Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2020:216 ECLI:NL:PHR:2020:216 AI generated

ECLI:NL:PHR:2020:216 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2020:216
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/05823 Zitting 6 maart 2020 CONCLUSIE OP VERSTEK R.H. de Bock In de zaak [eiser] tegen 1. Woningstichting Eigen Haard 2. De personen die verblijven in de onroerende zaak aan de [a-straat 1] te [plaats] Betekening oproepingsexploot op onjuist adres. Anoniem exploot. Verstek? 1Procesverloop in cassatie 1.1 Met een op 23 december 2019 bij de Hoge Raad ingediende procesinleiding in cassatie heeft eiser beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 oktober 2019.

Legislator headnote

AI generated

art. 61 Rv, art. 121 lid 1 Rv, Art. 121 lid 2 Rv, art. 121 lid 3 Rv, art. 45 lid 4 Rv, art. 45 Rv; ECLI:NL:PHR:2020:216 · Parket bij de Hoge Raad: Als uitzondering op die hoofdregel houdt art. 121 lid 3 Rv echter in dat de rechter de nietigheid van het exploot uitspreekt, indien aannemelijk is dat het exploot van dagvaarding de gedaagde als gevolg van het gebrek niet heeft bereikt. 2.3 Naar mijn mening is aannemelijk dat het exploot verweerders sub 2 niet heeft bereikt als gevolg van de betekening op een onjuist adres, zodat voldaan is aan het bepaalde in art. 121 lid 3 Rv. Dat geldt zeker nu verweerders sub 2 niet onder hun naam zijn gedagvaard, maar als ‘zij die verblijven in de onroerende zaak, staande en gelegen aan de [a-straat 2] te [plaats] ’. 2.4 Om deze reden adviseer ik om de nietigheid van het exploot uit te spreken.

Keywords

AI generated
art. 61 Rv art. 121 lid 1 Rv Art. 121 lid 2 Rv art. 121 lid 3 Rv art. 45 lid 4 Rv art. 45 Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 61 Rv
De wijze van betekening van een anoniem exploot is geregeld in art. 61 Rv.
art. 121 lid 1 Rv
Volgens art. 121 lid 1 Rv verleent de rechter dan geen verstek tegen de betrokken verweerder of gedaagde.
Art. 121 lid 2 Rv
2.2 Art. 121 lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zo’n geval een nieuwe roldatum aanzegt en beveelt dat deze door de eiser bij exploot aan gedaagde wordt aangezegd met herstel van het gebrek op kosten van eiser.
art. 121 lid 3 Rv
Als uitzondering op die hoofdregel houdt art. 121 lid 3 Rv echter in dat de rechter de nietigheid van het exploot uitspreekt, indien aannemelijk is dat het exploot van dagvaarding de gedaagde als gevolg van het gebrek niet heeft bereikt.
art. 45 lid 4 Rv
Het anonieme exploot van art. 45 lid 4 Rv kan overigens uitsluitend gebruikt worden om iemand te dagvaarden, maar niet om zelf als eisende partij in enige instantie anoniem te blijven.
art. 45 Rv
Het anonieme exploot van art. 45 lid 4 Rv kan overigens uitsluitend gebruikt worden om iemand te dagvaarden, maar niet om zelf als eisende partij in enige instantie anoniem te blijven.
art. 398 Rv
2 sub g bij art. 398 Rv, met verwijzing naar enkele uitspraken van de Hoge Raad.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1989:AD0585
HR 20 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0585, NJ 1989, 586 m.nt.
ECLI:NL:RBAMS:2016:6613
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/613940 / KG ZA 16-1018 CB/JvS Vonnis in kort geding van 3 oktober 2016 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HBB EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ B.V., gevestigd te Heemstede, eiseres bij dagvaarding van 30 augustus 2016, advocaat mr. J.P. Koets te Amsterdam, tegen 1. HEN DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK (INCLUSIEF HET TERREIN), OF GEDEELTE DAARVAN, GELEGEN AAN DE [adres], van wie zijn verschenen: 2. [gedaagde sub 2], 3. [gedaagde sub 3], advocaat mr. R.K. Uppal te Amsterdam, 4. [gedaagde sub 4], 5. [gedaagde sub 5], advocaat mr. J. Rutteman te Amsterdam. Eiseres wordt hierna aangeduid als HBB en de verschenen gedaagden gezamenlijk ook als de krakers. 1De procedure Ter terechtzitting van 19 september 2016 heeft HBB gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De krakers hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter zitting waren aanwezig: aan de zijde van HBB: [naam 1] en mr. L. van Leeuwen, kantoorgenoot van mr. Koets, aan de zijde van de krakers: [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] , mrs. Uppal en Rutteman. 2De feiten 2.1. HBB is erfpachter van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] . De onroerende zaak heeft de kadastrale aanduiding Sloten (N.H.) [kadasternummer] en is eigendom van de gemeente Amsterdam. De (opstallen op) de onroerende zaak (hierna het pand) bestaat(n) uit een kantoorruimte en bedrijfshal. 2.2. In 2009 is het kantoorgedeelte van het pand gekraakt. HBB is na overleg op 12 november 2009 een gebruiksovereenkomst aangegaan met (een van) de kraker(s) te weten [gedaagde sub 5] . Min of meer gelijktijdig is HBB voor de bedrijfshal een gebruiksovereenkomst aangegaan met Comfort Multidiensten Nederland B.V. Na het vertrek van deze gebruiker is voor de bedrijfshal een gebruiksovereenkomst gesloten met de Stichting Crealisatie Coöperatie. Deze stichting gebruikt de bedrijfshal voor het uitoefenen van creatieve functies, variërend van schildersatelier tot houtzagerij. 2.3. Bij e-mail van 12 juni 2012 heeft [naam 2] contact met HBB opgenomen met het verzoek of iemand op het contract van [gedaagde sub 5] bijgeschreven zou kunnen worden, omdat deze voornemens zou zijn om de kantoorruimte te gaan verlaten. HBB was daartoe bereid. 2.4. Op 11 juli 2012 is HBB met [naam 2] een gebruiksovereenkomst aangegaan met betrekking tot de kantoorruimte. 2.5. In maart 2015 heeft de brandweer Amsterdam-Amstelland de onroerende zaak gecontroleerd op brandveiligheid. Noch de bedrijfshal noch de kantoorruimte voldeden aan de eisen die daaraan worden gesteld door de brandweer. Er zijn vervolgens maatregelen genomen. 2.6. Bij concept-besluit heeft de gemeente Amsterdam onder meer aan HBB meegedeeld dat er wooneenheden zijn gerealiseerd zonder een daartoe afgegeven omgevingsvergunning en dat de woningen niet voldoen aan de richtafstand uit de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’. Daarnaast heeft de gemeente Amsterdam aan HBB meegedeeld dat het gebruik van de onroerende zaak als woonruimte moet worden beëindigd. Bij brief van 14 oktober 2015 heeft HBB het vorenstaande aan [naam 2] doorgegeven. 2.7. In mei 2016 is HBB in contact gekomen met Immo Consult B.V. en [bedrijf] Deze partijen waren geïnteresseerd om de erfpacht van de onroerende zaak over te kopen van HBB. In dat verband wilden zij halverwege juni 2016 de onroerende zaak bezichtigen. HBB heeft [naam 2] , als gebruiker van de bedrijfsruimte, verzocht hieraan mee te werken. Bij e-mail van 14 juni 2016 heeft [naam 2] het volgende aan HBB meegedeeld: ‘dat is prima. Ik weet niet of [gedaagde sub 2] er dan is? Maar de andere contactpersoon van iemand die thuis is, is [gedaagde sub 3] (…). zoals gezegd ben ik kort geleden verhuisd, dus misschien is het handig om een andere hoofdbewoner en contactpersoon op te nemen.’ 2.8. Op 21 juni 2016 is een koopovereenkomst tot stand gekomen tussen HBB, Immo en [bedrijf] . HBB heeft zich blijkens de koopovereenkomst verplicht om de onroerende zaak uiterlijk op 30 december 2016 leeg en ontruimd aan Immo en [bedrijf] te leveren. 2.9. Bij brief van 30 juni 2016 heeft HBB aan [naam 2] meegedeeld dat de gebruiksovereenkomst wordt opgezegd met een opzegtermijn van twee maanden. Bij brief van diezelfde datum heeft HBB aan de voor haar onbekende bewoners laten weten dat de onroerende zaak is verkocht en dat de deze binnen twee maanden dient te zijn ontruimd. 2.10. Per 23 september 2009, 7 mei 2010, 26 augustus 2011, 13 september 2013, 4 juni 2015 en 25 januari 2016 staan er personen c.q. een eenmanszaak op het adres van de onroerende zaak ingeschreven. 3Het geschil 3.1. HBB vordert samengevat - gedaagde(n) te veroordelen de onroerende zaak (inclusief terrein) binnen vijf dagen na betekening van het vonnis te verlaten met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin bevindt/bevinden, en vervolgens ontruimd en verlaten te houden, met machtiging aan HBB de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van gedaagde(n), voor welke kosten zij ieder voor zich en gezamenlijk hoofdelijk aansprakelijk zijn, met bepaling dat dit vonnis ook zal kunnen ten uitvoer worden gelegd tegen een ieder, die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet, alsmede gedaagde(n) te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met nakosten. 3.2. De krakers voeren verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Uit de door de krakers overgelegde uittreksels uit de Basisregistratie Personen (hierna te noemen: de BRP) en de Kamer van Koophandel kan worden opgemaakt dat er op het adres van de onroerende zaak in ieder geval vijf personen en een eenmanszaak staan ingeschreven. Gelet op het vorenstaande bestond er ten aanzien van deze personen en de eenmanszaak geen aanleiding om anoniem te dagvaarden, aangezien deze wijze van dagvaarden uitdrukkelijk is beperkt tot personen van wie naam en woonplaats in redelijkheid niet kunnen worden achterhaald (artikel 45 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Er is daarom niet voldaan aan de wettelijke voorschriften voor een anonieme dagvaarding, zodat deze nietig is ten aanzien van de ingeschreven personen (art. 120 Rv), die niet zijn verschenen (art. 122 Rv). De nietigheid is gedekt ten aanzien van de wel verschenen en ingeschreven gedaagden. 4.2. HBB heeft onvoldoende belang bij toewijzing van haar vorderingen, omdat de uitvoering van een ontruiming gemakkelijk kan worden tegengehouden door de niet verschenen en ingeschreven gedaagden, hetgeen naar verwachting ook zal gebeuren waardoor uitvoering van een ontruimingsvonnis praktisch onmogelijk is. 4.3. De conclusie luidt dat de dagvaarding ten aanzien van de niet verschenen en ingeschreven gedaagden nietig zal worden verklaard. De vordering zal jegens de overige gedaagden worden afgewezen. 4.4. HBB zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] worden begroot op: - griffierecht € 288,00 - salaris advocaat € 816,00 -------------- + Totaal € 1.104,00 De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] worden begroot op: - griffierecht € 288,00 - salaris advocaat € 816,00 -------------- + Totaal € 1.104,00 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. verklaart de dagvaarding ten aanzien van de niet verschenen en ingeschreven gedaagden nietig, 5.2. weigert de gevraagde voorzieningen ten aanzien van de overige gedaagden; 5.3. veroordeelt HBB in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] en tot op heden begroot op € 1.104,00, 5.4. veroordeelt HBB in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] en tot op heden begroot op € 1.104,00, 5.5. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J. van Sintemaartensdijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2016. type: JvS coll: mb
ECLI:NL:RBAMS:1988:AH2399
Zie onder meer Rechtbank Amsterdam 3 oktober 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:6613; Rechtbank Amsterdam 22 september 1988, ECLI:NL:RBAMS:1988:AH2399.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/05823 Zitting 6 maart 2020 CONCLUSIE OP VERSTEK R.H. de Bock In de zaak [eiser] tegen 1. Woningstichting Eigen Haard 2. De personen die verblijven in de onroerende zaak aan de [a-straat 1] te [plaats] Betekening oproepingsexploot op onjuist adres. Anoniem exploot. Verstek? 1Procesverloop in cassatie 1.1 Met een op 23 december 2019 bij de Hoge Raad ingediende procesinleiding in cassatie heeft eiser beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 oktober 2019.

