ECLI:NL:PHR:2021:646 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedPROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/02994 Zitting 18 mei 2021 (bij vervroeging) CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, hierna: de verdachte. De verdachte is bij arrest van 19 juni 2019 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens de eendaadse samenloop van 1. “Opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering” en 2. “In een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien dagen, met aftrek van het voorarrest.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:2021:646 · Parket bij de Hoge Raad: Hofstee In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, hierna: de verdachte. De verdachte is bij arrest van 19 juni 2019 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens de eendaadse samenloop van 1. “Opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering” en 2. “In een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien dagen, met aftrek van het voorarrest.
Full text
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/02994 Zitting 18 mei 2021 (bij vervroeging) CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, hierna: de verdachte. De verdachte is bij arrest van 19 juni 2019 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens de eendaadse samenloop van 1. “Opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering” en 2. “In een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien dagen, met aftrek van het voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 19/02986 en 19/02987. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen. Het beroep in cassatie is ingesteld namens de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie voorgesteld. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen en kan de verdachte in het cassatieberoep niet worden ontvangen. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte in deze zaak niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG