwde. Expliciete informatie over de concrete gang van zaken bij het doen van inkopen door de verdachten bevindt zich niet dan wel nauwelijks in het dossier, in elk geval onvoldoende om te kunnen spreken van het structureel in dit opzicht niet voldoen aan onderzoekplichten naar de herkomst van de voorwerpen. Dit laatste geldt naar het oordeel van het hof ook voor de tweede te beantwoorden vraag, te weten of ervan kan worden uitgegaan dat de verdachten structureel bijzondere kenmerken van aangekochte voorwerpen, zoals aanwezige inscripties of serienummers niet hebben vastgelegd waaruit moet worden afgeleid dat binnen de vof een praktijk bestond waarin structureel welbewust de aanmerkelijke kans werd aanvaard dat voorwerpen werden aangekocht die van misdrijf afkomstig bleken te zijn. Bovendien is in eerste aanleg door de officier van justitie in een brief van 20 december 2011, afstand genomen van eerdere berichtgeving dat er bij de firma [verdachte] op grote schaal sprake zou zijn van heling. In dit verband wordt (nog) van belang geacht dat (ook) in art. 437 lid 1 onder a Sr deze conclusie niet getrokken wordt. Tenslotte is in het dossier en requisitoir met bewijsmiddelen noch feiten van algemene bekendheid, onderbouwd hoe een gebrekkige registratie van de goederen na aankoop, zou hebben geleid tot het aanbieden en aankopen van (meer) gestolen goederen. Met betrekking tot hetgeen (overigens) nog door de advocaat-generaal is aangevoerd wordt overwogen dat dit evenmin kan leiden tot de vergaande conclusies die de advocaat-generaal daaraan wil verbinden. Het hof acht niet bewezen dat de verdachten (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op het verwerven van voorwerpen van criminele herkomst. Ten overvloede merkt het hof op dat bij die stand van zaken ook heling niet het grondmisdrijf voor een veroordeling voor witwassen (als een ‘eigen misdrijf’) kan vormen. Het vorenstaande brengt mee dat naar het oordeel van het hof bij gebreke van voldoende wettig bewijs niet tot een veroordeling kan worden gekomen ter zake van hetgeen onder feit 2 is tenlastegelegd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1:[verdachte] in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 in de gemeente Amsterdam, een deel van de bedrijfsadministratie, ten name van [verdachte] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [verdachte] toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt: A: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 een aantal, vervalste inkoopbonnen, waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; C: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 het registerboek 2011, zoals bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht, waarin onder meer telkens in strijd met de waarheid is opgenomen vervalste inkoopbonnen als bedoeld onder A, zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 60.000,-, waarvan € 30.000,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd de voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde, oplegging van de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen bedrijfsvoorraad juwelen, edelmetalen, munten, edelstenen en het gewicht op de gewichtsrekening bij [B.V.] Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door het vervalsen van inkoopbonnen en het laten opnemen van de valse bonnen in de bedrijfsadministratie. De verdachte heeft hierdoor het vertrouwen dat de maatschappij in schriftelijke stukken moet kunnen stellen geschaad. Het hof overweegt in het kader van de strafoplegging voorts dat bij de doorzoeking op de bedrijfsadressen op 20 september 2011 (vrijwel) de gehele voorraad in beslag is genomen. Het hof is van oordeel, zoals hierna wordt overwogen, dat het beslag voor het overgrote deel kan worden opgeheven. Dit volgt (eerst) uit de eerder gewezen vonnissen alsmede de arresten die heden in de zaken van de vof en haar medeverdachten worden gewezen. Niet geconcludeerd kan worden dat op 20 september 2011 niet in redelijkheid tot in beslagname kon worden overgegaan. Echter, het is de vraag of daarbij de gehele bedrijfsvoorraad in beslag had moeten worden genomen. En belangrijker of – gelet op de onderzoeksresultaten volgend op inbeslagname – niet al eerder had moeten worden overgegaan tot gedeeltelijke vrijval. Daarbij past de opmerking dat een duidelijk overzicht ontbreekt (zoals ook deugdelijke beslaglijsten ontbreken). Dat klemt te meer omdat door dit beslag de facto de bedrijfsactiviteiten stil kwamen te liggen tot op de dag van vandaag. De verdachte heeft - zoals [broer eigenaar] ter zitting nader heeft toegelicht – haar werkzaamheden niet of slechts op zeer bescheiden schaal kunnen voortzetten. De daartoe benodigde materialen en onderdelen ontbraken, vanwege het beslag, terwijl van (vrijwel de meeste van) deze materialen en onderdelen gesteld noch gebleken is dat deze van diefstal afkomstig zijn. Het hof verwijst in dit verband naar de brief van de officier van justitie van 20 december 2011, waarin zij afstand heeft genomen van eerdere berichtgeving dat er bij de [verdachte] op grote schaal sprake zou zijn van heling. In beginsel acht het hof een geldboete van € 10.000, waarvan € 5.000 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren voor de onderhavige feiten passend en geboden. In aanmerking genomen dat de strafvervolging van de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is echter een vermindering van die straf op zijn plaats. Het hof gaat daarbij uit van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna twee jaren. Het hof komt, al het vorenstaande afwegende, tot het oordeel dat thans kan worden volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 10.000, met een proeftijd van twee jaren. Verbeurdverklaring Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de officier van justitie aan de beslaglijst toegevoegd (maar niet in beslag genomen) een geldbedrag van € 239.158,57 en de gewichtsrekening bij [B.V.] (gelijk aan een bedrag van ongeveer € 200.000). De advocaat-generaal heeft van het geldbedrag op de gewichtsrekening bij [B.V.] ook de verbeurdverklaring gevorderd. Gelet op de beslissingen van het hof in deze strafzaak en de strafzaken tegen de medeverdachten, wijst het hof de vordering tot verbeurdverklaring af. Beslag Tijdens de doorzoekingen op 20 september 2011 op de bedrijfsadressen van [verdachte] (aan de [adres 2] en de [adres 1] ) en op de privéadressen van [eigenaar] en [broer eigenaar] is een groot aantal goederen in beslag genomen. Het hof verwijst daarbij naar p. 25 van het vonnis en de daarbij gevoegde zeer globale beslaglijst. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat: het geldbedrag US$ 4.900 (nr. 17 van de beslaglijst) terug moet naar [broer eigenaar] ; het geldbedrag € 4.500 (nr. 19) terug moet naar [eigenaar] ; de voorwerpen genoemd onder de nrs 22 tot en met 63 terug moeten naar de vof. Goederen bewaren ten behoeve van rechthebbenden uit nr. 21 op de beslaglijst, tachtig kratten Het hof gelast voorts de bewaring van de tien op p. 25 van het vonnis genoemde horloges (onderdeel uitmakend van de hierna te noemen kratten), ten behoeve van de rechthebbende. Van de eerstgenoemde negen horloges staat vast dat ze zijn gestolen (vonnis p. 20). Het hof merkt in dat verband op de verdachten hebben verklaard (pleitnota p. 32) afstand te doen van voorwerpen die in beslag zijn genomen en waarop derden terecht een claim hebben gelegd. Het hof merkt voorts op dat het op p. 25 van het vonnis laatstgenoemde horloge (nummer PG.01.04 proces-verbaal Dossier C, zaaksdossier 3, deelonderzoek 9, p. 46 – dossier p. 01 0197) het bij [eigenaar] in beslag genomen Louis Vuitton horloge betreft (en dus niet aan de vof toebehoort). Het hof heeft in het gelijktijdig gewezen arrest in de strafzaak tegen [eigenaar] opgemerkt dat het nog maar zeer de vraag is of op basis van het dossier en het behandelde ter terechtzitting er zonder meer vanuit kan worden gegaan dat het van misdrijf afkomstig is (mede gelet op de onduidelijkheid over het serienummer 13 dan wel 18). Gelet op deze onduidelijkheid gelast het hof ook de bewaring van dit horloge ten behoeve van de rechthebbende. Wat resteert aan in beslag genomen goederen, zijn de op de beslaglijst onder nr. 21 genoemde 80 (tachtig) kratten. Van de ongeveer 50.000 voorwerpen zijn ruim 1.000 sieraden apart genomen en geregistreerd. Het betreft bijzonder waardevolle dan wel (aan de hand van inscripties) herkenbare sieraden. Deze sieraden zijn gefotografeerd, van een uniek nummer voorzien, en op de website www.depolitiezoekt.nl gezet (proces-verbaal Dossier C, zaaksdossier 3, deelonderzoek 3 ‘Herkenning sieraden uit mediaberichten’ p. 01 0152 ev). Op p. 35 tot en met 40 van het deelonderzoek wordt een overzicht gegeven van de zestien meldingen naar aanleiding van de ruim 1.000 op de website opgenomen voorwerpen en het gelijktijdig uitgegeven persbericht. [eigenaar] heeft echter ten aanzien van alle in deelonderzoek 3 genoemde voorwerpen betwist dat het om gestolen voorwerpen gaat, dan wel dat de beschrijving van het gestolen goed in de aangifte overeenkomt met de omschrijving die door de politie op www.depolitiezoekt.nl is gezet. Deze betwisting is door het openbaar ministerie niet weersproken. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat niet reeds dit enkele niet weerspreken meebrengt dat deze goederen terug moeten naar de verdachten. Ten aanzien van deze goederen opgenomen in genoemde zestien meldingen zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten en ten aanzien van de overige op die site geplaatste goederen dient het beslag te komen te vervallen. Van de op p. 14 van het proces-verbaal (dossier p. 01 0165) genoemde drie ringen en armband begrijpt het hof dat deze sieraden door [verdachte] op 8 augustus 2011 zijn aangeboden aan [B.V.] ter verwerking. Het betreft gestolen sieraden. Echter, nu deze vier sieraden – blijkens het process-verbaal - weer terug zijn gegaan naar [B.V.] vallen ze naar het hof begrijpt niet onder het beslag en kunnen ze verder hier onbesproken blijven. Op p. 41 van het proces-verbaal (dossier p. 01 0192) wordt melding gemaakt van een horloge van het merk Frederique Constant met serienummer FC-303MC3P5 dat bij een woninginbraak is gestolen, en daarna bij de vof is aangetroffen en in beslag is genomen. Ten aanzien van dit horloge gelast het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende. Overige voorwerpen uit de 80 kratten bewaren t.b.v. rechthebbende verdachte en/of haar vennoten Van de overige in het proces-verbaal genoemde deelonderzoeken 4, 5, 6, 7 en 8 komt het hof, met de rechtbank (vonnis p. 21) tot het oordeel dat deze voorwerpen niet individualiseerbaar zijn en reeds daarom niet is vast te stellen dat ze van diefstal afkomstig zijn. Voor de overige zich in de kratten bevindende voorwerpen, overweegt het hof als volgt. Omdat het hof (net zo min als de rechtbank) kan vaststellen welke voorwerpen aan de vof dan wel de toenmalige vennoten (zijnde de medeverdachten [eigenaar] en [broer eigenaar] en hun echtgenoten) in privé toebehoren (mede omdat de voorwerpen op verschillende bedrijfsadressen en privé adressen in beslag zijn genomen), gelast het hof bewaring van alle, niet ten behoeve van andere rechthebbenden bewaarde voorwerpen, ten behoeve van de vof en haar vier toenmalige vennoten. Dat geldt ook voor de zich in de kratten bevindende baren goud en/of zilver en voor zover daar beslag op ligt op de gewichtsrekening bij [B.V.] (gelijk aan een bedrag van ongeveer € 200.000). Het is aan de vof en haar toenmalige vier vennoten om (in goed onderling overleg, en anders middels een gerechtelijke procedure) onderling een toedeling te maken. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 10.000,00 (tienduizend euro). Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: -nr. 22 t/m 63 van de beslaglijst; Gelast de teruggave aan [broer eigenaar] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: Het geldbedrag van US$ 4.900 (nr. 17 van de beslaglijst). Gelast de teruggave aan [eigenaar] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: Het geldbedrag van € 4.500,- (nummer 19 van de beslaglijst). Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:: de tien op p. 25 van het vonnis van de rechtbank genoemde horloges; de voorwerpen genoemd in de zestien melding, te vinden op p. 35 tot en met 40 van het proces-verbaal Dossier C, zaaksdossier 3, deelonderzoek 3 ‘Herkenning sieraden uit mediaberichten’ p. 01 0152 ev; het horloge Frederique Constant (nr. FC-303MC3P5, p. 41 van het proces-verbaal). Gelast de bewaring ten behoeve van de verdachte en haar vier toenmalige vennoten, als de rechthebbenden van de overige, hiervóór niet genoemde, voorwerpen die zijn opgenomen in de beslag genomen 80 kratten aan sieraden (nr. 21 van de beslaglijst). Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. S. Clement en mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 augustus 2017. Mrs P. Greve en A.M. van Amsterdam zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
ECLI:NL:HR:2005:AO9006
Navorderingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 284.594, waarvan ƒ 225.000 belast naar het tarief van artikel 57a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 410.465, waarvan ƒ 225.000 belast naar het tarief van artikel 57a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, met een verhoging van de nagevorderde belasting van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag een kwijtschelding heeft verleend van vijftig percent, waardoor een verhoging van ƒ 35.698 resteerde.
ECLI:NL:HR:2014:540
21 maart 2014 nr. 12/04057 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatsecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s‑Gravenhage van 18 juli 2012, nr. BK-09/00382 tot en met BK-09/00399, betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1992, 1993 en 1995 tot en met 2002 opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de over de jaren 1993 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2013:BX6666
Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is over het jaar 1997 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/01460 en 20/01461 Datum 28 januari 2021 Belastingkamer 3A Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2006 tot en met 2011 en boetebeschikkingen, Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2006 en 2007, omzetbelasting voor de jaren 2006 tot en met 2009 Nrs. Gerechtshof 18/00198 tot en met18/00210 en 18/00214 tot en met 18/00216 Nrs. Rechtbank HAA 15/5034 tot en met 15/5046 en HAA 15/5050 tot en met HAA 15/5052 CONCLUSIE R.L.H. IJzerman in de zaak van [X1] respectievelijk [X2] tegen de Staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 20/01460 naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X1] , belanghebbende, tegen de uitspraak van 19 maart 2020 van Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof).

Tevens neem ik hier conclusie in de zaak met nummer 20/01461 naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X2] , eveneens belanghebbende, tegen de uitspraak van het Hof van dezelfde datum. In deze conclusie wordt vooral uitgegaan van de feiten en gedingstukken in de zaak 20/01460; er is niet gebleken van voor de beoordeling van de aangevoerde middelen relevante feitelijke verschillen met de parallel-zaak 20/01461. 1.2 Ik neem vandaag ook conclusie in de samenhangende zaken met de nummers 20/01457 en 20/01462, met als belanghebbenden [B] respectievelijk [C] .

De eerste drie middelen in de onderhavige conclusie zijn gelijk aan die in de zaken 20/01457 en 20/01462. Daarin heb ik geconcludeerd dat zij alle drie falen. Op die middelen wordt in deze conclusie niet meer inhoudelijk ingegaan. 1.3 Tevens wordt vandaag een conclusie genomen in de zaak 20/01463, met als belanghebbende de vennootschap onder firma handelend onder de naam ‘ [A] ’ (hierna: de VOF). In die conclusie wordt het vierde middel beoordeeld, betreffende het (niet) toepassen van de marge- en globalisatieregeling in de omzetbelasting. Hierover wordt ook geklaagd in de onderhavige zaak 20/01460.

In de zaak van de VOF heb ik geconcludeerd dat het vierde middel faalt. Daarop wordt in deze conclusie niet meer inhoudelijk ingegaan. 1.4 In deze conclusie beoordeel ik de laatste drie middelen die zijn gericht tegen de oordelen van het Hof inzake de boetebeschikkingen. 1.5 Belanghebbende [X1] dreef sinds 1992 een eenmanszaak onder de naam ‘ [R] ’. Eind 2009 heeft hij de onderneming ingebracht in een vennootschap onder firma, de voornoemde VOF. De firmanten zijn belanghebbende en zijn echtgenote (20/01462), zijn broer (20/01461) en diens echtgenote (20/01457).

De activiteiten van de VOF bestonden uit inkoop, verkoop en reparatie van sieraden en in- en verkoop en bewerking van edele metalen. Daarnaast werden ook sieraden via een website te koop aangeboden. 1.6 Op 28 maart 2011 is de politie een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de bedrijfsvoering van de VOF en haar firmanten. Op 10 december 2013 is de Inspecteur boekenonderzoeken gestart bij de VOF en haar firmanten. Bij belanghebbenden is de aanvaardbaarheid van hun aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2006 tot en met 2011 onderzocht en de aangiften omzetbelasting voor de jaren 2006 tot en met 2009.

De inbeslaggenomen financiële administratie is als basis gebruikt. Daarnaast heeft de Inspecteur gebruik gemaakt van informatie uit het strafrechtelijke onderzoek. 1.7 De Inspecteur heeft tijdens het strafrechtelijke onderzoek aan belanghebbenden (navorderings)aanslagen IB/PVV en Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. Gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2009, 2010 en 2011 heeft de Inspecteur boetebeschikkingen vastgesteld. De Inspecteur heeft de opgelegde vergrijpboeten (opzet, 50%) met 10% gematigd tot 40%, omdat de grondslag van de boeten is vastgesteld aan de hand van een redelijke schatting van de verzwegen omzet en winst. 1.8 Op 11 augustus 2017 zijn firmant [X2] (20/01461) en de VOF door de meervoudige strafkamer van het Hof veroordeeld wegens valsheid in geschrift, met name wegens het vervalsen van inkoopbonnen en het valselijk opmaken van het registerboek 2011 van de VOF.

Firmant [X1] (20/01460) is vrijgesproken. 1.9 Het Hof heeft in de onderhavige procedure geoordeeld dat de administratie van de VOF, vanwege diverse ernstige tekortkomingen en vervalste inkoopbonnen, niet als grondslag voor de winstberekening kan dienen. De Inspecteur heeft volgens het Hof zijn schatting van de belastbare winst, die is gebaseerd op de inkopen zoals die uit de administratie van de VOF blijken en een brutowinstpercentage van 100, voldoende gemotiveerd. Naar het oordeel van het Hof is aannemelijk dat belanghebbende op haar inkopen ten minste een brutowinst van 75% heeft behaald.

Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. 1.10 Inzake de boeten heeft het Hof geoordeeld dat het aan opzet van belanghebbenden te wijten is dat de aanslagen voor een te laag bedrag waren vastgesteld. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbenden op de hoogte waren van de veelheid aan en de ernst van de gebreken in de administratie van de eenmanszaak en de VOF. Door op basis van die administratie aangiften in te dienen waren zij zich ervan bewust dat er een aanmerkelijke kans bestond dat die aangiften voor wat betreft de aangegeven belastbare winst onjuist waren en dat zij die kans dus bewust hebben aanvaard.

Dat belanghebbende [X1] (20/01460) is vrijgesproken van het valselijk opmaken van de administratie doet hier volgens het Hof niet aan af. Hij is als ondernemer en firmant in de VOF zelf verantwoordelijk voor de door het Hof opgesomde tekortkomingen in de administratie (waaronder de afwezigheid van een kasboek en het ontbreken van een adequate voorraadadministratie). Voorts is elke belanghebbende zelf verantwoordelijk voor het indienen van zijn eigen aangiften. 1.11 Het Hof is gekomen tot het oordeel dat de opgelegde boeten van 40% passend en geboden zijn.

De Inspecteur heeft de boeten verminderd met 10-procentpunten (van 50% naar 40%). Hiermee is in voldoende mate rekening gehouden met het feit dat de in geschil zijnde aanslagen zijn vastgesteld met omkering en verzwaring van de bewijslast. 1.12 Ten slotte heeft het Hof de opgelegde boeten verder gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. 1.13 De opbouw van deze conclusie is verder als volgt. In onderdeel 2 zijn de feiten en het geding in feitelijke instanties weergegeven. Onderdeel 3 bevat een uiteenzetting van het geding in cassatie.

Onderdeel 4 omvat een overzicht van de relevante wetgeving, parlementaire geschiedenis en jurisprudentie. In onderdeel 5 worden de laatste drie middelen, inzake de boetebeschikkingen, beoordeeld; gevolgd door de conclusie in onderdeel 6. 2De feiten en het geding in feitelijke instanties De feiten 2.1 Het Hof heeft de feiten – voor zover in cassatie van belang – als volgt vastgesteld: 2.1. [X1] , geboren [00-00-] 1961, (zijnde belanghebbende; hierna ook: [X1] ) drijft sinds 1992 een eenmanszaak onder de naam ‘ [R] ’. De onderneming is gevestigd aan de [a-straat 1] te [Q] en (in ieder geval vanaf 1995 ook) aan de [b-straat 1] te [Q] .

Op 29 december 2009 brengt [X1] de onderneming in in de vennootschap onder firma handelend onder de naam ‘ [A] ’ (hierna: de VOF). De firmanten zijn (blijkens gegevens uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel tot 1 augustus 2012) [X1] , zijn broer [X2] (hierna ook: [X2] ) en hun respectievelijke echtgenotes, [C] (hierna ook: [C] ) en [B] (hierna ook: [B] ). 2.2. De ondernemingsactiviteit bestaat uit de inkoop, verkoop en reparatie van sieraden en in- en verkoop en bewerking van edele metalen. Daarnaast worden ook sieraden via een website te koop aangeboden.

Het grootste gedeelte van de inkopen (90% tot 95%) is zogeheten ‘sloopgoud’ dat wordt aangeboden aan afnemer [D] B.V. (hierna: [D] ) die het omsmelt tot baren goud en zilver. 2.3. [X2] beheert het filiaal aan de [b-straat] , waar alleen inkoop van goederen plaatsvindt. Hij is bevoegd om zelfstandig te bepalen welke prijs hij biedt. Hij is de enige die de inkoopbonnen van beide vestigingen in het aankoopregister als bedoeld in artikel 437 Wetboek van Strafrecht (Sr) inschrijft. De overige drie firmanten werken in het filiaal aan de [a-straat] . [X1] heeft feitelijk de meeste zeggenschap binnen de vennootschap.