Opgeroepen is tegen uiterlijk 30 januari 2020. 1.2 In het exploot van oproeping is vermeld dat het oproepingsbericht en de procesinleiding op de voet van art. 61 Rv zijn betekend aan ‘zij die verblijven in de onroerende zaak, staande en gelegen aan de [a-straat 2] te [plaats] ’, zulks door achterlating van het oproepingsbericht en de procesinleiding in een gesloten envelop. Vermeld is verder dat de deurwaarder zo spoedig mogelijk een uittreksel hiervan zal publiceren in het Parool. 1.3 Voor verweerders sub 2 heeft zich op of voor 30 januari 2020 geen advocaat gesteld.

Eiser tot cassatie heeft om verlening van verstek tegen verweerders sub 2 verzocht. Tot op de dag van deze conclusie heeft zich voor verweerders sub 2 geen advocaat gesteld. 1.4 De rolraadsheer heeft ter rolle van 30 januari 2020 verzocht om navraag te doen bij de deurwaarder of het oproepingsbericht en de procesinleiding ten aanzien van verweerders sub 2 inderdaad zijn betekend aan het adres dat vermeld is in het exploot van oproeping, [a-straat 2] te [plaats] , nu uit de procesinleiding blijkt dat het adres van verweerders sub 2 [a-straat 1] te [plaats] is. 1.5 Op mijn verzoek heeft deurwaarder E.J.M. van Hal bij schrijven van 17 februari 2020 laten weten dat het adres van verweerders sub 2 waarschijnlijk abusievelijk niet correct in het exploot is opgenomen.

Daaruit leid ik af dat niet aan het juiste adres is betekend. 2Verstekbeoordeling 2.1 Nu het exploot van oproeping ten aanzien van verweerders sub 2 niet aan het juiste adres is betekend, lijdt het aan een gebrek dat nietigheid meebrengt. Volgens art. 121 lid 1 Rv verleent de rechter dan geen verstek tegen de betrokken verweerder of gedaagde. 2.2 Art. 121 lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zo’n geval een nieuwe roldatum aanzegt en beveelt dat deze door de eiser bij exploot aan gedaagde wordt aangezegd met herstel van het gebrek op kosten van eiser.

Als uitzondering op die hoofdregel houdt art. 121 lid 3 Rv echter in dat de rechter de nietigheid van het exploot uitspreekt, indien aannemelijk is dat het exploot van dagvaarding de gedaagde als gevolg van het gebrek niet heeft bereikt. 2.3 Naar mijn mening is aannemelijk dat het exploot verweerders sub 2 niet heeft bereikt als gevolg van de betekening op een onjuist adres, zodat voldaan is aan het bepaalde in art. 121 lid 3 Rv. Dat geldt zeker nu verweerders sub 2 niet onder hun naam zijn gedagvaard, maar als ‘zij die verblijven in de onroerende zaak, staande en gelegen aan de [a-straat 2] te [plaats] ’. 2.4 Om deze reden adviseer ik om de nietigheid van het exploot uit te spreken.

Hiervoor is nog een extra reden. 2.5 Het gaat hier om een anoniem exploot, waarin niet de namen van de geëxploteerden zijn vermeld. Op grond van art. 45 lid 4 Rv is dat mogelijk “indien het exploot een vordering tot ontruiming betreft van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht, van wie naam en woonplaats in redelijkheid niet kunnen worden achterhaald.” Een anoniem exploot op de voet van deze bepaling is bedoeld voor gevallen dat het exploot betrekking heeft op een vordering tot ontruiming van een onroerende zaak die door krakers in gebruik is genomen.

