Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2020:316 ECLI:NL:PHR:2020:316 AI generated

ECLI:NL:PHR:2020:316 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2020:316
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/02177 Datum 2 april 2020 Belastingkamer B Onderwerp/tijdvak Vaststelling premiepercentage Werkhervattingskas 2016 Nr. Gerechtshof 18/00743 Nr. Rechtbank LEE 17/3544 CONCLUSIE R.L.H. IJzerman in de zaak van [X] B.V. tegen de Staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X] B.V., belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (hierna: het Hof) van 27 maart 2019. 1.2 Belanghebbende heeft haar toenmalige werknemer [A] (ofschoon ex-werknemer, hierna ook in citaten, aangeduid als: de werknemer) na een ziekteperiode ontslagen, vanwege het verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie conform de Wet Verbetering Poortwachter. 1.3 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV), dat belast is met de toekenning van uitkeringen, heeft aan de werknemer, bij besluit van 9 januari 2013, een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: de WIA) toegekend (hierna: het toekenningsbesluit).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2020:316 · Parket bij de Hoge Raad: Op grond van artikel 38, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) stelt Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ten behoeve van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) voor alle takken van bedrijf en beroep een gelijk rekenpercentage en gemiddeld percentage vast. De gedifferentieerde premie Whk is opgebouwd uit drie premiecomponenten: WGA voor vaste dienstbetrekkingen (WGA-vast), WGA voor flexibele dienstbetrekkingen (WGA-flex) en ZW voor flexibele dienstbetrekkingen (ZW). Ten behoeve van deze drie premiecomponenten wordt voor elk premiecomponent afzonderlijk een rekenpercentage en een gemiddeld percentage vastgesteld.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2000:AA4064
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen, aanslagnummer 001, opgelegd ten bedrage van f 3.591,-- aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak alsmede de naheffingsaanslag heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHARL:2019:2607
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a.
ECLI:NL:PHR:2017:1414
17/02450, ECLI:NL:PHR:2017:1414.
ECLI:NL:HR:1978:AX3264
12 april 1978.nr. 18.452DG. De Hoge Raad der Nederlanden, Gezien het beroepschrift in cassatie van de gemeente [X] tegen de uitspraak van de Tariefcommissie van 2 november 1976 betreffende de haar opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor de jaren 1969 tot en met 1972; Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest strekkende tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam; Gezien de stukken; Overwegende dat aan belanghebbende een aanslag tot naheffing van omzetbelasting voor de jaren 1969 tot en met 1972 is opgelegd tot een bedrag van ƒ 265.772,53 aan enkelvoudige belasting, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd;
ECLI:NL:HR:1978:AC2432
12 april 1978.Nr. 18.464.LR. De Hoge Raad der Nederlanden, Gezien het beroepschrift in cassatie van [X1] en [X2] beiden te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 februari 1977 betreffende de na te melden aanslag in het recht van schenking; Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest strekkende tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar een ander Gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van het door de Hoge Raad te wijzen arrest; Gezien de stukken; Overwegende dat ter zake van na te melden verkrijging een aanslag in het recht van schenking is opgelegd naar een verkrijging van ƒ 54.350,--, welke aanslag, na door belanghebbenden daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur is gehandhaafd, waarna belanghebbenden van de uitspraak van de Inspecteur in beroep zijn gekomen bij het Hof; Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt: "Per 1 mei 1968 heeft [X1] , geboren in 1900, de tot dan toe door hem geëxploiteerde boerderij tot het jaar 2000 verpacht aan zijn in 1940 geboren schoonzoon [X2] . Deze boerderij omvatte de hofstede, plaatselijk bekend [a-straat 1] te [Z] , met 14.29.76 ha land te [Z] en te [Q] . Bedoelde pachtovereenkomst heeft gelopen totdat [X1] het onroerend goed blijkens de transportakte, op 13 maart 1974 verleden ten overstaan van notaris [B] te [R] , onder voorbehoud van het recht van opstal op een gedeelte, groot 2850 ca, van de grond te [Z] voor ƒ 78.000,-- verkocht aan de pachter [X2] en diens echtgenote [A] , de in 1946 geboren dochter van de verkoper, ieder voor de onverdeelde helft. Artikel 3 van evenbedoelde akte luidt als volgt: ""3. Bij vervreemding binnen tien jaar na heden van het hiervoor omschreven verkochte onroerend goed of een gedeelte daarvan, zal terstond na die vervreemding door de vervreemders aan [X1] voornoemd en/of diens rechtverkrijgenden onder algemene titel in contanten worden uitgekeerd:----------- de contra-prestatie van het dan vervreemde bij die vervreemding, verminderd met: a. de contra-prestatie (eventueel te berekenen) van het dan vervreemde bij de vervreemding van heden, b. hetgeen in de hiervoor bedoelde toekomstige contra-prestatie is begrepen wegens verbeteringen, aangebracht door de komparanten [X2] en/of [A] en/of hun rechtverkrijgenden onder algemene titel en wegens stijging van de prijzen van landbouwgronden tussen de vervreemding van heden en de hiervoor bedoelde toekomstige vervreemding,--------- (leidt het vorenstaande tot een negatief bedrag dan zal uiteraard niets worden uitgekeerd),--- alles op straffe van een onmiddellijk opeisbare boete groot driemaal het krachtens het vorenstaande uit te keren bedrag, te verbeuren ten behoeve van [X1] voornoemd en/of diens rechtverkrijgenden onder algemene titel.---------- Al het vorenstaande van dit derde beding is niet van toepassing indien het onroerend goed betrokken wordt bij de ruilverkaveling van [S] en indien de vervreemding van het hiervoor verkochte plaats vindt ter financiering van een door de kopers in deze te verkrijgen ander onroerend goed en/of een ander bedrijf.--------"" Voor de koopsom is bij bedoelde akte volledige kwijtschelding verleend. Tegelijkertijd is blijkens akte, eveneens op 13 maart 1974 ten overstaan van genoemde notaris verleden, door de verkoper aan de kopers per die datum onder hypothecair verband van het overgedragen onroerend goed een geldlening van ƒ 63.000,-- verstrekt tegen een rente van vier procent per jaar met bepaling dat de schuldenaren bevoegd zijn zodanige bedragen op deze lening af te lossen als zij zullen wensen, mits betalende in ronde sommen en op de vervaldata van de rente. Omtrent de opeisbaarheid van het geleende bedrag houdt deze akte sub 3 en 4 het volgende in:""3. De teruggaaf van de hoofdsom met de rente kan eerst gevorderd worden op of na de dertiende maart negentienhonderd negenenzeventig,-------- mits drie maanden tevoren opzegging heeft plaatsgevonden.4. De hoofdsom met de rente zal evenwel, in afwijking van het onder 3 bepaalde, terstond opeisbaar zijn, indien de schuldenaren de rente niet prompt op de verschijndagen betalen, bij faillissement van de schuldenaren of een hunner bij inbeslagneming of onteigening van – en bij brandschade aan het verbonden onroerend goed en in het algemeen bij niet-voldoening door de schuldenaren aan de krachtens deze akte en de wet op hen rustende verplichtingen.--------"" In een verklaring, door de notaris gesteld aan de voet van de transportakte, is voor de daarbij geconstateerde verkrijging met uitzondering van die van het woongedeelte van de boerderij, welks waarde daarbij door de notaris is gesteld op ƒ 9.000,--, een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid letter b, der Wet op belastingen van rechtsverkeer. Ter gelegenheid van de aanbieding van deze akte ter registratie is dienovereenkomstig ƒ 450,-- overdrachtsbelasting geheven. De door [X2] met de exploitatie van de boerderij – aanvankelijk als pachter, later als eigenaar – over de jaren 1971 tot en met 1975 voor de heffing van de inkomstenbelasting aangegeven bedrijfswinsten bedroegen achtereenvolgens ƒ 20.800,--, ƒ 27.900,--, ƒ 32.900,--, ƒ 36.800,-- en ƒ 35.400,--. Tot het gezin van hem en zijn echtgenote behoren twee kinderen, onderscheidenlijk geboren in 1969 en in 1971. Na plaatselijke opneming schatte de Inspecteur de waarde van het verkochte onroerend goed per 13 maart 1974 met inachtneming van het lopende pachtcontract op ƒ 132.350,--, waaronder het woongedeelte was begrepen voor ƒ 15.000,--. Deze taxatie gaf de Inspecteur niet alleen aanleiding tot naheffing van overdrachtsbelasting tot een bedrag van ƒ 300,--, maar ook tot het vaststellen van de onderwerpelijke aanslag in het recht van schenking. Naar zijn oordeel was hier namelijk sprake van een materiële schenking door [X1] aan zijn dochter en schoonzoon ten belope van het verschil, groot ƒ 54.350,--, tussen de overdrachtsprijs en de waarde van het onroerend goed. Deze aanslag is daarbij als volgt door hem berekend: bevoordeling ƒ 54.350,-- vrijstelling ƒ 2.000,-- belast ƒ 52.350,-- waarvan ƒ 50.000,-- à 3-9% = ƒ 3.820,-- en ƒ 2.350,-- à 11% = ƒ 258,50 ƒ 4.078,50 in mindering te brengen overdrachtsbelasting 5% van (15.000/132.350) x f 52.350,-- = f 296,-- blijft f 3,782.50. 5% van x ƒ 52.350,-- = ƒ 296,-- blijft ƒ 3.782,50. Bij de afdoening van het bezwaarschrift tegen deze aanslag bleek aan de Inspecteur dat bij evenbedoelde schatting ten onrechte geen rekening was gehouden met het recht van opstal, hetwelk de verkoper zich als voormeld had voorbehouden op een gedeelte, groot 2850 ca. van de grond. In verband hiermede schatte de Inspecteur de waarde, met inachtneming van dat recht èn van het lopende pachtcontract ten tijde van de verkoop in het economische verkeer aan het overgedragen onroerend goed toe te kennen, nader op ƒ 129.100,--. Anderzijds kwam hij tot de slotsom dat de verkrijgers niet alleen door de verkoop, maar ook door de omzetting van een gedeelte ad ƒ 63.000,-- van de koopschuld in een leenschuld waren bevoordeeld – zulks in verband met de rentevoet en de bepalingen omtrent de opeisbaarheid – en wel tot een aanzienlijk hoger bedrag dan ƒ 3.250,--, het verschil tussen de eerste en de tweede taxatie. Op grond hiervan oordelend dat de aan belanghebbenden opgelegde aanslag in het schenkingsrecht ondanks de bij de taxatie van het onroerend goed aanvankelijk gemaakte fout niet te hoog, maar integendeel nog aanzienlijk te laag was, heeft de Inspecteur die aanslag gehandhaafd."; Overwegende dat het Hof het standpunt van belanghebbenden als volgt heeft omschreven: "Noch de overeenkomst tot verkoop van de reeds aan zijn schoonzoon verpachte boerderij, noch de met deze verkoop onmiddellijk samenhangende geldlening – in feite vormen deze overeenkomsten één geheel – is door [X1] aangegaan uit liberaliteit. Bij de vaststelling van de prijs op ƒ 78.000,-- en de omzetting van ƒ 63.000,-- van de koopschuld in een leenschuld à 4% rente heeft de verkoper zich namelijk uitsluitend laten leiden door de wens zijn schoonzoon en dochter van een sober bestaan te verzekeren met instandhouding van het bedrijf; zwaardere condities zouden een rendabele exploitatie voor hen stellig onmogelijk hebben gemaakt. Van een schenking in de zin van artikel 1, tweede lid, der Successiewet 1956 is hier dan ook geen sprake. Dat [X1] zijn schoonzoon en dochter niet boven zijn tweede kind heeft willen bevoordelen – hij heeft nog een dochter –, blijkt ook uit de regeling welke in punt 3 van de transportakte voor het geval van latere vervreemding van het onroerend goed is neergelegd. Ware het echter anders, dan zou heffing van schenkingsrecht toch in strijd zijn met het recht, immers schending inhouden van het vertrouwen dat schenkingsrecht hier niet zou worden geheven, door de belastingplichtigen te ontlenen aan de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 25 augustus 1965, nummer D 5/4310 (P.W. 17.691, Vakstudie-Nieuws van 6 oktober 1965, punt 17), zoals deze nader is toegelicht in een brief van 24 februari 1966, gepubliceerd in het Correspondentieblad van de Broederschap der Notarissen van maart 1966. In casu is namelijk sprake van een bedrijfsoverdracht als bedoeld in die resolutie, waaraan niet afdoet dat [X1] zijn boerderij in twee fasen heeft overgedragen, namelijk eerst aan zijn schoonzoon heeft verpacht en pas enige tijd later in eigendom overgedragen. Ten slotte betekent de door de Inspecteur toegepaste "compensatie" van de aanvankelijk te hoge schatting van het onroerend goed enerzijds met een gedeelte van de achteraf door hem aangenomen materiële bevoordeling via de omzetting van een gedeelte van de koopschuld in een leenschuld anderzijds in wezen een gedeeltelijke navordering van schenkingsrecht ter zake van die lening, zonder dat een nieuw feit aanwezig is. Weliswaar eist artikel 52 der Successiewet 1956 voor navordering niet de aanwezigheid van zodanig feit, maar bij de resolutie van 4 november 1959, nummer D 9/4470, gepubliceerd in B.N.B. 1961/242, heeft de Staatssecretaris aan de Inspecteurs medegedeeld dat zij de wet voortaan behoorden toe te passen alsof ook navordering van schenkingsrecht alleen mogelijk zou zijn op grond van een novum. Ook op dit punt is in deze sprake van schending van vertrouwen, opgewekt door een resolutie van de Staatssecretaris."; Overwegende dat het Hof omtrent het standpunt van de Inspecteur heeft vermeld, dat hij heeft volhard bij zijn conclusie dat de bestreden uitspraak dient te worden gehandhaafd; Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen: "dat beide partijen van oordeel zijn – het is door de gemachtigde ter zitting desgevraagd erkend – dat het door [X1] aan zijn schoonzoon en dochter verkochte onroerend goed, met inachtneming van het lopende pachtcontract en van het voorbehoud van het recht van opstal op een perceeltje ter grootte van 2850 ca., in het economische verkeer ten tijde van de verkoop een waarde had van ƒ 129.100,--; dat tussen partijen voorts in confesso is dat op evenbedoeld tijdstip de contante waarde van de vier procent rentende en gedurende vijf jaren, behoudens bijzondere omstandigheden, niet opeisbare vordering, welke de verkoper op de kopers kreeg door omzetting van een gedeelte van de koopschuld in een leenschuld, uitgaande van de op dat tijdstip voor hypothecaire leningen geldende rentevoet moest worden gesteld op ƒ 53.136,--, mitsdien ƒ 9.864,-- beneden de nominale waarde; dat het Hof zich op beide punten bij dit gezamenlijk oordeel van partijen zal aansluiten, nu in dit geding van enige juridische onjuistheid te dien aanzien niets is gebleken; dat het Hof eveneens als vaststaande aanneemt dat – gelijk de Inspecteur heeft gesteld en in wezen ook reeds ligt besloten in de stelling van de gemachtigde, dat de condities door partijen zijn afgestemd op de mogelijkheid van een voortgezette rendabele exploitatie van de boerderij – zowel [X1] als diens schoonzoon en dochter zich ten tijde van het aangaan van de overeenkomst tot koop en verkoop en tot omzetting van een gedeelte van de koopschuld in een schuld uit geldlening allen volledig bewust zijn geweest van het feit, dat objectief beschouwd een verschil bestond van rond ƒ 60.000,-- tussen de onmiddellijk realiseerbare verkoopwaarde van het onroerend goed en het nominaal bedrag van de geldlening enerzijds en de door hen voor dat onroerend goed overeengekomen prijs en de contante waarde van die lening anderzijds; dat het Hof aan het vorenstaande, mede bezien in samenhang met hetgeen verder in dit geding omtrent de feiten is gebleken, het vermoeden ontleent dat [X1] tot de litigieuze transactie op voormelde voor de kopers/geldleners zeer voordelige condities heeft besloten uit vrijgevigheid, dat wil zeggen ter wille van het aldus van zijn vermogen in dat van zijn schoonzoon en dochter overgaande voordeel, gelegen in de verschillen tussen prijs en nominaal bedrag enerzijds en (contante) waarde anderzijds; dat de gemachtigde er in dit geding niet in is geslaagd evenbedoeld vermoeden te ontzenuwen; dat toch met name aan de conclusie dat [X1] in deze uit vrijgevigheid heeft gehandeld niet vermag af te doen dat hij zich wellicht, gelijk de gemachtigde heeft betoogd, bij zijn besluit om aan zijn schoonzoon en dochter de boerderij op deze condities over te dragen heeft laten leiden door de wens hun een nog juist rendabele exploitatie van die boerderij mogelijk te maken; dat toch, aangenomen al dat evenbedoelde voorstelling van zaken zou kunnen worden aanvaard, – de cijfers betreffende de bedrijfswinsten van de schoonzoon pleiten daarvoor overigens niet – deze bij [X1] levende wens toch zou moeten worden gerekend tot de motieven waardoor hij zich heeft laten leiden toen hij besloot de kopers ten laste van zijn vermogen als voormeld te bevoordelen; dat in deze blijkens hetgeen hiervoor is overwogen mitsdien moet worden gesproken van een bevoordeling uit vrijgevigheid in de zin van artikel 1, tweede lid, der Successiewet 1956 tot het door de Inspecteur berekende bedrag van ƒ 60.964,--; dat hieraan ook het in artikel 3 van de transportakte gemaakte beding, waarop de gemachtigde zich nog heeft beroepen en dat onder de feiten is overgenomen, niet vermag af te doen; dat toch dit beding het karakter draagt van een aan de materiële bevoordeling verbonden ontbindende voorwaarde, waarmede voor de rechtsheffing pas bij vervulling rekening dient te worden gehouden op de voet van artikel 53 der Successiewet 1956, maar welke als zodanig geenszins wegneemt dat sprake is van liberaliteit aan de zijde van [X1] ; dat daarenboven naar 's Hofs oordeel, gezien onder meer de leeftijden van de verkrijgers en de cijfers betreffende de bedrijfsresultaten, de kans dat de dochter en de schoonzoon van [X1] de boerderij vóór 14 maart 1984 geheel of gedeeltelijk zullen vervreemden anders dan in het kader van een ruilverkaveling of ter financiering van de aankoop van vervangend onroerend goed of van een ander bedrijf, verwaarloosbaar klein dient te worden geoordeeld; dat ook reeds om die reden het betoog van de gemachtigde, dat dit beding de bedoeling van [X1] zou weerspiegelen om zijn schoonzoon en zijn dochter niet te bevoordelen boven zijn tweede kind, moet worden verworpen; dat het beroep op het vertrouwen, door de belastingplichtigen te ontlenen aan de door de gemachtigde genoemde resolutie P.W. 17.691, reeds daarom faalt – nog geheel daargelaten de vraag of die aanschrijving inderdaad, gelijk de gemachtigde stelt maar de Inspecteur gemotiveerd ontkent, enig vertrouwen als door de gemachtigde gesteld voor een geval als het onderhavige werkelijk wettigde – omdat aan de belastingadministratie bij de uitvoering van de in deze toepasselijke bepalingen van de Successiewet 1956 geen beleidsvrijheid toekomt; dat ten slotte ook het beroep van de gemachtigde op het ontbreken van een "nieuw feit" moet worden verworpen reeds op deze grond, dat in deze van "navordering" geen sprake is; dat het verder de Inspecteur vrijstond bij de afdoening van het bezwaarschrift de gronden, waarop de aanslag ter zake van de onderwerpelijke transactie tussen [X1] en diens schoonzoon en dochter berustte, ten dele te wijzigen – uiteraard zonder dat zulks tot verhoging van die aanslag kon leiden – met gebruikmaking van de hem ten dienste staande gegevens betreffende de ook naar het inzicht van de gemachtigde onverbrekelijk met elkander samenhangende verkoop en geldlening; dat ter zake van de door de Inspecteur terecht nader op ƒ 60.964,-- berekende bevoordeling aanmerkelijk meer schenkingsrecht is verschuldigd dan bij de onderwerpelijke aanslag van belanghebbenden is geheven; dat al hetgeen hiervoor is overwogen tot de slotsom voert, dat de door de gemachtigde aangevoerde grieven alle ongegrond zijn;"; Overwegende dat het Hof op die gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd; Overwegende dat belanghebbenden in cassatie, na te hebben opgemerkt, dat waar het Hof, in zijn weergave van de vaststaande feiten, vermeldt dat voor de koopsom bij de op 13 maart 1974 verleden transportakte "volledige kwijtschelding is verleend", kennelijk bedoeld is: "volledige kwijting is verleend", hebben aangevoerd:"1. In 's Hofs weergave van de feiten zijn vermeld inkomsten van de schoonzoon/dochter van 1971 tot en met 1975, door de Inspecteur ter zitting opgegeven; in de namens belanghebbenden overgelegde pleitnota van 18 november 1976 is aangeboden alle gegevens van het inkomen vanaf 1968 over te leggen; hierop is het Hof, ook na de opmerking dat de gegevens van den beginne konden worden gecompleteerd, niet ingegaan. Waar het hier op aankomt is: wat was rond de koopovereenkomst van 1 mei 1968 het te verwachten inkomen van het gekochte en wat zou op dat tijdstip de koopsom kunnen zijn opdat nog juist een rendabele exploitatie mogelijk zou zijn met inspannen van alle krachten en inzet van goede vakkennis en deskundigheid? Ten einde het belang te accentueren van het wel kennis nemen van de gegevens 1968, 1969 en 1970 leggen belanghebbenden de door dezelfde boekhouder vervaardigde jaarstukken bij. Wat het Hof in feite deed was "nakaarten". Voorts merkt de pleitnota op dat de schoonzoon [X2] buiten het gepachte nog – van jaar tot jaar – van derden in gebruik heeft een oppervlakte van ± 2½ ha; een stelling, welke wel niet weersproken is, maar waarmede het Hof ten onrechte toch geen rekening houdt. Immers zo’n bedrijfsvergroting begunstigt meer dan evenredig de winst, omdat alle vaste lasten drukken op de gekochte gronden en gebouwen; zó neemt de schoonzoon het over. Dit alles tot grondslag voor zijn arrest nemende had het Hof dit niet mogen en kunnen doen zonder nader onderzoek.2. Het Hof overweegt ""dat beide partijen van oordeel zijn het is ter zitting door de gemachtigde erkend enzovoorts"". Dit moet op een misverstand berusten; immers in de pleitnota wordt gesteld dit niet te erkennen. Ter zitting is deze mening niet veranderd; de gemachtigde van belanghebbenden kan die waarde niet bepalen en ook de Inspecteur is geen deskundige, maar wel partij; mogelijk is op een vraag van het Hof of de gemachtigde van belanghebbenden de schatting als juist erkende, iets gezegd in deze geest ""och het gaat hier toch om andere vragen, dus laat die vraag maar rusten"". Wanneer het dan volgens 's Hofs uitspraak toch over de waarde gaat, gaat het Hof toch ten onrechte uit van een erkenning, zijnde er een duidelijke ontkenning bij pleidooi, en had het Hof alleen een tussenarrest kunnen wijzen. Voorts wordt nog opgemerkt wat volgens de overgelegde pleitaantekeningen ook reeds bij pleidooi is aangevoerd, namelijk dat de verkoopwaarde gesteld in artikel 21, I, a, der Successiewet 1956 uitgaat van de meest voordelige wijze van verkopen. In een geval als hier is er slechts één gegadigde, dit is de schoonzoon/dochter, waarbij uitgegaan moet worden van de juistheid van een artikel van de Grondwet der Economie dat de ""homo economicus (gelukkig nog) niet bestaat"". Dit is het enige economische verkeer dat denkbaar is en de prijs is die een minimum exploitatiewinst, als voorgeschreven nog mogelijk maakt (bij doorverkoop "afgeroomd" als overeengekomen). Verderop in zijn uitspraak spreekt het Hof over "motief" tot de schenking, anders gezegd tot de vrijgevige overheveling van vermogen; hier is niet van een motief in de gewone zin van het woord sprake, hier is het motief onderdeel van de overeenkomst en er is geen verrijking ten koste van de eigenaar; deze had een boerderij in de veeteeltsector die voor een gelijkwaardige bedrijfsprijs werd verkocht. Gratis overheveling van vermogen had niet plaats.3. Het Hof oordeelt dat er bevoordelingsbedoeling bestond bij de verkoper ten opzichte van de schoonzoon/dochter. De overdracht is geschied onder de claim dat de boerderij door de verkrijgers zou worden geëxploiteerd; bij doorverkoop door de koper moet meer betaald worden. De acte ademt en het is het Hof ook duidelijk blijkens zijn uitspraak, dat het hier gaat om de overdracht van een bedrijf voor levensonderhoud. Naar artikel 392 van het Burgerlijk Wetboek heeft de vader/moeder een plicht tot het verschaffen van onderhoud aan zijn schoonzoon/dochter. Er zijn 2 kinderen, beide dochters; de ene is huisvrouw en gehuwd met een bouwkundige en de andere met een boer, die zelf geen hofstede bezat in eigendom of gebruik. Ten opzichte van deze schoonzoon/dochter (beiden werken in het bedrijf en zijn dus boer (veehouder) en boerin) bestaat de wettelijke plicht hun boer(in) te maken en dit geschiedde hier in 2 fasen, eerst gebruik (omdat koop nog niet gefinancierd kon worden) en nu in eigendom (nadat er door noeste arbeid, zuinigheid en voorspoed wat kapitaal was gespaard). Deze overdracht van een bedrijf moest zo geschieden dat met inspanning van alle krachten, kennis en wetenschap en de nodige zegen van Boven, een net lonende exploitatie mogelijk is, moet er net ""Levensonderhoud naar titel 17 1e boek van het Burgerlijk Wetboek"" inzitten. "De" passende arbeid voor iemand in dit milieu grootgebracht en met ambitie voor het bedrijf is "veehouder". Het Hof te 's-Gravenhage van 5 juni 1974, N.J. 1975, 216, nam de wettelijke financieringsplicht aan voor ouders, om een begonnen studie voor een zoon na zijn meerderjarigheid te kunnen voltooien en om zo een beroep te krijgen. Ten onrechte nam het Hof alzo liberaliteit aan alleen op grond van een waardeverschil (hetwelk bovendien niet in confesso was, zie boven).4. Het Hof overweegt dat de gepubliceerde Ministeriële Resolutie vermeld in P.W. 17.691 niet ter zake is omdat een daarop gegrond vertrouwen niet zou behoeven te worden gehonoreerd omdat aan de administratie bij de uitvoering van de bepalingen der Successiewet 1956 geen beleidsvrijheid toekomt. Hiertegen wordt in dit geval het volgende aangevoerd: De rechter moet sedert 24 juli 1963 rechtspreken naar het bestaande recht en de Hoge Raad kan bij strijd het vonnis of arrest vernietigen (artikel 99 Wet R.O.). Hierdoor is in plaats van "wet" gezet "recht" waardoor het bevorderen der rechtsontwikkeling doeltreffend kan worden. Een van de gebieden waar zich een gunstige ontwikkeling begint af te tekenen is bij schending van het gevestigde vertrouwen, waardoor de norm "behoorlijk bestuur" wordt overtreden. Met betrekking tot deze vraag geeft het Hof geen antwoord en stelt alleen dat dit vertrouwen alleen gehonoreerd kan worden wanneer de belastingadministratie beleidsvrijheid heeft. De Successiewet 1956 heeft inderdaad strikte wettelijke bepalingen, maar even streng staat daarnaast artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (het zogenaamde hardheidsartikel) dat op het successierecht/successiebelasting (artikel 1 van de wet: krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven: recht van successie enzovoort) uiteraard naast artikel 68 der Successiewet 1956 toepasselijk is. De bewuste resolutie is opgenomen onder meer in de Vakstudie in artikel 1 der Successiewet 2 nummer 158, van 25 augustus 1965, D 5/4310; ook had publikatie plaats in het Correspondentieblad van de Notarissen 29 maart 1966. De beleidsvrijheid bestaat bij de Minister, deze kan het volle pond eisen dat de wet toestaat, maar dan ook vanwege het bloed dat dan vloeien zal met minder genoegen nemen. Het is zeker niet de taak van de rechter hem deze vrijheid te ontnemen. Deze voor de contribuabelen ontlastende voorschriften zijn vaak het gevolg van toezeggingen in het parlement aan volksvertegenwoordigers. De Minister is hieraan naar algemene rechtsbeginselen gebonden en het publiek vertrouwt daarop. Bij tal van transacties heeft dit vertrouwen meegespeeld, zo ook hier. Er is alzo wel beleidsvrijheid en het arrest is ook in dit opzicht onjuist. Voor de adstructie van het gestelde mogen belanghebbenden ten overvloede verwijzen; naar Vakstudie Algemene wet inzake rijksbelastingen II Wet administratieve rechtspraak belastingzaken artikel 1 nummer: 14/15 blad 16 boven, 17, 26 onder, 30 boven, 32 onder en 34 midden/artikel 99 Wet R.O. sedert 1963, 36 (hardheid), 37 onder, artikel 17 nummer 4a blad 13, 14b midden, 14c boven en onder, 14d onder "rechtsvinding" artikel 19 nummers 34, 35, 35A, B, C en D.5. De Inspecteur bracht, overigens alleen zijdelings, ter sprake de geldlening, en het daarin schuilende voordeel dat door de Inspecteur onbelast is gelaten en waarvan dus geen proces is gevoerd. De geldlening op die voorwaarden is een onderdeel van de overdracht van het bedrijf, dat gefinancierd moest worden; hiervoor geldt al het voor het onroerend goed opgemerkte. Zijdelings wordt deze echter wel ten tonele gevoerd. Blijkens de uitspraak maakte de Inspecteur een fout bij de bepaling van het volgens hem te belasten bedrag en stelde dit ƒ 3.250,-- te hoog. De heffing had dus verminderd moeten worden met de heffing over dit bedrag. In plaats daarvan stelt de Inspecteur dat – hadde hij de bevoordeling van de lening wel in heffing van schenkingsrecht betrokken hij veel meer geheven zou hebben dan over de ƒ 3.250,-- zodat er door deze fout zeker geen recht op vermindering ontstaat. Dit is een vorm van 1. niet toelaatbare navordering en 2. onjuiste procesvoering, door het betrekken van een niet in geschil geweest zijnde "schenking" voor het eerst in hoger beroep voor de rechter. Wat 1 betreft merken belanghebbenden op dat artikel 52 der Successiewet 1956 niet eist dat een nieuw, de fiscus niet bekend, feit aanwezig is en de Hoge Raad stelde dit ook vast bij arrest van 24 juni 1959. De Minister van Financiën voelde zich hierna gedrongen om, in overeenstemming met verscheidene fiscale wetten een resolutie van 4 november 1959, nummer D 9/4470, B.N.B. 1961/242, te doen publiceren waarin navordering door hem (via zijn ambtenaren) niet zal geschieden zonder novum. Artikel 63 der Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft de mogelijkheid tot deze beleidsvrijheid. Behoorlijk bestuur brengt mee dat het vertrouwen hierop wordt gehonoreerd. Het punt 2 spreekt voor zich zelf. Ook hetgeen het Hof ter zake opmerkt is in strijd met het recht."; Overwegende ten aanzien van de eerste grief: dat deze grief reeds daarom niet tot cassatie kan leiden, omdat zij kennelijk veronderstelt, dat het Hof zou hebben geoordeeld dat de stelling van belanghebbenden, dat de condities van de verkoop waren afgestemd op de mogelijkheid van een voorgezette, nog juist rendabele exploitatie van de boerderij, niet kon worden aanvaard, terwijl het Hof bij zijn beslissing juist ten gunste van belanghebbenden is uitgegaan van de veronderstelling, dat [X1] zich bij zijn besluit om de boerderij op de onderhavige condities over te dragen heeft laten leiden door de wens om een nog juist rendabele exploitatie van die boerderij mogelijk te maken; Overwegende ten aanzien van de tweede grief: dat deze grief, voor zover zij is gericht tegen 's Hofs vaststelling, dat door de gemachtigde van belanghebbenden ter 's Hofs zitting desgevraagd is erkend dat het door [X1] aan zijn schoonzoon en dochter verkochte onroerend goed, met inachtneming van het lopende pachtcontract en van het voorbehoud van het recht van opstal op een perceeltje ter grootte van 2850 ca., in het economisch verkeer ten tijde van de verkoop een waarde had van ƒ 129.100,--, vergeefs opkomt tegen een aan de rechter, die over de feiten oordeelt, voorbehouden vaststelling; dat deze grief voor het overige klaarblijkelijk strekt ten betoge, dat het verkochte in het economisch verkeer een waarde had, die gelijk was aan de daarvoor te dezen bedongen koopprijs, doch dat zij ook in zoverre vergeefs is voorgesteld, vermits 's Hofs beslissing dat die waarde op het hogere bedrag van ƒ 129.100,-- is te stellen van zuiver feitelijke aard is; Overwegende ten aanzien van de derde grief: dat deze grief steunt op de stelling, dat [X1] te dezen niet uit vrijgevigheid maar ter voldoening aan zijn wettelijke onderhoudsplicht heeft gehandeld, doch die stelling, waarvan uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat zij reeds eerder is voorgedragen, omdat zij een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, niet met vrucht voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd; Overwegende ten aanzien van de vierde grief: dat deze grief doel treft, omdat het Hof door het beroep op het vertrouwen dat belanghebbenden stelden te hebben ontleend aan de ministeriële resolutie van 21 augustus 1965, nummer D 5/4310, P.W. 17.691, te verwerpen op de enkele grond, dat aan de belastingadministratie bij de uitvoering van de in deze toepasselijke bepalingen van de Successiewet 1956 geen beleidsvrijheid toekomt, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting; dat immers onder omstandigheden strikte toepassing van de wet, waaruit de belastingschuld rechtstreeks voortvloeit, in die mate in strijd kan komen met een of meer beginselen van behoorlijk bestuur, dat die toepassing achterwege dient te blijven; dat in het algemeen de vraag onder welke omstandigheden dit laatste zich voordoet van geval tot geval moet worden beantwoord door afweging van het beginsel dat de wet moet worden toegepast tegen een of meer in aanmerking komende beginselen van behoorlijk bestuur; dat het een beginsel van behoorlijk bestuur is dat de administratie verwachtingen, welke zij bij een belanghebbende ten aanzien van een door haar te volgen gedragslijn heeft opgewekt en waarop deze zich in redelijkheid tegenover haar mag beroepen, honoreert; dat aan dit beginsel bij een afweging als voormeld doorslaggevende betekenis moet worden toegekend indien een belastingplichtige zodanig vertrouwen heeft mogen ontlenen aan uitlatingen, afkomstig van voor de belastingdienst verantwoordelijke bewindslieden, als kunnen zijn vervat in ministeriële resoluties, welke, al werden zij noch in het Staatsblad noch in de Staatscourant opgenomen, met medewerking of goedvinden van de belastingdienst zijn gepubliceerd en aldus ter kennis van het publiek zijn gekomen; dat immers de voor de belastingdienst jegens de volksvertegenwoordiging verantwoordelijke bewindslieden bevoegd zijn om, desgeraden, in door de wetgever niet voorziene of althans in de wet niet specifiek geregelde gevallen – bij voorbeeld ter wille van de eenvormigheid van uitlegging of toepassing van de belastingwetgeving, ter bevordering van haar practische uitvoerbaarheid en hanteerbaarheid, om een aan de wet ten grondslag liggend beginsel beter tot zijn recht te doen komen dan in de bewoordingen van de wet is geschied, dan wel ter tegemoetkoming aan onbillijkheden van overwegende aard – nadere regelen te geven en zij van die bevoegdheid in ruime mate gebruik plegen te maken; dat derhalve, indien de belastingplichtige zich beroept op vertrouwen dat hij aan uitlatingen als hiervoor genoemd heeft mogen ontlenen, de aanslag dienovereenkomstig behoort te worden vastgesteld, ook al zou de wet de fiscus ter zake niet een bepaalde beleidsvrijheid laten; Overwegende ten aanzien van de vijfde grief: dat, nu in het onderhavige geval, blijkens 's Hofs uitspraak, verkoop en geldlening onverbrekelijk met elkander samenhangen en nu het aan de Inspecteur zou hebben vrijgestaan om ter zake van de in de geldlening schuilende bevoordeling – waarvan geen aangifte voor het recht van schenking was gedaan en kennelijk evenmin reeds ambtshalve zodanig recht was geheven – alsnog een aanslag aan belanghebbenden op te leggen, het de Inspecteur vrijstond bij de afdoening van het tegen de aanslag in het recht van schenking ter zake van de in de verkoop schuilende bevoordeling gemaakte bezwaar die aanslag, ondanks gedeeltelijke gegrondbevinding van het daartegen aangevoerde, te handhaven met een beroep op de in de geldlening gelegen bevoordeling; dat deze grief mitsdien niet tot cassatie kan leiden; Overwegende dat 's Hofs uitspraak wegens de gegrondbevinding van de vierde grief niet in stand kan blijven, doch dat verwijzing moet volgen, omdat het Hof de vraag, of vorenbedoelde resolutie voor een geval als het onderhavige enig vertrouwen werkelijk wettigde, in het midden heeft gelaten en het antwoord op die vraag mede afhangt van een in beginsel aan de feitenrechter voorbehouden uitlegging van die resolutie; Vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van 's Hogen Raads arrest; Gedaan bij de Heren Telders, Vice-President, Reynders, Martens, Van Vucht en Jansen, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de twaalfde april 1900 acht en zeventig, in tegenwoordigheid van de waarnemend-griffier Pieters.
ECLI:NL:HR:1978:AM4447
12 april 1978.Nr. 18.495.LR. De Hoge Raad der Nederlanden, Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 februari 1977 betreffende de haar opgelegde aanslag in het recht van successie ter zake van haar verkrijging uit de na te noemen nalatenschap; Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest strekkende tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een naar een verkrijging van ƒ 158.013,--;

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/02177 Datum 2 april 2020 Belastingkamer B Onderwerp/tijdvak Vaststelling premiepercentage Werkhervattingskas 2016 Nr. Gerechtshof 18/00743 Nr. Rechtbank LEE 17/3544 CONCLUSIE R.L.H. IJzerman in de zaak van [X] B.V. tegen de Staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X] B.V., belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (hierna: het Hof) van 27 maart 2019. 1.2 Belanghebbende heeft haar toenmalige werknemer [A] (ofschoon ex-werknemer, hierna ook in citaten, aangeduid als: de werknemer) na een ziekteperiode ontslagen, vanwege het verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie conform de Wet Verbetering Poortwachter. 1.3 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV), dat belast is met de toekenning van uitkeringen, heeft aan de werknemer, bij besluit van 9 januari 2013, een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: de WIA) toegekend (hierna: het toekenningsbesluit).

Het betreft een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (hierna ook: WGA-uitkering). Deze uitkering is ingegaan op 15 januari 2013. 1.4 Belanghebbende heeft bij brief van 9 januari 2013 van het UWV een kopie van het toekenningsbesluit ontvangen. 1.5 Het wettelijke uitgangspunt is dat de werkgever, na bij ziekte de eerste twee jaar het loon te hebben doorbetaald, in principe nog tien jaar verantwoordelijk is voor de WGA-lasten. In verband daarmee heeft belanghebbende bij brief aan het UWV van 14 februari 2013 bezwaar gemaakt tegen het toekenningsbesluit.

Belanghebbende heeft in deze brief onder meer geschreven: Wij maken bezwaar tegen het feit dat wij nu mogelijk als eigen risicohouder de kosten voor de WIA krijgen. Deze meneer [de werknemer, AG] heeft namelijk stelselmatig vanaf begin ziekmelding niet meegewerkt aan de Wet verbetering poortwachter. Wij gaan er vanuit dat vanwege de zin in uw schrijven van januari 2013 “Het is belangrijk dat u er alles aan doet om aan het werk te blijven of om werk te vinden. UWV ondersteunt u hierbij”, dat wij niet worden aansprakelijk gesteld en de kosten van de WIA niet op ons worden verhaald. 1.6 Het UWV heeft, naar aanleiding van dit bezwaar, op 14 februari 2013 telefonisch contact opgenomen met belanghebbende.

Een medewerker van het UWV heeft belanghebbende toen meegedeeld dat belanghebbende niet verantwoordelijk is voor de re-integratie van de werknemer en - let wel - dat de uitkering niet op haar zou worden verhaald. 1.7 Een medewerker van het UWV heeft verder, op 27 februari 2013, een e-mail gestuurd aan belanghebbende. Daarin staat onder meer: U maakt bezwaar tegen de beslissing van 9 januari 2013, toekenning loongerelateerde WGA-uitkering van € 2.084,30 per maand per 15 januari 2013, 37,24% AO. U maakt bezwaar tegen ‘het feit dat wij nu mogelijk als eigen risicodrager de kosten van de WIA krijgen’.

U kunt op dit moment geen bezwaar maken tegen het ‘feit’ dat UWV mogelijk in de toekomst wel, of niet, de uitkering op Arriva verhaalt. Er is namelijk niet besloten dat de WIA van de werknemer op Arriva verhaald wordt. In de beslissing staat ook niet dat u als ERD verantwoordelijk blijft voor de re-integratie. Integendeel, er staat dat UWV ondersteuning verleent. Op 14 februari 2013 is telefonisch al aan u medegedeeld dat omdat het dienstverband is beëindigd voor ingangsdatum WIA, de werkgever niet verantwoordelijk is voor re-integratie en de uitkering niet verhaald wordt op de werkgever. [cursiveringen toegevoegd, A-G] Mocht zo’n beslissing wel ooit volgen, dan kunt u daar op dat moment bezwaar tegen maken.

De beslissing waartegen u bezwaar maakt gaat alleen over de toekenning WIA aan de werknemer (ingangsdatum, soort, duur en hoogte uitkering en mate van AO-heid). Het heeft daarom alleen zin om bezwaargronden tegen die aspecten in te dienen. Wilt u gezien deze omstandigheden uw bezwaar intrekken of wilt u nog gronden indienen die betrekking hebben op recht, hoogte en duur van de uitkering? 1.8 Belanghebbende heeft op 28 februari 2013 haar bezwaar tegen het toekenningsbesluit ingetrokken. 1.9 De Inspecteur, die is belast met de premieheffing, heeft met dagtekening 23 november 2015 aan belanghebbende voor het jaar 2016 een beschikking loonheffingen gedifferentieerd premiepercentage Werkhervattingskas gegeven (hierna: beschikking gedifferentieerd premiepercentage Whk).

Het gedifferentieerde premiepercentage Whk is vastgesteld op 0,23%. 1.10 Bij de berekening van het te hanteren premiepercentage heeft de Inspecteur de door het UWV aan de werknemer in 2014 betaalde WGA-uitkering in aanmerking genomen. Het premiepercentage bestaat volledig uit de premiecomponent ‘WGA-lasten flexibele dienstbetrekkingen’. De aan de werknemer betaalde uitkering is de enige uitkeringslast waarop de berekening van de premiecomponent ‘WGA-lasten flexibele dienstbetrekkingen’ voor het jaar 2016 is gebaseerd. Zonder die uitkeringslast zou de premie 0,07% zijn. 1.11 Belanghebbende heeft het UWV aangeschreven naar aanleiding van de vaststelling door de Inspecteur van het gedifferentieerde premiepercentage Whk voor het jaar 2015.

Belanghebbende heeft het UWV verzocht terug te komen van het toekenningsbesluit. Het UWV heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 4 februari 2016. Het UWV heeft het door belanghebbende tegen die afwijzing gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 1 mei 2017 afgewezen. Op 7 juni 2018 heeft de algemene bestuursrechter van de rechtbank Noord-Nederland het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. 1.12 Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor in onderdeel 1.9 genoemde beschikking gedifferentieerd premiepercentage Whk.

De Inspecteur heeft dit bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. 1.13 Belanghebbende is tegen die uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het geschil omschreven als: de vraag of verweerder het gedifferentieerde premiepercentage Whk op de juiste hoogte heeft vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het UWV het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat de WGA-uitkering ook in het kader van de Whk niet (effectief) aan eiseres zou worden toegerekend, en of dat vertrouwen de Inspecteur dan ook bindt.

Niet in geschil is dat wanneer het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, de beschikking juist is vastgesteld. 1.14 De Rechtbank is om te beginnen gekomen tot het oordeel dat de uitlatingen van het UWV jegens belanghebbende, door deze in redelijkheid mochten worden opgevat als ook bindend voor het vervolgtraject waarin de gedifferentieerde premie Whk wordt vastgesteld door de Inspecteur. Contra legem toezeggingen van het UWV jegens belanghebbende, kunnen aldus ook bindend worden voor de Inspecteur. De Rechtbank is vervolgens gekomen tot het inhoudelijke oordeel dat belanghebbende redelijkerwijs uit de door het UWV aan haar verstrekte informatie heeft mogen opmaken dat de aan de werknemer verleende uitkering geen gevolgen zou hebben voor de gedifferentieerde premie Whk.

Op grond van een en ander heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond verklaard. 1.15 De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof. Bij het Hof was de toe te passen hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Whk in geschil. Het ging uitsluitend om de vraag of belanghebbende op grond van de door het UWV gedane uitlatingen (telefonisch op 14 februari 2013 en via de e-mail op 27 februari 2013) erop mocht vertrouwen dat de aan de werknemer toegekende WGA-uitkering niet zou doorwerken in de hoogte van het naderhand ten laste van belanghebbende te brengen gedifferentieerde premiepercentage Whk. 1.16 Het Hof heeft het hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaard.

Het heeft geoordeeld dat de uitlatingen die namens het UWV zijn gedaan (telefonisch op 14 februari 2013 en via de e-mail op 27 februari 2013) niet kunnen worden opgevat als een toezegging waaraan belanghebbende het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de aan de werknemer toegekende WGA-uitkering niet zou doorwerken in de hoogte van het ten laste van belanghebbende komende gedifferentieerde premiepercentage Whk, als vast te stellen door de Inspecteur. 1.17 Het Hof heeft daartoe overwogen dat er tussen belanghebbende en het UWV in het geheel niet is gesproken over de premieheffing, laat staan over de hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Whk.

Het Hof heeft verder geoordeeld dat belanghebbende uit de uitlatingen van het UWV redelijkerwijs ook niet heeft mogen opmaken dat het wel ging over de premieheffing dan wel over het gedifferentieerde premiepercentage Whk. Het Hof is daarom tot de slotsom gekomen dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt. 1.18 In cassatie stelt belanghebbende dat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van door het UWV gewekt vertrouwen waaraan de Inspecteur bij het vaststellen van het gedifferentieerde premiepercentage Whk jegens belanghebbende gebonden is. 1.19 De opbouw van deze conclusie is verder als volgt.

In onderdeel 2 zijn de feiten en het geding in feitelijke instanties weergegeven. Onderdeel 3 bevat een uiteenzetting van het geding in cassatie. In onderdeel 4 wordt uitgelegd hoe de berekening van het gedifferentieerde premiepercentage Whk in elkaar steekt. Onderdeel 5 gaat over de samenwerking tussen de inspecteur en het UWV bij de totstandkoming van een beschikking gedifferentieerd premiepercentage Whk. In onderdeel 6 wordt een en ander opgemerkt over het vertrouwensbeginsel. In onderdeel 7 wordt het middel van belanghebbende beoordeeld; gevolgd door de conclusie in onderdeel 8. 2De feiten en het geding in feitelijke instanties De feiten 2.1 Het Hof heeft de feiten als volgt vastgesteld: 2.1.

Belanghebbende heeft haar toenmalige werknemer (…) per september 2012 ontslagen, vanwege het verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie conform de Wet Verbetering Poortwachter. Voor het ontslag is door het UWV WERKbedrijf bij beslissing van 6 juli 2012 toestemming verleend. 2.2. Aan de werknemer is door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) bij besluit van 9 januari 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend (hierna: het toekenningsbesluit). Het betreft een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) ingaande op 15 januari 2013.

Belanghebbende heeft bij brief van 9 januari 2013 van het UWV een kopie van dit besluit ontvangen. 2.3. Belanghebbende heeft bij brief aan het UWV met dagtekening 14 februari 2013 tegen het toekenningsbesluit bezwaar gemaakt. In deze brief heeft belanghebbende onder meer geschreven: “Wij maken bezwaar tegen het feit dat wij nu mogelijk als eigen risicohouder de kosten voor de WIA krijgen. Deze meneer heeft namelijk stelselmatig vanaf begin ziekmelding niet meegewerkt aan de Wet verbetering poortwachter. Wij gaan er vanuit dat vanwege de zin in uw schrijven van januari 2013 “Het is belangrijk dat u er alles aan doet om aan het werk te blijven of om werk te vinden.

UWV ondersteunt u hierbij”, dat wij niet worden aansprakelijk gesteld en de kosten van de WIA niet op ons worden verhaald.” 2.4. Naar aanleiding van het - onder 2.3 genoemde - ingediende bezwaar heeft een medewerker bezwaar van het UWV op 14 februari 2013 telefonisch contact opgenomen met belanghebbende. Daarbij heeft deze medewerker aan belanghebbende medegedeeld dat belanghebbende niet verantwoordelijk is voor de re-integratie van de werknemer en dat de uitkering niet op haar verhaald zou worden. 2.5. Voorts heeft een medewerker bezwaar van het UWV op 27 februari 2013 aan belanghebbende een e-mail gestuurd, waarin onder meer is geschreven:

“U maakt bezwaar tegen de beslissing van 9 januari 2013, toekenning loongerelateerde WGA-uitkering van € 2.084,30 per maand per 15 januari 2013, 37,24% AO. U maakt bezwaar tegen ‘het feit dat wij nu mogelijk als eigen risicodrager de kosten van de WIA krijgen’. U kunt op dit moment geen bezwaar maken tegen het ‘feit’ dat UWV mogelijk in de toekomst wel, of niet, de uitkering op Arriva verhaalt. Er is namelijk niet besloten dat de WIA van de werknemer op Arriva verhaald wordt. In de beslissing staat ook niet dat u als ERD verantwoordelijk blijft voor de re-integratie.

Integendeel, er staat dat UWV ondersteuning verleent. Op 14 februari 2013 is telefonisch al aan u medegedeeld dat omdat het dienstverband is beëindigd vóór ingangsdatum WIA, de werkgever niet verantwoordelijk is voor re-integratie en de uitkering niet verhaald wordt op de werkgever. Mocht zo’n beslissing wel ooit volgen, dan kunt u daar op dat moment bezwaar tegen maken. De beslissing waartegen u bezwaar maakt gaat alleen over de toekenning WIA aan de werknemer (ingangsdatum, soort, duur en hoogte uitkering en mate van AO-heid). Het heeft daarom alleen zin om bezwaargronden tegen die aspecten in te dienen.

Wilt u, gezien deze omstandigheden uw bezwaar intrekken of wilt u nog gronden indienen die betrekking hebben op recht, hoogte en duur van de uitkering?” 2.6. Belanghebbende heeft op 28 februari 2013 haar bezwaar tegen het toekenningsbesluit van 9 januari 2013 ingetrokken. 2.7 Met dagtekening 23 november 2015 is door de Inspecteur voor het jaar 2016 de onderhavige beschikking loonheffingen gedifferentieerd premiepercentage Whk gegeven. Bij de berekening van de hierin vastgestelde gedifferentieerde premie Whk heeft de Inspecteur de door het UWV aan de werknemer in 2014 betaalde WGA-uitkering in aanmerking genomen.

De aan de werknemer toegekende en betaalde uitkering is de enige uitkeringslast waarop de berekening van de onderhavige premiecomponent voor WGA-lasten flexibele dienstbetrekkingen voor 2016 is gebaseerd. 2.8. Naar aanleiding van de vaststelling door de Inspecteur van het gedifferentieerde premiepercentage Whk voor het jaar 2015 heeft belanghebbende het UWV aangeschreven, met het verzoek om terug te komen van het toekenningsbesluit. Het UWV heeft dit verzoek bij besluit van 4 februari 2016 afgewezen. Het UWV heeft het door belanghebbende tegen die afwijzing gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 1 mei 2017 afgewezen Op 7 juni 2018 heeft de algemene bestuursrechter van de rechtbank Noord-Nederland het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. 2.9. Tot de stukken van het geding behoren door belanghebbende in eerste aanleg bij haar aanvullende beroepschrift van 29 maart 2018 ingebrachte (interne) memo’s van het UWV met dagtekeningen 26 oktober 2010 en 26 februari 2015, gericht aan de medewerkers bezwaar en beroep van het UWV, met als respectieve onderwerpen ‘Correspondentie met werkgever over niet-toekennen van WGA-uitkering’ en ‘Toerekeningsaspecten in de uitkeringsprocedure, versie 2’.

Deze memo’s heeft belanghebbende in het kader van de hiervoor onder 2.8 genoemde beroepsprocedure opgevraagd bij en ontvangen van het UWV. Rechtbank Noord-Nederland 2.2 De Rechtbank heeft als volgt overwogen: 2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder het gedifferentieerde premiepercentage Whk op de juiste hoogte heeft vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het UWV het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat de WGA-uitkering ook in het kader van de Whk niet (effectief) aan eiseres zou worden toegerekend, en of dat vertrouwen de inspecteur dan ook bindt.

Niet in geschil is dat wanneer het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, de beschikking juist is vastgesteld. (…) Beroep op het vertrouwensbeginsel (…) 8.1 Uit de bewoording van het bezwaarschrift en de e-mail van 27 februari 2013 maakt de rechtbank op dat er niet nadrukkelijk wordt gesproken over de gevolgen voor de gedifferentieerde premie Whk. 8.2 Gelet echter op met name de ruime formulering van de laatste zin van het bezwaarschrift (…) is de rechtbank van oordeel dat eiseres bedoelde te vernemen of zij ooit nog, op welke manier dan ook, financieel aansprakelijk zou worden gesteld voor de aan de werknemer toegekende uitkering.

De toelichting die eiseres heeft gegeven in de van haar afkomstige stukken en ter zitting ondersteunt dat. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor de hand, dat eiseres eenzelfde ruime vraagstelling aan de orde heeft gesteld tijdens het telefonische contact met de medewerker bezwaar (…). 8.3 Uit het.memo van 26 oktober 2010 (…) maakt de rechtbank verder op, dat het UWV zich ervan bewust was dat met een uitlating die zij zouden kunnen doen, zij verweerder voor de voeten zouden kunnen lopen bij de uitoefening van zijn bevoegdheid ten aanzien van de vaststelling van het premiepercentage Whk (zie pagina 4 van het memo bij 1.8).

Ook elders in het memo komt duidelijk naar voren dat het UWV ervan was doordrongen dat toekenningsbesluiten van WGA-uitkeringen rechtstreeks gevolgen kunnen hebben voor de gedifferentieerde premie Whk (zie bijvoorbeeld de eerste alinea van de Inleiding). Bovendien komt nadrukkelijk aan de orde dat werkgevers zich tot het UWV plegen te wenden om een verklaring te krijgen dat de uitkering niet aan hen zal worden toegerekend (pagina 4 bovenaan). Uit het memo volgt zelfs dat het UWV er terdege rekening mee hield dat zij onbedoeld en ongewenst vertrouwen zou kunnen wekken: 'Om de werkgever toch maximaal zekerheid te kunnen bieden, zonder ons zelf zodanig vast te leggen dat we niet alsnog kunnen toerekenen, kan onderstaande brieftekst gebruikt worden' (pagina 4 onderaan).

Het betreffende memo was gericht aan medewerkers bezwaar en beroep, zodat ervan mag worden uit gegaan dat die medewerkers van de inhoud op de hoogte waren. In het memo van 26 februari 2015 (zie 1.9), dat onder meer het memo van 26 oktober 2010 vervangt, wordt deze problematiek nogmaals uiteengezet (zie pagina 10 en 11, onder ‘We verstrekken geen losse verklaringen van niet-toerekening aan werkgever’). 8.4 De bewoordingen van de e-mail van 27 februari 2013 suggereren, zeker in reactie op de ruime vraagstelling van eiseres, dat er in het geheel geen financiële gevolgen zullen zijn ('is al aan u medegedeeld dat (…) de uitkering niet verhaald wordt op de werkgever'). (…) 8.5 De rechtbank weegt verder mee dat de wet- en regelgeving op dit punt complex is, en dat een WGA-uitkering voor de werkgever verschillende financiële gevolgen kan hebben. (…) 8.6 Tegen deze achtergrond heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs uit de e-mail van 27 februari 2013 van het UWV mogen opmaken dat de aan de werknemer verleende uitkering ook geen gevolgen zou hebben voor de gedifferentieerde premie Whk. 9.1 Ter zake van de tweede horde overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat in rechte te beschermen vertrouwen in beginsel alleen kan worden gewekt door een daartoe bevoegd bestuursorgaan. Gelet daarop kan in het onderhavige geval in beginsel alleen verweerder (de inspecteur) in rechte te beschermen vertrouwen wekken met betrekking tot de beschikking loonheffingen gedifferentieerd premiepercentage Whk. Standpuntbepalingen die zijn gedaan door een onbevoegde ambtenaar binden in beginsel niet het wel bevoegde bestuursorgaan. Ook uitlatingen van degene die niet bevoegd is en die moeten worden aangemerkt als een (impliciete) standpuntbepaling kunnen echter onder omstandigheden tot rechtens te honoreren vertrouwen leiden.

Dit is het geval als bij eiseres de aan de inspecteur toerekenbare schijn is gewekt dat de uitlatingen van het UWV mede namens de bevoegde inspecteur zijn gedaan. 9.2 Ook hier is het perspectief van waaruit de rechtbank moet beoordelen of er een toerekenbare schijn is gewekt dat de uitlatingen van het UWV mede namens verweerder zijn gedaan, dat van eiseres. De eerste vraag die beantwoord moet worden is of bij eiseres de schijn is gewekt dat de uitlatingen mede door verweerder zijn gedaan. Bij een bevestigend antwoord dient vervolgens de vraag beantwoord te worden of die gewekte schijn ook aan verweerder toerekenbaar is. 9.3 Bij de beantwoording van de hiervoor genoemde vragen acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang:

Zowel verweerder als het UWV zijn betrokken bij de uitvoering van de regelgeving op het gebied van de premieheffing werknemersverzekeringen, waaronder de gedifferentieerde premie Whk. Er is sprake van een versnipperde taakverdeling tussen verweerder en het UWV (…). Het betreft complexe en gedetailleerde regelgeving (…). De precieze reden voor de keuzes die gemaakt zijn bij de versnippering is ook voor een in de materie ingevoerd iemand lang niet altijd duidelijk. (…) - Vast staat dat verweerder voor zijn taakuitoefening sterk afhankelijk is van wat het UWV hem aan gegevens aanlevert. - In het memo van 26 februari 2015 (zie 1.8), op pagina 4, staat beschreven dat het UWV bij het nemen van een beslissing op bezwaar ten aanzien van de toerekeningsaspecten noodgedwongen ook een beetje op de stoel van verweerder moet gaan zitten, en dat dit afgestemd is met verweerder.

Toekenning, uitvoering en re-integratie zijn binnen de WIA-regelgeving opgedragen aan het UWV. 9.4 De rechtbank is van oordeel, gelet op al deze omstandigheden, dat bij eiseres de schijn is gewekt dat de uitlatingen van het UWV ook namens verweerder zijn gedaan. Bovendien acht de rechtbank die gewekte schijn ook toerekenbaar aan verweerder, vooral omdat de vervlechting van taken zo ondoorzichtig is. De rechtbank acht het aannemelijk dat een werkgever als eiseres zich bij vragen over de gevolgen van de Wet WIA in een concreet geval waar hij mee te maken krijgt, in eerste instantie wendt tot het UWV.

Als die een uitlating doet over de gevolgen, zonder daarbij uitdrukkelijk te vermelden dat zij niet over de gevolgen gaat die op het bordje van de inspecteur liggen, mag eiseres er redelijkerwijs van uit gaan dat die uitlating ook verweerder bindt. (…) 2.3 De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel aldus gehonoreerd, het beroep gegrond verklaard en de Inspecteur opgedragen een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen, na overleg met het UWV, met inachtneming van de uitspraak van de Rechtbank. 2.4 De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2.5 Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven: 3.1. In geschil is de hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Whk voor het jaar 2016. Partijen houdt uitsluitend verdeeld of het vertrouwensbeginsel is geschonden De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en belanghebbende bevestigend. 2.6 Het Hof heeft met betrekking tot het geschil het volgende geoordeeld: 4.1. In rechte te beschermen vertrouwen kan in beginsel alleen worden gewekt door een daartoe bevoegd bestuursorgaan. Gelet daarop kunnen in beginsel alleen de Inspecteur en diens hulppersonen in rechte te beschermen vertrouwen wekken met betrekking tot de vaststelling van het gedifferentieerde premiepercentage Whk. 4.2.

Belanghebbende stelt dat zij in het onderhavige geval mocht aannemen dat de – telefonisch op 14 februari 2013 (…) en in de e-mail van 27 februari 2013 (…) – door het UWV gedane als toezegging op te vatten uitlatingen kunnen worden toegerekend aan de Inspecteur. 4.3. Het Hof ziet zich allereerst voor de vraag geplaatst of het UWV uitlatingen heeft gedaan die bij belanghebbende het vertrouwen hebben gewekt dat de aan de werknemer toegekende uitkering niet zou doorwerken in de hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Whk. 4.4. De uitlatingen van de bezwaarbehandelaar van het UWV waarnaar belanghebbende heeft verwezen zijn gedaan binnen het kader van de behandeling van het bezwaarschrift van belanghebbende tegen het toekenningsbesluit.

Naar ’s Hofs oordeel kunnen deze uitlatingen niet worden opgevat als een toezegging waaraan belanghebbende het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat bij de premieheffing de aan de werknemer toegekende uitkering niet zou doorwerken in de hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Whk. Er is blijkens de vermelde citaten uit de e-mail, waarin de in het telefoongesprek gedane uitlatingen eveneens zijn vastgelegd, in het geheel niet gesproken over de premieheffing, laat staan over de hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Whk, en evenmin heeft belanghebbende uit de uitlatingen redelijkerwijs mogen opmaken dat het daarover ging.

Reeds om deze reden faalt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel. 4.5. Dat belanghebbende in de betreffende uitlatingen toentertijd reden heeft gezien om haar bezwaar tegen het toekenningsbesluit in te trekken, maakt het voorgaande niet anders. In het kader van de onderhavige fiscale procedure kan de Inspecteur immers niet worden verweten dat belanghebbende in een andere bestuursrechtelijke procedure, waarin de Inspecteur geen enkele bevoegdheid of taak heeft, haar bezwaar heeft ingetrokken. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende nog gesteld dat het UWV in de hiervoor genoemde e-mail had moeten wijzen op de bevoegdheid van de Inspecteur met betrekking tot de premieheffing.

Die stelling kan, wat daarvan zij, belanghebbende niet baten, omdat ook het achterwege laten van een zodanige mededeling door het UWV de Inspecteur niet kan worden verweten. 2.7 Het Hof heeft aldus geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden. Het heeft het hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur bevestigd. 3Het geding in cassatie 3.1 Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Staatssecretaris heeft niet gedupliceerd. 3.2 In haar beroep in cassatie heeft belanghebbende tegen de Hofuitspraak - naast andere - met name de volgende klachten aangevoerd: ten eerste) ‘Het Gerechtshof is ten onrechte tot het oordeel gekomen, dat de door het UWV gedane uitlatingen niet aan de belastingdienst kunnen worden toegerekend’, en ten tweede) ‘Het Gerechtshof is ten onrechte tot het oordeel gekomen, dat geen sprake is van door het UWV gewekt vertrouwen, dat de uitkering van de ex-werknemer geen gevolgen zou hebben voor de premieheffing door de belastingdienst.’ 4Gedifferentieerd premiepercentage Werkhervattingskas 4.1 Op zichzelf is niet in geschil dat puur bezien naar wettelijke maatstaven de Inspecteur het ten laste van belanghebbende komende gedifferentieerde premiepercentage Werkhervattingskas (Whk) terecht op 0,23% heeft gesteld.

Belanghebbende stelt zich echter op het standpunt dat de Inspecteur daarmee in strijd heeft gehandeld met bij belanghebbende opgewekt vertrouwen, als ontleend aan informatie desgevraagd aan belanghebbende verstrekt door het UWV. 4.2 Om te beginnen moet men in casu een goed inzicht hebben in de materiële regelgeving. Het is van belang het verband te zien tussen (i) de aan de werknemer in het jaar 2014 uitbetaalde WGA-uitkering en (ii) de hoogte van de door belanghebbende in het jaar 2016 verschuldigde gedifferentieerde premie Whk. 4.3 Pas nadat een en ander helder is, kan belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel worden beoordeeld.

Het gaat hier om nogal gecompliceerde sociale regelgeving. 4.4 De WIA is een publiekrechtelijke werknemersverzekering die voorziet in een uitkeringsrecht bij arbeidsongeschiktheid. De WIA bestaat uit twee onderdelen: (i) de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (hierna: IVA), en (ii) de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten voor werknemers die gedeeltelijk of tijdelijk arbeidsongeschikt zijn (hierna: WGA). 4.5 De wijze waarop arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de WIA worden gefinancierd is geregeld in de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: de Wfsv) en het Besluit Wfsv. 4.6 De werkgever is de premie voor de WIA verschuldigd.

Deze bestaat uit twee componenten: (i) een uniforme basispremie en (ii) een gedifferentieerde premie Whk. 4.7 De uniforme basispremie komt ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds. De gedifferentieerde premie Whk komt ten gunste van de Werkhervattingskas. De arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de WIA worden gedaan uit zowel het Arbeidsongeschiktheidsfonds als de Werkhervattingskas. Uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds worden – globaal gezegd – de IVA-uitkeringen gefinancierd; uit de Werkhervattingskas worden – globaal gezegd – de WGA-uitkeringen gefinancierd. 4.8 Het gaat in deze zaak om de vaststelling van de gedifferentieerde premie Whk voor het jaar 2016.

Ik beperk me in het hiernavolgende tot de wijze waarop deze premie wordt vastgesteld. 4.9 De gedifferentieerde premie Whk bestond (in het jaar 2016) uit de som van drie afzonderlijke componenten: (i) de WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen, (ii) de WGA-lasten flexibele dienstbetrekkingen en (iii) de ZW-lasten. In de voorliggende zaak gaat het alleen om de ‘WGA-lasten flexibele dienstbetrekkingen’. Dat komt doordat belanghebbende een zogenoemde eigenrisicodrager was voor de ‘WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen’ en de ‘ZW-lasten’. Hierdoor is de premie voor deze twee premiecomponenten op nul gesteld. 4.10 Bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie Whk wordt onderscheid gemaakt tussen kleine, middelgrote en grote werkgevers.

Belanghebbende moet worden aangemerkt als een grote werkgever. 4.11 Voor grote werkgevers geldt dat de gedifferentieerde premie Whk individueel wordt vastgesteld. De gedifferentieerde premie Whk is voor zulke werkgevers, kort gezegd, de som van de individuele premiecomponenten (genoemd in onderdeel 4.9) vermeerderd of verminderd met een opslag of korting op grond van een individueel werkgeversrisicopercentage. De wat meer ingewikkelde regeling komt erop neer dat de hoogte van de gedifferentieerde premie Whk voor grote werkgevers afhankelijk is van het individuele arbeidsongeschiktheidsrisico.