Men overlegt bijna alles met hem, hij gaat over het geld en onderhoudt het contact met de boekhouder. De beide echtgenotes verrichten de dagelijkse werkzaamheden in de winkel en met betrekking tot de website. 2.4. Over de financiële administratie (hierna: de Administratie) van de onderneming schrijft de boekhouder [E] aan [F] , een medewerker van de Belastingdienst: “De administratie werd gevoerd met behulp van een “ouderwets” boekhoudprogramma Projecta-4” van Topic Software uit [Q] . Het basisprogramma is gemaakt in 1984 (!), maar tot en met 2002 zijn er wel updates gemaakt die echter alleen onder het zeer oude MS-Dos werkten.

Ik werk met kleine MKB-cliënten, waarvoor dit programma uitstekend werkte: eenvoudig, makkelijk in te voeren, debiteuren- en crediteurenadministratie, lage prijs. In deze programmatuur is nooit voorzien in het maken of leveren van Auditfiles. De softwareontwikkelaars zijn al ruim 10 jaar uit Nederland vertrokken. In het voorjaar zal ik overstappen op software welke draait onder Windows en meer “van deze tijd” is. Voor alle duidelijkheid: indien in mijn programma een boekjaar wordt afgesloten, betekent dit dat in het volgende boekjaar alleen nog de mutaties van het nieuwe jaar te zien zijn, wel met behoud van de eindcijfers op de balans van het afgesloten jaar! Terugkijken en/of muteren in een voorgaand boekjaar kan dus niet! Per grootboekrekening kunt u zien wat is geboekt en in welk dagboek.

Meer is er niet. Buiten de boekhouding worden er geen andere administraties gevoerd. ( [X1] ) leverde aan het einde van het jaar het cijfer van de totaal aanwezige voorraad per 31 december van een jaar gebaseerd op de inkoopprijs. Hij maakt de voorraad op zijn computer. Wel is er een inventarislijst.” 2.5. Op 28 maart 2011 start de politie een onderzoek naar de bedrijfsvoering van ‘een juwelier genaamd [A] ’, onder de naam [G] . In het proces-verbaal ‘Relaas financieel onderzoek bedrijfsvoering [A] en witwassen’ staat: “1.2 Aanleiding onderzoek Uit binnengekomen informatie bleek dat er aan een juwelier genaamd [A] , gestolen sieraden konden worden verkocht voor contant geld.

Het vermoeden bestond dat [A] bekend was dat er voorwerpen van misdrijf afkomstig ter inkoop werden aangeboden en dat deze, ondanks dit gegeven, toch werden ingekocht.” Verdachten zijn de onder 2.1 genoemde natuurlijke personen en de VOF. 2.6. De inspecteur legt op 2 september 2011 de primitieve aanslag IB 2010 conform de aangifte op. 2.7. Op bevel van de officier van justitie houdt de politie op 20 september 2011 alle firmanten van de VOF aan. Onder leiding van de rechter-commissaris zijn de woningen van de verdachten doorzocht en onder leiding van de officier van justitie zijn de filialen van de onderneming doorzocht. 2.8.

Tijdens voormelde doorzoekingen zijn 80 kratten met (sloop)goud, sieraden en munten in beslaggenomen. Met betrekking tot het administreren van de voorraden van de onderneming staat in het onder 2.5 genoemde ‘Relaas financieel onderzoek bedrijfsvoering [A] en witwassen’ (zie ook 2.15): “5.2 Internet voorraadbeheer (...) Uit het onderzoek blijkt dat bij [A] (een deel van) de voorraad wordt ingevoerd en bijgehouden in een internetapplicatie. Tevens is er een gedeelte in deze applicatie waarin de voorwerpen voor de webshop www. [H] zijn vermeld. (...) Daaruit blijkt dat er in de webshop een totaal bedrag van € 2.658.358,00 aan items of € 2.555.676,00 aan sieraden is ingevoerd die te koop staan op de site www. [H] .

Tevens staat er een waarde aan voorraad sieraden in de internetapplicatie van € 535.486,00. (...) Uit het onderzoek aan de internetapplicatie is gezien, na een periode van monitoren van het bestand, dat er na de aanhouding van de verdachten diverse wijzigingen in de bestanden zijn aangebracht, waaronder in de oude bestanden. Er werden bonnen gekoppeld aan sieraden die reeds aanwezig waren en prijzen veranderd. Ook bleek dat de webshop de laatste jaren (2009, 2010 en 2011) nauwelijks is aangevuld met nieuwe sieraden. (...) Kennelijk heeft [A] na de aanhoudingen zijn voorraadadministratie in de internetapplicatie op verschillende momenten aangepast.

Hiermee geconfronteerd, ontkende hij deze wijzigingen te hebben gedaan. (...) Doordat er wijzigingen zijn doorgevoerd kunnen er aan de hand van de huidige gegevens uit dit systeem geen betrouwbare conclusies worden getrokken. 5.3 Fysieke voorraad (...) Bij de zoekingen op 20 september 2011, in de filialen van [A] , de woningen van de voornoemde verdachten en in 2 bankkluizen, werd het merendeel van de fysiek aanwezige voorraad aan (sloop)goud, munten en sieraden inbeslaggenomen.” 2.9. De politie verhoort [X1] op 21 september 2011 en 21 oktober 2011, [C] op 20 september 2011 en [X2] op 21 september 2011. 2.10.

Tijdens het verhoor op 21 september 2011 verklaart [X1] : “Ik verwacht minimaal factor 2.2. winst te kunnen maken. [J] doet dat met een factor 10.” 2.11. [C] verklaart tijdens haar verhoor over het kasgeld in de twee filialen: “V: Heeft de [a-straat] veel geld in kas? A: Er ligt ongeveer 20.000 of 30.000 euro in de winkel. We bewaren het in de kluis, omdat het terugbrengen niet heel gemakkelijk i[s]. Het wisselt per dag hoeveel geld nodig is in de winkels. Als het geld op is bestellen we geld bij de bank. Als we wat verkopen voegen we dit toe aan het contante geld in de winkel.

V: Heeft de [b-straat] veel geld in kas? A: [X2] start dagelijks met 5000 euro op de [b-straat] . Als de winkel geld nodig heeft, dan worden wij gebeld en brengen wij het geld. Of hij pint geld bij de geldautomaat. Het wisselt per dag hoeveel geld nodig is. Op deze locatie is meer geld nodig dan op de [a-straat] omdat ze op de [b-straat] de inkoop van sieraden doen.” In bovenstaand citaat (en de volgende citaten uit de processen-verbaal) staat V voor vraag/opmerking verbalisant(en) en A voor antwoord/opmerking verdachte. 2.12. De politie verhoort [X1] ook op 11 januari 2012.

Tijdens dat verhoor verklaart hij: “V: Wie houdt het kasboek bij? A: Nee. Wij hebben geen kasboek. Wij hebben de bonnen en de printjes. (...) V: Hoe wordt de handelsvoorraad bijgehouden? A: verschillend. V: Kunt u dat uitleggen? A: Wij hebben een deel in een database. Andere deel in een andere database. Dit staat online. Een deel staat op [H] . Beide database staat online. De ene is bedoeld is voor de webwinkel. V: Met voorraad wordt ook bedoeld wat in de kelder staat. A: Zolang het niet in de database staat voor de verkoop, staat het gewoon als sloop.

V: Waar staat de sloop genoteerd? A: We doen 1 keer per jaar de inventarisatie en dan geven we aan wat de voorraad was. Het wordt vergeleken met het jaar daarvoor. V: Wie houdt dit bij? A: Uiteindelijk ik, de vrouwen helpen met tellen en wegen. [B] is bezig om in te voeren op de website. V: In welke boeken wordt dit bijgehouden? A: Alleen in de database. Het is voorraadsysteem. Een keer per jaar wegen, sorteren. Het invoeren doen wij het hele jaar door. Het is een levendig proces, ik kan deze vraag niet zomaar beantwoorden. (...) V: Heeft de boekhouder toegang tot de database? A:

Nee hij heeft het niet nodig. Wij geven een bedrag aan wat de waarde van de voorraad vertegenwoordigd. Wij kijken dan naar de historische kostprijs van de edelmetalen.” 2.13. De politie verhoort [X1] hierna op 27 maart 2012. In het proces-verbaal van dat verhoor staat: “V1: Wordt er in het bedrijf een bankboek of een kasboek bijgehouden? Worden de dagelijkse dingen die gebeuren nog eens worden overgenomen in een apart iets? A: Nee” 2.14. Tijdens diverse verhoren bij de rechter-commissaris verklaart [X1] onder meer (nummering van Hof): (1.) “Wat ik wil zeggen is dat wij nooit zonder winst hebben gewerkt.

Wij hebben altijd minder betaald, 30, 40 of zelfs 50% minder dan de gouddagwaarde in die tijd. (...) Wij keken naar de dagprijs en trokken daar minstens 30% vanaf. Die prijs betaalden wij en als het lukte betaalden wij nog minder. Ons doel was zo min mogelijk te betalen. (...) Wij hielden het niet bij, maar wij betaalden door de jaren heen voor 14 karaats ongeveer 30% minder dan de dagprijs.” (2.) “Er zijn voorwerpen die zijn ingekocht voor een andere waarde dan de gewichtswaarde, bijvoorbeeld voorwerpen met bijzondere edelstenen of diamanten en horloges.

Dit staat dan op de bon. Hoe ik diamanten waardeer op de balans? Als ik ze gratis gekregen heb, waarmee ik bedoel dat ze in een voorwerp zaten dat ik tegen de gewichtsprijs heb ingekocht, dan hebben ze geen waardering en neem ik ze niet in de balans op. Als het een bijzondere diamant is en op de bon staat dat daar apart voor is betaald, dan wordt het bedrag waarvoor het is ingekocht op de balans opgenomen.” en (3.) “U vraagt hoe de waardering van edelstenen plaatsvindt. 99% van alle edelstenen is gratis. Een heel klein deel van de voorwerpen met een edelsteen is gekocht met de expliciete vermelding op de bon dat voor die steen is betaald.

Het is te vergelijken met een autosloperij. Daar wordt een hele auto ingebracht en soms moet de inbrenger daarvoor zelfs betalen. Vervolgens worden delen uit die auto verkocht.” en (4.) “Ik wil nog vertellen dat, als het over zilver gaat, een aanzienlijk deel gratis is verkregen uit 14 karaats goud. 14 karaats goud bestaat voor 58% uit puur goud, de rest is zilver en koper. Minimaal 20% en maximaal 30 of 35%, dat weet ik niet precies, bestaat uit zilver. Als goud wordt gerecycled komt dus koper en zilver vrij. Koper wordt niet meegeteld, maar zilver wel.

Dit komt terug in de gewichtsrekening bij [D] . Dit zilver is helemaal gratis en heb ik niet in de waardering van de voorraad verwerkt.” 2.15. Op 26 april 2012 brengt de politie een proces-verbaal ‘Relaas financieel onderzoek bedrijfsvoering [A] en witwassen’ uit (zie ook hiervoor 2.5 en 2.8). Daarin staat: “Resumé Uit het onderzoek blijkt dat het [A] er voornamelijk om te doen was een zo groot mogelijke voorraad aan geld, sieraden, munten en edelmetalen op te sparen, buiten de boeken om. Er is dan ook een fysieke voorraad van dergelijke goederen aangetroffen met een geschatte en getaxeerde waarde van € 3.013.385,00 waaronder 17,5 kilo baren goud en 255 biljetten van € 500, in 2 privé bankkluizen.

Gezien de grootte van de inbeslaggenomen voorraad en de waarde van de (individuele) voorwerpen) is het niet waarschijnlijk dat de waarde die [A] er aan heeft toegekend, te weten € 369.131,00, de werkelijke waarde betreft maar dat deze opzettelijk laag is gehouden. Om het 'sparen' van deze voorwerpen te realiseren werden gestolen goederen ingekocht en in nagenoeg alle bedrijfsprocessen gefraudeerd. De voorraadwaardering was niet volledig, inkopen werden niet ingeschreven of vervalst om zo de verkopen aan [D] mogelijk te maken. Deze verkopen waren noodzakelijk om genoeg geld te krijgen om het bedrijf te laten draaien.

Met de kasgelden werd eveneens gefraudeerd door o.a. fictieve leningen aan kas. (...) Uit het onderzoek is ook naar voren gekomen dat er bij [A] kennelijk niet genoeg vertrouwen is in banken en/of officiële instellingen waardoor het sparen 'voor later', naar eigen inzicht werd ingericht en geregeld.” 2.16. Op 8 mei 2014 geeft de advocaat van [X1] aan [L] van [M] B.V. (hierna: [M] BV) opdracht tot het uitvoeren van een ‘second opinion/onafhankelijk onderzoek’. De opdrachtformulering luidde: "1. Voldoet de administratie van [A] , zoals gevoerd door de boekhouder de heer [E] , aan de daaraan te stellen eisen? en 2.

Is het juist, zoals het Openbaar Ministerie stelt, dat er geen uitspraak kunnen worden gedaan over de waarde van de voorraad van [A] op basis van de administratie van [A] ? ” 2.17. In haar rapportage van 17 november 2014 schrijf [M] BV: “3 Samenvatting bevindingen. (. . .) • ten aanzien van de eerste onderzoeksvraag: Conclusie ten aanzien van de administratie. De administratie van [A] voldoet in de onderzochte jaren aan daaraan wettelijk en bedrijfseconomisch te stellen eisen. Voor zover kon worden vastgesteld heeft de boekhouder, (...) [E] , de brondocumenten op een juiste manier verwerkt in de administratie van [A] .

• ten aanzien van de tweede onderzoeksvraag: Conclusie ten aanzien van de waarde bepalingen voorraad. Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn wij van mening dat het proces-verbaal [G] Witwassen van 25 mei 2012, noch de aanvulling daarop van 1 februari 2013, het Taxatierapport [N] en de rapportage BOOM niet als basis kunnen dienen voor een aanvaardbare benadering van de voorraad [A] per september 2011. Gezien de vele onvolkomenheden van de diverse rapportages kunnen zij zeker niet dienen als onderbouwing van de stelling, zoals geuit in het proces-verbaal [G] Witwassen en de aanvulling daarop, dat [A] middels zijn administratie zou hebben witgewassen en de onderneming zou zijn gebruikt om de opbrengsten van illegale inkopen een legale herkomst te geven.

Indien men daartoe de moeite had willen nemen, hetgeen wel zeer arbeidsintensief zou zijn geweest, had men aan de hand van de beschikbare administratie [A] (ondermeer de inkoop- en verkoopbonnen), de facturen (overzichten) [D] , het inkoopregister en de website, eventueel met de kennis en hulp van de boekhouder (...) [E] en (...) [A] , de omvang van de voorraad per september 2011 kunnen berekenen/reconstrueren en met behulp van de, op de inkoopbonnen vermelde, historische inkoopprijzen en de algemeen bekende historische prijzen van edelmetalen, edelstenen en andere goederen, de waarde van de voorraad kunnen bepalen.

Nogmaals dit aan de hand van de beschikbare administratie [A] (ondermeer de inkoop- en verkoopbonnen), de facturen en facturen (overzichten) [D] , het inkoopregister, de website en algemeen beschikbare historische informatie (bijvoorbeeld via internet). (...) 6 Beperkingen en gebruik verspreidingskring. Deze rapportage is uitsluitend voor (de opdrachtgever en [X1] ) ten behoeve van de lopende gerechtelijke (Hof: straf)procedure bestemd en het stuk (of delen daarvan) mag zonder onze schriftelijke voorafgaande toestemming niet in welke vorm dan ook aan derden (buiten het kader van de gerechtelijke procedure) ter beschikking worden gesteld, anders dan verplicht bij of krachten wet of gerechtelijk oordeel.

Daarnaast is het (opdrachtgever) niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijk toestemming uit het stuk te citeren of te laten citeren. (...) Deze rapportage kan niet voor andere doeleinden worden gebruikt, dan de hiervoor aangegeven. Op de rapportage kan niet door anderen worden gesteund aangezien anderen, die niet op de hoogte zijn van het doel van de werkzaamheden de resultaten onjuist zouden kunnen interpreteren.” 2.18. In de onder 2.17 genoemde rapportage staat voorts: “Vanaf eind 2011 wordt een kasboek bijgehouden” 2.19. De inspecteur legt tijdens het strafrechtelijk onderzoek - zonder een informatiebeschikking te nemen - de onder 1.1 genoemde (navorderings)aanslagen IB en Zvw en de naheffingsaanslagen OB 2006, 2007 en 2008 - ter behoud van rechten op. 2.20.

Over het niet nemen van een informatiebeschikking schrijft de inspecteur in zijn verweerschrift: “7.3.3. In casu is er niet voor gekozen om de informatiebeschikking af te geven. Dit houdt verband met het beslag dat de Ontvanger had gelegd op het vermogen van belanghebbende. In geval van beslaglegging dient er binnen 3 maanden aanslagen te zijn opgelegd ter onderbouwing van het beslag. Afgifte van een informatiebeschikking verhindert juist het opleggen van aanslagen, op straffe van het vervallen van de informatiebeschikking. Daarnaast kan een gebrekkige administratie niet worden hersteld en werkt afgifte van een informatiebeschikking met het daaraan verbonden bezwaar- en beroepstraject vertragend.

Zeker in procedures zoals onderhavige waar via de route van het ontbreken van de vereiste aangifte een andere bewijslastverdeling kan worden verkregen. Bovendien blijft de bewijslast voor het gedeelte van de boete op de inspecteur rusten.” 2.21.Op 10 december 2013 start de onder 2.4 genoemde [F] namens de inspecteur een boekenonderzoek zowel bij [X1] als bij de VOF. Hij onderzoekt de aanvaardbaarheid van de aangiften: - IB 2006 tot en met 2011 van [X1] ; - OB 2006 tot en met 2009 van [X1] , en - OB 2010 en 2011 van de VOF. [F] gebruikt als basis voor het boekenonderzoek de inbeslaggenomen financiële administratie van [X1] .

Daarnaast gebruikt hij de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek [G] . 2.22.1. In het controlerapport van 30 oktober 2014 betreffende [X1] staat voor zover hier van belang: “4.1 Financiële administratie De financiële administratie wordt door de boekhouder opgemaakt aan de hand van de door belastingplichtige verstrekte inkoopbonnen, kostennota’s, en bank- en girorekeningafschriften. De wijziging van de rechtsvorm van de onderneming, van eenmanszaak tot vennootschap onder firma, heeft geen gevolgen voor de inrichting van de financiële administratie.

De vennootschap onder firma gaat verder met de cijfers waarmee de eenmanszaak eindigt. (…) Fiscale Winst- en Verliesrekening 4.2.1 Volledigheid inkopen Uit het politieonderzoek (…) is met betrekking tot de inkoopadministratie vastgesteld, dat de inkopen: - niet juist of summier op de inkoopbon omschreven zijn: (…) - niet volledig in de administratie opgenomen zijn. De uitgeschreven bon wordt niet in de administratie opgenomen of er wordt in het geheel geen inkoopbon uitgeschreven. (…) - niet voor het juiste bedrag in de administratie opgenomen zijn. (…) - de op de bon vermelde verkoper verklaarde deze goederen niet te hebben geleverd. (…) 4.2.2 Volledigheid opbrengstverantwoording De in de jaarstukken verantwoorde omzet bestaat uit reparaties van sieraden, verkopen in de winkel(s), verkopen via de webshop en levering van metalen aan [D] .

Er wordt zowel contant als per bank betaald. De verkopen in de winkel(s) vinden á contant plaats. Dit sluit ook aan met de analyse van de omzet volgens de financiële administratie. Analyse omzet (…) Conclusie De omzet 2006 (…) 2007 (…) 2008 (…) 2009 (…) met betrekking tot het bij [D] fysiek opgehaalde goud is niet verantwoord. (…) De opbrengstverantwoording over de jaren 2006 tot en met 2009 is niet volledig, omdat de verkoop van het pure goud niet in de omzet is opgenomen. 4.3 Kasadminstratie (…) De kasadministratie, zoals die is opgenomen in de financiële administratie over 2006 tot en met 2009, is niet volledig en onjuist.

Dit geldt ook ten aanzien van de kasadministratie over 2010 en 2011. Dit wordt beschreven in het rapport van de vennootschap onder firma. Ik merk het volgende op: 4.3.1 Mutaties niet op de juiste datum geboekt. Het komt regelmatig voor dat de datum, waarop kasuitgaven of kasontvangsten plaatsvinden, op een andere datum in de kasadministratie is verwerkt. Hierdoor ontstaat een onjuist kassaldo. (…) - Contante inkopen en uitgaven zijn niet op de juiste datum in de financiële administratie geboekt: (…) - Kasmutaties hebben wel de juiste datum, maar zijn in het kas-journaal voor een eerdere of latere datum opgenomen (…). 4.3.2 Onjuiste of niet geboekte kasmutaties - Contante opnamen van de bank zijn wel in het bankboek verantwoord maar niet in het kas-journaal (…). - Leveringen van goud aan de firma [D] zijn ten onrechte als contante ontvangsten geboekt in het kas-journaal: (…) - Kosten die in rekening worden gebracht door de firma [D] worden verrekend met de ontvangsten met betrekking tot de levering van goud aan [D] .

Deze kosten zijn in een aantal gevallen ten onrechte als contante betalingen in het kas-journaal verwerkt (…). 4.3.4 Conclusie ten aanzien van de kasadministratie De hierboven genoemde opmerkingen geven aanleiding om de kasadministratie, zoals deze is opgenomen in de financiële administratie over 2006 tot en met 2009, als onvolledig en onjuist aan te merken. Belastingplichtige heeft een kasadministratie gevoerd die niet voldoet aan de eisen van het bedrijf. In een onderneming zoals die van belastingplichtige (waarbij een groot deel van de transacties per kas wordt verricht) vormt de kasadministratie een centraal, ondeelbaar en onmisbaar deel van de administratie.

De kasadministratie kan niet dienen als grondslag voor de heffing van belastingen. (…) 4.5 Brutowinstpercentage Met betrekking tot de berekening van de winstopslag op de ingekochte goederen is in de politieverhoren verklaard dat verwacht wordt minimaal factor 2.2 winst te kunnen maken. Uit de financiële administratie blijkt dat met betrekking tot de omzetbelasting de globalisatieregeling wordt toegepast, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de inkoopprijs van het verkochte goed de helft is van de verkoopprijs. De omzet wordt als volgt geboekt: Ter zake van de verkoop van de goederen wordt een verkoopbon uitgeschreven.

Betaling geschiedt zowel contant als via de bank. De omzet wordt door de boekhouder standaard voor de helft aangemerkt als marge-inkoop, waarover geen omzetbelasting is verschuldigd, en voor de helft aangemerkt als omzet waarover wel omzetbelasting is verschuldigd. (…) 4.5.1. Brutowinstpercentage volgens verlies- en winstrekening De brutomarge in procenten, die berekend kan worden uit de verlies- en winstrekening, komt niet overeen met de verklaringen van belastingplichtige. (…) 2006 2006 2008 2009 (...) Brutomarge in % inkoopwaarde 38 47 29 26 (…) Fiscale Balans 4.6.1 Voorraden Uit het politieonderzoek blijkt dat de ingekochte sieraden, die vervolgens in de winkel en de webshop te koop worden aangeboden, in een internetapplicatie worden geadministreerd.

Vermoedelijk staan bij deze geregistreerde sieraden geen als sloopgoud en/of sloopzilver ingekochte sieraden. In ieder geval niet tot de datum van aanhouding van de firmanten op 20-9-2012. De sieraden worden tegen verkoopprijs opgenomen in de internetapplicatie. De internetapplicatie is door de politie onderzocht (…). Daarbij is vastgesteld, dat er na de aanhouding van de verdachten diverse wijzigingen in de bestanden zijn aangebracht. (…) Doordat er wijzigingen zijn doorgevoerd kunnen er aan de hand van de huidige gegevens uit dit systeem geen betrouwbare conclusies warden getrokken.

Uit de verklaringen in de diverse processen verbaal van verdachte blijkt, dat één keer per jaar de voorraad globaal geïnventariseerd wordt en gewaardeerd wordt tegen een gemiddelde prijs. Dit wordt genoteerd en doorgegeven aan de boekhouder. De voorraad is niet gewaardeerd tegen de historische kostprijs. De voorraadlijsten zijn niet bewaard. (…) 4.7 Niet voldoen aan de administratieplicht (…) Uit het politie- en fiscale onderzoek blijkt dat: - de inkoopadministratie niet volledig en juist is. - de voorraad- en verkoopadministratie niet volledig zijn - de kasadministratie niet volledig en juist is - het netto-privé onaanvaardbaar laag c.q. negatief is.

Op grond van de bovenstaande gebreken kan de administratie niet dienen als grondslag voor de heffing van belastingen. (…) 5 Theoretische omzetberekening (…) 5.4 Omzetcorrectie op basis van de beoogde winstfactor Er wordt door [A] uitgegaan van een winst van factor 2,2 bij inkoop. Door de stijging van met name de goudprijs zal deze winst minimaal gehaald zijn. De correctie op basis van de beoogde winstfactor ten aanzien van de verantwoordde inkopen is een minimale omzetcorrectieberekening, omdat uit het politieonderzoek blijkt, dat er ook inkopen niet zijn verantwoord in de administratie, zoals een Louis Vuitton horloge in 2008.

Daarnaast zijn in de woningen en privé-kluizen van ( [X1] ) en ( [X2] ) goederen aangetroffen, die niet in de inkoopadministratie zijn verantwoord. ( [X2] ) heeft daarover verklaard dat het privé aankopen op beurzen betreft. Met deze berekeningsmethode is ook geen sprake meer van negatieve kassen en het geconstateerde verschil met betrekking tot de goederenbeweging is opgeheven. (…) 5.6 Berekening correctie Voor de berekening van de correctie ga ik uit van een omzetcorrectie op basis van de beoogde winstfactor. Jaar 2006 2007 2008 2009 Inkopen 423.596 316.294 511.342 608.157 Winstopslag 100% 423.596 316.294 511.342 608.157 Totaal 847.192 632.588 1.022.684 1.216.314 (…) 6Omzetbelasting(…) 9 Vereiste aangiften niet gedaan De fysieke administratie over 2006 tot en met 2011 is bekeken en beoordeeld en ik stel vast dat de administratie zeer ernstige gebreken vertoont (…).

De geconstateerde gebreken in de administratie zijn van dien aard dat de administratie geen betrouwbare grondslag vormt voor de omzetverantwoording. De administratie vertoont substantiële gebreken en is verregaand ondeugdelijk. Gelet hierop kan de administratie van 2006 tot en met 2011 niet als een betrouwbare grondslag dienen voor het vaststellen van de verschuldigde belastingen over 2006 tot en met 2011. Dit geldt voor de inkomsten- en omzetbelasting. Met betrekking tot de inkomstenbelasting zijn er inkomstenbestanddelen niet opgenomen in de aangifte en deze niet aangegeven inkomsten zijn zowel in relatieve als in absolute zin aanzienlijk.

Deze inkomsten zijn ook niet als omzet verantwoord voor de omzetbelasting, waardoor de per saldo verschuldigde omzetbelastingbelasting aanzienlijk te laag is aangegeven. De vereiste aangiften zijn niet gedaan.” 2.22.2. In het controlerapport van 30 oktober 2014 met betrekking tot de VOF staat betreffende (de gebreken in) de Administratie voor de jaren 2010 en 2011 in grote lijnen hetzelfde als in het controlerapport met betrekking tot de Administratie van de onderneming [R] (zie 2.22.1). De tabel onder 5.6 (zie 2.22.1) ziet er in het controlerapport betreffende de VOF als volgt uit:

“Jaar 2010 2011 Inkopen 1.135.866 1.436.711 Winstopslag 100% 1.135.866 1.436.711 Totaal 2.271.732 2.873.422” De tabellen betreffende de berekening van de verschuldigde omzetbelasting (bij een brutowinstpercentage van 100; zie hierna de tabel onder rechtsoverweging 5.9.2 van het Hof) zien er in het controlerapport betreffende de VOF als volgt uit: “6.3.1 Belaste omzet Jaar 2010 2010 Theoretische omzet hoofdstuk 5.6 2.271.732 2.873.422 Vrijgestelde omzet hoofdstuk 6.2.2 132.139 237.922 Verlegde omzet hoofdstuk 6.2.3 1.077.141 1.143.095 Belaste omzet 1.062.452 1.492.405 (…) 6.3.2 Verschuldigde omzetbelasting 2010 2011 Belaste omzet 1.062.452 1.492.405 Omzetbelasting ( x 19/119 ) 169.635 238.283 Reeds aangegeven omzetbelasting 8.409 8.027” De volgens het controlerapport na te heffen OB is derhalve (€ 161.226 + € 230.256 =) € 391.482.

Dit is conform de naheffingsaanslag over het tijdvak 2010 en 2011. 2.23. Bij uitspraken op bezwaar vermindert de inspecteur op respectievelijk 28 oktober 2015 en 31 oktober 2015 de reeds opgelegde navorderings- en naheffingsaanslagen (zie 1.1 en 1.2) conform de onder 2.22 genoemde controlerapporten. De primitieve aanslag IB 2011 en Zvw 2011 en de naheffingsaanslag OB 2009 zijn conform evenvermelde controlerapporten vastgesteld. 2.24. Op 11 augustus 2017 wijst de meervoudige strafkamer van dit hof in de [G] zaak drie arresten, welke gewezen zijn op de hoger beroepen van [X1] , [X2] en de VOF, ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2015. [X2] en de VOF worden in deze arresten - uitsluitend - veroordeeld voor - samengevat - valsheid in geschrifte. [X2] wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 60 uren en de VOF tot een voorwaardelijke geldboete van € 10.000. [X1] wordt van alle beschuldigingen vrijgesproken. 2.25.1.

In het arrest (ECLI:NL:GHAMS:2017:3873) betreffende [X2] staat voor zover relevant het volgende (Romeinse nummering in de arresten door Hof aangebracht): “Bespreking van de gevoerde verweren ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde Het onder 1 ten laste gelegde feit houdt - kort samengevat - in dat de Verdachte al dan niet tezamen met anderen de bedrijfsadministratie van eenmanszaak [R] valselijk heeft opgemaakt door opname daarin van: A) valse/vervalste inkoopbonnen; B) kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’. Het onder 2 ten laste gelegde feit houdt - kort samengevat - in dat [A] vof de bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt door opname daarin van:

A) valse/vervalste inkoopbonnen; B) kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’; C) registerboek 2011: • met daarin opgenomen valse inkoopbonnen; • zonder vermelding van bepaalde inkopen, en dat de verdachte daaraan feitelijk leiding zou hebben gegeven. 1A) en 2A) Valse/vervalste inkoopbonnen (I.) Door de onderneming [R] (...) worden edelmetalen, munten en (gebruikte) sierraden ingekocht van particulieren. (...) Ter zake van deze inkopen van particulieren maakt [R] , later [A] vof, een inkoopbon op (waarvan aan de klant een kopie wordt uitgereikt) die de basis vormt van de inkoopadministratie van beide ondernemingen.

Op de bon wordt onder andere de naam van de verkoper vermeld, het nummer van zijn identiteitsbewijs, een korte omschrijving van de inkoop en het betaalde bedrag, waarna de verkoper de bon voorziet van zijn handtekening. Aan [X2] wordt ten laste gelegd (onder feit 1, letter A) het vervalsen van 22 inkoopbonnen zoals opgemaakt door [R] gedurende de periode 1 april 2004 tot en met 28 december 2009, en (onder feit 2, letter A) het vervalsen van 18 inkoopbonnen zoals opgemaakt door [A] vof gedurende de periode 29 december 2009 tot en met 20 september 2011. (…) (I.) [X2] wordt verweten dat hij in een aantal gevallen, na afronding van de inkoop en het vertrek van de klant, het bedrag op de inkoopbon heeft verhoogd.

Het betreft dan steeds (bij de tenlastegelegde bonnen) een inkoop bij een bonafide klant (die niet bij justitie bekend is, geen antecedenten heeft). Deze inkoop wordt (cijfermatig) verhoogd met het bedrag van een andere inkoop van een niet-bonafide klant. (II.) Uitgaande van deze hypothese van verbalisant [K] (…) wordt uiteindelijk niet het inkoopbedrag van de niet-bonafide klant buiten de administratie gehouden, maar (alleen) zijn persoonsgegevens. Het bedrag van deze inkoop staat niet op enige bon (omdat die niet is opgemaakt) maar is cijfermatig verwerkt in de wel opgemaakte bon van een bonafide klant.

Aldus blijft de niet-bonafide klant buiten beeld, maar wordt het aan hem betaalde bedrag wel (cijfermatig) in de financiële administratie verwerkt. Door het verhogen van het inkoopbedrag van de bonafide inkoop met het bedrag van de te maskeren inkoop (die voor het overige dus niet is vastgelegd) wordt op jaarbasis het bedrag van de inkopen (en de inkoopwaarde omzet, en daarmee de winst) correct vastgelegd. Het doel daarvan is, dat daarmee de (omvang van de) leveringen aan [D] kunnen worden verklaard en onderbouwd (Relaas financieel onderzoek valsheid in geschrifte en witwassen in de bedrijfsvoering [A] V.O.F.] , (…)).

Als voorbeeld van deze handelwijze kan dienen, de inkoop van [[...]] die op 17 september 2011 ‘sloopgoud’ verkoopt voor een bedrag van € 1.502,-. Een kopie van de door [[...]] ontvangen en door hem bewaarde bon bevindt zich in het dossier (…). In het dossier bevindt zich een kopie van de in de administratie van de vof opgenomen bon (…) die identiek is aan eerstgenoemde bon met uitzondering van het inkoopbedrag dat tot € 4.502,- is opgehoogd. [[...]] bevestigt het lagere bedrag in zijn verklaring (zakelijk weergegeven): “Ik dacht € 1.508,- te hebben ontvangen.

Ik heb het bonnetje thuis liggen, dat bonnetje kunt u van mij krijgen”. [X2] erkent ook dat hij het bedrag heeft opgehoogd, en heeft dienaangaande verklaard dat (III.) het een automatische verschrijving was die hij achteraf niet meer goed kan verklaren. Het hof is van oordeel dat [X2] de (in de administratie opgenomen) inkoopbon bewust heeft vervalst. Van [[...]] is overigens de enige klant, door de politie gehoord, die zijn bon heeft bewaard en overgelegd. Desondanks acht het hof, mede gelet op de verklaring van [[...]] en de door hem overgelegde bon, aannemelijk dat [X2] de bonnen terzake van de navolgende inkopen op overeenkomstige wijze heeft vervalst door achteraf de inkoopbedragen te verhogen.

Het hof acht daarbij van belang dat de desbetreffende klanten stellig hebben verklaard dat zij een substantieel lager bedrag hebben ontvangen dan op de bon vermeld. Zo verklaart [[...]] dat hij een gouden armband heeft verkocht voor € 714 terwijl op de inkoopbon een bedrag van € 2.714 staat en de getuige verklaart (als hij voornoemd bedrag verneemt van de verbalisant) dat dit absoluut onjuist is. Het betreft de volgende bonnen, met de datum van de inkoop, de naam van de klant en het op de factuur vermelde (opgehoogde) bedrag: Feit 1: [R] , 12 bonnen Feit 2: [A] VOF, 13 bonnen (…) (IV.) Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat [X2] in de onderhavige periode, zijnde bijna achtjaren, in totaal 12 (feit 1) en 13 (feit 2) bonnen heeft vervalst.

Met het vervalsen van de bonnen en het in de administratie (doen) opnemen van deze valse bonnen heeft [X2] de bedrijfsadministratie, althans de financiële administratie van de onderneming [R] (feit 1) dan wel de vof (feit 2) valselijk opgemaakt. (...) 2C) Registerboek 2011 [X2] is binnen de onderneming verantwoordelijk voor het bijhouden van het inkoopregister, door het inschrijven van de transacties zoals al eerder vastgelegd op de inkoopbonnen. [X2] wordt verweten dat hij in de periode 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 de bedrijfsadministratie van [A] vof valselijk heeft opgemaakt door het daartoe behorende register valselijk op te maken door er (het hof begrijpt: de gegevens zoals vermeld op) valse inkoopbonnen in op te nemen en/of bepaalde inkopen er in het geheel niet in op te nemen.

Op grond van artikel 437 Sr is de vof verplicht tot het bijhouden van een register waarin alle inkopen worden vastgelegd. Naar het oordeel van het hof maakt het register deel uit van de bedrijfsadministratie als bedoeld in de tenlastelegging, nu er aantekening in wordt gemaakt van activiteiten die het bedrijf betreffen en die het bedrijf gehouden is vast te leggen. In dit register dient te worden opgenomen (onder meer) de naam van de verkoper, de omschrijving van de ingekochte goederen en de betaalde prijs (Besluit van 6 januari 1992, ter uitvoering van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Met het verplicht stellen van deze registratie wordt beoogd heling tegen te gaan, omdat het daarmee voor dieven moeilijker wordt gestolen goederen te verkopen. Bij verkoop aan ondernemers als [A] vof wordt immers de verkoop vastgelegd in het register, samen met de identiteit van de verkoper, zodat in voorkomende gevallen (als wordt vastgesteld dat het de verkoop van een gestolen goed betreft) deze verkoper getraceerd kan worden hetgeen dit verkoopkanaal voor een dief (veel) minder aantrekkelijk maakt. Zoals hiervóór reeds vastgesteld heeft [X2] in de onderhavige periode valse bonnen opgemaakt (in de zin, dat de betaalde en op de bon vermelde prijs achteraf is opgehoogd).

Deze onjuiste (opgehoogde) inkoopbedragen zijn door [X2] vastgelegd in het register. (VI.) Het hof is dan ook van oordeel dat [X2] ten aanzien van het opnemen van (gegevens zoals vermeld op) deze vervalste bonnen het register (in zoverre) valselijk heeft opgemaakt. (...) Vrijspraak van het onder 3 en 4 ten laste gelegde (…) Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1: hij in de periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009, in de gemeente Amsterdam, een deel van de bedrijfsadministratie ten name van eenmanszaak [R] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen:

A. in de periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009 een aantal vervalste inkoopbonnen, waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 2: [A] v.o.f. in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 in de gemeente Amsterdam, een deel van de bedrijfsadministratie ten name van [A] v.o.f. - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [A] v.o.f. toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt:

A: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 een aantal vervalste inkoopbonnen, waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; C: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 het registerboek 2011, zoals bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht, waarin onder meer telkens in strijd met de waarheid is opgenomen vervalste inkoopbonnen als bedoeld onder A, zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedragingen. (...) Strafbaarheid van het bewezen verklaarde (…) Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.” 2.25.2. In het arrest (ECLI:NL:GHAMS:2017:3871) betreffende [X1] staat voor zover relevant het volgende: “Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde Het onder 1 ten laste gelegde feit houdt – kort samengevat – in dat de verdachte al dan niet tezamen met anderen de bedrijfsadministratie van eenmanszaak [R] valselijk heeft opgemaakt door opname daarin van:

A) valse/vervalste inkoopbonnen; B) kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’. Het hof is van oordeel (…) dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte onder 1 A en B is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe als volgt. 1A) Valse/vervalste inkoopbonnen Uit het dossier en de door [X1] en [X2] afgelegde verklaringen bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep volgt dat [X2] , ook al in de periode toen hij nog geen vennoot was van de vof maar nog werkzaam bij de eenmanszaak [R] van [X1] , het filiaal aan de [b-straat] heeft gerund en dat zijn werkzaamheden in de loop der jaren dezelfde zijn gebleven.

Het leeuwendeel van de inkopen vond aan de [b-straat] plaats en de bonnen zijn vrijwel allemaal uitgeschreven door [X2] , die ook zelfstandig het register van de inkopen bijhield. (VI.) Ten aanzien van [X1] blijkt niet van gedragingen die hem tot medepleger van het valselijk opmaken van inkoopbonnen maken.1B) Kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’ 1B) Kasiournalen met valse posten Meningen’ en ‘familie’ ln de ten laste gelegde periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009 zijn geen kasjournalen aangetroffen. Ook anderszins is geen bewijs aangetroffen dat tot een bewezenverklaring voor deze periode kan leiden.

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde Het onder 2 ten laste gelegde feit houdt - kort samengevat - in dat [A] vof de bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt door opname daarin van: A) valse/vervalste inkoopbonnen; B) kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’; C) registerboek 2011: • met daarin opgenomen valse inkoopbonnen; • zonder vermelding van inkopen, en dat de verdachte daaraan feitelijk leiding zou hebben gegeven. 2A) Valse/vervalste inkoopbonnen De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat bewezen kan worden verklaard dat [X2] inkoopbonnen vervalste en dat uit de inkoopbon van het Louis Vuitton horloge, die is opgemaakt door [X1] en waarop een veel te hoog bedrag wordt vermeld, kan worden afgeleid dat [X1] niet onbekend was met het opmaken van valse inkoopbonnen door [X2] .

Volgens de advocaat- generaal was het binnen het bedrijf kennelijk gewoon op inkoopbonnen een onjuiste inkoopprijs te vermelden. De advocaat-generaal vordert op basis daarvan en op basis van de positie die [X1] in het bedrijf in nam tot het veroordelen van [X1] voor het feitelijk leidinggeven aan het valselijk opmaken van inkoopbonnen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Ten aanzien van de inkoopbonnen is hiervoor reeds overwogen dat [X2] het filiaal aan de [b-straat] runde, waar het leeuwendeel van de inkopen plaatsvond. De inkoopbonnen zijn vrijwel allemaal uitgeschreven door [X2] en hij hield het register van de inkopen bij. [X2] is bij gelijktijdig uitgesproken arrest van 11 augustus 2017 van dit hof veroordeeld ter zake van - kort gezegd - het vervalsen van inkoopbonnen en het registerboek 2011 van [A] vof. (VII.) Het dossier bevat echter geen aanwijzingen - in verband met de inkoopbon van het Louis Vuitton horloge wordt verwezen naar de volgende alinea - dat [X1] zelf inkoopbonnen heeft vervalst.

Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat [X1] wist dat [X2] inkoopbonnen vervalste en ook overigens blijkt ten aanzien van [X1] niet van gedragingen die hem tot medepleger van het valselijk opmaken vari inkoopbonnen maken. Dat geldt ook voor de aankoop van genoemd Louis Vuitton horloge. Over dit horloge heeft [X1] verklaard - naar de kern samengevat - dat hij dit horloge heeft ingekocht, maar dat hij toen hij begon te twijfelen over de echtheid ervan het verder als een privéaankoop heeft aangemerkt. De door hem opgemaakte inkoopbon is (dan ook) niet in de administratie van [A] vof opgenomen (hetgeen ook blijkt uit het ontbreken van het vinkje dat de boekhouder bij het inboeken op de bonnen zet).

Het hof is verder van oordeel dat ten aanzien van voornoemde inkoopbon niet gesproken kan worden van het ophogen van het bedrag, aangezien duidelijk waarneembaar is dat er een punt staat voor de nul en er dus € 5.500.0 staat, zodat het bedrag van € 5.500,- op de inkoopbon staat. Het hof spreekt de verdachte vrij van het onder 2A tenlastegelegde. (…) 2C) Registerboek 2011 Het hof stelt vast dat [X2] de enige was die de inkoopbonnen van beide vestigingen in het inkoopregister als bedoeld in artikel 437 Sr inschreef. Gelet hierop en op het feit dat [X1] wordt vrijgesproken van het feitelijk leidinggeven aan het vervalsen van inkoopbonnen, kan niet worden bewezen verklaard dat [X1] feitelijk leiding heeft gegeven aan het valselijk opmaken van het registerboek 2011 en hij zal hier dan ook voor worden vrijgesproken.

Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat [X1] hiervan moet worden vrijgesproken. Vrijspraak van het onder 3 en 4 ten laste gelegde Reikwijdte tenlastelegging De onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten houden - naar de kern genomen - in dat [X1] al dan niet tezamen met anderen diverse nader omschreven voorwerpen heeft witgewassen (feit 3) en (feit 4) dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het witwassen van diverse voorwerpen door [A] vof. (…) BESLISSING Het hof: (…) Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.” 2.25.3.

In het arrest (ECLI:NL:GHAMS:2017:3872) betreffende de VOF staat voor zover relevant het volgende: “Bespreking van de gevoerde verweren ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde Het onder 1 ten laste gelegde feit houdt - kort samengevat - in dat de verdachte al dan niet tezamen met anderen de bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt door opname daarin van: A) valse/vervalste inkoopbonnen; B) kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’; C) registerboek 2011: met daarin opgenomen valse inkoopbonnen; zonder vermelding van inkopen. (…) Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1: [verdachte] in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 in de gemeente Amsterdam, een deel van de bedrijfsadministratie, ten name van [verdachte] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [verdachte] toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt:

A: in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 een aantal, vervalste inkoopbonnen, waarop telkens in strijd met de waarheid een hoger bedrag is vermeld dan daadwerkelijk aan de klant is uitbetaald; C: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 het registerboek 2011, zoals bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht, waarin onder meer telkens in strijd met de waarheid is opgenomen vervalste inkoopbonnen als bedoeld onder A, zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.” Rechtbank Noord-Holland 2.2 De Rechtbank heeft – voor zover in cassatie hier van belang – geoordeeld:

36. Gelet op de door eiser aangevoerde, onvoldoende door verweerder weersproken, feiten en omstandighedén aangaande de wijze van voorraadwaardering, de recycleservice (waarmee inzicht is gegeven in de administratieve verwerking van de bij [D] opgehaalde goudstaven), de brutowinstpercentages, de kasadministratie en de camerabeelden, alsmede de door eiser overgelegde tegenberekening van de vermogensopstelling, waarbij geen sprake is van een negatief netto privé in enig jaar, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met erin is geslaagd te bewijzen dat eiser de winst respectievelijk de omzet in de onderhavige jaren te laag heeft aangegeven.

Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de voor deze jaren vastgestelde winst- respectievelijk omzetcorrecties, die hebben geleid tot de onderhavige belastingaanslagen, niet aannemelijk heeft gemaakt. Gelet hierop zijn de navorderings- en naheffingsaanslagen ten onrechte opgelegd en dienen deze te worden vernietigd. De definitieve aanslag ib/pvv voor het jaar 2011 dient te worden verminderd ter zake van de door verweerder berekende winstcorrectie. Het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2011 dient aldus te worden vastgesteld op het aangegeven bedrag van € 68.338.

Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor 2011 blijft gelijk.

37. De definitieve aanslag Zvw voor het jaar 2011 dient te worden gehandhaafd. Het beroep dienaangaande is ongegrond. Boetes 38. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de winst- en omzetcorrecties komen te vervallen. Daardoor ontvalt de grondslag voor de bij de diverse belastingaanslagen bij beschikking vastgestelde boeten, nu deze (uitsluitend) zijn opgelegd ter zake van deze winst- en omzetcorrecties. De boetebeschikkingen moeten daarom worden vernietigd. Immateriële schadevergoeding 39.1. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank met binnen twee jaar nadat die termijn is aangevallen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het (gemotiveerde) bezwaarschrift ontvangt Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. 39.2 De gezamenlijk behandelde zaken hebben (en hadden in bezwaar) in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk de juistheid van de correcties op basis van de gevoerde administratie.

Indien de rechtsmiddelen -waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel, in dit geval vanaf de ontvangst van het eerst ingediende bezwaarschrift, ingekomen bij verweerder op 5 januari 2012 (vgl. HR 21 maart 2014, nr.12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540). Dit betrof het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting 2006.

De uitspraak op bezwaar is gedaan op 28 oktober 2015. Op 28 februari 2018 wordt uitspraak gedaan door de rechtbank. Er is dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met in totaal vier jaren en twee maanden (50 maanden). Uitgaande van een vergoeding van € 500 per halfjaar termijnoverschrijding en met afronding naar boven heeft eiser recht op een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 4.500 (9 maal € 500). 39.3. Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013, nr. 11/04270 (ECLI:NL:HR:2013:BX6666) en 9 augustus 2013, nr. 12/06009 (ECLI:NL:HR:2013:199) is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. 39.4.

Verweerder heeft aangevoerd dat alle bezwaarschriften pro forma zijn ingediend en motivering pas heeft plaatsgevonden bij brief van 26 februari 2015. Gelet op de aard en omvang van de fiscale problematiek meent verweerder dat hij de redelijke termijn niet heeft overschreden. 39.5. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de omvang van de zaak, die een langere termijn rechtvaardigen. Dat de motivering later is ingediend, is het gevolg van het feit dat het voor eiser pas mogelijk was het bezwaar te motiveren na ontvangst van de controlerapporten.

Van de totale overschrijding van 50 maanden dient een periode van 40 maanden aan verweerder te worden toegerekend en een periode van 10 maanden aan de rechtbank. Verweerder dient daarom van de schadevergoeding 40/50e deel te betalen (€ 3.600) en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) 10/50e deel (€ 900). Gerechtshof Amsterdam 2.3 De geschilomschrijving bij het Hof luidde: 3.1. Met betrekking tot het principale hoger beroep is in geschil of de (navorderings)aanslagen IB/Zvw, de naheffingsaanslagen OB en de Boeten terecht aan belanghebbende zijn opgelegd, en zo ja, of deze tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.

Meer specifiek is in geschil:

1. Kan de boekhouding als grondslag voor de winstberekening dienen? 2. Is sprake van een ‘gemotiveerde schatting’ van de winsten als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad 10 augustus 2001, nr. 35390, ECLI:NL:HR:2001:AB3112? 3. Heeft belanghebbende de vereiste aangiften IB gedaan? 4. Berusten de navorderings-, naheffings- en primitieve aanslagen op een ‘redelijke schatting’? 5. Heeft belanghebbende overtuigend aangetoond dat de (navorderings)aanslagen IB en naheffingsaanslagen OB voor te hoge bedragen zijn vastgesteld? 6. Heeft de inspecteur met betrekking tot de IB-Boeten bewezen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet? Zijn deze Boeten overigens passend en geboden? Is betreffende deze Boeten sprake van overschrijding van de redelijke termijn? 3.2.

Met betrekking tot het incidenteel hoger beroep is in geschil: - Is sprake van een nieuw feit dan wel kwader trouw op basis waarvan kan worden nagevorderd? 3.3. Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken alsmede het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting. 3.4. Ter zitting van het Hof heeft de inspecteur verklaard dat de boetebeschikking betreffende de OB over 2009 (zie 1.2) dient te worden vernietigd (gelijk de rechtbank heeft beslist). 2.4 Het Hof heeft – voor zover in cassatie van belang – geoordeeld:

Het principaal hoger beroep 5.1.1. Op goede gronden heeft de rechtbank onder 24.1 terecht geoordeeld dat nu de inspecteur ten aanzien van belanghebbende voorde onderhavige jaren geen informatiebeschikking heeft genomen, omkering en verzwaring van de bewijslast met toepassing van artikel 27e, lid 1, AWR wegens het niet voldoen aan de administratie- en de bewaarplicht, niet aan de orde kan zijn. 5.1.2. Wil de inspecteur - zoals in casu - toch op basis van voormeld artikel de in geschil zijnde aanslagen vaststellen dan zal hij aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk dienen te maken dat sprake is van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de vereiste aangiften voor de IB en OB niet zijn gedaan. 5.1.3.

In een geval als het onderhavige - waarin belanghebbendes aangiften 1B en OB op de Administratie zijn gebaseerd - betekent dit mede dat de inspecteur aannemelijk dient te maken dat de Administratie dusdanig onbetrouwbaar is dat deze niet kan dienen als grondslag voor de jaarlijkse winst- en omzetberekening. Belanghebbende acht de inspecteur - op wie ten deze de bewijslast rust - niet geslaagd in dat bewijs. 5.1.4. Vooraf merkt het Hof op dat al hetgeen voor de heffing van IB hierna (onder 5.2 tot en met 5.7) wordt opgemerkt mutatis mutandis voor de heffing van de Zvw geldt.

Aangaande de heffing van de IB en de daarop betrekking hebbende boeten overweegt het Hof (in 5.2. tot en met 5.7.) als volgt. 1e geschilpunt: Kan de boekhouding als grondslag voor de winstberekening dienen? 5.2.1. De inspecteur stelt zich - zo begrijpt het Hof - op het standpunt dat de Administratie vanwege de tijdens de controle en het strafrechtelijke onderzoek geconstateerde gebreken niet kan dienen als grondslag voor de winstberekening. 5.2.2. Belanghebbende meent, onder meer door te verwijzen naar het rapport van [M] BV (zie 2.17), dat de Administratie aan alle te stellen eisen voldoet.

In ieder geval acht hij een aantal door de inspecteur gesignaleerde tekortkomingen niet aanwezig en voor zover er gebreken zijn, leiden die niet tot een te lage winstberekening. 5.2.3. Het Hof overweegt als volgt. Op 11 augustus 2017 heeft de meervoudige strafkamer van dit Hof (zie onder 2.25.1) [X2] , samengevat, onherroepelijk veroordeeld voor het vervalsen van in de Administratie van de eenmanszaak en VOF voorkomende inkoopbonnen in de onderhavige jaren. Daarmee heeft hij, aldus het arrest, de bedrijfsadministratie valselijk opgemaakt (zie 2.25.1 onder IV en onder de bewezenverklaring).

Tevens staat in het arrest dat [X2] door het opnemen van gegevens van vervalste bonnen in het inkoopregister in de periode 1 januari 201 1 tot en met 20 september 2011 dit register in zoverre valselijk heeft opgemaakt (zie 2.25.1 onder V en onder de bewezenverklaring). Naar het oordeel van het Hof kan reeds op grond hiervan de conclusie worden getrokken dat de Administratie - die immers in de periode waarop de litigieuze navorderingsaanslagen, naheffingsaanslagen, primitieve aanslagen en Boeten betrekking hebben is vervalst - niet kan dienen als grondslag voor de winstberekening. (Correct opgemaakte) inkoopbonnen vormen in de Administratie immers een onderdeel dat van essentiële betekenis is om de jaarwinst vast te kunnen stellen. 5.2.4.

De omstandigheid dat belanghebbende is vrijgesproken van het valselijk opmaken van de Administratie van de eenmanszaak en/of van de VOF - omdat, aldus de meervoudige strafkamer van het Hof in zijn arrest (zie 2.25.2, onder VI), ten aanzien van belanghebbende niet blijkt van gedragingen die hem tot (mede)pleger van het valselijk opmaken van inkoopbonnen, dan wel tot feitelijk leidinggever van het valselijk opmaken van het registerboek in 2011 maken - doet aan de in de vorige rechtsoverweging getrokken conclusie niet af. Zoals uit de feiten blijkt werkte [X2] tot eind 2009 in de eenmanszaak als medewerker van belanghebbende en vanaf eind 2009 als firmant in de VOF.

Dat belanghebbende de feitelijke vervalsingen niet (zelf) verrichtte neemt geenszins weg dat de Administratie in de betreffende jaren onbetrouwbaar was. 5.2.5. Belanghebbende betoogt dat de onschuldpresumptie als bedoeld in artikel 6, lid 2, EVRM, zoals uitgelegd in het arrest van het EHRM in Melo Tadeu (arrest van 23 oktober 2014, nr. 27785/10, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510), inhoudt dat de belastingrechter het oordeel van de strafrechter, dat wil zeggen de evenvermelde vrijspraak van belanghebbende, dient te volgen. Belanghebbende licht dit als volgt toe:

“Na een vrijspraak is het uiten van twijfels over de (on)schuld van de betrokkene uit den boze, aldus het Europese Hof. Dat geldt niet alleen in latere strafrechtelijke procedures, maar ook in bestuurlijke procedures. Het negeren van de vrijspraak door de belastingrechter kan niet omdat het onschuldbeginsel zoals opgenomen in artikel 6, lid 2, EVRM dan wordt geschonden.” 5.2.6. Over voornoemd arrest van het EHRM en de onschuldpresumptie overwoog de Hoge Raad op 2 juni 2017 (nr. 15/05179, ECLI:NL:HR:2017:958): “2.4.1. Uit de rechtspraak van het EHRM leidt de Hoge Raad af dat het in artikel 6, lid 2, EVRM neergelegde vermoeden van onschuld niet is beperkt tot procedures betreffende een ‘criminal charge’, maar zich kan uitstrekken tot een daarop volgende bejegening door een bestuurlijke autoriteit of gerechtelijke procedure die op zichzelf bezien niet onder de reikwijdte van artikel 6, lid 2, EVRM valt (zoals een procedure betreffende een belastingaanslag).

In laatstbedoelde gevallen dient de belanghebbende te stellen en te bewijzen dat een voldoende verband (‘link’) bestaat tussen de strafrechtelijke procedure en de latere bejegening door een bestuurlijke autoriteit of de latere gerechtelijke procedure. Een dergelijk verband is bijvoorbeeld aanwezig als die latere procedure een onderzoek vereist van de uitkomst van de eerdere strafrechtelijke procedure, in het bijzonder in een geval waarin die latere procedure de rechter dwingt tot een onderzoek van een strafrechtelijk oordeel, tot een heroverweging of beoordeling van het bewijs in het strafrechtelijke dossier, tot een oordeel over de deelname van de belanghebbende aan de gebeurtenissen die hebben geleid tot de eerdere ‘criminal charge’, of tot een oordeel over de bestaande aanwijzingen van mogelijke schuld van de belanghebbende. (...) 2.4.2.

Uit de rechtspraak van het EHRM volgt tevens dat een strafrechtelijke vrijspraak niet eraan in de weg hoeft te staan dat in een latere gerechtelijke procedure de gedragingen waarvan de belanghebbende is vrijgesproken, als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs bewezen worden verklaard, mits de rechterlijke autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van een vrijspraak van hetgeen de verdachte in de strafzaak werd verweten (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 13/03959, ECLI:NL:HR:2015:643, BNB 2015/173, rechtsoverweging 2.6.6).” 5.2.7.

Uit de gedingstukken blijkt niet dat belanghebbende, op wiens weg dit had gelegen, voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de gevolgtrekking kunnen rechtvaardigen dat het - onder 5.2.3 gegeven - oordeel van het Hof dat de Administratie niet kan dienen als grondslag voor de jaarwinstberekening, twijfel oproept over de juistheid van de gronden Van de vrijspraak van belanghebbende. Met name heeft belanghebbende niet het vereiste verband (als weergegeven in rechtsoverweging 2.4.1 in bovenstaand arrest) geadstrueerd. Immers belanghebbendes vrijspraak zag op de niet bewezenverklaring van het feit dat belanghebbende (zelf) de Administratie had vervalst.

Zoals overwogen onder 5.2.3 is de boekhouding vervalst, ook al heeft de ondernemer die niet zelf vervalst en is in het arrest door de strafkamer van het Hof geoordeeld dat het Openbaar Ministerie niet bewezen heeft dat belanghebbende van de vervalste inkoopbonnen wist. 5.2.8. Naast het onder 5.2.3 overwogene heeft met betrekking tot de Administratie het volgende te gelden. Het Hof acht op basis van met name het controlerapport, hetgeen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek is verkregen (zoals de verklaringen van [X1] bij de politie en de rechter-commissaris en de verklaringen van [C] ) en het arrest van de strafkamer van het Hof aannemelijk dat de volgende door de inspecteur gestelde tekortkomingen zich in de Administratie hebben voorgedaan:

1. Het ontbreken van een kasboek (zie 2.12, 2.13 en 2.18).

2. Mutaties die niet op de juiste datum zijn geboekt (zie 2.22.1 onder 4.3).

3. Te summiere omschrijvingen van ingekochte goederen op de inkoopbonnen (2.22.1, onder 4.2.1).

4. Het niet opnemen van alle uitgeschreven inkoopbonnen in de Administratie (zie 2.22.1, onder 4.2.1 ).

5. Het overigens niet op een adequate wijze administreren van de voorraden en goederenstroom in de onderneming (zie 2.8, 2.12, 2.14, 2.15 en 2.22.1, onder 4.6.1 ).

6. Wisselende brutowinstpercentages (zie 2.22.1, onder 4.5.1). 5.2.9. Uit de gedingstukken volgt dat namens belanghebbende niet alleen verklaard is dat een kasboek tot 2011 niet bestond, maar ook erkend is (1) dat contante bankopnamen niet afzonderlijk geboekt werden, (2) dat kasuitgaven niet altijd op de juiste wijze in de Administratie werden verwerkt, (3) dat ‘sloopgoud’ slechts één maal per jaar geïnventariseerd en geadministreerd werd, en (4) dat zilver, edelstenen en dergelijke die tegelijk met ‘sloopgoud’ ‘gratis’ werden aangekocht in het geheel niet in de Administratie werden geboekt. 5.2.10.

In aanmerking genomen de aard en omvang van de onder 5.2.8 genoemde tekortkomingen, leiden deze gebreken, mede in het licht van de onder 5.2.9 opgesomde feiten en omstandigheden, naast de vervalsingen van de inkoopbonnen (zie 5.2.3), ieder afzonderlijk maar ook tezamen, mede in onderling verband bezien, tot de conclusie dat de Administratie niet kan dienen als grondslag voor de winstberekening. Hierbij neemt het Hof mede in aanmerking dat in een onderneming als die van belanghebbende, waarin - een groot deel van - de inkopen per kas geschiedt en de kas een groot bedrag bevat (zie 2.11), een adequate kasadministratie een belangrijke, centrale en onmisbare rol speelt.

Het ontbreken van een kasboek - zoals niet alleen de inspecteur heeft geconstateerd, maar ook én belanghebbende, én [M] BV hebben verklaard (zie 2.12, 2.13 en 2.18) - valt reeds op zichzelf als een ernstige tekortkoming in de Administratie aan te merken. Hetzelfde heeft te gelden voor het niet dagelijks, niet chronologisch of niet juist bijhouden van kasmutaties, waardoor de zeer omvangrijke geldstroom binnen belanghebbendes onderneming niet goed gevolgd kon worden. Ook het niet (meer) kunnen volgen en controleren van de gehele goederenstroom, doordat (I) inkopen en voorraden niet juist of volledig werden geadministreerd, en (2) er na de aanhouding van belanghebbende diverse wijzigingen in de voorraadbestanden zijn aangebracht (zie 2.8), merkt het Hof als een ernstige tekortkoming aan. 5.2.1 1.

Voor zover belanghebbende met de rapportage van [M] BV zijn standpunt wil onderbouwen dat de Administratie wel betrouwbaar is, overweegt het Hof allereerst dat [M] BV in haar rapport zelf schrijft dat haar rapportage uitsluitend in de strafprocedure kan worden gebruikt (zie 2.1 7). Ook acht het Hof relevant dat [M] BV tijdens haar onderzoek niet de beschikking had over het controlerapport van [F] , zodat de conclusies van [M] BV niet gezien kunnen worden als een (adequate) weerspreking van de constateringen en standpunten van [F] (en de daarop gebaseerde standpunten van de inspecteur).

Tot slot is van betekenis dat [M] BV concludeert dat de Administratie “aan daaraan wettelijk en bedrijfseconomisch te stellen eisen” voldoet (zie 2.17), maar niet aangeeft aan welke wetsbepalingen zij de Administratie getoetst heeft. In ieder geval rept het rapport met geen woord over fiscale wetsbepalingen. Gelet op deze alles bij elkaar genomen gebrekkige onderbouwing van het rapport, in ieder geval wat betreft de onderhavige belastingprocedure, kan de conclusie dan ook geen andere zijn dan dat de rapportage van [M] BV niets afdoet aan ’s Hofs onder 5.2.10 gegeven oordeel. 5.2.12.

Belanghebbende betoogt ook dat de strafrechter van slechts 11 inkoopfacturen - zijnde volgens belanghebbende niet meer dan 0,98% van alle inkoopfacturen - heeft vastgesteld dat die vervalst zijn. “Dit is een dusdanig marginaal percentage dat de 11 inkoopfacturen niet kunnen worden aangemerkt als gebreken van enige omvang”, aldus belanghebbende in zijn beroepschrift in eerste aanleg. 5.2.13. Het Hof volgt belanghebbende niet in dit standpunt. Allereerst ziet belanghebbende over het hoofd dat de strafkamer van het Hof van 25 inkoopbonnen, verspreid over alle betrokken jaren, heeft vastgesteld dat ze vervalst zijn.

Ten tweede heeft te gelden dat de vaststelling dat er jaarlijks een bepaald aantal inkoopbonnen is vervalst, geenszins betekent dat ervan kan worden uitgegaan dat alle andere inkoopbonnen wél correct zijn geadministreerd. 5.2.14. Belanghebbende acht het weliswaar niet correct dat er valse inkoopfacturen in de Administratie zijn opgenomen, maar belanghebbende betoogt dat de inkopen per saldo goed geadministreerd zijn. Hij verwijst hierbij naar ‘het oordeel’ van de strafkamer dat “Door het verhogen van het inkoopbedrag van de bonafide inkoop met het bedrag van de te maskeren inkoop (die voor het overige dus niet is vastgelegd) (...) op jaarbasis het bedrag van de inkopen (en de inkoopwaarde omzet, en daarmee de winst) correct (wordt) vastgelegd” (zie 2.25.1 onder I). 5.2.15.

Het Hof verwerpt ook dit standpunt van belanghebbende. Allereerst omdat wat belanghebbende als een ‘oordeel’ van de strafkamer aanmerkt, niet als zodanig kan worden gekwalificeerd. Het is immers geen oordeel maar een gedachte van de verbalisant [K] die gebaseerd is op een ‘hypothese’. Het standpunt van belanghebbende staat ook in schril contrast met de door [X2] ter zitting van de strafkamer van het Hof herhaalde verklaring dat “hij nadat hij op de bon de datum (terecht) heeft gecorrigeerd, hij ‘automatisch’ ook het inkoopbedrag naar boven heeft aangepast, zonder daar bij na te denken” en dat “hij deze automatische verschrijving (...) achteraf niet meer goed kan verklaren” (zie 2.25.1 onder (III).

Tot de gedingstukken behoort ook geen verklaring van één van ander firmanten die het standpunt van belanghebbende onderschrijven. Noch behoort tot de gedingstukken een overzicht van alle verhogingen en alle te maskeren inkopen. Voorts is voor het oordeel over de betrouwbaarheid van een administratie niet relevant of in geval van vele ernstige gebreken alle foute boekingen opgeteld uiteindelijk per saldo tot een juiste jaarwinst leiden. Bij de vraag of een boekhouding betrouwbaar is dient beoordeeld te worden of iedere mutatie op zichzelf juist geadministreerd is.

Overigens heeft belanghebbende geenszins aannemelijk gemaakt dat er ‘per saldo’ juist geadministreerd is geworden. 5.2.16. De conclusie is dat de boekhouding vanwege diverse ernstige tekortkomingen niet als grondslag voor de winstberekening kan dienen. 2e geschilpunt: Is er sprake van een ‘gemotiveerde schatting’? 5.3.1. Nu de Administratie geen betrouwbare grondslag vormt voor de winstberekening brengt een redelijke verdeling van de bewijslast met zich dat in eerste instantie de inspecteur ter voldoening aan de op hem rustende bewijslast kan volstaan met een gemotiveerde schatting, waarna de belanghebbende aannemelijk dient te maken dat en waarom haar winst lager is dan door de inspecteur is berekend (conform HR 10 augustus 2001, nr. 35390, ECLI:NL:HR:2001:AB3112). 5.3.2.

De inspecteur heeft de belastbare jaarwinsten - die ten grondslag liggen aan de onder 1.1 vermelde (navorderings)aanslagen (zoals die luiden na de uitspraken op bezwaar) - als volgt geschat. Hij is uitgegaan van de inkopen, zoals die in de Administratie voorkomen. Vervolgens heeft hij een brutowinstpercentage van 100 gehanteerd. 2006 2007 2008 2009 VOF 2010 VOF 2011 1. Inkopen volgens Administratie € 423.596 € 316.294 € 511.342 € 608.157 € 1.135.866 € 1.436.711 2. Brutowinst 100% € 423.596 € 316.294 € 511.342 € 608.157 € 1.135.866 € 1.436.711 3.

Totale geschatte omzet(zie controlerapport onder 5.6) € 847.192 € 632.588 € 1.022.684 € 1.216.314 € 2.271.732 € 2.873.422 4. Omzet volgens Administratie € 586.270 € 463.448 € 661.684 € 764.309 € 1.182.965 € 1.453.878 5. Meer omzet € 260.922 € 169.140 € 361.000 € 452.005 € 1.088.767 € 1.419.544 6. Correctie OB a.g.v. BW% van 100(zie tabel hierna onder 5.9.2) € 31.592 € 16.983 € 52.452 € 38.347 € 161.226 € 230.256 7. Meer winst VOF € 919.132 € 1.181.261 8. Meer winst belanghebbende € 229.330 € 152.157 € 307.955 € 413.612 € 229.783* € 295.315* 9.

Aangegeven winst € 37.984 € 45.191 € 45.826 € 37.550 € 35.933 € 100.724 10. Totaal winst € 267.314 € 197.348 € 353.781 € 451.162 € 265.716 € 396.039 11. Ondernemersfaciliteiten (o.a. meewerkaftrek, mkb-vrijstelling) € 27.404 € 40.481 € 62.567 € 78.548 € 46.305 € 63.166 12. Geschatte belastbare winst € 239.910 € 156.867 € 291.214 € 372.614 € 219.411 € 332.873 13. Aangegeven belastbare winst € 23.702 € 28.134 € 28.010 € 21.118 € 21.471 € 72.996 * iedere firmant ¼ van de winst 5.3.3. Met betrekking tot deze schatting van de inspecteur, waarbij de inkopen tot uitganspunt zijn genomen, overweegt het Hof als volgt.

Bij een boekhouding als die van belanghebbende - waaraan zowel met betrekking tot de geld- en goederenstroom als de inkopen ernstige gebreken kleven - is het voor een inspecteur lastig om tot een aanvaardbare schatting van de jaarwinsten te komen. Mede in aanmerking genomen dat belanghebbende - zowel ter zitting van de rechtbank en bij het Hof - nadrukkelijk betoogd heeft dat “de inkoopwaarde van de omzet correct in de administratie (...) is vastgelegd”, waarbij belanghebbende zich beroept op het tekstblok in het arrest van de strafkamer (zie 2.25.1) dat door het Hof is voorzien van het Romeinse cijfer I (en begint met “ [X2] wordt verweten (...)”), is het naar het oordeel van het Hof aanvaardbaar voor de inspecteur om bij diens ‘gemotiveerde schatting’ van de ‘inkopen zoals die uit de Administratie blijken’, uit te gaan.

Hierbij neemt het Hof in beschouwing dat de inkopen - bij het volgen van belanghebbendes standpunt - in ieder geval niet voor een te hoog bedrag in aanmerking worden genomen (zodat bijgevolg het ophogen van de inkopen met een aanvaardbaar brutowinstpercentage in ieder geval niet tot een te hoge schatting van de winst leidt). 5.3.4. Aan het voorgaande doet niet af dat de inspecteur, zowel in zijn 10-dagenstuk als in zijn pleitnota, het standpunt inneemt dat ‘de inkoopwaarde van.de omzet aanzienlijk lager moet zijn’. Het Hof verstaat, gelet op de bij dit citaat gegeven toelichting, de inspecteur aldus dat deze meent dat de ‘inkoopwaarde van de omzet’ (onderstreping door Hof) voor een te hoog bedrag in de Administratie voorkomt (als van de hypothese zou worden uitgegaan dat de omzet voor een juist bedrag in de Administratie zou zijn verwerkt), maar dat de winst nog steeds op basis van de kostprijs van de ‘inkopen’ - conform de tabel onder 5.3.2 (rij 1) - kan worden geschat.

De inspecteur - zo begrijpt het Hof - gebruikt evenvermeld citaat als een extra argument voor de conclusie dat de Administratie onbetrouwbaar is. 5.3.5. Met betrekking tot het brutowinstpercentage van 100 dat de inspecteur in zijn schatting (onder 5.3.2) hanteert, heeft het volgende te gelden. De inspecteur baseert dit percentage op:

1. De verklaring van belanghebbende dat hij een winst beoogt van factor 2.2 van de inkoopprijs (zie 2.10).

2. De aangiften OB waarin bij het toepassen van de margeregeling door belanghebbendes administrateur uitgegaan wordt van een brutowinstpercentage van 100 (zie controlerapport onder 6.2.1 ‘winstmarge’). 5.3.6. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur met het voorgaande in eerste instantie zijn schatting voldoende gemotiveerd (als bedoeld in het onder 5.3.1 vermelde arrest). 5.3.7. Vervolgens ligt het op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat en waarom zijn winst lager is dan door de inspecteur is berekend. Volgens belanghebbende - die de inkopen ook als een goed uitgangspunt voor de winstberekening ziet (zie 5.3.3) - bedroeg zijn brutowinstpercentage echter niet meer dan 30 op de ‘ [D] omzet’, circa 90% van de omzet (zie 2.2), en 100 op de ‘winkelverkopen’ (de overige 10% van de omzet). 5.3.8.

Op basis van al hetgeen door belanghebbende is ingebracht is het Hof van oordeel dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn brutowinst slechts 30% bedroeg. Immers belanghebbende heeft het percentage van 30 niet, althans niet adequaat, onderbouwd. Het is niet meer dan een boute stelling. Daarbij komt dat belanghebbendes standpunt niet spoort met de gegevens in de Administratie. Zoals de inspecteur - door belanghebbende onvoldoende weersproken - in het controlerapport opmerkt volgen uit belanghebbendes verlies- en winstrekeningen immers sterk wisselende brutowinstpercentages (zie controlerapport onder 4.5.1). 5.3.9.

Op basis van de gedingstukken komt het Hof tot het oordeel dat aannemelijk is dat belanghebbende ten minste op zijn inkopen een brutowinst van 75% behaald heeft. Hierbij neemt het Hof - naast hetgeen is overwogen onder 5.3.5 - in aanmerking dat belanghebbende bij de rechter-commissaris verklaard heeft (zie 2.14 onder 1) dat hij op zijn verkopen een brutowinst behaalt van 30 tot 50% van de verkopen (hetgeen overeenkomt met een brutowinstpercentage van ruim 40 tot 100% van de inkoopprijs). Tevens acht het Hof van belang dat uit diezelfde verklaring van belanghebbende bij de rechter-commissaris blijkt dat belanghebbende niet alleen een winst maakt op het aangekochte goud, maar ook op de verkoop van metalen en edelstenen en dergelijke die in het gekochte sloopgoud zitten (zie 2.14 onder 2, 3 en 4).

Tot slot neemt het Hof in aanmerking - zoals door de inspecteur gemotiveerd gesteld en door belanghebbende onvoldoende betwist - dat de al maar oplopende goudprijs een positief - in ieder geval geen negatief - effect op het brutowinstpercentage zal hebben gehad (zie controlerapport onder 5.4). 3e geschilpunt: Heeft belanghebbende de vereiste aangifte gedaan? 5.4.1. Nu aannemelijk is dat (1) de Administratie niet kan dienen als grondslag voor de winstberekening, en (2) belanghebbende tenminste een brutowinstpercentage van 75 heeft behaald komt het Hof toe aan de stelling van de inspecteur dat de vereiste aangifte niet is gedaan.

Belanghebbende betwist dit. 5.4.2. De vereiste aangifte is niet gedaan indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast kan worden vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting op zichzelf beschouwd en verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting (vgl. HR 23 april 1986, nr. 23374, ECLI:NL:HR:1986:AW8043, en HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Inhoudelijke gebreken inde aangifte worden in dit verband slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (vgl. HR 11 april 2003, nr. 36822, ECLI:NL:2003:AE3220).

Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. 5.4.3. Een brutowinstpercentage van 75 leidt naar het oordeel van het Hof tot een veel hogere winst dan de aangegeven belastbare winsten over de periode 2006 tot en met 2011. Om tot dit oordeel te komen heeft het Hof de onder 5.3.2 weergegeven tabel tot uitgangspunt genomen en de bedragen op rij 3 (de totale geschatte omzet) berekend op basis van een brutowinstpercentage van 75. Vervolgens heeft het alle bedragen in de tabel dienovereenkomstig aangepast, waarbij het ook de bedragen op de rijen 6 en 11 (respectievelijk ‘correctie OB’ en ‘ondernemersfaciliteiten’) aangepast heeft aan het brutowinstpercentage van 75.

Het Hof heeft daarna de nieuwe ‘geschatte belastbare winsten’ (rij 12 in de tabel) in zijn oordeel betrokken. De nieuwe belastbare winst is - absoluut en relatief gezien - dermate veel hoger dan de aangegeven belastbare winst (rij 13), dat geen andere conclusie denkbaar is dan dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting op zichzelf beschouwd en verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. 5.4.4. Gelet op de veelheid aan en de ernst van de gebreken in de Administratie en al hetgeen belanghebbende daarover verklaard heeft (zie 5.2.8), en in aanmerking genomen dat belanghebbende in de eenmanszaak - als enige ondernemer - de zeggenschap had over en verantwoordelijk was voor de gang van zaken in de onderneming en dat vanaf eind 2009 in de VOF (1) belanghebbende feitelijk de meeste zeggenschap had, (2) de andere firmanten bijna alles met hem bespraken, en (3) hij over het geld ging (zie 2.3), acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften de ernst van de gebreken kende of zich ervan bewust had moeten zijn.

Het Hof concludeert dan ook dat belanghebbende de vereiste aangiften voor de IB niet heeft gedaan. 4e geschilpunt: Berusten de (navorderings)aanslagen op een redelijke schatting? 5.5. De in geschil zijnde aanslagen berusten op een brutowinstpercentage van 100. Bij het beoordelen van de schatting van de inspecteur, neemt het Hof in aanmerking dat het slechts toetst of de inspecteur bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid tot de onderhavige schatting, zoals uitgewerkt in de onder 5.3.2 opgenomen tabel, heeft kunnen komen.

Naar het oordeel van het Hof voldoet de schatting van de inspecteur aan deze toets. In aanmerking genomen al hetgeen over (de gebreken in) de Administratie is overwogen (zie 5.2.1 tot en met 5.2.16 en 5.3.3), heeft de inspecteur in redelijkheid als basis voor zijn schatting (een brutowinstpercentage van 100 op) de ‘inkopen volgens de Administratie’ kunnen nemen. 5e geschilpunt: Heeft belanghebbende overtuigend aangetoond dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn? 5.6.1. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan verklaart de rechter het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (artikel 27e, lid 1, AWR). 5.6.2.

Met al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, heeft hij niet overtuigend aangetoond dat de litigieuze aanslagen te hoog zijn vastgesteld. In dit verband acht het Hof van belang dat het door belanghebbende bepleite brutowinstpercentage van 30 niet meer is dan een boute stelling die niet met documenten of anderszins, is onderbouwd (zie 5.3.7). Uit rechtsoverweging 5.2.16 volgt dat de Administratie overigens niet kan dienen om het in dit verband vereiste bewijs te leveren. 6e geschilpunt: De Boeten 5.7.1. De inspecteur heeft op grond van artikel 67e AWR voor wat betreft de IB 2009 en 2010 en - naar het Hof begrijpt - op grond van artikel 67d AWR voor wat betreft de IB 2011, aan belanghebbende vergrijpboeten van 40% opgelegd.

Hij verwijt belanghebbende (voorwaardelijk) opzet. 5.7.2. Op de inspecteur rust de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting te bewijzen, die het oordeel rechtvaardigen dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de navorderingsaanslagen IB 2009 en 2010, alsmede de (primitieve) aanslag IB 2011 voor een te laag bedrag zijn vastgesteld. De inspecteur onderbouwt zijn standpunt in het controlerapport als volgt: “De feiten en omstandigheden op grond waarvan ik voornemens ben deze vergrijpboete op te leggen betreffen: Door niet alle verkopen c.q. privé onttrekkingen in zijn administratie te verantwoorden heeft belastingplichtige het risico aanvaard dat een onjuiste aangifte zou worden ingediend met als gevolg dat een te lage aanslag zou worden vastgesteld.

Er is sprake van (voorwaardelijke) opzet. Aangezien de grondslag van de boete is vastgesteld aan de hand van een redelijke schatting bevat deze een zekere ruwheid. Op grond hiervan zal ik de boete matigen met 10%.” 5.7.3. Belanghebbende betoogt dat de inspecteur opzet niet heeft bewezen omdat ‘de verwijten’ die belanghebbende in de strafzaak werden gemaakt ‘identiek’ zijn aan ‘de verwijten in deze fiscale procedure’ en belanghebbende in de strafzaak ‘volledig’ is vrijgesproken. 5.7.4. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende (met uitzondering van de vervalsingen van de inkoopbonnen waarvan de strafkamer expliciet heeft geoordeeld dat niet bewezen is dat belanghebbende daarvan wist; zie 2.25.2, onder VI) op de hoogte was van de veelheid aan en de ernst van de gebreken in de Administratie.

Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende vervolgens op basis van die Administratie aangiften IB doet is het Hof van oordeel dat belanghebbende - minst genomen - zich ervan bewust is geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond - en hij die kans bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen; vgl. HR 29 februari 2008, nr. 43274, ECLI:NL:HR:2008:BC5346) - dat de aangiften IB over de in geschil zijnde jaren voor wat betreft de aangegeven belastbare winsten onjuist waren, maar zich daardoor niet heeft laten weerhouden de aangiften te doen zoals hij heeft gedaan, en zich aldus willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans onjuiste aangiften te doen (vgl. HR 3 1 januari 2003, nr. 37511, ECLI:NL:HR:2003:AE8092) 5.7.5.

Dat belanghebbende (zelf) is vrijgesproken van het valselijk opmaken van de Administratie doet hier niet aan af. Immers allereerst is belanghebbende - als enig ondernemer in [R] (voor 2009) en als firmant in de VOF (voor de jaren 2010 en 2011), in welke vennootschap belanghebbende een dominante rol vervulde (zie 2.3) - zelf verantwoordelijk voor de - deels - ernstige onder 5.2.8 opgesomde tekortkomingen in de Administratie (bijvoorbeeld de afwezigheid van een kasboek en het ontbreken van een adequate voorraadadministratie). Voorts is belanghebbende ook zelf verantwoordelijk voor het indienen van zijn eigen aangiften. 5.7.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de inspecteur voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt, die het oordeel rechtvaardigen dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de litigieuze (navorderings)aanslagen voor een te laag bedrag zijn vastgesteld. 5.7.7. Al het voorgaande in aanmerking genomen achtte de inspecteur boeten van 50% in beginsel passend en geboden. Hij heeft uiteindelijk boeten van 40% opgelegd. 5.7.8. In zijn arrest van 18 januari 2008 (nr. 41832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962) overwoog de Hoge Raad: “3.6.8.

De (...) omstandigheid dat naar de bedoeling van de wetgever bij de beoordeling van een vergrijpboete ervan wordt uitgegaan dat de feitelijk geheven belasting de verschuldigde belasting is, óók als de hoogte daarvan is komen vast te staan met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast, ontslaat de rechter evenwel niet van zijn verplichting om te beoordelen of een opgelegde vergrijpboete gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie is voor het vergrijp dat is begaan. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat hiertoe de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast.” 5.7.9.

Naar het Hof begrijpt is de achtergrond van de vermindering met 10-procentpunten (van 50 naar 40%) op rechtsoverweging 3.6.8 in bovenstaand arrest gebaseerd. Hiermee is in voldoende mate rekening gehouden met het feit dat de in geschil zijnde aanslagen met behulp van de omkering zijn vastgesteld. 5.7.10. Al het voorgaande in aanmerking genomen acht het Hof boeten van 40% passend en geboden. 5.7.11. Het Hof dient ambtshalve te onderzoeken of er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM). 5.7.12. Het Hof stelt vast dat de datum van verzending van de controlerapporten op 30 oktober 2014 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM.

Immers in de genoemde controlerapporten heeft de inspecteur voor het eerst een handeling verricht waaruit belanghebbende in redelijkheid kon opmaken dat de inspecteur het ernstige voornemen had om hem ook voor de onderhavige jaren een boete op te leggen, zoals later ook gebeurd is (zie HR 16 juni 1999, nr. 34473, ECLI:NL:HR: 1999: AE8721 ). 5.7.13. Het Hof doet uitspraak op 19 maart 2020. Sinds de ‘kennisgeving’ van de Boeten is derhalve vijfjaar en (afgerond) vijf maanden verstreken. Het Hof stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van vier jaar (twee jaar voor de periode tot aan de rechtbankuitspraak en tweejaar voor de hoger beroepsfase) is overschreden met één jaar en vijf maanden (undue delay; vergelijk Hoge Raad 19 december 2008, nr. 42763, ECLI:NL:HR:2008:BD0191).

Het Hof ziet reden om een deel van de overschrijding, en wel zes maanden, aan de ingewikkeldheid van de zaak toe te rekenen. 5.7.14. Bij het bieden van compensatie voor de uit de overschrijding voortvloeiende schending van artikel 6 EVRM hanteert het Hof de volgende uitgangspunten: - De boete wordt niet verminderd indien deze minder bedraagt dan € 200. In dat geval wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is-overschreden. - In alle andere gevallen wordt de vermindering bepaald met behulp van de volgende tabel: Overschrijding redelijke termijn Vermindering Maximale vermindering 0 tot 6 maanden 5% € 2.500 6 tot 12 maanden 10% € 5.000 12 tot 24 maanden 15% € 10.000 24 maanden en meer 20% € 20.000 Gelet hierop zal de boete worden gematigd met 10% (met een maximum van € 5.000). 5.7.15.

Het Hof zal de Boeten derhalve als volgt verminderen: Boeten Boeten na matiging met 10% (met maximum van € 5.000) 2009 € 71.438 € 66.438 2010 € 39.720 € 35.748 2011 € 54.054 € 49.054 Aangaande de heffing van de OB overweegt het Hof (in 5.8. tot en met 5.12.) als volgt. 5.8.1. Belanghebbende, juwelier en als zodanig ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB), heeft aangiften omzetbelasting gedaan. Deze aangiften sluiten aan bij de Administratie. 1e geschilpunt: Kan de boekhouding als grondslag voor de omzetberekening dienen? 5.8.2.

Gelijk het Hof met betrekking tot de heffing van IB onder 5.2.1 tot en met 5.2.3 heeft overwogen, geldt ook voor de heffing van OB dat sprake is van een valselijk opgemaakte bedrijfsadministratie en dat reeds op basis daarvan de conclusie kan worden getrokken dat de Administratie - die immers in de periode waarop de litigieuze naheffingsaanslagen betrekking hebben is vervalst - niet kan dienen als grondslag voor de berekening van de omzetbelasting. 5.8.3. Zoals overwogen onder 5.2.4 doet daar niet aan af dat belanghebbende de feitelijke vervalsingen niet (zelf) verrichtte. 5.8.4.

Onder verwijzing naar 5.2.7 is het Hof ook met betrekking tot de heffing van OB van oordeel dat belanghebbende onvoldoende heeft aangevoerd om te concluderen dat het oordeel van het Hof - dat de Administratie niet kan dienen als grondslag voor de omzetberekening - twijfel oproept over de juistheid van de gronden van de vrijspraak van belanghebbende. 5.8.5. Naast het onder 5.8.2 overwogene heeft met betrekking tot de Administratie ook hier te gelden dat aannemelijk is dat de onder 5.2.8 vermelde tekortkomingen zich hebben voorgedaan. Daar komt voor wat betreft de heffing van OB bij dat belanghebbende niet voldaan heeft aan de administratieve verplichtingen als bedoeld in artikel 34, lid 1, Wet OB jo. artikel 3 1, lid 1, onder a en b, en lid 5, eerste volzin, Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting (hierna:

Uitv. Besch. OB). Uit de onder 5.2.3 en 5.2.8 beschreven tekortkomingen, en dan met name uit de aanwezigheid in de Administratie van vervalste of te summier opgemaakte inkoopbonnen, uit het niet regelmatig bijhouden van kasontvangsten en uit het niet adequaat administreren van de goederenstroom, volgt immers dat belanghebbende niet, althans onvoldoende, regelmatig aantekening houdt van ( 1) de door hem uitgereikte inkoopverklaringen, alsmede van (2) de uitgaven en ontvangsten ter zake van de door hem verrichte leveringen van goederen en verleende diensten (zie art. 31, lid 1, onder b, en lid 5, eerste volzin, Uitv.

Besch. OB). 5.8.6. In aanmerking genomen de aard en omvang van de tekortkomingen leiden al deze feiten en omstandigheden, afzonderlijk en tezamen, mede in onderling verband bezien, tot de conclusie dat de Administratie niet kan dienen als grondslag voor de omzetberekening. 2e geschilpunt: Is sprake van een ‘gemotiveerde schatting’? 5.9.1. Nu de Administratie geen betrouwbare grondslag vormt voor de omzetberekening, kan de inspecteur volstaan met een gemotiveerde schatting van de omzet (zie 5.3.1). 5.9.2. Net als bij de heffing van IB is de inspecteur uitgegaan van een brutowinst op de inkopen van 100%.

Bij zijn schatting stelt hij zich tevens op het standpunt (1) dat belanghebbende ten onrechte de margeregeling heeft toegepast, (2) dat het bij [D] Edelmetalen BV opgehaalde en doorverkochte goud vrijgesteld is van de heffing van OB, (3) dat de heffing van OB ter zake van de levering van goud aan [D] Edelmetalen BV is verlegd naar de afnemer, en (4) dat belanghebbende - als gevolg van een hogere belaste omzet - geen recht heeft op toepassing van de kleine ondernemersregeling. Dit een en ander resulteert in de volgende berekening: 2006 2007 2008 2009 1.

Inkopen volgens Administratie € 423.596 € 316.294 € 511.342 € 608.157 2. Brutowinst 100% € 423.596 € 316.294 € 511.342 € 608.157 3. Totaal(zie ook 5.3.2 controlerapport) € 847.192 € 632.588 € 1.022.684 € 1.216.314 4. Vrijgestelde omzet (goud) -/- € 88.097 -/- € 92.868 -/- € 75.162 -/- € 220.835 5. Verlegde omzet -/- € 420.313 -/- € 287.542 -/- € 572.878 -/- € 713.070 6. Belaste omzet € 338.782 € 252.178 € 374.644 € 282.409 7. Verschuldigde OB (x 19/119) € 54.091 € 40.263 € 59.817 € 45.090 8.

Reeds aangegeven OB € 22.499 € 23.280 € 7.365 € 6.743 9. Na te heffen OB bij [X1] € 31.592 € 16.983 € 52.452 € 38.347 5.9.3. Bij de beoordeling van deze schatting acht het Hof al hetgeen overwogen is onder 5.3.3 tot en met 5.3.8, ook hier van toepassing. Voor wat betreft de specifieke heffing van QB heeft daarnaast nog het volgende te gelden. 5.9.4. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur voldoende gemotiveerd dat de verkoop van beleggingsgoud is vrijgesteld (hetgeen belanghebbende ook niet bestrijdt) en wel voor de, niet door belanghebbende betwiste, bedragen die weergegeven staan op rij 4 van de tabel in rechtsoverweging 5.9.2.

In het tijdens de bezwaarfase opgemaakte hoorverslag betoogt de inspecteur adequaat - en dat is van de zijde van belanghebbende onvoldoende betwist - dat hij eerder te veel dan te weinig goud heeft vrijgesteld (en dat er dus te weinig OB is nageheven). 5.9.5. Met betrekking tot de toepassing van de verleggingsregeling heeft te gelden dat zowel de toepassing van die regeling, als de daarvoor door de inspecteur in aanmerking genomen bedragen (rij 5 van de eerdergenoemde tabel) door belanghebbende niet, althans onvoldoende, worden betwist. 5.9.6. De inspecteur is er bij zijn schatting van de verschuldigde OB (zie rij 7 in de tabel in rechtsoverweging 5.9.2) vanuit gegaan dat belanghebbende geen recht heeft op de toepassing van de marge- en globalisatieregeling. 5.9.7.

Belanghebbende verdedigt daarentegen het standpunt dat de marge- en globalisatieregeling wél van toepassing zijn. Immers, aldus belanghebbendes gemachtigde en anders dan de inspecteur stelt, (1) inkoopverklaringen worden door belanghebbende op de juiste wijze uitgereikt, (2) inkopen en verkopen worden op correcte wijze gescheiden geadministreerd, en (3) de winstmarge behoeft - voor de toepassing van de globalisatieregeling - niet ‘per individuele transactie’ te worden vastgesteld. 5.9.8. Naar het oordeel van het Hof stelt de inspecteur zich terecht op het standpunt dat de marge- en globalisatieregeling niet van toepassing zijn.

Immers een Administratie die onbetrouwbaar is (zie 5.8.6) voldoet - hoe dan ook - niet aan de voorwaarden voor toepassing van de margeregeling. Belanghebbende heeft ook niet voldaan aan artikel 28b jo artikel 28i Wet OB jo artikel 31, Iid 5, tweede volzin, Uitv. Besch. OB. Immers hij heeft allereerst niet op zodanig duidelijke en overzichtelijke wijze en met vermelding van zodanige bijzonderheden aantekening gehouden, dat aan de hand daarvan de door hem over een bepaald belastingtijdvak verschuldigde belasting kan worden vastgesteld. Voorts heeft hij met betrekking tot het ingekochte sloopgoud en andere ingekochte goederen zijn boekhouding niet op zodanige wijze gevoerd dat aan de hand daarvan het verband tussen inkoop en verkoop kan worden vastgesteld.

Reeds daarom heeft belanghebbende geen recht op toepassing van de marge- en globalisatieregeling. Specifiek voor de globalisatieregeling ex artikel 28d Wet OB jo artikel 4c, lid onder a, Uitv. Besch. OB komt daar nog bij dat - ook al zou veronderstellenderwijs ervan uitgegaan worden dat de margeregeling wel door belanghebbende toegepast kan worden - de goederen die belanghebbende inkoopt niet opgesomd staan in artikel 4c, lid 1, onder a, Uitv. Besch. OB en niet gesteld of gebleken is dat de inspecteur belanghebbende heeft aangewezen als bedoeld in artikel 4c, lid 1, onder b, Uitv.

Besch. OB. Reeds om deze redenen is de globalisatieregeling niet van toepassing. 5.9.9. Belanghebbende meent tot slot dat er volgens “de boekhouder (...) in het verleden een controle is geweest waarbij ook het aspect van de margeregeling en/of globalisatieregeling is beoordeeld” en dat “de werkwijze van de vennootschap (...) toen is geaccordeerd”. Belanghebbende heeft dit standpunt verder niet toegelicht of onderbouwd. Met de inspecteur is het Hof van oordeel dat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. 5.9.10.

Nu de margeregeling niet op belanghebbende van toepassing is, behoeft belanghebbendes standpunt dat de inspecteur ten onrechte sloopgoud niet onder de margeregeling laat vallen, wat er inhoudelijk van zij, geen behandeling meer. 5.9.11. Op basis van voorgaande rechtsoverwegingen en in aanmerking genomen hetgeen is overwogen onder 5.3.9, komt het Hof ook hier tot het oordeel dat de inspecteur aannemelijk gemaakt heeft dat belanghebbende ten minste op zijn inkopen een brutowinstpercentage van 75 behaald heeft. 3e geschilpunt: Heeft belanghebbende de vereiste aangifte gedaan? 5.10.1.

Een brutowinstpercentage van 75 leidt naar het oordeel van het Hof tot een veel hoger bedrag aan verschuldigde OB dan belanghebbende heeft aangegeven. Om tot dit oordeel te komen heeft het Hof de onder 5.9.2 weergegeven tabel als uitgangspunt genomen en de bedragen op rij 3 (de totale geschatte omzet) berekend op basis van een brutowinstpercentage van 75%. Vervolgens heeft het alle bedragen in de tabel dienovereenkomstig aangepast, waarbij het ook de bedragen op de rijen 4 en 5 (respectievelijk de ‘vrijgestelde omzet’ en de ‘verlegde omzet’) berekend heeft op basis van een brutowinstpercentage van 75 en heeft het daarna de niéuwe bedragen (op de rijen 7, 8 en 9) in zijn oordeel over de vereiste aangifte betrokken.

De ‘nageheven OB’ (rij 9 in de tabel) is - absoluut en relatief gezien - dermate veel hoger dan de aangegeven OB (rij 8), dat, in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft overwogen onder 5.4.1 en 5.4.2, geen andere conclusie denkbaar is dan dat de volgens de aangiften verschuldigde OB op zichzelf beschouwd en verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. 5.10.2. Gelet op de ernst van de gebreken in de Administratie en al hetgeen belanghebbende daarover verklaard heeft (zie 5.2.8 en 5.4.4), acht het Hof met betrekking tot de heffing van OB aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften hiervan wist of zich ervan bewust had moeten zijn. 5.10.3.

Het Hof concludeert dan ook dat belanghebbende de vereiste aangiften voor de OB niet heeft gedaan. 4e geschilpunt: Berusten de naheffingsaanslagen op een redelijke schatting? 5.11. In aanmerking genomen hetgeen in 5.5 is overwogen, heeft de inspecteur in redelijkheid als basis voor zijn schatting een brutowinstpercentage van 100 op de ‘inkopen volgens de Administratie’ kunnen nemen. Hetzelfde heeft te gelden voor de hoogte van de vrijgestelde en verlegde omzet (zie de onder 5.9.2 opgenomen tabel, rijen 4 en 5), alsmede het niet van toepassing zijn van.de kleine ondernemersregeling.

Naar het oordeel van het Hof berusten de naheffingsaanslagen derhalve op een redelijke schatting. 5e geschilpunt: Heeft belanghebbende overtuigend aangetoond dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn? 5.12. In aanmerking genomen hetgeen onder 5.6 is overwogen heeft belanghebbende naar ’s Hofs oordeel niet overtuigend aangetoond dat de bedragen aan na te heffen OB (zie rij 9 van de in 5.9.2 opgenomen tabel) door de inspecteur te hoog zijn berekend. Het incidenteel hoger beroep 5.13.1. In zijn incidenteel hoger beroepschrift stelt belanghebbende voor wat betreft de navordering van IB dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat sprake is van een nieuw feit. (…) Slotsom 5.14.

De slotsom is dat het principaal hoger beroep van de inspecteur (deels) gegrond is en dat het incidenteel hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd zoals onder 7 is opgenomen. 3Het geding in cassatie 3.1 Belanghebbenden hebben tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbenden hebben hun standpunt mondeling doen toelichten. 3.2 Voor de inhoud van het eerste tot en met het derde middel verwijs ik naar de samenhangende zaak 20/01457.

Voor de inhoud van het vierde middel verwijs ik naar de samenhangende zaak 20/01463. Naar mijn mening falen de eerste vier middelen. 3.3 Het vijfde middel luidt: Schending van het recht, in het bijzonder van de artikelen 67d en 67e AWR, en verzuim van vormen in de zin van artikel 8:77 Awb, doordat het Hof oordeelde dat [A] opzet kan worden verweten bij het doen van aangiften inkomstenbelasting, zulks echter zoals hierna wordt uiteengezet ten onrechte, dan wel op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen. 3.4 De toelichting bij het vijfde middel luidt:

Door de inspecteur zijn aan [A] vergrijpboeten opgelegd bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2009, 2010 en 2011. In r.o. 5.7.1 e.v. oordeelt het Hof dat [A] op de hoogte was van de veelheid aan en de ernst van de gebreken in de administratie, daarbij maakt het Hof een uitzondering voor de valse inkoopbonnen omdat [A] daarvan is vrijgesproken in de strafzaak. Echter 's Hofs oordeel over de gebrekkigheid van de administratie is bijna volledig gebaseerd op de valsheid van de inkoopbonnen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is onbegrijpelijk welke vele andere ernstige gebreken zouden kunnen bijdragen aan de verwijtbare wetenschap van [A] . 3.5 Het zesde middel luidt:

Schending van het recht, in het bijzonder van de artikelen 67d en 67e AWR, en verzuim van vormen in de zin van artikel 8:77 Awb, doordat het Hof oordeelde dat de vergrijpboeten passend en geboden zijn, zulks echter zoals hierna wordt uiteengezet ten onrechte, dan wel op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen. 3.6 De toelichting bij het zesde middel luidt: In r.o. 5.7.9 oordeelt het Hof dat door een 'korting' van 10% te geven op de boete in voldoende mate rekening is gehouden met het feit dat de aanslagen met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast zijn vastgesteld.

Bij de beoordeling van de ernst van het gepleegde feit is de omvang van het (potentieel) veroorzaakte nadeel een gezichtspunt, maar dan moet het wel gaan om het daadwerkelijke nadeel en niet om een fictief of denkbeeldig nadeel. Ofwel louter de uitkomst van een schatting, in stand gebleven door toepassing van de omkering van de bewijslast, kan niet dienen als basis. De vraag die dan naar voren komt, is hoe de werking van de omkering van de bewijslast moet worden verdisconteerd in de ernst van het gepleegde feit. In de rechtspraak, zo ook in de onderhavige zaak, valt als rode draad te onderkennen dat voor die werking een (geringe) korting wordt gegeven op de door de inspecteur vastgestelde boete of wordt beoordeeld of de door de inspecteur verleende korting vanwege deze omstandigheden adequaat is.

Een dergelijke korting doet echter geen recht aan de zaak. Om de omkering van de bewijslast, als factor die bij de boeteoplegging geen rol zou behoren te spelen op grond van de onschuldpresumptie van artikel 6, lid 2, EVRM, op een juiste wijze te elimineren bij de beoordeling van de ernst van het gepleegde feit zou het uitgangspunt moeten zijn dat de inspecteur onder toepassing van de normale bewijsregel (aannemelijk maken) het 'voordeel' van de belastingplichtige dient te onderbouwen. De uitkomst daarvan, 'het voordeel', dient vervolgens als grondslag voor de door de rechter vast te stellen vergrijpboete.

Op deze manier wordt bij het bepalen van een vergrijpboete bij omkering recht gedaan aan artikel 6 EVRM. Nu het Hof niet voor deze lijn heeft gekozen, doch slechts heeft beoordeeld of de door de inspecteur verleende korting afdoende compensatie is voor de toegepaste omkering van de bewijslast, wordt de onschuldpresumptie geschonden. Als gevolg van deze schending is het oordeel van het Hof onjuist althans onbegrijpelijk. 3.7 Het zevende middel luidt: Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 6 EVRM, en verzuim van vormen in de zin van artikel 8:77 Awb doordat het Hof oordeelde dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn aan [A] moet worden toegerekend, zulks echter zoals hierna wordt uiteengezet ten onrechte, dan wel op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen. 3.8 De toelichting bij het zevende middel luidt:

Bij het beoordelen van de vergrijpboeten gaat het Hof in r.o. 5.7.11 e.v. ook in op de vraag of de redelijke termijn voor de onderhavige zaak is overschreden. Het Hof komt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden met een jaar en 5 maanden. Het Hof ziet echter reden om een deel van die overschrijding, te weten zes maanden, aan de ingewikkeldheid van de zaak toe te rekenen. Dat oordeel van het Hof is onbegrijpelijk. Uit de data van deze zaak volgt dat de hoger beroepsprocedure net de tweejaarstermijn niet heeft aangetikt. Dat betekent dat de vertraging te vinden is in de bezwaarprocedure en de procedure in eerste aanleg bij de rechtbank.

Als ik met name dit laatste punt erbij pak, dan volgt uit de data dat in november 2015 beroep is ingesteld bij de rechtbank en dat de rechtbank pas op 28 februari 2018 uitspraak heeft gedaan. Daarbij heeft de zitting bij de rechtbank op 6 december 2017 plaatsgevonden. Een en ander betekent dat de zaak bijna 2 jaar heeft stilgelegen bij de rechtbank alvorens de zaak op zitting kwam. Een feit dat niets heeft te maken met de ingewikkeldheid van deze zaak maar veel meer met de werkachterstanden waarmee de belastingkamer van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, te kampen heeft.

Uit het jaarverslag rechtspraak 2018 volgt in paragraaf 2f wat de gemiddelde doorlooptijden van een bestuursrechtzaak, waaronder belastingzaken vallen, zijn. Uit dit overzicht volgt dat bij rechtbanken de gemiddelde doorlooptijd 32 weken is. De rechtbank Haarlem zit bij lange na niet aan een dergelijke doorlooptijd. De doorlooptijd voordat de onderhavige zaak op zitting stond was om en nabij de 104 weken. De gevolgen die aan deze enorme werkachterstand moeten worden verbonden ten aanzien van de redelijke termijn kunnen niet worden 'weggeschreven' als ingewikkeldheid van de zaak en zodoende worden afgewenteld op de belastingplichtige.

Die gevolgen moeten voor rekening (en risico) van de Staat der Nederlanden blijven. Het is immers ook alleen de Staat die aan deze achterstanden iets kan doen. Een belastingplichtige die vraagt om versnelde behandeling of om een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn krijgt een standaardbriefje terug dat de rechtbank over de planning van de zittingen gaat en dat een belastingplichtige daar geen invloed op kan uitoefenen. Het Hof heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn is te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak en aldus de termijn van de redelijke termijn te verlengen.

Het andersluidende oordeel van het Hof is derhalve onjuist en/of onbegrijpelijk. 4Wetgeving, parlementaire geschiedenis en jurisprudentie Wetgeving 4.1 Artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna ook: AWR) luidt, voor zover van belang voor het onderhavige geschil:

1. Indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.

2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door: a. het bedrag van de aanslag, dan wel b. indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het bedrag waarop de aanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen; een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet van de belastingplichtige niet zou zijn geheven. (…) 4.2 Artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt, voor zover van belang voor het onderhavige geschil:

1. Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag, een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.

2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door: a. het bedrag van de navorderingsaanslag, dan wel b. indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het bedrag waarop de navorderingsaanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen; een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige niet zou zijn geheven. (…) 4.3 Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) luidt, voor zover hier van belang:

1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. (…) Wetsgeschiedenis 4.4 Bij de totstandkoming van artikel 27e van de AWR is in de parlementaire geschiedenis het volgende vermeld: Artikel 27e Het bestuursorgaan moet op grond van artikel 6, tweede lid, EVRM bij het opleggen van een boete de opzet of grove schuld van de betrokkene bewijzen. De zogenoemde omkering van de bewijslast is derhalve niet van toepassing met betrekking tot de zogenoemde vergrijpboeten, dat zijn de bestuurlijke boeten ter zake van meer ernstig beboetbare feiten waarvoor het bestaan van opzet of grove schuld een vereiste is.

Dit is voor de duidelijkheid expliciet opgenomen in artikel 29, eerste lid, Awr. In het onderhavige wetsvoorstel wordt dit zowel opgenomen in artikel 25, zesde lid, (bezwaar) als in artikel 27e (beroep). Voor het bepalen van de grondslag van de bedoelde bestuurlijke boeten wordt, voorzover sprake is van opzet of grove schuld, aangesloten bij de feitelijk geheven belasting. Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast, zoals ook aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag inzake het wetsvoorstel 24 800 (kamerstukken II 1997/98, 24 800, nr. 7, blz. 6).

Een andere opvatting zou tot grote praktische complicaties leiden. Jurisprudentie 4.5 De Hoge Raad oordeelde op 18 januari 2008 dat bij de beoordeling van de hoogte van een opgelegde vergrijpboete ervan wordt uitgegaan dat de feitelijk geheven belasting de verschuldigde belasting is, óók als de hoogte daarvan is komen vast te staan met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast. Dit ontslaat de rechter evenwel niet van zijn verplichting om te beoordelen of een opgelegde vergrijpboete gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie is voor het vergrijp dat is begaan.

Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat hiertoe de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast. Op grond van het in artikel 6, tweede lid, EVRM neergelegde vermoeden van onschuld moet de inspecteur bij het opleggen van een boete de opzet of grove schuld van de betrokkene bewijzen: 3.6.1. Middel IV, onderdeel a.1, stelt onder meer de vraag aan de orde hoe de laatste volzin moet worden uitgelegd van artikel 29, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen - hierna: de AWR - (zoals die bepaling luidde van 1 januari 1998 tot 1 september 1999) en artikel 27e van de AWR (vanaf laatstvermelde datum). 3.6.2.

Deze artikelen schrijven voor dat wanneer de belastingplichtige aan bepaalde, daar opgesomde verplichtingen niet of niet volledig heeft voldaan, de rechter het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. In de evenbedoelde laatste volzin is vervolgens bepaald dat het daarvóór bepaalde geen toepassing vindt voor zover het beroep is gericht tegen een vergrijpboete. 3.6.3. Voor zover het middelonderdeel berust op de opvatting dat op grond van deze laatste volzin in het kader van de beoordeling van een vergrijpboete de inspecteur dient te bewijzen dat het bedrag van de belasting waarop het vergrijp betrekking heeft - en dat voor de inspecteur de grondslag voor de boete heeft gevormd - juist is vastgesteld, ook indien voor de belastingheffing dat bedrag al met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast (op grond van het overigens in artikel 29, lid 1, dan wel artikel 27e van de AWR bepaalde) is komen vast te staan, heeft het volgende te gelden. 3.6.4.

Bij de totstandkoming van artikel 29, lid 1, van de AWR per 1 januari 1998, is over die laatste volzin onder meer het volgende opgemerkt: 'Op grond van het in artikel 6, tweede lid, EVRM neergelegde vermoeden van onschuld moet de inspecteur bij het opleggen van een boete de opzet of grove schuld van de betrokkene bewijzen. De belastingplichtige mag niet worden belast met het bewijs van het tegendeel (vergelijk Hoge Raad 15 juli 1988, BNB 1988/270). (...) De grondslag van de vergrijpboeten wordt bij aanslagbelastingen afgezien van situaties van verliesverrekening gevormd door het bedrag van de (navorderings)aanslag voorzover dat bedrag als gevolg van de opzet (of de grove schuld) van de belastingplichtige niet zou zijn geheven (het voorgestelde artikel 67d, tweede lid, en artikel 67e, tweede lid, AWR).

De grondslag van de vergrijpboeten bij de aangiftebelastingen wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald voorzover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald (het voorgestelde artikel 67f, tweede lid, AWR). Voor het bepalen van de grondslag van de vergrijpboeten wordt dus, voorzover sprake is van opzet (of grove schuld), aangesloten bij de feitelijk geheven belasting. Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast.

Een andere opvatting zou tot grote praktische complicaties leiden.' (Kamerstukken II 1997/98 24 800, nr. 7, blz. 6). Bij de totstandkoming van artikel 27e van de AWR is dit herhaald: 'Het bestuursorgaan moet op grond van artikel 6, tweede lid, EVRM bij het opleggen van een boete de opzet of grove schuld van de betrokkene bewijzen. De zogenoemde omkering van de bewijslast is derhalve niet van toepassing met betrekking tot de zogenoemde vergrijpboeten, dat zijn de bestuurlijke boeten ter zake van meer ernstig beboetbare feiten waarvoor het bestaan van opzet of grove schuld een vereiste is.

Dit is voor de duidelijkheid expliciet opgenomen in artikel 29, eerste lid, Awr. In het onderhavige wetsvoorstel wordt dit zowel opgenomen in artikel 25, zesde lid, (bezwaar) als in artikel 27e (beroep). Voor het bepalen van de grondslag van de bedoelde bestuurlijke boeten wordt, voorzover sprake is van opzet of grove schuld, aangesloten bij de feitelijk geheven belasting. Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast, zoals ook aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag inzake het wetsvoorstel 24 800 (...).

Een andere opvatting zou tot grote praktische complicaties leiden.' (Kamerstukken II 1997/98, 25 175, nr. 5, blz. 27). 3.6.5. Uit deze passages blijkt van de bedoeling van de wetgever dat bij de beoordeling van een vergrijpboete ervan wordt uitgegaan dat de feitelijk geheven belasting - indien ook daarover een rechtsgeding aanhangig is gemaakt: zoals deze door de rechter in stand wordt gelaten - de verschuldigde belasting is, óók als de hoogte daarvan is komen vast te staan met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast. De meervermelde laatste volzin heeft naar die bedoeling uitsluitend het gevolg dat op de inspecteur de bewijslast blijft rusten dat de belastingplichtige 1) opzettelijk of met grove schuld 2) een van de in de artikelen 67d tot en met 67f van de AWR opgesomde vergrijpen heeft begaan.

Van die vergrijpen is de hoogte van de verschuldigde belasting als zodanig niet een element. 3.6.6. De tekst van meervermelde bepaling is, tegen de achtergrond van het systeem van de wet, met die bedoeling niet onverenigbaar. In dat systeem geschiedt immers de vaststelling van het bedrag van de belasting afzonderlijk van de vaststelling van de boete door de inspecteur; bij laatstbedoelde gelegenheid wordt het bedrag van de belasting niet opnieuw afzonderlijk vastgesteld. 3.6.7. Gelet op het hiervoor in 3.6.4 tot en met 3.6.6 overwogene kan de in 3.6.3 bedoelde opvatting niet als juist worden aanvaard. 3.6.8.

De hiervoor in 3.6.5 vermelde omstandigheid dat naar de bedoeling van de wetgever bij de beoordeling van een vergrijpboete ervan wordt uitgegaan dat de feitelijk geheven belasting de verschuldigde belasting is, óók als de hoogte daarvan is komen vast te staan met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast, ontslaat de rechter evenwel niet van zijn verplichting om te beoordelen of een opgelegde vergrijpboete gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie is voor het vergrijp dat is begaan. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat hiertoe de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast. 4.6 De Hoge Raad oordeelde op 13 november 2015 dat indien de zogenoemde omkering van de bewijslast moet worden toegepast, aan de door de inspecteur gemaakte schatting slechts de eis kan worden gesteld dat deze redelijk, niet naar willekeur, is vastgesteld: 2.1.

De bestreden navorderingsaanslagen, boeten en beschikkingen inzake heffingsrente houden verband met het zogenoemde project Bank Zonder Naam . 2.1.1. Belanghebbende heeft steeds ontkend houder te zijn van een buitenlandse bankrekening die volgens de Inspecteur (mede) op zijn naam stond, en heeft geweigerd informatie te verstrekken waarom de Inspecteur op de voet van artikel 47 AWR heeft verzocht. 2.1.2. Bij het berekenen van de ontwikkeling van het saldo van voormelde bankrekening is de Inspecteur uitgegaan van een jaarlijkse groei met een enkelvoudig percentage van 23,5. 2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de navorderingsaanslag en de daarbij opgelegde boete moeten worden verminderd. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende steeds heeft ontkend en geweigerd de gevraagde informatie te verstrekken, waardoor de schending van artikel 47 AWR reeds voorafgaande aan het opleggen van de navorderingsaanslag is voltooid en omkering en verzwaring van de bewijslast in de bezwaarfase dus vaststaat. Daarin brengt artikel 52a AWR geen verandering omdat de Inspecteur noch in de bezwaarfase, noch na de datum van inwerkingtreding van artikel 52a AWR (1 juli 2011) belanghebbende opnieuw heeft gevraagd inlichtingen te verstrekken, aldus nog steeds het Hof.

Tegen deze oordelen richten zich de door belanghebbende voorgestelde middelen I tot en met V. 2.3. Het Hof heeft tevens geoordeeld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat het in 2.1.2 genoemde percentage van 23,5 is gebaseerd op een redelijke schatting. Tegen dit oordeel richt zich het door de Staatssecretaris voorgestelde middel. 3Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen(…) 3.2.Middel V betoogt dat de bewijslast niet had mogen worden omgekeerd en verzwaard zonder het nemen van een informatiebeschikking in de bezwaarfase.

Het middel faalt. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 29 mei 2008. De vanaf 1 juli 2011 in artikel 27e, lid 1, AWR opgenomen eis van een informatiebeschikking kan niet worden gesteld indien het (hoger) beroep is gericht tegen een uitspraak op bezwaar die is gedaan voor 1 juli 2011 (HR 2 oktober 2015, nr. 14/02335, ECLI:NL:HR:2015:2795, V-N 2015/50.4). (…) 4Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel De Inspecteur heeft zijn schatting van het verzwegen vermogen onderbouwd met een beroep op gemiddelden die zijn ontleend aan het verloop van tegoeden en/of beleggingen ten name van andere rekeninghouders, waarbij de omvang en samenstelling van die groep van achterhaalde rekeninghouders voldoende aannemelijk maakt dat die gemiddelden ook voor het door belanghebbende verzwegen vermogen kunnen gelden.

Door te eisen dat de Inspecteur bovendien aannemelijk maakt dat de relevante persoonlijke omstandigheden van belanghebbende niet wezenlijk verschillen van hetgeen gemiddeld bij de zojuist bedoelde groep van achterhaalde rekeninghouders kon worden waargenomen, heeft het Hof een te vergaande eis gesteld. Daarmee heeft het Hof miskend dat indien, zoals in het onderhavige geval, de zogenoemde omkering van de bewijslast moet worden toegepast, aan de door de Inspecteur gemaakte schatting slechts de eis kan worden gesteld dat deze redelijk, niet naar willekeur, is vastgesteld.

De omstandigheid dat de bewijslast is omgekeerd brengt mee dat de Inspecteur kon volstaan met een op gemiddelde gegevens gebaseerde schatting tenzij de belanghebbende doet blijken dat hij zich in een wezenlijk andere positie heeft bevonden dan de (andere) achterhaalde rekeninghouders, en het door hem aangehouden tegoed daarom ook niet hetzelfde verloop te zien kan hebben gegeven. Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof ten aanzien van het bewijs van de omvang van het verzwegen vermogen een onjuiste rechtsopvatting heeft gevolgd, is het derhalve terecht voorgesteld.

Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. 4.7 Omkering van de bewijslast verplicht niet in alle gevallen tot vermindering van een vergrijpboete, aldus blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2012: 3.1. Het Hof heeft met betrekking tot de opgelegde vergrijpboetes geoordeeld dat de omstandigheid dat belanghebbende is geconfronteerd met omkering van de bewijslast in het onderhavige geval geen omstandigheid is die tot vermindering van de boetes aanleiding geeft. Voor zover middel I berust op de opvatting dat deze omstandigheid in alle gevallen moet leiden tot vermindering van de boete, faalt het, aangezien die opvatting geen steun vindt in het recht. 4.8 In het arrest van 22 april 2005 heeft de Hoge Raad algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6, lid 1, EVRM.

De redelijkheid van de duur van berechting van een boetezaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak. Het oordeel van de feitenrechter over de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval: 4 Beschouwingen naar aanleiding van het in het incidentele beroep voorgestelde middel 4.1.

Het middel bevat een klacht aangaande hetgeen het Hof heeft beslist op het punt van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in onder meer artikel 6, lid 1, EVRM. Het is de Hoge Raad bekend dat in de praktijk behoefte bestaat aan meer duidelijkheid over de vraag wanneer sprake is van inbreuk op het recht van de beboete op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn en het gevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. Daarom zal de Hoge Raad, deels in afwijking van zijn eerdere rechtspraak terzake, enige algemene uitgangspunten en regels formuleren waarnaar hij zich in fiscale boetezaken voortaan zal richten.

Daarbij zal de Hoge Raad uitgaan van de terminologie van het huidige Hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Het navolgende geldt echter gelijkelijk in zaken waarin nog sprake is van een verhoging als bedoeld in de artikelen 9, 18, 21 en 22 van de AWR zoals deze wet luidde tot 1 januari 1998. In zaken waarin het gerechtshof als enig gerecht in feitelijke instantie heeft beslist, geldt hetgeen hierna in 4.3 wordt overwogen met betrekking tot de behandeling van de zaak in eerste aanleg. Aanvang van de redelijke termijn 4.2.

Of op het aan de beboete toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk wordt gemaakt, hangt af van het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Als zodanige handelingen dienen in elk geval aangemerkt te worden de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 67g, lid 2, en 67k, lid 1, AWR. Duur van de redelijke termijn4.3. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als hierna in 4.5 vermeld.

In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het gerechtshof, behoudens bijzondere omstandigheden als hierna in 4.5 vermeld, uitspraak doet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld. 4.4. Ook wanneer het tijdsverloop in de afzonderlijke fasen van de procedure niet van dien aard is dat geoordeeld moet worden dat de redelijke termijn is overschreden, valt niet uit te sluiten dat in bijzondere gevallen de totale duur van het geding zodanig is dat een inbreuk op artikel 6, lid 1, EVRM moet worden aangenomen.

Het is evenwel ook denkbaar dat de zaak in een eerdere fase met bijzondere voortvarendheid is behandeld, zodanig dat de overschrijding van de redelijke termijn in een latere fase daardoor wordt gecompenseerd. 4.5. De redelijkheid van de duur van berechting van een boetezaak is voorts afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden: a. de ingewikkeldheid van de zaak; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek, de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede verknochtheid van het beboetbare feit met andere belastbare feiten betreffende dezelfde of andere belastingplichtige(n); b. de invloed van de beboete en/of diens raadsman/gemachtigde op het procesverloop; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend het doen van verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen. c. de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid in het nemen van besluiten nadat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen; d. de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die is betracht bij de controle op de voortgang van het schriftelijk debat tussen partijen, bij de appointering en afhandeling van het onderzoek ter zitting, en in de fase tussen de laatste partijhandeling en de uitspraak .

Gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn 4.6. Overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot vermindering van de boete, afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Ambtshalve te verrichten toetsing; motiveringseisen 4.7. De rechter dient ambtshalve te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op de onderhavige garantie van artikel 6, lid 1, EVRM. Hij behoeft in zijn uitspraak echter alleen in de volgende gevallen te doen blijken van dat onderzoek: a. als door of namens de beboete terzake een klacht is aangevoerd, aangezien op een zodanige klacht een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven; b. als tussen het tijdstip waarop de beboete laatstelijk in de gelegenheid was een klacht terzake aan te voeren, en het tijdstip waarop uitspraak is gedaan, zoveel tijd is verstreken dat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden, zonder nadere motivering onbegrijpelijk zou zijn.

Dit laatste is het geval indien de wettelijke termijn voor het doen van uitspraak niet in acht is genomen en mede daardoor de hiervoor onder 4.3 vermelde termijn van twee jaar is overschreden. 4.8. In geval van vermindering van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn dient de rechter in zijn uitspraak aan te geven in welke mate de boete is verlaagd. Dit betekent dat in de uitspraak ook vermeld dient te worden welke boete passend zou zijn geoordeeld indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Toetsing door de Hoge Raad als cassatierechter 4.9.

Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vóór de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd: a. het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijkheid van voormeld tijdsverloop en - in voorkomend geval - de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval; b. het gevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan een door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts worden getoetst op begrijpelijkheid. 4.10.

Opmerking verdient dat niet voor het eerst in cassatie met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop tot aan het tijdstip waarop de beboete laatstelijk in de gelegenheid was een klacht terzake aan te voeren, wanneer de beboete dat heeft nagelaten. (…) 4.9 In afwijking van het bovengenoemde arrest, hanteert de Hoge Raad in de cassatiefase de volgende uitgangspunten bij een overschrijding van de redelijke termijn: Beoordeling ambtshalve van de duur van de procedure in cassatie 4.1. (…) In afwijking van onderdeel 4.12 van zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37984, BNB 2005/337, zal de Hoge Raad bij het bieden van compensatie voor de hieruit voortvloeiende schending van artikel 6 van het EVRM voortaan de hierna onder 4.2 te vermelden uitgangspunten hanteren: 4.2.

Toetsing door de Hoge Raad als feitenrechter 4.2.1. De Hoge Raad oordeelt in volle omvang over de eventuele overschrijding van de redelijke termijn (mede) als gevolg van het tijdsverloop n de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. 4.2.2. De vermindering van de boete is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. 4.2.3. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden wordt de boete verminderd:

1. met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder;

2. met 10% bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden; een en ander met dien verstande dat: - de omvang van de vermindering in deze gevallen niet meer bedraagt dan € 2500, en - geen vermindering wordt toegepast indien het gaat om een boete die minder beloopt dan € 1000. De Hoge Raad zal in een dergelijk geval volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, lid 1, van het EVRM. 4.2.4.

In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden zal de Hoge Raad naar bevind van zaken handelen. 4.10 Uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid dat het opzet van de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke vorm, gericht is geweest op het doen van de onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften. Uit de bewijsvoering behoeft niet te kunnen worden afgeleid dat zijn mededaders — ook indien één van hen de aangifteplichtige was — dit opzet eveneens hadden, aldus blijkt uit het arrest van de Hoge Raad 6 maart 2012: 5.3 De middelen stellen de vragen aan de orde of bij veroordeling van de verdachte ter zake van het medeplegen van het opzettelijk doen van een onjuiste en/of onvolledige belastingaangifte, uit de bewijsvoering niet alleen het opzet van de verdachte moet kunnen volgen, maar tevens dat van zijn mededaders, almede of daarvoor van belang is dat niet op de verdachte, maar op een van zijn mededaders de wettelijke plicht rust tot het doen van de desbetreffende belastingaangifte. 5.4.

Beide vragen moeten ontkennend worden beantwoord omdat zij miskennen dat het gaat om het vaststellen van het opzet van de verdachte in zijn strafzaak en niet om dat van zijn mededaders. In een geval als het onderhavige geldt derhalve dat uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid dat het opzet van de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke vorm, gericht is geweest op het doen van de onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften. Uit de bewijsvoering behoeft niet te kunnen worden afgeleid dat zijn mededaders — ook indien één van hen de aangifteplichtige was — dit opzet eveneens hadden.

Het oordeel van het Hof geeft mitsdien geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 4.11 Onder opzet valt ook voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat een onjuiste aangifte zou worden gedaan, en dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Ik verwijs in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2004: 3.1. In de zaak met betrekking tot de navorderingsaanslag over 1992 heeft het Hof - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat van algemene bekendheid is dat onroerende zaken in de periode tussen 1983 en 1992 als regel aanzienlijk in waarde zijn gestegen - het Hof verwijst in dit verband naar de onweersproken gebleven stelling van de Inspecteur dat de prijzen op de woningmarkt in de periode van 1984 tot 1993 met circa 50 percent zijn gestegen -, dat belanghebbende de onderwerpelijke onroerende zaak in 1983 heeft aangekocht voor f 250 000 en dat zij bij haar aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 1992 is uitgegaan van een voor dat jaar in aanmerking te nemen vrije verkoopwaarde van f 100 000.

Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende kennelijk na de eigendomsverkrijging de waarde van de onroerende zaak niet meer heeft geverifieerd, aan de hand van een taxatierapport of anderszins, en dat belanghebbende aldus, toen zij bij de voor het jaar 1992 in aanmerking te nemen forfaitaire huurwaarde eigen woning f 660 invulde, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat haar aangifte op dat punt onjuist was. Deze oordelen moeten aldus worden verstaan dat belanghebbende volgens het Hof bekend was met de algemene stijging van de woningprijzen, en dientengevolge mede ermee bekend dat zij, wanneer zij naliet de waarde van de onroerende zaak te verifiëren en desondanks de aangifte deed zoals zij heeft gedaan, de aanmerkelijke kans liep dat de aangifte wat betreft de forfaitaire huurwaarde onjuist was en zich aldus willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans een onjuiste aangifte te doen.

Aldus verstaan geven deze oordelen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Als verweven met waarderingen van feitelijke aard kunnen zij voor het overige in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. Zij zijn in het licht van de door het Hof van algemene bekendheid geachte waardestijging ook niet onbegrijpelijk. Het tegen deze oordelen gerichte onderdeel C van middel II faalt derhalve. en naar het arrest van de Hoge Raad van 29 februari 2008: 3.5.3. In dit verband heeft belanghebbende voor het Hof onder meer betoogd dat de omstandigheid dat zij zich heeft gewend tot een gerenommeerd kantoor als Loyens en Volkmaars, en haar aangiftebiljet naar dat kantoor heeft laten sturen, veeleer duidt op het tegenovergestelde, namelijk dat zij juist wel aan haar fiscale verplichtingen wenste te voldoen.

Het Hof heeft dit betoog onbesproken gelaten. Daardoor heeft het zijn hiervoor in 3.5.1 weergegeven oordeel onvoldoende gemotiveerd. Immers, indien juist is dat belanghebbende Loyens en Volkmaars opdracht heeft gegeven tot het verzorgen en indienen van haar aangifte, is het vermoeden gewettigd dat zij beoogde de Inspecteur de juiste inlichtingen te verschaffen, en ligt in beginsel de veronderstelling in de rede dat haar, ter zake dat het door haar beoogde resultaat is uitgebleven, geen ernstiger verwijt treft dan dat zij geen afdoende controle heeft uitgeoefend op de voortgang van de aan Loyens en Volkmaars opgedragen werkzaamheden.

Dat verwijt kan echter niet worden gekwalificeerd als opzet om de Inspecteur de juiste inlichtingen te onthouden, en slechts dan worden gekwalificeerd als daarop gericht voorwaardelijk opzet indien het achterwege laten van voortgangscontrole op Loyens en Volkmaars de aanmerkelijke kans in het leven riep dat Loyens en Volkmaars de opgedragen taak zou verzaken, dat belanghebbende wetenschap had van die aanmerkelijke kans, en dat zij die kans bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). (…) 3.7.1. Middel V in het principale beroep keert zich ertegen dat het Hof uit het feit dat belanghebbende, bijgestaan door een fiscaal deskundige, geen aangifte heeft gedaan en geen vragen heeft beantwoord en ook anderszins geen adres heeft opgegeven aan de Belastingdienst, heeft afgeleid dat zij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat over de hiervoor in 3.1.9 opgesomde inkomensbestanddelen geen belasting zou worden geheven, zodat zij het vergrijp heeft begaan als bedoeld in artikel 67e AWR. 3.7.2.

Aldus oordelend heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Indien het ervan is uitgegaan dat belanghebbende ervoor had in te staan dat de door haar ingeschakelde adviseur (Loyens en Volkmaars) de aangifte indiende, in die zin dat steeds sprake is van voorwaardelijk opzet van belanghebbende indien Loyens en Volkmaars dat zou nalaten, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Van voorwaardelijk opzet, als ingevolge artikel 67e (minimaal) vereist, is, voor zover in dit verband van belang, eerst dan sprake indien belanghebbende geen afdoende controle heeft uitgeoefend op de voortgang van de aan Loyens en Volkmaars opgedragen werkzaamheden, het achterwege laten van voortgangscontrole op Loyens en Volkmaars de aanmerkelijke kans in het leven riep dat Loyens en Volkmaars de opgedragen taak zou verzaken en dientengevolge geen belasting zou worden geheven, belanghebbende wetenschap had van die aanmerkelijke kans, en zij die kans bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Indien het Hof is uitgegaan van deze opvatting omtrent voorwaardelijk opzet, heeft het zijn oordeel dat daarvan sprake is onvoldoende gemotiveerd. 4.12 Bij arrest van 3 december 2010 heeft de Hoge Raad overwogen dat om te kunnen constateren tot aanwezigheid van opzet, vastgesteld moet worden of de vereiste bewustheid in feite aanwezig is geweest bij degene aan wie een boete is opgelegd: 3.4.1. Voor zover het eerste middel erover klaagt dat het Hof aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, is het terecht voorgesteld. De omstandigheid dat een belastingplichtige had moeten weten dat zijn aangifte onjuist of onvolledig is, brengt niet mee dat hem de voor opzet vereiste bewustheid met betrekking tot die onjuistheid of onvolledigheid kan worden verweten.

Nu het Hof in zijn uitspraak niet heeft vastgesteld of die bewustheid in dit geval aanwezig was, kan die uitspraak niet in stand blijven. Het eerste middel behoeft voor het overige geen bespreking. 3.4.2. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwd onderzoek naar de vraag of sprake was van kwade trouw. Daarbij verdient opmerking dat in een geval als het onderhavige, waarin een te lage aanslag is opgelegd als gevolg van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking in de aangifte, slechts sprake is van kwade trouw indien de daarvoor vereiste bewustheid aanwezig was ten tijde van het doen van die aangifte (HR 13 augustus 2010, nr. 08/03431, LJN BN3830, BNB 2010/296 ). 3.5.

Het Hof heeft de vergrijpboete gehandhaafd, onder meer overwegende dat het aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende is te wijten dat de oorspronkelijke aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Daartoe heeft het Hof mede van belang geacht dat belanghebbende heeft nagelaten om op enig moment tussen het indienen van de aangifte en het opleggen van de aanslag de Inspecteur te informeren over het door hem ontvangen afkoopbedrag, waardoor belanghebbende naar het oordeel van het Hof de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven.

Tegen dit oordeel richt zich het tweede middel. 3.6.1. Ook bij de beoordeling van een vergrijpboete geldt dat de bewustheid die vereist is om (voorwaardelijk) opzet te kunnen aannemen in een geval als het onderhavige aanwezig moet zijn op het moment waarop de aangifte werd gedaan. 's Hofs oordeel geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre slaagt het tweede middel; dat middel behoeft voor het overige geen bespreking. Op dit punt dient eveneens verwijzing plaats te vinden. 3.6.2. Daarbij verdient nog opmerking dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet, voor zover in dit verband van belang, niet alleen is vereist dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen); vgl. Hoge Raad 29 februari 2008, nr. 43 274, LJN BC5346, BNB 2008/156.

Voorts heeft de Hoge Raad in 2013 beslist dat voorwaardelijk opzet een bewuste aanvaarding vereist van de aanmerkelijke kans dat van een belanghebbende te weinig belasting zou worden geheven: 3.1.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht tot navordering is overgegaan aangezien de adviseur ter zake te kwader trouw is geweest en die kwade trouw aan belanghebbende dient te worden toegerekend. 3.1.3. Het Hof heeft daartoe overwogen dat de adviseur bij het opstellen van de aangifte had onderkend dat belanghebbendes vermogen was toegenomen door een uitkering van een verzekeringsmaatschappij, en dat belanghebbende de adviseur had meegedeeld dat het een uitkering uit een kapitaalverzekering betrof.

In onderdeel 7.3 van zijn uitspraak heeft het Hof overwogen dat het naar aanleiding hiervan op de weg van de adviseur lag nadere informatie en bescheiden inzake de gestelde kapitaalverzekering bij belanghebbende op te vragen. Indien daaruit zou blijken dat inderdaad sprake was geweest van een uitkering uit een kapitaalverzekering, had de adviseur zich naar het oordeel van het Hof ervan dienen te vergewissen dat die uitkering geen belastbaar rentebestanddeel bevatte. Indien de adviseur nadere informatie en bescheiden zou hebben opgevraagd, zou het hem naar het oordeel van het Hof onmiddellijk duidelijk zijn geworden dat sprake was van afkoop van een in 1978 afgesloten kapitaalverzekering met lijfrenteclausule.

De adviseur had vervolgens moeten onderzoeken of op een dergelijke verzekering de bepaling van Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is, aldus het Hof. De adviseur diende hiertoe naar het oordeel van het Hof na te gaan of en in hoeverre de onderwerpelijke uitkering volgens de op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 op 31 december 2000 geldende regels tot de inkomsten uit vermogen zou behoren. Door na te laten deze nadere informatie en bescheiden op te vragen en zich in de toepasselijke wettelijke bepalingen te verdiepen, heeft de adviseur zich volgens onderdeel 7.4 van de uitspraak van het Hof willens en wetens blootgesteld aan de niet als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat te weinig belasting zou worden betaald door de ontvangen uitkering niet in de aangifte te vermelden.

Naar het oordeel van het Hof is dit aan te merken als voorwaardelijk opzet en is er derhalve sprake van kwade trouw bij de adviseur. 3.2. Het middel slaagt voor zover het zich keert tegen de hiervoor in 3.1.3 vermelde gronden waarop het Hof voorwaardelijk opzet van de adviseur heeft aangenomen. Anders dan het Hof in onderdeel 7.4 van zijn uitspraak heeft geoordeeld, brengt de omstandigheid dat de adviseur heeft nagelaten nadere informatie en bescheiden op te vragen en zich in de toepasselijke wettelijke bepalingen te verdiepen, ook indien die adviseur dit wel behoorde te doen, nog niet de voor voorwaardelijk opzet vereiste bewuste aanvaarding mee van de aanmerkelijke kans dat van belanghebbende te weinig belasting zou worden geheven (vgl. HR 30 september 2011, nr. 10/01297, LJN BT5846, BNB 2012/13). 4.13 Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat een strafrechtelijke vrijspraak niet eraan in de weg hoeft te staan dat in een latere gerechtelijke procedure de gedragingen waarvan de belanghebbende is vrijgesproken, als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs bewezen worden verklaard, mits de rechterlijke autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van een vrijspraak van hetgeen de verdachte in de strafzaak werd verweten.

Aldus oordeelde de Hoge Raad op 2 juni 2017: 2.4.2. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt tevens dat een strafrechtelijke vrijspraak niet eraan in de weg hoeft te staan dat in een latere gerechtelijke procedure de gedragingen waarvan de belanghebbende is vrijgesproken, als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs bewezen worden verklaard, mits de rechterlijke autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van een vrijspraak van hetgeen de verdachte in de strafzaak werd verweten (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 13/03959, ECLI:NL:HR:2015:643, BNB 2015/173, rechtsoverweging 2.6.6) 5Beoordeling 5.1 Voor de beoordeling van de eerste drie middelen verwijs ik naar de conclusie in de zaken van de echtgenotes van belanghebbenden.

Voor de boordeling van het vierde middel wordt verwezen naar de conclusie in de zaak van de VOF. Ik ben gekomen tot de conclusie dat de eerste vier middelen falen. 5.2 Het vijfde middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat bij belanghebbende sprake was van (voorwaardelijk) opzet. Gesteld wordt dat 's Hofs oordeel over de gebrekkigheid van de administratie bijna volledig is gebaseerd op de valsheid van de inkoopbonnen. Omdat belanghebbende is vrijgesproken in de strafzaak voor de valse inkoopbonnen, is het zonder nadere toelichting onbegrijpelijk welke vele andere ernstige gebreken zouden kunnen bijdragen aan de verwijtbare wetenschap van deze belanghebbende, aldus het middel. 5.3 Het Hof heeft geoordeeld: 5.7.4.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende (met uitzondering van de vervalsingen van de inkoopbonnen waarvan de strafkamer expliciet heeft geoordeeld dat niet bewezen is dat belanghebbende daarvan wist; zie 2.25.2, onder VI) op de hoogte was van de veelheid aan en de ernst van de gebreken in de Administratie. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende vervolgens op basis van die Administratie aangiften IB doet is het Hof van oordeel dat belanghebbende - minst genomen - zich ervan bewust is geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond - en hij die kans bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen; vgl. HR 29 februari 2008, nr. 43274, ECLI:NL:HR:2008:BC5346) - dat de aangiften IB over de in geschil zijnde jaren voor wat betreft de aangegeven belastbare winsten onjuist waren, maar zich daardoor niet heeft laten weerhouden de aangiften te doen zoals hij heeft gedaan, en zich aldus willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans onjuiste aangiften te doen (vgl. HR 3 1 januari 2003, nr. 37511, ECLI:NL:HR:2003:AE8092) 5.7.5.

Dat belanghebbende (zelf) is vrijgesproken van het valselijk opmaken van de Administratie doet hier niet aan af. Immers allereerst is belanghebende - als enig ondernemer in [R] (voor 2009) en als firmant in de VOF (voor de jaren 2010 en 2011), in welke vennootschap belanghebbende een dominante rol vervulde (zie 2.3) - zelf verantwoordelijk voor de - deels - ernstige onder 5.2.8 opgesomde tekortkomingen in de Administratie (bijvoorbeeld de afwezigheid van een kasboek en het ontbreken van een adequate voorraadadministratie). Voorts is belanghebbende ook zelf verantwoordelijk voor het indienen van zijn eigen aangiften 5.4 Naar mijn mening heeft het Hof aldus voldoende gemotiveerd dat belanghebbende op de hoogte was van de veelheid aan en de ernst van de gebreken in de administratie.

Het Hof heeft de (overige) tekortkomingen in de administratie opgesomd in r.o. 5.2.8. Een en ander heeft het Hof geleid tot zijn beslissing in r.o. 5.2.10: In aanmerking genomen de aard en omvang van de onder 5.2.8 genoemde tekortkomingen, leiden deze gebreken, mede in het licht van de onder 5.2.9 opgesomde feiten en omstandigheden, naast de vervalsingen van de inkoopbonnen (zie 5.2.3), ieder afzonderlijk maar ook tezamen, mede in onderling verband bezien, tot de conclusie dat de Administratie niet kan dienen als grondslag voor de winstberekening. 5.5 Het lijkt mij, gezien het voorgaande, feitelijk niet juist dat ’s Hofs oordeel over de gebrekkigheid van de administratie bijna volledig zou zijn gebaseerd op de valsheid van de inkoopbonnen.

Daardoor ontbreekt aan dit middel voldoende feitelijke grondslag. 5.6 Verder heeft het Hof met zijn motivering van de beslissing geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van een vrijspraak van hetgeen belanghebbende in de strafzaak werd verweten. Het Hof heeft immers de vervalsingen van de inkoopbonnen uitgezonderd voor de onderbouwing van zijn beslissing. 5.7 Aldus strandt het vijfde middel. 5.8 Het zesde middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de vergrijpboeten passend en geboden zijn. Gesteld wordt dat om de omkering van de bewijslast op juiste wijze te elimineren bij de beoordeling van de ernst van het feit, het uitgangspunt moet zijn dat de Inspecteur met toepassing van de normale bewijsregels aannemelijk moet maken welk bedrag als grondslag voor de boeteoplegging moet dienen.

Het Hof heeft de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het EVRM geschonden door niet voor deze benadering te kiezen, aldus het middel. 5.9 Het Hof heeft geoordeeld dat vanwege de door de Inspecteur toegepaste vermindering van de vergrijpboeten met 10-procentpunten (opzet 50%, wordt 40%) in voldoende mate rekening is gehouden met het feit dat de in geschil zijnde aanslagen met behulp van de omkering van de bewijslast zijn vastgesteld: 5.7.7. Al het voorgaande in aanmerking genomen achtte de inspecteur boeten van 50% in beginsel passend en geboden.

Hij heeft uiteindelijk boeten van 40% opgelegd. 5.7.8. In zijn arrest van 18 januari 2008 (nr. 41832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962) overwoog de Hoge Raad: “3.6.8. De (...) omstandigheid dat naar de bedoeling van de wetgever bij de beoordeling van een vergrijpboete ervan wordt uitgegaan dat de feitelijk geheven belasting de verschuldigde belasting is, óók als de hoogte daarvan is komen vast te staan met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast, ontslaat de rechter evenwel niet van zijn verplichting om te beoordelen of een opgelegde vergrijpboete gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie is voor het vergrijp dat is begaan.

Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat hiertoe de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast.” 5.7.9. Naar het Hof begrijpt is de achtergrond van de vermindering met 10-procentpunten (van 50 naar 40%) op rechtsoverweging 3.6.8 in bovenstaand arrest gebaseerd. Hiermee is in voldoende mate rekening gehouden met het feit dat de in geschil zijnde aanslagen met behulp van de omkering zijn vastgesteld. 5.10 Ik merk op dat er bij de beoordeling van de passendheid van een vergrijpboete in uitgangspunt van wordt uitgegaan dat de feitelijk geheven belasting de verschuldigde belasting is, óók als de hoogte daarvan is komen vast te staan met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast.

Dit ontslaat de rechter evenwel niet van zijn verplichting om te beoordelen of een opgelegde vergrijpboete gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie is voor het vergrijp dat is begaan. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat hiertoe omkering van de bewijslast is toegepast. 5.11 Het Hof heeft het voorgaande niet miskend en heeft de boeten van 40% passend en geboden geacht.

Het betoog van het middel (dat het uitgangspunt moet zijn dat de Inspecteur met toepassing van de normale bewijsregels aannemelijk moet maken welk bedrag als grondslag voor de boeteoplegging moet dienen) vindt geen steun in de genoemde jurisprudentie en wetsgeschiedenis. 5.12 Daarop stuit het zesde middel af. 5.13 In het zevende middel wordt bij wege van motiveringsklacht opgekomen tegen het oordeel van het Hof dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn is te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak. Belanghebbenden stellen onder andere dat de lange doorlooptijd van de onderhavige zaak een gevolg is van een enorme werkachterstand bij de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem:

In november 2015 beroep is ingesteld bij de rechtbank en dat de rechtbank pas op 28 februari 2018 uitspraak heeft gedaan. Daarbij heeft de zitting bij de rechtbank op 6 december 2017 plaatsgevonden. Een en ander betekent dat de zaak bijna 2 jaar heeft stilgelegen bij de rechtbank alvorens de zaak op zitting kwam. Een feit dat niets heeft te maken met de ingewikkeldheid van deze zaak maar veel meer met de werkachterstanden waarmee de belastingkamer van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, te kampen heeft. Uit het jaarverslag rechtspraak 2018 volgt in paragraaf 2f wat de gemiddelde doorlooptijden van een bestuursrechtzaak, waaronder belastingzaken vallen, zijn.

Uit dit overzicht volgt dat bij rechtbanken de gemiddelde doorlooptijd 32 weken is. De rechtbank Haarlem zit bij lange na niet aan een dergelijke doorlooptijd. De doorlooptijd voordat de onderhavige zaak op zitting stond was om en nabij de 104 weken. De gevolgen die aan deze enorme werkachterstand moeten worden verbonden ten aanzien van de redelijke termijn kunnen niet worden 'weggeschreven' als ingewikkeldheid van de zaak en zodoende worden afgewenteld op de belastingplichtige. Die gevolgen moeten voor rekening (en risico) van de Staat der Nederlanden blijven.

Het is immers ook alleen de Staat die aan deze achterstanden iets kan doen. Een belastingplichtige die vraagt om versnelde behandeling of om een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn krijgt een standaardbriefje terug dat de rechtbank over de planning van de zittingen gaat en dat een belastingplichtige daar geen invloed op kan uitoefenen. Het Hof heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn is te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak en aldus de termijn van de redelijke termijn te verlengen.

Het andersluidende oordeel van het Hof is derhalve onjuist en/of onbegrijpelijk. 5.14 Ik merk hierbij op dat het Hof zijn uitgangspunten in r.o. 5.7.13 wat anders heeft verwoord: Het Hof doet uitspraak op 19 maart 2020. Sinds de ‘kennisgeving’ van de Boeten is derhalve vijf jaar en (afgerond) vijf maanden verstreken. Het Hof stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van vier jaar (twee jaar voor de periode tot aan de rechtbankuitspraak en twee jaar voor de hoger beroepsfase) is overschreden met één jaar en vijf maanden (undue delay; vergelijk Hoge Raad 19 december 2008, nr. 42763, ECLI:NL:HR:2008:BD0191).

Het Hof ziet reden om een deel van de overschrijding, en wel zes maanden, aan de ingewikkeldheid van de zaak toe te rekenen. 5.15 Het Hof heeft reden gezien om een deel van de overschrijding, en wel zes maanden, aan de ingewikkeldheid van de zaak toe te rekenen. De duur van de redelijke termijn is daarmee door het Hof vastgesteld op vier jaar en zes maanden. Deze termijn is met elf maanden overschreden. 5.16 De redelijkheid van de duur van berechting van een boetezaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek, de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede verknochtheid van het beboetbare feit met andere belastbare feiten betreffende dezelfde of andere belastingplichtige(n). 5.17 Het door het Hof gegeven oordeel inzake de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. 5.18 Mijn inziens kan het oordeel van het Hof niet als onbegrijpelijk worden aangemerkt.

Op basis van de vaststaande feiten heeft het Hof kunnen en mogen oordelen dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn is te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak. 5.19 Overigens merk ik op dat de eventuele omstandigheid dat een deel van het tijdsverloop het gevolg is van een werkachterstand bij de Rechtbank Noord-Holland, nog niet behoeft te betekenen dat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk zou worden in het licht van alle omstandigheden van het geval. Het Hof heeft zes maanden van de totale termijn van vijf jaar en vijf maanden toegerekend aan de ingewikkeldheid van de zaak.

Dit oordeel wordt niet onbegrijpelijk als er een verband aanwijsbaar is tussen de werkachterstand bij de Rechtbank Noord-Holland en de vereiste zorgvuldige behandeling van meer ingewikkelde zaken, zoals deze. 5.20 Daarmee faalt ook het zevende middel. 6Conclusie De conclusie strekt ertoe dat de onderscheiden beroepen in cassatie van belanghebbenden ongegrond dienen te worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Gerechtshof Amsterdam 19 maart 2020, nrs. 18/00198 tot en met 18/00210, ECLI:NL:GHAMS:2020:994.

Gerechtshof Amsterdam 19 maart 2020, nrs. 18/00214 tot en met 18/00216, ECLI:NL:GHAMS:2020:996. Het vijfde middel ontbreekt in de zaak 20/01461, omdat de belanghebbende in die zaak niet is vrijgesproken van valsheid in geschrift. Zvw voor de jaren 2006, 2007 en 2011, zie r.o. 1.1. van de hofuitspraak. Zie r.o. 5.2.8 van de hofuitspraak, onderdeel 2.4 van deze conclusie. De eerste drie middelen beoordeel ik inhoudelijk in de conclusie in de zaak met de nummers 20/01457 en 20/0162 van de echtgenote van belanghebbende. Het vierde middel beoordeel ik in de conclusie in de zaak met nummer 20/1463 van de vennootschap onder firma.

De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten. AG: V1 = Verbalisant 1 ( [K] ) Rechtbank Noord-Holland, 28 februari 2018, nrs. HAA 15/5034 tot en met HAA 15/5046, ECLI:NL:RBNHO:2018:1282. Dit middel ontbreek in de parallel-zaak 20/01461. Noot A-G: [X1] (20/01460). Artikel 27e van de AWR luidt:1.

Indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.2.Indien de rechtbank het beroep tegen een in artikel 52a, eerste lid, bedoelde informatiebeschikking ongegrond verklaart, stelt de rechtbank een nieuwe termijn voor het voldoen aan de in die beschikking bedoelde verplichtingen, in situaties waarin daar nog gevolg aan kan worden gegeven, tenzij sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.3.Dit artikel vindt geen toepassing voor zover het beroep is gericht tegen een vergrijpboete.

Kamerstukken II 1997/98, 25 175, nr. 5, blz.

27. HR 18 januari 2008, nr. 41832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962. HR 13 november 2015, nr. 14/01744, ECLI:NL:HR:2015:3291. HR 17 februari 2012, nrs.11/02251 en 11/02252, ECLI:NL:HR:2012:BV5140. HR 22 april 2005,nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. HR 19 december 2008, nr. 42 763, ECLI:NL:HR:2008:BD0191. HR 6 maart 2012, nr. S 09/04384, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596. HR 13 februari 2004, nr. 39 477, ECLI:NL:HR:2004:AO3643. HR 29 februari 2008, nr. 43 274, ECLI:NL:HR:2008:BC5346. HR 3 december 2010, nr. 09/04514, ECLI:NL:HR:2010:BO5989. HR 31 mei 2013, nr. 12/01060, ECLI:NL:HR:2013:BY7673. HR 2 juni 2017, 15/05179, ECLI:NL:HR:2017:958. Zaak nr. 20/01457 en 20/01462. Zaak nr. 20/01463. Het vijfde middel speelt alleen in de zaak van [X1] (20/01460). Zie onderdeel 3.3 en 3.4. Zie onderdeel 2.4. Zie 2.4. Zie 4.13. Zie 3.5 en 3.6. Zie 2.4. Zie 4.4 en 4.5. R.o. 5.7.10 van de hofuitspraak, zie 2.4. Zie 4.4 tot en met 4.7. Zie 3.7 en 3.8. R.o. 5.7.12 van de hofuitspraak; zie 2.4. R.o. 4.5 van het arrest van 22 april 2005, zie 4.8. R.o. 4.9 van het arrest van 22 april 2005, zie 4.8.