De wijze van betekening van een anoniem exploot is geregeld in art. 61 Rv. De mogelijkheid van anonieme betekening is ingevoerd bij Wet van 21 mei 1981 (Leegstandswet), gewijzigd bij Wet van 3 juli 1985, en destijds opgenomen in art. 4 onder 12 Rv (oud). Het anonieme exploot van art. 45 lid 4 Rv kan overigens uitsluitend gebruikt worden om iemand te dagvaarden, maar niet om zelf als eisende partij in enige instantie anoniem te blijven. 2.6 In de onderhavige zaak is echter geen sprake van ingebruikneming van een onroerende zaak door krakers. Uit het in cassatie bestreden arrest van het hof Amsterdam van 29 oktober 2019 blijkt dat het geschil gaat om het in (mede)gebruik geven door een huurder ( [eiser] ) van zijn van Eigen Haard gehuurde woning, aan bekenden van hem (rov. 3.1.3).

In deze procedure heeft Eigen Haard de ontruiming gevorderd van het gehuurde door [eiser] (eiser tot cassatie) en de personen aan wie [eiser] het gehuurde in gebruik had gegeven (verweerders sub 2). Dat betekent dat niet is voldaan aan het vereiste van art. 45 lid 4 Rv, dat het gaat om ontruiming door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht. Betrokkenen verbleven daar immers krachtens een persoonlijk recht. Bovendien blijkt uit het arrest van het hof dat de namen van deze personen bekend zijn, namelijk [betrokkene 1] met zijn echtgenote en kind (rov. 3.1.3).

Uit de procesinleiding blijkt dat ook de naam van de echtgenote van [betrokkene 1] in de procedure bekend was, namelijk [betrokkene 2] , alsmede de voorletter van [betrokkene 1] . (zie citaat op p. 3). Dit betekent dat de namen van de bedoelde personen bekend zijn, zodat ook in dit opzicht niet voldaan is aan de eisen van art. 45 lid 4 Rv. 2.7 Gelet op het gebrek aan waarborgen voor geëxploteerden bij anonieme dagvaarding, dient strikt getoetst te worden of voldaan is aan de vereisten die zijn vermeld in art. 45 lid 4 Rv. Dat is ook de lijn in de feitenrechtspraak.

Om deze reden mag worden verwacht dat bewijsstukken worden overgelegd waaruit blijkt dat de identiteit van de geëxploteerden niet kan worden achterhaald. 2.8 Voor zover er vanuit zou moeten worden gegaan dat er (ook) andere personen in de woning verblijven of hebben verbleven, dan nog geldt dat niet is gebleken dat de identiteit van die personen niet konden worden achterhaald. 2.9 Eigen Haard heeft [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij zowel rechtbank als hof anoniem doen dagvaarden. Hiervan is door noch de rechtbank noch het hof een punt gemaakt.

Ook als dat terecht is geweest, dan nog betekent dat niet automatisch dat deze personen ook in cassatie anoniem zouden kunnen worden gedagvaard. De rechter zal in elke instantie opnieuw moeten beoordelen of het uitgebrachte exploot en de wijze van betekening voldoet aan de wettelijke vereisten. 2.10 Ten slotte merk ik nog op dat verweerders sub 2 oorspronkelijk gedaagden respectievelijk geïntimeerden waren aan de zijde van eiser tot cassatie. Het is echter niet mogelijk om een rechtsmiddel aan te wenden tegen een voormalig processuele medestander. 3Conclusie De conclusie strekt tot het uitspreken van de nietigheid van het exploot van oproeping ten aanzien van verweerders sub 2.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Wet van 21 mei 1981, Stb. 1981, 337. Wet van 3 juli 1985, Stb. 1985, 384. HR 20 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0585, NJ 1989, 586 m.nt. WHH (Crasto/Van den Berg). Zie onder meer Rechtbank Amsterdam 3 oktober 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:6613; Rechtbank Amsterdam 22 september 1988, ECLI:NL:RBAMS:1988:AH2399. Van Mierlo, T&C Rv, aant. 6 bij art. 45 Rv. Winters, T&C Rv, aant. 2 sub g bij art. 398 Rv, met verwijzing naar enkele uitspraken van de Hoge Raad. Zie voor dezelfde regel in hoger beroep, Asser Procesrecht 4 Hoger Beroep 2017/42.