Een hoog risico leidt tot een hoge premie; een laag risico tot een lage premie. Dit wordt door Verploegh, Van Schendel en De Kock als volgt omschreven: Dat de premie Whk gedifferentieerd is, wil zeggen dat de hoogte van de premie afhankelijk is van het arbeidsongeschiktheidsrisico van een individuele werkgever (…). Globaal komt dit erop neer dat het [werkgever-risico] (…) wordt vergeleken met het landelijk gemiddelde arbeidsongeschiktheidsrisico, wat vervolgens leidt tot een opslag of een korting op het landelijke vastgestelde gemiddelde premiepercentage.

Zo betaalt de werkgever die relatief weinig werknemers via de WIA laat ‘afvloeien’, een lagere Whk-premie dan de werkgever met een hogere instroom in de WIA. Dat geldt mutatis mutandis voor de werkgever (…) waarin de instroom in de WIA relatief hoog is. 4.12 De auteurs merken verder op dat de hoogte van de gedifferentieerde premie Whk “onder meer afhankelijk [is] van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die het UWV in het jaar t-2 aan (ex-)werknemers van de werkgever heeft betaald (…)”. 4.13 In casu heeft het UWV aan de werknemer, bij besluit van 9 januari 2013, een uitkering toegekend op grond van de WIA.

Het betreft een WGA-uitkering, een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, die is ingegaan per 15 januari 2013. 4.14 Deze uitkering heeft rechtstreeks invloed op hetgeen in de voorliggende zaak als financieel belang in geschil is, te weten de hoogte van de door belanghebbende, als werkgever, in het jaar 2016 verschuldigde gedifferentieerde premie Whk. 4.15 In de voorliggende beschikking is de gedifferentieerde premie Whk voor het jaar 2016 vastgesteld op 0,23%. Dit premiepercentage is, als gezegd, volledig opgebouwd uit een premiecomponent voor ‘WGA-lasten flexibele dienstbetrekkingen’.

Bij de berekening van de gedifferentieerde premie Whk voor het jaar 2016 is de aan de werknemer (in het jaar 2014) betaalde WGA-uitkering in aanmerking genomen. De aan de werknemer toegekende en betaalde WGA‑uitkering is de enige uitkeringslast waarop de berekening van de gedifferentieerde premie Whk voor het jaar 2016 is gebaseerd. 4.16 Aldus is er verband tussen (i) de aan de werknemer in het jaar 2014 uitbetaalde WGA-uitkering en (ii) de hoogte van door belanghebbende in het jaar 2016 verschuldigde gedifferentieerde premie Whk. Op basis van de hiervoor weergegeven achtergrond wordt duidelijk waarom belanghebbende meent dat bij de berekening van de door haar verschuldigde gedifferentieerde premie Whk de aan de werknemer toegekende WGA-uitkering niet moet worden meegenomen.

Dat leidt er namelijk toe dat de door belanghebbende verschuldigde gedifferentieerde premie Whk op een lager percentage wordt gesteld. 4.17 Ik merk op dat tussen partijen, als rekenkundig gegeven, niet in geschil is dat als het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt - zodat bij de berekening van de door haar verschuldigde gedifferentieerde premie Whk de aan de werknemer toegekende WGA‑uitkering niet moet worden meegenomen - de gedifferentieerde premie Whk op 0,07% moet worden gesteld.

5Samenwerking tussen de inspecteur en het

UWV 5.1 Het UWV is belast met de vaststelling en betaling van de uitkeringen ingevolge de werknemersverzekeringen (in casu de aan de werknemer toegekende WGA-uitkering). De belastingdienst heft de premies voor de werknemersverzekeringen en vordert die zo nodig in. 5.2 In de uitvoering van de werknemersverzekeringen zijn er dus twee loketten: een collecterend loket en een distribuerend loket. De belastingdienst is verantwoordelijk voor het collecterende loket, het UWV voor het distribuerende loket. 5.3 Bij het vaststellen van de gedifferentieerde premie Whk hebben zowel de belastingdienst als het UWV een taak.

De inspecteur geeft namelijk ieder jaar een beschikking gedifferentieerde premie Whk af aan grote werkgevers, zoals belanghebbende. De inspecteur geeft die beschikking af op basis van gegevens van het UWV. 5.4 Wat zijn nu die gegevens van het UWV? Om die vraag te kunnen beantwoorden is het nodig om te bezien hoe de gedifferentieerde premie Whk voor grote werkgevers wordt berekend. Ik beoog hiermee te laten zien dat de inspecteur moet afgaan op de gegevens van het UWV bij het afgeven van de beschikking gedifferentieerde premie Whk. De inspecteur kan in principe niet afwijken van de gegevens van het UWV. 5.5 Om een en ander meer inzichtelijk te maken, volgt hieronder in hoofdlijnen (zonder in details te treden) een overzicht van de wijze van berekening van de (individuele) gedifferentieerde premie Whk voor grote werkgevers, zoals belanghebbende.

Bij die berekening spelen bepaalde variabelen een rol, met name ‘het rekenpercentage’, ‘het gemiddelde percentage’, ‘de maximumpremie werkgevers’, ‘het gemiddelde werkgeversrisicopercentage’ en ‘het individuele werkgeversrisicopercentage’. 5.6 Als gezegd wordt de gedifferentieerde premie Whk voor grote werkgevers individueel vastgesteld en bestaat die premie (voor het jaar 2016) uit drie componenten: (i) de ‘WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen’, (ii) de ‘WGA-lasten flexibele dienstbetrekkingen’ en (iii) de ‘ZW-lasten’.

De gedifferentieerde premie per premiecomponent is gelijk aan, kort gezegd, een ‘rekenpercentage’ vermeerderd of verminderd met een ‘opslag/korting’ op grond van een ‘individueel werkgeversrisicopercentage’. De (uiteindelijke) gedifferentieerde premie Whk is de som van de aldus voor elk van deze componenten bepaalde gedifferentieerde premie. 5.7 Uit het voorgaande blijkt dat het ‘rekenpercentage’ een belangrijke variabele is. Het is het percentage waaromheen wordt gedifferentieerd. Het rekenpercentage wordt afgeleid van het ‘gemiddelde percentage’.

Het ‘gemiddelde percentage’ voor een bepaald jaar wordt berekend door de totaal geraamde uitkeringslasten minus de niet-premiebaten in dat jaar te delen door de totaal geraamde premieplichtige loonsom in dat jaar. Het ‘gemiddeld percentage’ geeft aldus de gemiddelde premie weer die in een bepaald jaar moet worden opgebracht om de geraamde uitkeringslasten in dat jaar te financieren (de lastendekkende premie). Het ‘rekenpercentage’ is gelijk aan het ‘gemiddelde percentage’, gecorrigeerd voor een aantal zaken, zoals een tekort aan premiebaten als gevolg van de ‘maximumpremiegrens’. 5.8 De ‘opslag/korting’ wordt voor elke (grote) werkgever afzonderlijk berekend.

Die ‘opslag/korting’ wordt bepaald door het ‘individuele werkgeversrisico’ te verminderen met het ‘gemiddelde werkgeversrisico’. Het ‘gemiddelde werkgeversrisico’ wordt bepaald door de uitkeringslasten die kunnen worden toegerekend aan alle publiek verzekerde werkgevers af te zetten tegen de premieplichtige loonsom van alle publiek verzekerde werkgevers. Het ‘individuele werkgeversrisico’ wordt bepaald door de uitkeringslasten, die kunnen worden toegerekend aan de individuele werkgever, af te zetten tegen de premieplichtige loonsom van de individuele werkgever. 5.9 Het UWV stelt de variabelen vast die van belang zijn bij het bepalen van de (individuele) gedifferentieerde premie Whk, waaronder:

‘rekenpercentage’, ‘gemiddelde percentage’, ‘maximumpremie werkgevers’, ‘gemiddelde werkgeversrisicopercentage’ en ‘individuele werkgeversrisicopercentage’. Uit artikel 38, lid 2, Wfsv volgt dat het UWV wettelijk bevoegd is om het ‘rekenpercentage’ en het ‘gemiddelde percentage’ vast te stellen. De overige relevante variabelen worden ook – elk jaar – door het UWV vastgesteld. Het UWV heeft de relevante variabelen vastgesteld en bekendgemaakt in het Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2016. In de toelichting staat:

Op grond van artikel 38, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) stelt Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ten behoeve van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) voor alle takken van bedrijf en beroep een gelijk rekenpercentage en gemiddeld percentage vast. De gedifferentieerde premie Whk is opgebouwd uit drie premiecomponenten: WGA voor vaste dienstbetrekkingen (WGA-vast), WGA voor flexibele dienstbetrekkingen (WGA-flex) en ZW voor flexibele dienstbetrekkingen (ZW). Ten behoeve van deze drie premiecomponenten wordt voor elk premiecomponent afzonderlijk een rekenpercentage en een gemiddeld percentage vastgesteld.

In het Besluit Wfsv zijn regels gesteld over de wijze waarop de rekenpercentages en de gemiddelde percentages worden vastgesteld. Tevens zijn daarin regels gesteld over de wijze waarop de opslagen of kortingen worden berekend en regels over de percentages die ten hoogste aan een werkgever in rekening mogen worden gebracht en die ten minste in rekening moeten worden gebracht. Op grond van het Besluit Wfsv stelt het UWV een aantal parameters vast die dienen als basis voor de vaststelling van de individuele premie WGA-vast, de individuele premie WGA-flex en de individuele premie ZW.

De parameters gelden voor de premie verschuldigd over het premieplichtige loon in het jaar 2016. 5.10 Uit artikel 38, lid 3, laatste volzin, Wfsv blijkt dat, voor werkgevers waarbij de ‘opslag/korting’ individueel wordt vastgesteld, de inspecteur elk jaar die ‘opslag/korting’ bij beschikking vaststelt. Op grond van artikel 38, lid 8, Wfsv neemt de inspecteur die beschikking (i.e. de beschikking gedifferentieerde premie Whk) ‘gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV’. 5.11 De Inspecteur kan naar mijn mening bij het afgeven van een individuele beschikking gedifferentieerde premie Whk in principe niet afwijken van de variabelen zoals die (jaarlijks) door het UWV zijn vastgesteld.

Dat blijkt volgens mij uit de tekst van artikel 38, lid 8, Wfsv (‘gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV’), uit de aard van voornoemde variabelen en uit de omstandigheid dat het UWV die variabelen vaststelt. De inspecteur moet op basis van de door het UWV vastgestelde gegevens (variabelen), elk jaar bij beschikking de (individuele) gedifferentieerde premie Whk per werkgever vaststellen. 5.12 Een en ander betekent dat aan het UWV – ofschoon dat verder vooral een ‘uitkeringsloket’ is – hier op grond van de wet een beslissende rol toekomt ter voorbereiding van de door de Inspecteur, op basis van door het UWV aangeleverde gegevens, elk jaar bij beschikking vast te stellen gedifferentieerde premie Whk. 5.13 Ook in casu geldt dat de Inspecteur, zoals dat vrijwel altijd gaat, is uitgegaan van de door het UWV aangeleverde rekenkundige gegevens. 6Het fiscale vertrouwensbeginsel 6.1 De Belastingdienst dient in voorkomende gevallen gewekt vertrouwen te honoreren.

Sinds de zogenoemde doorbraakarresten kan (met name van de kant van de belastingdienst) contra legem opgewekt vertrouwen, onder omstandigheden, ten gunste van een belanghebbende, prevaleren boven de materieel juiste rechtstoepassing. 6.2 Als gezegd is in casu niet in geschil dat de Inspecteur de gedifferentieerde premie Whk in overeenstemming met de wettelijke bepalingen op het juiste premiepercentage heeft vastgesteld, te weten op 0,23%. Het is evenmin in geschil dat het premiepercentage op 0,07% moet worden vastgesteld als het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. 6.3 Bij het onderhavige beroep op het vertrouwensbeginsel gaat het om twee kwesties: (i) aan welke uitlatingen of handelingen kan een belastingplichtige vertrouwen ontlenen (wat kan te beschermen vertrouwen wekken?), en (ii) is degene die de desbetreffende uitlatingen heeft gedaan rechtens in de positie de inspecteur op grond van het vertrouwensbeginsel te binden (wie kan rechtens te beschermen vertrouwen wekken?).

Vertrouwenwekkende handeling: wat kan vertrouwen wekken? 6.4 Jansen heeft over de hiervoor genoemde vraag (wat kan vertrouwen wekken?) het volgende geschreven: 3.3.1. Gedragingen die vertrouwen kunnen wekken Niet elk gewekt vertrouwen verdient (evenveel) bescherming. Het uitgangspunt is ‘dat de fiscus niet gebonden kan worden geacht aan alle zijnerzijds gedane uitlatingen waardoor bij een belastingplichtige verwachtingen zijn gewekt ten aanzien van een door de fiscus te volgen gedragslijn’. Of de fiscus gebonden is, hangt af van de wijze waarop het vertrouwen is gewekt.

In de jurisprudentie van de Hoge Raad is beslist dat aan de volgende uitlatingen c.q. gedragingen van de Belastingdienst onder omstandigheden in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend: - beleidsregels (…); - inlichtingen (individueel en algemeen; (…)); - expliciete standpuntbepalingen (toezeggingen, akkoordverklaringen, rulings en uitlatingen van bewindslieden; (…)); en - impliciete standpuntbepalingen (het volgen van een bepaalde gedragslijn, afhandeling van een controle, voorlopige beslissingen; (…)). 6.5 Jansen merkt verder op dat de Hoge Raad voor elk van de hiervoor in onderdeel 6.4 geciteerde ‘uitlatingen c.q. gedragingen verschillende regels [heeft] ontwikkeld met betrekking tot het aan die uitlating c.q. gedragen te ontlenen vertrouwen’.

Het is daarom van belang om de handeling waaraan belanghebbende meent vertrouwen te kunnen ontlenen juridisch te duiden. Op basis daarvan kan vervolgens, op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad, worden bezien of voldaan is aan de relevante criteria. 6.6 Belanghebbende stelt dat zij vertrouwen kan ontlenen aan de uitlatingen zoals die zijn gedaan (i) tijdens het telefoongesprek van 14 februari 2013 en (ii) in de e-mail van 27 februari 2013. Zij vindt dat zij vanwege die uitlatingen erop mocht vertrouwen dat de aan de werknemer toegekende uitkering niet zou doorwerken in de hoogte van de gedifferentieerde premie Whk. 6.7 Ik begrijp belanghebbende aldus dat zij van mening is dat in haar geval sprake is van een expliciete individuele standpuntbepaling, en meer in het bijzonder van een toezegging/ bewuste standpuntbepaling. 6.8 De Hoge Raad heeft in zijn standaardarrest van 26 september 1979 over toezeggingen/ bewuste standpuntbepalingen het volgende beslist: dat indien het daarentegen gaat om als toezeggingen op te vatten uitlatingen van de zijde van de fiscus, waaraan een belastingplichtige het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de fiscus, na kennisneming van alle daartoe vereiste bijzonderheden van de belastingplichtige zelf betreffende geval, aan vorenbedoelde regels, zo omtrent de toepasselijkheid of de toepassing daarvan vragen zijn gerezen, in zijn geval een bepaalde toepassing zal geven, bij een afweging als voormeld aan het voornoemde beginsel van behoorlijk bestuur doorslaggevende betekenis moet worden toegekend; dat daarbij wel het voorbehoud moet worden gemaakt dat de door de belastingplichtige aan de fiscus verschafte, voor diens toezegging relevante gegevens juist zijn, en dat de gedane toezegging niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen; 6.9 Jansen heeft de hier aan te leggen maatstaven samengevat:

Van gebondenheid aan een toezegging is volgens de Hoge Raad sprake indien: - de inspecteur, na kennisneming van alle daartoe vereiste bijzonderheden van het geval van de belastingplichtige, heeft toegezegd aan de wettelijke voorschriften (…) een bepaalde toepassing te zullen geven; - de door de belastingplichtige verschafte informatie aan de fiscus niet alleen relevant is voor de onderhavige toezegging, maar ook juist is; en - de gedane toezegging niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing van de belastingwet dat de belastingplichtige in redelijkheid niet op nakoming van de toezegging mocht rekenen. 6.10 Om te kunnen spreken van een toezegging/ bewuste standpuntbepaling moet dus zijn voldaan aan de hiervoor genoemde criteria uit het standaardarrest van de Hoge Raad van 26 september 1979.

Uit de arresten van de Hoge Raad van 8 maart 1978, 7 maart 1979, en 12 maart 1980 leidt Jansen verder af dat voor een toezegging/ bewuste standpuntbepaling sprake moet zijn van een ‘ondubbelzinnige uiting van de [inspecteur] (…) waarmee deze onmiskenbaar heeft beoogd zich zonder voorbehoud te willen binden’. 6.11 Ik ben van mening dat de genoemde uitlatingen zijn aan te merken als een, op basis van voldoende relevante informatie gegeven, bewuste standpuntbepaling van het UWV jegens belanghebbende. Vervolgens wordt toegekomen aan de vraag of de Inspecteur daaraan gebonden is.

Wie kan vertrouwen wekken? 6.12 Het uitgangspunt is dat alleen een wettelijk daartoe bevoegde ambtenaar van de belastingdienst vertrouwen kan wekken. Het hier relevante bestuursorgaan staat bekend als ‘de inspecteur’. 6.13 Het hier gehanteerde begrip ‘de inspecteur’ omvat mede de (vele) belastingambtenaren die gemandateerd zijn om namens hem op te treden. A-G Wattel heeft in bijlage 2 bij zijn conclusie van 20 maart 2019 voor de Raad van State hierover geschreven: 2.19. Ook in het belastingrecht geldt uiteraard dat om vertrouwen te kunnen wekken, de vertrouwenwekkende handeling moet kunnen worden toegerekend aan de bevoegde inspecteur (…).

De inspecteur (…) [is] sinds 2003 landelijk bevoegd, waardoor meer inspecteurs tot aanslagoplegging bevoegd kunnen zijn. De regel is dus dat alleen de bevoegde inspecteur vertrouwen kan wekken. Uitlatingen gedaan door of namens een onbevoegde inspecteur binden de bevoegde inspecteur in beginsel niet. Dit betekent dat in beginsel geen vertrouwen kan worden ontleend aan uitlatingen van een ambtenaar, zelfs niet van een belastingambtenaar, die niet - op grond van mandaat - namens de bevoegde inspecteur handelt. Douma e.a. hebben daarover geschreven:

Voor inlichtingen ingewonnen bij een onbevoegde inspecteur geldt, bijzondere omstandigheden daargelaten, dat de bevoegde inspecteur daardoor niet wordt gebonden. Voor toezeggingen geldt hetzelfde. Niet genoeg benadrukt kan worden dat met ‘de (on)bevoegde inspecteur’ wordt gedoeld op het overheidsorgaan, en niet op een individuele ambtenaar. (…) Aan inlichtingen ingewonnen bij een ambtenaar werkzaam voor de Belastingdienst/Particulieren kan dus in beginsel geen vertrouwen worden ontleend, als die inlichtingen zien op een aangelegenheid die valt onder de Belastingdienst/Grote ondernemingen.

Maar een belastingplichtige die onder het onderdeel Belastingdienst/Particulieren ressorteert kan in beginsel wél vertrouwen ontlenen aan de inlichtingen verstrekt door een ambtenaar van dat onderdeel, als niet die ambtenaar, maar een collega van hetzelfde onderdeel (Belastingdienst/Particulieren) door zijn ‘baas’ (de algemeen directeur) is aangewezen om de aangelegenheden van die belastingplichtige te behandelen. 6.14 Echter, in bijzondere gevallen kan ook in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend aan uitlatingen die niet zijn gedaan door of namens de bevoegde inspecteur.

Het kan onder omstandigheden zelfs gaan om uitlatingen die zijn gedaan door een ambtenaar die niet werkzaam is bij de belastingdienst, maar bij een ander overheidsorgaan. Dat speelt in casu: de uitlatingen waaraan belanghebbende meent vertrouwen te kunnen ontlenen zijn gedaan door ambtenaren van het UWV. Zijn deze rechtens in de positie om vertrouwen te kunnen wekken bij belanghebbende waaraan de Inspecteur gebonden is? Uit de jurisprudentie rijst het volgende beeld. 6.15 Bij arrest van 23 maart 1994 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat (i) politie-ambtenaren het in rechte te beschermen vertrouwen kunnen wekken dat voldaan is aan een voorwaarde uit een belastingwet (de wet op de motorrijtuigenbelasting 1966), (ii) omdat die politie-ambtenaren mede betrokken zijn bij de handhaving van die belastingwet, (iii) maar dat in dat specifieke geval (de vastgestelde feiten geen andere conclusie toelieten dan dat) niet het door de betrokken belanghebbende gestelde vertrouwen is gewekt.

De relevante overwegingen van de Hoge Raad zijn: 3.2. (…) Het Hof is terecht ervan uitgegaan dat ook door ambtenaren van de politie door middel van mededelingen tijdens een verkeerscontrole bij een belastingplichtige het in rechte te beschermen vertrouwen kan worden gewekt dat hij heeft voldaan aan een bepaalde uit de Wet [op de motorrijtuigenbelasting 1966; toevoeging A-G] voortvloeiende verplichting. Blijkens het bepaalde in artikel 15 van de Wet zijn die ambtenaren immers mede betrokken bij de handhaving van de Wet. (…) De door het Hof met betrekking tot de inhoud van de door de politie-ambtenaren gedane mededelingen aannemelijk geachte feiten laten echter geen andere gevolgtrekking toe dan dat door bedoelde mededelingen niet het vertrouwen is gewekt dat de belasting niet naar het tarief voor personenauto's was verschuldigd, terwijl het enkele uitblijven van een spoedige reactie van de belastingdienst daartoe onvoldoende is.

Hieraan kan, anders dan het Hof heeft overwogen, niet afdoen de omstandigheid dat belanghebbende geen deskundige in deze genuanceerde materie is en dat het optreden van de politie te Q hem de reden ontnam zich nader te informeren. 6.16 De Hoge Raad heeft bij arrest van 20 november 1996 geoordeeld dat een ambtenaar van de PTT rechtens niet in de positie was om vertrouwen te kunnen wekken waaraan de inspecteur gebonden was. Hetzelfde heeft te gelden voor uitlatingen die zijn gedaan door medewerkers van de RDW. De RDW was daar namelijk niet betrokken bij de uitvoering van de belastingwet (het ging om de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966).

De relevante overwegingen van de Hoge Raad zijn: 3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat een ambtenaar van de PTT geen persoon is, die uitlatingen kan doen, op grond waarvan de Inspecteur zou zijn gehouden de wet anders toe te passen dan deze luidt. Dit oordeel is juist. Hoewel ingevolge een door de belastingadministratie met de PTT getroffen regeling op een postkantoor aangifte en betaling met betrekking tot de motorrijtuigenbelasting kan worden gedaan en aldaar ook inlichtingenfolders worden verstrekt, houdt zulks niet in dat de belastingadministratie daarmee de aan haar toerekenbare schijn heeft gewekt dat de PTT namens haar uitlatingen als hiervóór bedoeld, kan doen.

In zoverre de klachten zich tegen dit oordeel van het Hof keren, falen zij derhalve. 3.2. Voor zover de klachten betogen dat het Hof ten onrechte is voorbijgegaan aan belanghebbendes stelling dat hij op grond van door hem bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer ingewonnen inlichtingen over “grijze kentekens” in rechte erop mocht vertrouwen dat voor het onderhavige motorrijtuig de belasting naar het juiste tarief was voldaan, kunnen zij reeds hierom niet tot cassatie leiden, omdat genoemde dienst niet mede is betrokken bij de uitvoering van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966. 6.17 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 januari 2000 verwezen naar het voornoemde arrest uit 1994.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat aan uitlatingen van een politie-ambtenaar geen in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend, als die uitlatingen zijn gedaan buiten het kader van de controle op de naleving van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM). De relevante overweging van de Hoge Raad is: 3.3.1. Het middel strekt met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 1994, nr. 28 925, BNB 1994/145, onder meer ten betoge dat slechts door uitlatingen welke zijn gedaan door ambtenaren van de politie tijdens een verkeerscontrole, in rechte te beschermen vertrouwen kan worden opgewekt.

Nu in het onderhavige geval de inlichtingen niet zijn gegeven door een ambtenaar van politie in het kader van de controle op de naleving van de Wet BPM, kan aan de gegeven inlichtingen geen in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend. Het middel is mitsdien gedeeltelijk gegrond. ’s Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De uitspraak van de Inspecteur dient te worden bevestigd. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. 6.18 Met het voorgaande is in lijn het meer recente arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2015.

Daaruit blijkt dat als de RDW geen wettelijke taak heeft met betrekking tot het vaststellen van een verschuldigd of terug te geven bedrag aan BPM, het RDW geen vertrouwen kan wekken aangaande het vaststellen van een verschuldigd of terug te geven bedrag aan BPM. De Hoge Raad is blijven aansluiten bij zijn arrest van 5 januari 2000, overwegende: 2.4. Belanghebbende heeft voor het Hof nog aangevoerd dat (…) door de vermelding van de datum 9 juli 2009 als datum van eerste toelating van de auto tot de openbare weg alsmede de vermelding van het bedrag aan bruto-bpm op het kentekenbewijs bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat zij recht heeft op teruggaaf van het in haar verzoek vermelde bedrag aan bpm.

Dit betoog faalt. Aan de enkele vermelding op het kentekenbewijs van een datum van eerste toelating, al dan niet in samenhang met het daarop vermelde bedrag aan bruto bpm, kan niet het in rechte te honoreren vertrouwen worden ontleend dat de inspecteur zich gebonden moet achten om bij de berekening van de terug te geven bpm uit te gaan van deze datum. Dat is niet anders als (….) de inspecteur mogelijk bekend is met de (achteraf gebleken: foutieve) registratie van die datum in het door de RDW beheerde kentekenregister. De RDW heeft immers geen wettelijke taak met betrekking tot het vaststellen van een verschuldigd of terug te geven bedrag aan bpm (vgl. HR 5 januari 2000, nr. 34689, ECLI:NL:HR:2000:AA4064, BNB 2000/81). 7Beoordeling van het beroep in cassatie 7.1 Ik wil beginnen met de door belanghebbende aangevoerde klacht dat het Hof ten onrechte tot het oordeel is gekomen, dat de door het UWV gedane uitlatingen niet aan de Inspecteur (‘de belastingdienst’) kunnen worden toegerekend.

Deze klacht treft naar mijn mening doel. 7.2 Gezien de wettelijke taken die in het kader van de WIA en de WGA-uitkeringen zijn toegekend aan het UWV, acht ik het mogelijk dat uitlatingen van het UWV jegens belanghebbende gedaan, worden toegerekend aan de Inspecteur. 7.3 In casu lijkt het mij daarbij van bijzonder belang dat aan het UWV hier op grond van de wet een beslissende rol toekomt ter voorbereiding van de door de Inspecteur elk jaar bij beschikking vast te stellen gedifferentieerde premie Whk. Die wordt door de Inspecteur namelijk telkens vastgesteld op basis van door het UWV aangeleverde gegevens. 7.4 Het is aldus de wetgever geweest die hier de weg heeft geopend voor een actieve rol van het UWV.

In dat kader is te plaatsen dat van de kant van het UWV aan belanghebbende is meegedeeld dat de uitkering niet op haar zou worden verhaald. 7.5 Minst genomen moet mijns inziens worden gezegd dat belanghebbende in redelijkheid heeft mogen begrijpen dat de uitlatingen van het UWV mede namens de bevoegde inspecteur zijn gedaan. 7.6 Het Hof heeft in r.o. 4.4. overwogen dat de uitlatingen van de bezwaarbehandelaar van het UWV waarnaar belanghebbende heeft verwezen zijn gedaan binnen het kader van de behandeling van het bezwaarschrift van belanghebbende tegen het toekenningsbesluit.

Dat lijkt mij niet juist. Het is weliswaar zo dat dit bezwaarschrift (mede) de aanleiding was voor de uitlatingen, maar dat maakt naar mijn mening niet dat die zijn gedaan binnen dat kader, als gericht tegen toekenning. Overigens lijkt het mij reeds beslissend dat de uitlatingen zijn gedaan zoals zij zijn gedaan. Het wettelijke kader voor toerekening is immers, als gezegd, aanwezig. 7.7 Vervolgens kom ik toe aan de vraag of de uitlatingen van het UWV feitelijk zijn op te vatten als toezeggingen. Daarop ziet de in onderdeel 3.2 van deze conclusie als tweede genoemde klacht:

‘Het Gerechtshof is ten onrechte tot het oordeel gekomen, dat geen sprake is van door het UWV gewekt vertrouwen, dat de uitkering van de ex-werknemer geen gevolgen zou hebben voor de premieheffing door de belastingdienst.’ Deze klacht treft naar mijn mening eveneens doel. 7.8 De inzet die belanghebbende had met haar oorspronkelijke bezwaar en de overige contacten met het UWV, was erop gericht te voorkomen dat belanghebbende geconfronteerd zou worden met ‘het feit dat wij nu mogelijk als eigen risicodrager de kosten van de WIA krijgen’. Dat is mijns inziens niet anders te begrijpen dan dat belanghebbende wenste te vernemen of de uitkering aan de werknemer zou gaan doorwerken in de hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Whk ten laste van belanghebbende. 7.9 Voor de goede orde merk ik op dat hier geen sprake kan zijn van civielrechtelijk verhaal.

Het toepasselijke omslagstelsel met gedifferentieerde premievaststelling impliceert dat het enige hier mogelijke (gedeeltelijke) ‘verhaal’, kan zijn door middel van - vanwege de uitkering aan de werknemer - in latere jaren hoger vastgestelde premie. 7.10 Ik meen dat de genoemde uitlatingen zijn aan te merken als een, op basis van voldoende relevante informatie gegeven, bewuste standpuntbepaling van het UWV jegens belanghebbende, waaraan de Inspecteur, in het licht van het wettelijk voorziene samenspel, gebonden is bij de latere premievaststelling.

Dat moet betekenen dat de aan de werknemer toegekende uitkering op geen enkele wijze mag doorwerken in de hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Whk ten laste van belanghebbende. 8Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 maart 2019, nr. 18/00743, ECLI:NL:GHARL:2019:2607. De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen.

Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten. Motivering beroep in cassatie, p. 4 en p.

1. Het relevante wettelijke kader wordt geciteerd in onderdeel 3 van de uitspraak van de Rechtbank. Zie artikel 2, onderdeel c, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Zie hoofdstuk 6 van de WIA. Zie hoofdstuk 7 van de WIA. Het gaat, meer in het bijzonder, om hoofdstuk 3 van de Wfsv. Ik merk overigens op dat het in deze zaak steeds gaat om de Wfsv zoals die gold in het jaar 2016, ook indien dat niet expliciet is aangegeven. Hetzelfde geld uiteraard voor het Besluit Wfsv. Zie artikel 34, lid 1, Wfsv. Zie artikel 34, lid 1, Wfsv. Zie voor dit een en ander:

H.C. Verploegh, Th.J.M. van Schendel en J.P.E. de Kock, Loonheffingen, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 35 en 346. Zie artikel 2.6, lid 1, Besluit Wfsv (tekst voor het jaar 2016). Verploegh, Van Schendel en De Kock schrijven hier het volgende over: “De gedifferentieerde premie Whk bestond in de jaren 2014 tot en met 2016 uit drie delen: een premiedeel ‘WGA-vast’, dat ziet op de financiering van het WGA-risico voor werknemers met een vast dienstverband; een premiedeel ‘WGA-flex’, dat ziet op de financiering van het WGA-risico van zogenaamde flexwerkers; een premiedeel ‘ZW‑flex’, dat ziet op de financiering van het ZW-risico van zogenoemde flexwerkers.” Zie H.C.

Verploegh, Th.J.M. van Schendel en J.P.E. de Kock, Loonheffingen, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 347. Zie p. 4 (eerste alinea) van het verweerschrift van de Inspecteur bij de Rechtbank. Zie ook onderdeel 10 van het cassatieberoepschrift van belanghebbende. Zie ook artikel 2.7 Besluit Wfsv. Zie artikel 2.6, lid 2, Besluit Wfsv (tekst voor het jaar 2016). Zie bijvoorbeeld p. 3 van het verweerschrift van de Inspecteur bij de Rechtbank. Zie artikel 2.6, lid 4, Besluit Wfsv (tekst voor het jaar 2016). Zie ook H.C. Verploegh, Th.J.M. van Schendel en J.P.E. de Kock, Loonheffingen, Deventer:

Wolters Kluwer 2018, p. 347. Zie uitgebreider artikel 2.6, lid 4, Besluit Wfsv. Zie ook artikel 2.11 e.v. Besluit Wfsv. Zie H.C. Verploegh, Th.J.M. van Schendel en J.P.E. de Kock, Loonheffingen, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 347. Zie H.C. Verploegh, Th.J.M. van Schendel en J.P.E. de Kock, Loonheffingen, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 347 – 348. Zie ook artikel 2.11 en 2.12 Besluit Wfsv. Zie r.o. 1.1 van de Hofuitspraak. Dit betekent dat zowel de premiecomponent voor ‘WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen’ als de premiecomponent voor ‘ZW-lasten’ nihil bedraagt.

Zie ook p. 1 (onderdeel 3.1) van het verweerschrift van de Inspecteur bij de Rechtbank. Zie r.o. 2.7 van de Hofuitspraak. Zie r.o. 2.7 van de Hofuitspraak. Zie p. 2 van het proces-verbaal van de zitting bij het Hof. Zie H.C. Verploegh, Th.J.M. van Schendel en J.P.E. de Kock, Loonheffingen, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p.

35. Zie artikel 57 Wfsv. Zie artikel 60, lid 1, Wfsv. Zie H.C. Verploegh, Th.J.M. van Schendel en J.P.E. de Kock, Loonheffingen, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p.

35. Zie artikel 38, lid 3, Wfsv. Zie H.C. Verploegh, Th.J.M. van Schendel en J.P.E. de Kock, Loonheffingen, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 348. Het is in het kader van deze conclusie daarom niet nodig om in te gaan op alle (zeer ingewikkelde) technische details van deze berekening. Voor die details verwijs ik naar de conclusie van mijn ambtgenoot P.J. Wattel van 12 december 2017, nr. 17/02450, ECLI:NL:PHR:2017:1414. Het gaat met name om onderdeel 6 van die conclusie, en dan vooral vanaf onderdeel 6.8. Ik heb bij het opstellen van dit globale overzicht – naast de relevante regelgeving – gebruik gemaakt van de nota “Gedifferentieerde premies WGA en ZW 2016”, te raadplegen via https://www.uwv.nl/overuwv/Images/Nota%20Gedifferentieerde%20Premie%20WGA%20ZW%202016.pdf.

Zie artikel 38, lid 2, onderdeel a, Wfsv en artikel 38, lid 6, onderdeel a, Wfsv, in samenhang met artikel 2.9 Besluit Wfsv. Zie artikel 38, lid 2, onderdeel b Wfsv en artikel 38, lid 6, onderdeel a, Wfsv, in samenhang met artikel 2.8 Besluit Wfsv. Zie artikel 2.5, lid 1, onderdeel f, Besluit Wfsv. Zie ook artikel 2.6, lid 6, Besluit Wfsv. Zie lid 3 van de artikelen 2.11, 2.12 en 2.13 Besluit Wfsv Zie lid 2 van de artikelen 2.11, 2.12 en 2.13 Besluit Wfsv. Zie artikel 2.6, lid 4, Besluit Wfsv. Zie artikel 2.6, lid 1 en lid 4, Besluit Wfsv. Zie artikel 2.6, lid 4, Besluit Wfsv.

Zie artikel 2.9 Besluit Wfsv. Zie artikel 2.8 Besluit Wfsv. Door de ingestelde maximumpremiegrenzen worden de hoogste individuele premies begrensd. Het tekort aan premiebaten dat hierdoor ontstaat, wordt opgevangen door de extra premiebaten als gevolg van een opslag in het rekenpercentage. Zie lid 1 van de artikelen 2.11, 2.12 en 2.13 Besluit Wfsv. Zie lid 3 van de artikelen 2.11, 2.12 en 2.13 Besluit Wfsv. Zie lid 2 van de artikelen 2.11, 2.12 en 2.13 Besluit Wfsv.. Zie Stcrt. 2015, 27763. Dat zijn de zogenoemde grote werkgevers, zoals belanghebbende.

HR 12 april 1978, nr. 18 452, ECLI:NL:HR:1978:AX3264, HR 12 april 1978, nr. 18 464, ECLI:NL:HR:1978:AC2432 en Hoge Raad 12 april 1978, nr. 18 495, ECLI:NL:HR:1978:AM4447. Zie S.C.W. Douma e.a., Algemene wet inzake rijksbelastingen, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 274 e.v. Zie p. 2 van het proces-verbaal van de zitting bij het Hof. Hieronder kan mede een niet-handelen worden verstaan. Zie P.G.M. Jansen, Beginselen van behoorlijk bestuur in het belastingrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2013, p.

71. Voetnoot uit het origineel: ‘HR 26 september 1979, nr. 19.250, BNB 1979/311’. Zie P.G.M. Jansen, Beginselen van behoorlijk bestuur in het belastingrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2013, p. 71 - 72. Zie S.C.W. Douma e.a., Algemene wet inzake rijksbelastingen, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 287. Daar staat: ‘In recente rechtspraak komt men het begrip toezegging steeds minder tegen. In plaats daarvan wordt gerept van bewuste standpunt bepalingen, zulks in navolging van de terminologie die de Hoge Raad gebruikte in het (…) arrest BNB 1990/119.

Ook wij geven de voorkeur aan dit latere taalgebruik. Door de bewuste standpuntbepaling als criterium te hanteren komt beter dan voorheen tot uitdrukking dat het gaat om de inhoud van hetgeen de inspecteur kenbaar heeft gemaakt en niet om de vorm waarin hij dat heeft gedaan. (…) Inhoudelijk zorgt deze gewijzigde terminologie niet voor veranderingen. Voor een geslaagd beroep op een toezegging gelden dezelfde eisen als die welke gelden om een beroep te kunnen doen op een bewuste standpuntbepaling.’ Hoge Raad 26 september 1979, nr. 19 250, ECLI:NL:HR:1979:AM4918.

Voetnoot uit het origineel: ‘HR 26 september 1979, nr. 19.250, BNB 1979/311’. Hoge Raad 8 maart 1978, nr. 18.244, ECLI:NL:HR:1978:AX3023. Hoge Raad 7 maart 1979, nr. 18.997, ECLI:NL:HR:1979:AX2999. Hoge Raad 12 maart 1980, nr. 19.573, ECLI:NL:HR:1980:AX0019. Zie P.G.M. Jansen, Beginselen van behoorlijk bestuur in het belastingrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2013, p. 78 – 79. Zie ook S.C.W. Douma e.a., Algemene wet inzake rijksbelastingen, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 284 – 285 en p. 287. Zie artikel 5, lid 1, Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 in samenhang met artikel 2, lid 3, onderdeel b, AWR.

Zie ook artikel 5a, lid 1, Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 in samenhang met artikel 1, onderdeel t, Wfsv. Zie p. 18 van bijlage 2 van de conclusie van Advocaat-Generaal P.J. Wattel van 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, ECLI:NL:RVS:2019:896. Zie P.G.M. Jansen, Beginselen van behoorlijk bestuur in het belastingrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2013, p. 96 – 98. Zie S.C.W. Douma e.a., Algemene wet inzake rijksbelastingen, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 287. Hoge Raad 23 maart 1994, nr. 28 925, ECLI:NL:HR:1994:ZC5629. Hoge Raad 20 november 1996, nr. 31 419, ECLI:NL:HR:1996:AA1771.

Hoge Raad 5 januari 2000, nr. 34 689, ECLI:NL:HR:2000:AA4064. Hoge Raad 30 januari 2015, nr. 13/03379, ECLI:NL:HR:2015:143. Zie onderdeel 5.12 van deze conclusie. De door belanghebbende in cassatie aangevoerde klachten zijn mede daarop gericht. Vgl. in r.o. 8.3 van de uitspraak van de Rechtbank: Bovendien komt nadrukkelijk aan de orde dat werkgevers zich tot het UWV plegen te wenden om een verklaring te krijgen dat de uitkering niet aan hen zal worden toegerekend. En in r.o. 9.4: De rechtbank acht het aannemelijk dat een werkgever als eiseres zich bij vragen over de gevolgen van de Wet WIA in een concreet geval waar hij mee te maken krijgt, in eerste instantie wendt tot het UWV.

Als die een uitlating doet over de gevolgen, zonder daarbij uitdrukkelijk te vermelden dat zij niet over de gevolgen gaat die op het bordje van de inspecteur liggen, mag eiseres er redelijkerwijs van uit gaan dat die uitlating ook verweerder bindt. Zie 5.11 - 5.13. Zie 1.7. Zie 4.11 e.v. en 5.5 e.v.