ECLI:NL:PHR:2020:662 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedHet gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, heeft bij arrest van 12 december 2018 onder aanvulling van gronden bevestigd het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 23 februari 2018 waarbij de verdachte wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van zestig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen dertig dagen hechtenis, en waarbij is gelast de tenuitvoerlegging van een eerder in de zaak met parketnummer 23/003437-16 voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 900, subsidiair achttien dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden, een ander zoals in het vonnis vermeld.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:2020:662 · Parket bij de Hoge Raad: Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik het volgende op. Blijkens de stukken is het beroep in cassatie ingesteld op 7 januari 2019, zodat de verdachte – nu hij ter terechtzitting van het hof van 12 december 2018 was verschenen – ingevolge artikel 432 lid 1, aanhef en onder b, Sv in het beroep niet kan worden ontvangen.
Full text
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/00120 Zitting 12 mei 2020 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, heeft bij arrest van 12 december 2018 onder aanvulling van gronden bevestigd het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 23 februari 2018 waarbij de verdachte wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van zestig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen dertig dagen hechtenis, en waarbij is gelast de tenuitvoerlegging van een eerder in de zaak met parketnummer 23/003437-16 voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 900, subsidiair achttien dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden, een ander zoals in het vonnis vermeld.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik het volgende op. Blijkens de stukken is het beroep in cassatie ingesteld op 7 januari 2019, zodat de verdachte – nu hij ter terechtzitting van het hof van 12 december 2018 was verschenen – ingevolge artikel 432 lid 1, aanhef en onder b, Sv in het beroep niet kan worden ontvangen.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 december 2018 heeft het hof tevens uitspraak gedaan op 12 december 2018.