Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2021:189 ECLI:NL:PHR:2021:189 AI generated

ECLI:NL:PHR:2021:189 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2021:189
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 30 januari 2019 de omvang van het voordeel dat de betrokkene wederrechtelijk heeft verkregen geschat op € 353.656,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.

Legislator headnote

AI generated

artikel 437 lid 2 Sv; ECLI:NL:PHR:2021:189 · Parket bij de Hoge Raad: Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge artikel 437 lid 2 Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

Keywords

AI generated
artikel 437 lid 2 Sv

Cited Legislation

AI generated
artikel 437 lid 2 Sv
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge artikel 437 lid 2 Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/00604 P Zitting 12 januari 2021 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [betrokkene] , geboren te [betrokkene] op [geboortedatum] 1944, hierna: de betrokkene.

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 30 januari 2019 de omvang van het voordeel dat de betrokkene wederrechtelijk heeft verkregen geschat op € 353.656,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.

2. De zaak hangt samen met een tweetal andere zaken tegen de verdachte (19/00603 en 19/00605) alsmede met de straf- en of ontnemingszaken tegen de medeverdachten (19/00597, 19/00528, 19/00529, 19/00576 en 19/00578). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.

4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge artikel 437 lid 2 Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG