Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2020:1115 ECLI:NL:PHR:2020:1115 AI generated

ECLI:NL:PHR:2020:1115 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2020:1115
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 24 april 2019 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 2.182.865,93 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6 EVRM, artikel 36e lid 2 Sr, artikel 36e Sr, artikel 6 lid 1 EVRM, artikel 6 lid 2 EVRM; ECLI:NL:PHR:2020:1115 · Parket bij de Hoge Raad: Aangezien voor de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot het ondervragen van [betrokkene 1] heeft ontbroken, getuigt het kennelijke oordeel van het hof dat de verklaringen van [betrokkene 1] zonder schending van de aan de betrokkene op grond van artikel 6 EVRM toekomende verdedigingsrechten bij de schatting van het wederrechtelijke voordeel kunnen worden betrokken, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onvoldoende met redenen omkleed. De stellers van het middel beroepen zich hierbij (onder meer) op jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Vidgen tegen Nederland en de zaak Schatschaschwilli tegen Duitsland.

Keywords

AI generated
artikel 6 EVRM artikel 36e lid 2 Sr artikel 36e Sr artikel 6 lid 1 EVRM artikel 6 lid 2 EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 6 EVRM
Daar komt bij dat indien door of namens de betrokkene in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan op een (dreigende) schending van de door artikel 6 EVRM aan hem gegarandeerde aanspraken, tevens mag worden aangenomen dat de betrokkene zelf de gang van zaken niet als zodanig heeft ervaren.
artikel 36e lid 2 Sr
In deze ontnemingszaak heeft het hof – naar zijn overwegingen kunnen worden begrepen – toepassing gegeven aan artikel 36e lid 2 Sr.
artikel 36e Sr
Op de procedure die is gericht op voordeelsontneming door middel van een maatregel ex artikel 36e Sr is artikel 6 lid 1 EVRM van toepassing.
artikel 6 lid 1 EVRM
Op de procedure die is gericht op voordeelsontneming door middel van een maatregel ex artikel 36e Sr is artikel 6 lid 1 EVRM van toepassing.
artikel 6 lid 2 EVRM
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan bovendien worden afgeleid dat (ook) de – mede in artikel 6 lid 2 EVRM verankerde – onschuldpresumptie van toepassing is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2020:1523
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 18/00794 P Datum 29 september 2020 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 februari 2018, nummer 21/000228-16, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, hierna: de betrokkene.
ECLI:NL:PHR:2020:604
ECLI:NL:PHR:2020:861
De conclusie die te vinden is onder ECLI:NL:PHR:2020:861 ging vooraf aan het in de vorige voetnoot genoemde recente arrest.
NJ 2012/283
26766/05 en 22228/06, NJ 2012/283 m.nt.
ECLI:NL:HR:2017:1016
4 juli 2017 Strafkamer nr. S 16/02161 CB/IV Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 22 februari 2016, nummer 22/000595-13, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.
ECLI:NL:HR:2020:227
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 18/00173 Datum 11 februari 2020 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 5 december 2017, nummer 22/003578-15, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, hierna: de verdachte. 1Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.M.P. van Eijsden, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het eerste middel 2.1 Het middel klaagt over het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de getuige [medeverdachte 1] , terwijl de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen en de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit niet in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. 2.2.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 15 december 2012 tot en met 17 juli 2013 te Wassenaar, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat 1] ) een groot aantal hennepplanten en/of hennepstekken en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.” 2.2.2 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “1. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 20 november 2017 verklaard - zakelijk weergegeven - : Ik ging een keer per week langs bij de woning aan de [a-straat 1] te Wassenaar. 2. Een stamproces-verbaal aanleiding onderzoek d.d. 21 juli 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1571-2013136537-84. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 6 e.v.): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: Op 18 juli 2013 werd de woning aan de [a-straat 1] te Wassenaar betreden. De voordeur werd opengedaan door een persoon, hierna te noemen de verdachte [betrokkene 1] . In de woning werd een niet in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. AanhoudingenIn de woning werden de volgende personen aangehouden: Naam: [betrokkene 1]Voornamen: [betrokkene 1]Geboren: [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats] Naam: [betrokkene 1]Voornamen: [medeverdachte 2]Geboren: [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] Naam: [medeverdachte 1]Voornamen: [medeverdachte 1]Geboren: [geboortedatum] te [geboorteplaats] 3. Een proces-verbaal Team Forensische Opsporing, Narcotica, d.d. 29 juli 2013 van de politie Den Haag met nr. PL 1571 2013136537-N. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 431 e.v.): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren: Op 18 juli 2013 hebben wij verbalisanten onderzoek verricht in een hennepkwekerij, aangetroffen in een woning, perceel [a-straat 1] te Wassenaar. Wij, verbalisanten zagen, dat genoemd perceel een woning betrof. In de woning werd door ons in meerdere vertrekken kweekruimtes aangetroffen. Wij zagen in verschillende ruimtes allerhande, aan de hennepteelt gerelateerde en benodigde attributen. Kweekruimte 1 (kelder);In deze kweekruimte werd door ons een deels ontmantelde hennepkwekerij aangetroffen. Wij zagen langs de kanten opgestapelde zwarte ronde kweekpotten staan. Wij zagen dat de kweekpotten een diameter van 30 centimeter hadden en gevuld waren met aarde met daarin afgeknipte stammen, met wortelstelsel in substraatblokjes. Wij zagen, dat het hier resten van vrouwelijke hennepplanten betrof. Wij zagen, dat de stammen met wortelresten van de vrouwelijke hennepplanten, gezien de dikte en grootte van het wortelgestel, vermoedelijk van planten in volle bloei waren. Wij zagen, dat deze vrouwelijke hennepplanten klonen (stekjes) waren. De kweekbak met opstaande rand in de kweekruimte had de afmeting van 4.70 bij 2.40 meter. Kweekruimte 2 (kelder);In deze kweekruimte werd tevens door ons een deels ontmantelde hennepkwekerij aangetroffen. Wij zagen langs de kanten opgestapelde zwarte ronde kweekpotten staan. Deze zwarte ronde kweekpotten hadden een diameter van 30 centimeter en waren gevuld met aarde met daarin afgeknipte stammen, met wortelstelsel in substraatblokjes. Wij zagen, dat het hier resten van vrouwelijke hennepplanten betrof. Wij zagen, dat de stammen met wortelresten van de vrouwelijke hennepplanten, gezien de dikte en grootte van het wortelgestel, vermoedelijk van planten in volle bloei waren. Wij zagen, dat deze vrouwelijke hennepplanten klonen (stekjes) waren. In een ruimte voor kweekruimte 2 stond een 93 tal lege ronde kweekpotten. De kweekruimte had de afmeting van 3.70 bij 4.30 meter. Kweekruimte 3 (1e etage);In deze kweekruimte werd door ons een deels ontmantelde hennepkwekerij aangetroffen. Wij zagen in deze ruimte her en der opgestapelde zwarte ronde kweekpotten staan. Deze zwarte ronde kweekpotten hadden een diameter van 30 centimeter en waren gevuld met aarde met daarin afgeknipte stammen, met wortelstelsel in substraatblokjes. Wij zagen, dat het hier resten van vrouwelijke hennepplanten betrof. Wij zagen, dat de stammen met wortelresten van de vrouwelijke hennepplanten, gezien de dikte en grootte van het wortelgestel, vermoedelijk van planten in volle bloei waren. Wij zagen, dat deze vrouwelijke hennepplanten klonen (stekjes) waren. De kweekruimte had de afmeting van 4.76 bij 3.35 meter. Kweekruimte 4 (1e etage)In deze kweekruimte werd door ons een deels ontmantelde hennepkwekerij aangetroffen. Wij zagen in deze ruimte her en der opgestapelde zwarte ronde kweekpotten met een diameter van 30 centimeter staan. In de zwarte ronde kweekpotten zat aarde met daarin afgeknipte stammen, met wortelstelsel in substraatblokjes. Wij zagen, dat het hier resten van vrouwelijke hennepplanten betrof. Wij zagen, dat de stammen met wortelresten van de vrouwelijke hennepplanten, gezien de dikte en grootte van het wortelgestel, vermoedelijk van planten in volle bloei waren. Wij zagen, dat deze vrouwelijke hennepplanten klonen (stekjes) waren. De kweekruimte had de afmeting van 2.95 bij 4.25 meter. Aanwijzingen voor eerdere oogsten;In de ruimtes werden verschillende sporen/aanwijzingen gevonden, die duiden op het feit dat deze al langer in gebruik zijn en hier in ieder geval 2 eerdere oogsten zijn geweest. Het is ons verbalisant als narcotica experts uit jarenlange ervaring bekend dat de vrouwelijke hennepplanten ook wel nederwiet worden genoemd. Met hennep wordt bedoeld elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden. De bovenstaande hennep is vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet en verboden in artikel 3 en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet. 4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 18 augustus 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1571-2013136537-129. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 451 e.v.): als de op 18 augustus 2013 afgelegde verklaring van [betrokkene 3] : De woning aan de [a-straat 1] te Wassenaar is mijn woning. [verdachte] zit al tijden in het beheer van panden (het hof begrijpt: de verdachte). Ik weet niet hoe die mensen heetten die de woning huurden. [verdachte] regelt dat altijd. [verdachte] kent zoveel mensen. Hij zit al jaren in het vastgoed. Wij zijn via [verdachte] aan de huurder gekomen. Ik dacht dat woning werd verhuurd voor ongeveer € 5000,= netto per maand. Ik kreeg het geld van de huur contant van [verdachte] . 5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 18 juli 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1571-2013136537-23. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 103 e.v.): als de op 18 juli 2013 afgelegde verklaring van [geboortedatum] : (...) Waarom is uw verblijf in het pand gratis en krijgt u 150 euro per week?Het pand moet er bewoonbaar uit zien. Ik verblijf daar in verband met al die toestanden die jullie daar hebben aangetroffen. Wat voor toestanden bedoelt u?De hennepkwekerij. Met wie heeft u alle afspraken betreffende het pand gemaakt en wat waren deze afspraken?Met [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte). Ik zou het huis onderhouden. 6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 juli 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1571-2013136537-76. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 108 e.v.): als de op 20 juli 2013 afgelegde verklaring van [geboortedatum] : (...) Waarom heeft [verdachte] u gevraagd om in het pand [a-straat 1] te Wassenaar te wonen?Ik kwam voor het eerst in de woning en zei tegen [verdachte] dat ik niet in deze woning kon gaan wonen. Hoezo kon u dit niet?Ik heb een voorwaardelijke straf op het gebied van hennep. Dus [verdachte] wist van de hennepkwekerijen af?Ja, natuurlijk. Waarom bent u er dan toch gaan wonen?[verdachte] heeft mij omgepraat. Hoe vaak kwam [verdachte] op bezoek in de woning?Ongeveer een keer in de week. 7. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 juli 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1571- 2013136537-81. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 126 e.v.): als de op 21 juli 2013 afgelegde verklaring van [geboortedatum] : (...) U heeft verklaard dat je twee maal de kosten van gas water en licht betaald hebt. Je moet rondkomen van 150,- per week.Wie heeft u dat geld gegeven?[verdachte] . Daar ging dus 500 a 600 euro naar gas, water en licht. Dat heb ik cash betaald bij de ING. U verklaarde dat de hennepkwekerij werd opgeruimd door [betrokkene 1] . Heeft zijn zoon daar ook mee geholpen?Eh, ik zal maar ja zeggen. U verklaarde dat “de mensen” u 150 euro per week betalen voor het passen op het huis. Hoe wordt dit betaald?In bankbiljetten. U bent door [verdachte] gevraagd in het huis te verblijven en erop te passen.De verdachte knikt. Ondanks dat u nog een voorwaardelijke straf op het gebied van hennep heeft bent u accoord gegaan en u krijgt hier 150 euro per week voor.Ja. U wist dat er een hennepkwekerij in zat.Ja, ik ben er eigenlijk ingeluisd. U bent er in januari 2013 gekomen.Ja. De woning staat op naam van [betrokkene 3] en [verdachte] wist dat er in de woning een hennepkwekerij bevond.Ja. 8. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 augustus 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1571-2013136537-130. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 412 e.v.): als de op 19 augustus 2013 afgelegde verklaring van [geboortedatum] : Maar je kwam aan de [a-straat 1] en was alles al opgebouwd?Die troep, de kwekerij, stond er allemaal al in. Heeft [verdachte] je al die troep al laten zien?Ja, hij heeft me rondgeleid in de woning en alles laten zien van de kwekerij. Hij verwachtte van mij dat ik erop zou passen. Hoeveel oogsten heb je meegemaakt?2. En die laatste keer werd het gestolen. Sinds wanneer kwam [betrokkene 1] bij u in het pand aan de [a-straat 1] wonen?Hij is de eerst nacht blijven slapen. En daarna kwam hij na 3 of 4 weken weer terug en dan elke keer voor een paar dagen of voor een week ofzo. En dat was voor het onderhoud van de kwekerij?Ja, een beetje. En moest jij de deur open doen voor de mensen die daar kwamen voor de kwekerij?Nee, die mensen hadden de sleutel. En zorgde dan dat ik weg was. Hoe heetten die mensen?[betrokkene 4] was de grootste en [betrokkene 5] was de kleinste. Wanneer zag u ze dan?1 a 2 keer in de week. Wat deden ze dan?De boel onderhouden in de kwekerij. Wie heeft deze mensen aan u geïntroduceerd?[verdachte] . Is het gebeurd dat je op een gegeven moment samen met [verdachte] naar het GWK ging en dat jij gewoon je legitimatiebewijs niet hebt gegeven en dat [verdachte] zijn legitimatie liet zien en betaalde?Nee hoor, [verdachte] ging alleen en kwam terug met het betaalbewijs. Ik had al tegen hem gezegd dat ik het niet meer voor hem zou doen. Wanneer was dat, dat [verdachte] die rekening betaalde?Eind juni, begin juli. Wie heeft de rekening in januari en februari betaald?Dat weet ik niet precies. Maar toen kwam wel ergens de eindafrekening en die heeft [verdachte] betaald. Van wie kreeg u de 150 euro per week voor het bewonen van het pand aan de [a-straat 1] ?Van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] . Hoe kreeg u dat betaald?Contant. Wie namen die plantjes mee?[betrokkene 4] en [betrokkene 5] , in dat busje. Was [verdachte] er ook wel eens bij?1 keer. 9. Een geschrift, zijnde een betalingsbewijs van een Contante Betaling Plus door [verdachte] aan Nuon Customer Care Center d.d. 5 juni 2013 (blz. 594): Contante Betaling Plus Kantoor : 049Datum : 5-6-2013 12:07Transactienummer : […]Transactietype : Contante Betaling PlusOrdernummer : […] Begunstigde:Naam : N.V. Nuon Customer Care Center Omschrijving : 22951762 Gegevens OpdrachtgeverNaam : [betrokkene 6]Adres : [a-straat 1]Woonplaats : [postcode] WASSENAARLand : Netherlands Betaald doorNaam : [verdachte]Adres : [a-straat 1]Woonplaats : [postcode] WASSENAARLand : Netherlands TransactiegegevensBedrag : EUR 800,00Provisie : EUR 16,00Kosten bericht : EUR 0,00---------------------------- ---------------Totaal : EUR 816,00 (...) 10. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 oktober 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1571-2013136537-186. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (blz. 757 e.v.): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: In het GEEP onderzoek werden van de volgende verdachten historische telefoongegevens opgevraagd: [verdachte] Bevraagde periode: van 1 september 2012 tot en met 24 juli 2013. [medeverdachte 1] Bevraagde periode: van 1 september 2012 tot en met 29 juli 2013. CONTACTEN VERDACHTEN [verdachte] < - > [medeverdachte 1]Er vond 506 keer contact tussen hen plaats. 11. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 augustus 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1571-2013136537-131. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 408): als de op 19 augustus 2013 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] : Het enige wat ik erover kan zeggen, is dat [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [geboortedatum] ) mooi in de maling is genomen. Hij is door [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) hierheen, naar het westen, gelokt, onder het mom van een ad hoc woning die [verdachte] voor hem zou hebben. Ik was erbij toen [verdachte] [medeverdachte 1] opbelde en hem vertelde dat hij die ad hoc woning voor hem had. Ik zag [medeverdachte 1] helemaal glunderen en toen ik aan hem vroeg wat er was toen zei hij nog tijdens het telefoongesprek tegen mij dat [verdachte] hem dat aanbod deed. Toen ben ik op een gegeven moment, een tijd na het telefoontje, samen met [medeverdachte 1] in de auto naar een [A] hotel hier in de buurt gegaan. Daar was [verdachte] ook. Ik heb toen [medeverdachte 1] bij [verdachte] achtergelaten. Zij zijn samen weggegaan in een auto. Het geschrift is in samenhang met de overige bewijsmiddelen gebruikt.” 2.2.3 Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen: “De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting overeenkomstig haar overgelegde pleitnota betoogd dat de verklaringen van medeverdachte [geboortedatum] ongeloofwaardig, dan wel onbetrouwbaar dan wel tegenstrijdig zijn en voorts dat de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad medeverdachte [medeverdachte 1] te ondervragen, zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 sub d van het van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De verklaringen van [medeverdachte 1] kunnen derhalve niet tot het bewijs worden gebezigd. Het hof overweegt als volgt. [medeverdachte 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat de verdachte hem heeft gevraagd de hennepkwekerij in de woning op de [a-straat 1] in Wassenaar te bewaken, schoon te maken en de woning bewoonbaar te laten lijken. Hij kreeg hiervoor € 150,00 per week betaald van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] , met wie de verdachte hem in contact heeft gebracht. Toen [medeverdachte 1] in januari 2013 voor het eerst in de betreffende woning kwam, heeft de verdachte hem rondgeleid en toen heeft hij voor het eerst de hennepkwekerij gezien. De verdachte kwam elke week langs in de woning aan de [a-straat 1] in de periode dat [medeverdachte 1] daar verbleef. In dit verband overweegt het hof dat [medeverdachte 1] niet alleen de verdachte belast, maar ook zichzelf. Voorts vindt zijn verklaring op een aantal essentiële punten steun in andere procestukken. Zo heeft de medeverdachte [betrokkene 1] verklaard dat [medeverdachte 1] in [betrokkene 1] aanwezigheid is gebeld door de verdachte en dat hem toen een woning werd aangeboden. [betrokkene 1] heeft [medeverdachte 1] daarop naar het parkeerterrein van het [A] hotel te Wassenaar gebracht. Hij heeft [medeverdachte 1] daar achtergelaten bij de verdachte. Voorts vindt de verklaring van [medeverdachte 1] steun in de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte dat hij ongeveer elke week bij de woning langsging. Ook is gebleken dat de verdachte in de ten laste gelegde periode veelvuldig telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte 1] . De verklaring van de verdachte dat dit contact slechts zou gaan over een gouddeal vindt geenszins steun in het dossier en is naar het oordeel van het hof ongeloofwaardig. Tenslotte past het gegeven dat er geen huurcontract en/of huurkwitanties zijn aangetroffen tussen [medeverdachte 1] en de verdachte in samenhang met het feit, dat de verdachte een professionele partij is in de huizen(verhuur)markt, ook bij de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij voor het passen op de woning een contant bedrag heeft ontvangen. Op grond van het voorgaande acht het hof de verklaring van [medeverdachte 1] geloofwaardig en zal derhalve zijn verklaring tot het bewijs bezigen. Het hof overweegt voorts dat de gevallen, waarin het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft uitgemaakt dat een in het opsporingsonderzoek afgelegde getuigenverklaring van het bewijs dient te worden uitgesloten, omdat de verdediging niet in enig stadium van het geding in de gelegenheid is geweest haar ondervragingsrecht uit te oefenen, zaken betreffen waarin een bewezenverklaring alleen of in beslissende mate berust op de verklaring van die getuige. Een dergelijke situatie doet zich naar het oordeel van het hof in casu niet voor, nu de verklaringen van [medeverdachte 1] - gelet op het voornoemde steunbewijs - niet het enige of beslissende bewijs vormen voor de betrokkenheid van de verdachte bij het onder 1 ten laste gelegde feit en er voldoende steunbewijs in onderling verband en samenhang bezien voorhanden is. Het hof is van oordeel dat de verdachte betrokken is geweest bij het telen van hennep op de [a-straat 1] . Naast het feit, dat de verdachte de beheerder van het pand was, bemiddelde in de verhuur en actief zicht hield op het betalen van de energierekening (hij is deze rekening zelfs op enig moment zelf gaan betalen) acht het hof de betrokkenheid van de verdachte ook op grond van de hiervoor genoemde verklaringen van [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] van dien aard dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Op grond van het voorgaande acht het hof het ten laste gelegde medeplegen bewezen. Ten overvloede overweegt het hof dat de verklaring van de verdachte dat hij niets van de hennepkwekerij zou hebben gemerkt ongeloofwaardig is, gelet op het gegeven dat hij regelmatig in het pand kwam, dat hij de verhuurder van het pand was en gelet op hetgeen met betrekking tot het aantreffen van de hennepkwekerij is gerelateerd.” 2.2.4 Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 20 en 21 november 2017 houdt onder meer het volgende in: - als de verklaring van de verdachte: “Ik ging een keer per week langs bij de woning aan de [a-straat 1] te Wassenaar. Ik ontken betrokkenheid bij de kwekerij in het pand. Ik heb het pand eerst aan mijn toenmalige partner [betrokkene 6] verhuurd, maar hij hield zich niet aan de afspraken. Daarna heb ik het pand aan [medeverdachte 1] verhuurd. [medeverdachte 1] betaalde mij € 5000,00 per maand contant en ik stortte dat meteen door naar mijn partner [betrokkene 3] . Ik ken [medeverdachte 1] al langer en hij heeft mij contant geld laten zien. Zo wist ik dat hij de huur kon betalen. Ik heb wel een huurcontract opgesteld. Dit contract lag in het pand, maar het is niet gevonden. Ik heb hem de sleutels gegevens. Als ik mijn kinderen naar school ging brengen, reed ik altijd langs. [medeverdachte 1] wist hoe laat dat was en dan stond hij altijd buiten te zwaaien. Soms ging ik naar binnen, maar nooit met de sleutel. We hadden problemen met een gouddeal en daar gingen we het dan over hebben. Ik heb zelf nooit op de [a-straat 1] gewoond en heb nooit gemerkt dat er een hennepkwekerij in de woning was. De televisie stond altijd aan en ik heb ook nooit iets geroken. [betrokkene 6] heeft in opdracht van mij een nieuw hek geplaatst. Daarna is hij geïnteresseerd geraakt in de woning. Het energiecontract stond op zijn naam. Mijn telefoonnummer stond er waarschijnlijk op omdat ik de beheerder van het pand ben. Toen [betrokkene 6] uit het pand ging, ben ik met [medeverdachte 1] in het pand geweest. Het klopt niet dat [medeverdachte 1] zegt dat er toen al een hennepkwekerij was. [medeverdachte 1] wilde met mij meerijden naar het GWK in Leiden. Ik ben dus wel bij de betaling geweest, maar ik heb nooit zelf een energienota betaald. Ik heb meteen gevraagd of de camerabeelden konden worden opgevraagd, maar er is verder geen onderzoek naar gedaan. Ik regelde de energie niet, dit kwam op naam van de huurder. Het energiecontract stond op naam van [betrokkene 6] , ook toen hij al weg was. Ik kreeg die rekeningen niet, die rekeningen kwamen gewoon op de [a-straat 1] .” - als de verklaring van de getuige [medeverdachte 1] : “Ik beroep mij ten aanzien van alle vragen op mijn verschoningsrecht.” 2.3 In de situatie dat de getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont op grond van een daartoe door de wet gegeven bevoegdheid en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt of doet stellen, ontbreekt een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging (vgl. HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1017). Voor dergelijke situaties heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016 met het oog op artikel 6 EVRM onder meer het volgende overwogen: “3.2.1. (...) De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd. 3.2.2. Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel. 3.2.3. Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.” 2.4.1 Het Hof heeft dit toetsingskader tot uitgangspunt genomen en geoordeeld dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [geboortedatum] als getuige (bewijsmiddelen 5-8) bruikbaar zijn voor het bewijs, nu de betrokkenheid van de verdachte niet in beslissende mate op die verklaringen is gebaseerd maar in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Daarbij heeft het Hof betrokken dat dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaring van [medeverdachte 1] waarop de betwisting door de verdachte – die in de kern inhoudt dat hij wel de door hem aan [medeverdachte 1] verhuurde woning aan de [a-straat 1] regelmatig heeft bezocht, maar niet wist dat in die woning een hennepkwekerij aanwezig was, en dat hij niet een energienota bij het GWK heeft voldaan - is gericht. 2.4.2 Enerzijds houden de verklaringen van [medeverdachte 1] immers onder meer in dat de verdachte [medeverdachte 1] heeft gevraagd de hennepkwekerij in de woning aan de [a-straat 1] te bewaken, dat de verdachte [medeverdachte 1] alles heeft laten zien van de kwekerij, dat de verdachte [medeverdachte 1] in contact heeft gebracht met de personen die de kwekerij onderhielden, dat de verdachte er een keer bij was toen die personen plantjes meenamen in een busje en dat de verdachte een betaling bij het GWK heeft verricht voor gas, water en licht. Anderzijds blijkt uit de overige bewijsmiddelen dat de verdachte was belast met het beheer van de woning aan de [a-straat 1] (bewijsmiddel 4), dat de verdachte [medeverdachte 1] heeft benaderd voor het bewonen van de woning, waarna [betrokkene 1] [medeverdachte 1] naar een parkeerterrein bij een hotel in Wassenaar heeft gebracht voor een ontmoeting met de verdachte (bewijsmiddel 11), dat de verdachte een keer per week langs ging bij de woning (bewijsmiddel 1) waar in meerdere vertrekken kweekruimtes zijn aangetroffen (bewijsmiddel 3), dat blijkens een betalingsbewijs de verdachte een bedrag via Contante Betaling Plus aan Nuon heeft voldaan (bewijsmiddel 9) en dat veelvuldig telefonisch contact bestond tussen de verdachte en [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 10). Het hof heeft voorts bij zijn oordeel betrokken dat de door de verdachte gegeven (alternatieve) verklaring dat de contacten met [medeverdachte 1] slechts zouden gaan over een gouddeal, geen steun vindt in het dossier en ongeloofwaardig is. 2.4.3 Gelet op een en ander is het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaring niet uitsluitend of in beslissende mate berust op de verklaringen van [medeverdachte 1] en dat die verklaringen voor het bewijs mogen worden gebruikt, niet onbegrijpelijk. 2.5 Het middel faalt. 3Beoordeling van de overige middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, lid 1, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 69 dagen. 5Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze 65 dagen beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/02118 P Zitting 6 oktober 2020 (bij vervroeging) CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [betrokkene ] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, hierna: de betrokkene.

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 24 april 2019 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 2.182.865,93 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.

2. Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene (19/02119) alsmede met de ontnemingszaken van twee medeverdachten (19/02285 P en 19/02116 P). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 1] bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking heeft genomen en redengevend heeft geacht voor het oordeel dat de betrokkene uit het bewezen verklaarde en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.

5. Ter toelichting op de berekening van het voordeel geef ik hieronder eerst de bewijsmotivering van het hof weer. In het bestreden arrest heeft het hof onder het kopje ‘de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel’, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende overwogen: “Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen en andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten. Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 2.182.865,93.

Het hof neemt hierbij over de bewijsoverwegingen van de rechtbank in het ontnemingsvonnis van 19 januari 2017, zoals weergegeven op pagina 4 tot en met 10, inclusief de daarbij genoemde voetnoten, voor zover inhoudende: ‘(…) Transporten voorafgaand aan de bewezen verklaarde periode Wat betreft de periode die voorafgaat aan 5 september 2015 gaat de rechtbank op grond van wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. (…) Aankoop vrachtwagen BV-TR-22 Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] op 10 november 2015 werd administratie aangetroffen van de aankoop van een DAF truck bij [A] op naam van [B] van januari 2014.

Door verkoper [betrokkene 2] is verklaard dat hij de truck met kenteken [kenteken 1] aan [B] heeft verkocht. De kopers vertelden hem dat zij op Engeland zouden gaan rijden met de truck. In de administratie van de verkoop van [betrokkene 2] is een kopie van het rijbewijs van [betrokkene 1] aanwezig. [betrokkene 2] verklaart echter dat [betrokkene 1] niet aanwezig was bij de verkoop en herkent bij een fotoconfrontatie [betrokkene ] als de koper van de truck en [medeverdachte 2] als de chauffeur. [betrokkene ] heeft ter zitting bevestigd betrokken te zijn geweest bij de aankoop van deze vrachtwagen.

Verklaring [betrokkene 1] over [B] [betrokkene 1] is de enig aandeelhouder en bestuurder van [B] , dat per augustus 2012 ook wel handelt onder de naam [B] , gevestigd te [plaats] . [betrokkene 1] heeft verklaard op papier eigenaar te zijn geweest van [B] . [betrokkene ] (de rechtbank begrijpt: [betrokkene ] ) heeft hem benaderd omdat hij gebruik wilde maken van deze vennootschap om transporten mee te gaan doen. Hiervoor krijgt [betrokkene 1] een vergoeding van [betrokkene ] in de vorm van € 1.500,- salaris per maand. Dit bedrag zou [betrokkene ] elke maand storten op de privérekening van [betrokkene 1] , gebruikmakend van de rekening van [B] . [betrokkene 1] heeft zelf geen activiteiten ondernomen vanuit het bedrijf. [betrokkene 1] heeft een vrachtwagen op zijn naam gehad die door [betrokkene ] is gekocht.

Ook is hij door [betrokkene ] gevraagd om een oplegger op naam van [B] te zetten. Het bedrijfspand is uitgezocht door [betrokkene ] en de huur werd ook door hem betaald, aldus [betrokkene 1] . [betrokkene 1] hoorde van [betrokkene 3] dat de oplegger op Engeland reed. De trailer werd gebruikt door een Engelsman. [betrokkene 1] wist dat [betrokkene 3] handelingen verrichtte op dinsdagen. [betrokkene 1] zegt hierover dat hij natuurlijk wel aanvoelde dat er iets niet aan klopte. (…) Conclusie De rechtbank is van oordeel dat op grond van de gebezigde wettige bewijsmiddelen voldoende aanwijzingen bestaan dat het strafbare handelen van de organisatie, te weten het exporteren van harddrugs naar het Verenigd Koninkrijk, ook voorafgaand aan 15 september 2015 heeft plaatsgevonden.

Reeds vanaf maart 2013 heeft [medeverdachte 2] als chauffeur transport van staal naar het Verenigd Koninkrijk uitgevoerd, eerst met de vrachtwagen met kenteken [kenteken 2] en later met de vrachtwagen met kenteken [kenteken 1] . Dat de lading telkens uit een rol staal bestond blijkt uit de registratie door Stena Line en wordt ondersteund door de waarneming op 4 november 2014 tijdens de ILT-controle. Dat de lading ook telkens verdovende middelen bevatte volgt uit de (grotendeels) ongewijzigde modus operandi. Uit de tachograafgegevens blijkt dat al geruime tijd voor de bewezen verklaarde periode volgens hetzelfde vaste patroon werd gereden, waarbij elke dinsdag tussen ongeveer 17.00 uur en 19.00 uur tijd was om de verdovende middelen te laden.

De gebruikte oplegger met kenteken [kenteken 3] stond ook al per april 2013 op naam van [B] . Reeds in maart 2013 werden overtochten geboekt door [C] in opdracht van [B] en verstuurde [medeverdachte 1] - kennelijk na het boeken van die overtocht - een SMS aan [medeverdachte 2] met de tekst ‘youre booked mate’. De rechtbank stelt vast dat de organisatie ten minste in maart 2013 is aangevangen met het uitvoeren van drugstransporten op overwegend dezelfde wijze als de bewezen verklaarde transporten in september tot en met november 2015. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat hiermee door betrokkenen wederrechtelijk voordeel is verkregen.’ In aanvulling op de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank overweegt het hof nog het volgende. (…) Betrokkenheid van veroordeelde en berekening van zijn wederrechtelijk voordeel Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan voor betrokkenheid van veroordeelde bij de drugstransportorganisatie vanaf tenminste maart 2013.

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen - in samenhang met de bewijsmiddelen in de strafzaak - leidt het hof namelijk af dat veroordeelde [betrokkene 1] vóór maart 2013 heeft benaderd om gebruik te maken van diens vennootschap. Daar komt bij dat het bestand ‘ […] , dat is gebruikt om stickers te maken die bij elk transport op de rol staal werden geplakt, op 4 maart 2013 is aangemaakt, op welk moment ‘ [betrokkene ] ’ als gebruiker (user) was ingelogd. Door de verdediging is gesteld dat ook anderen dan veroordeelde op zijn account konden werken, maar niet is aangegeven wie dit dan zouden moeten zijn geweest en op welke manier dat dan gebeurd zou zijn.

In de strafzaak is bewezenverklaard dat veroordeelde in de periode 15 september 2015 tot en met 10 november 2015 als feitelijk leidinggevende betrokken is geweest bij de drugstransportorganisatie. Mede gelet op de omstandigheid dat de modus operandi (chauffeur [medeverdachte 2] die elke woensdag met een vrachtwagen met oplegger met een rol staal van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk gaat) vanaf maart 2013 ongewijzigd is -daargelaten kleine verschillen op detailniveau- is het hof van oordeel dat niet valt in te zien dat veroordeelde niet ook al in maart 2013 (als feitelijk leidinggevende) betrokken was bij de organisatie.

De verklaring die verdachte in hoger beroep heeft afgelegd, inhoudende dat hij pas vanaf de zomer van 2015 op de hoogte raakte van en betrokken raakte bij de drugshandel acht het hof op grond van de hiervoor genoemde betrokkenheid van verdachte in maart 2013 niet aannemelijk.” 6. In de toelichting betogen de stellers van het middel dat het hof zijn oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene ook vóór januari 2014 strafbare feiten heeft begaan en daardoor voordeel heeft verkregen, onder meer heeft ontleend aan de verklaringen van de medeverdachte [betrokkene 1] .

Aangezien voor de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot het ondervragen van [betrokkene 1] heeft ontbroken, getuigt het kennelijke oordeel van het hof dat de verklaringen van [betrokkene 1] zonder schending van de aan de betrokkene op grond van artikel 6 EVRM toekomende verdedigingsrechten bij de schatting van het wederrechtelijke voordeel kunnen worden betrokken, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onvoldoende met redenen omkleed. De stellers van het middel beroepen zich hierbij (onder meer) op jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Vidgen tegen Nederland en de zaak Schatschaschwilli tegen Duitsland.

7. De gang van zaken omtrent het verzoek van de verdediging tot het horen van medeverdachte [betrokkene 1] als getuige is als volgt: (i) In de samenhangende strafzaak heeft de raadsman van de betrokkene bij appelschriftuur van 19 januari 2017 verzocht (onder meer) [betrokkene 1] als getuige te horen. (ii) Op 27 september 2017 heeft in hoger beroep een zogenoemde ‘regiezitting’ plaatsgevonden waarbij de strafzaak en de ontnemingszaak van de betrokkene gelijktijdig zijn behandeld. Uit het proces-verbaal van deze zitting kan worden opgemaakt dat de raadsman van de betrokkene het verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen heeft gehandhaafd en toegelicht.

De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat hij [betrokkene 1] wil bevragen over zijn rol en de periode waarin hij betrokken zou zijn geraakt bij bepaalde feiten. De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen het horen van [betrokkene 1] en daartoe aangevoerd dat [betrokkene 1] eerder is gehoord bij de rechter-commissaris, maar zich toen op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Volgens de advocaat-generaal viel te verwachten dat [betrokkene 1] het beroep op zijn verschoningsrecht zou handhaven. (iii) Bij tussenarrest van 11 december 2017, gewezen in de strafzaak tegen de betrokkene, heeft het hof (onder meer) het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige toegewezen en de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris. (iv) Het tussenarrest van 11 december 2017 in de ontnemingszaak houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“Door de voormalig raadsman van veroordeelde, mr. R.D.A. van Boom, zijn bij appelschriftuur van 19 januari 2017, nader toegelicht door mr. A.A. Boersma op de regiezitting van het hof van 27 november 2017, onderzoekswensen geformuleerd in de strafzaak tegen veroordeelde, parketnummer 21-000098-17. Deze onderzoekswensen zijn voor een deel toegewezen. In de onderhavige ontnemingszaak zijn geen zelfstandige onderzoekswensen ingediend. Wel acht het hof – ambtshalve – wenselijk dat ook in de onderhavige ontnemingszaak nader onderzoek wordt verricht.

Het hof acht het van belang dat door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, als getuigen worden gehoord: - de medeverdachten/-veroordeelden (…), [betrokkene 1] , (…).” (v) Naar ik afleid uit de cassatieschriftuur heeft [betrokkene 1] zich bij de raadsheer-commissaris beroepen op zijn verschoningsrecht.

8. In deze ontnemingszaak heeft het hof – naar zijn overwegingen kunnen worden begrepen – toepassing gegeven aan artikel 36e lid 2 Sr. Deze wetsbepaling opent de weg naar de ontneming van voordeel dat de betrokkene heeft verkregen door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten, alsmede uit andere dan de bewezen verklaarde strafbare feiten indien daaromtrent (volgens de redactie van deze bepaling) “voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan”.

9. Op de procedure die is gericht op voordeelsontneming door middel van een maatregel ex artikel 36e Sr is artikel 6 lid 1 EVRM van toepassing. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan bovendien worden afgeleid dat (ook) de – mede in artikel 6 lid 2 EVRM verankerde – onschuldpresumptie van toepassing is. De toepasselijkheid van deze waarborgen brengt (onder meer) mee dat de betrokkene zich in rechte moet kunnen verdedigen. Daartoe behoort dat hem in de ontnemingsprocedure de gelegenheid wordt geboden om aan te voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat ‘andere’ strafbare feiten door hem zijn begaan. Ter onderbouwing daarvan kan de verdediging de rechter verzoeken om getuigen te (doen) horen.

10. Op grond van artikel 6 lid 3 onder d EVRM heeft een verdachte in het strafproces aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen ter terechtzitting, althans in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. Voor het geval dat de verdediging – “ondanks het nodige initiatief daartoe”, aldus steevast de Hoge Raad – géén gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van een getuige ter terechtzitting, heeft het EHRM een beslissingsmodel in de vorm van een driestappentoets ontwikkeld die richtinggevend is voor het antwoord op de vraag of verdachtes aanspraak op een eerlijk proces is geschonden doordat de verklaring van de niet-ondervraagde getuige ten laste van de verdachte aan de bewijsvoering heeft bijgedragen.Deze uit de zogenaamde Vidgen-jurisprudentie voortvloeiende regels zijn niet onverkort van toepassing in de ontnemingsprocedure.

Die regels hebben echter wel betekenis indien en voor zover een in het verband van de ontnemingsprocedure te nemen beslissing inhoudt dat de betrokkene zelf een concreet aangeduid (‘ander’) strafbaar feit heeft begaan.

11. De Hoge Raad kan in cassatie slechts onderzoeken of sprake is van een schending van artikel 6 lid 3 sub d EVRM als hiervoor bedoeld, indien de verdediging de mogelijkheid heeft benut om ten overstaan van de feitenrechter op te komen tegen een (dreigende) schending van die bepaling. De beoordeling van de vraag of de verdedigingsrechten die aan de betrokkene op grond van artikel 6 EVRM toekomen zijn veronachtzaamd is immers verweven met waarderingen van feitelijke aard, zoals de wegingen die nodig zijn wanneer de feitenrechter aan de hand van de driestappentoets onderzoekt of de verklaringen van de niet-ondervraagde getuige ten laste van de betrokkene kunnen worden gebruikt zonder dat wordt tekortgedaan aan betrokkene’s aanspraak op een eerlijk proces.

Een dergelijk verweer kan daarom niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd. Daar komt bij dat indien door of namens de betrokkene in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan op een (dreigende) schending van de door artikel 6 EVRM aan hem gegarandeerde aanspraken, tevens mag worden aangenomen dat de betrokkene zelf de gang van zaken niet als zodanig heeft ervaren.

12. Terug naar de voorliggende zaak. In de onderhavige ontnemingszaak heeft de verdediging – volgens de in cassatie onaantastbare vaststelling van het hof – niet om het horen van [betrokkene 1] als getuige verzocht. Evenmin heeft de verdediging in de procedure bij het hof – noch in de strafzaak noch in de ontnemingszaak – het verweer gevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 1] niet ten laste van de betrokkene kunnen worden gebezigd op de grond dat de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om hem te ondervragen.

13. Om die redenen faalt het eerste middel.

14. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

15. Namens de verdachte is op 29 april 2019 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 6 januari 2020 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden. Ik wijs er voorts ambtshalve op dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken. Ook in dat opzicht is de redelijke termijn overschreden.

16. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Nu in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, die eveneens bij de Hoge Raad aanhangig is, de redelijke termijn ook is overschreden, kan de compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, worden toegepast in de hoofdzaak en kan in de onderhavige zaak worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

17. Het eerste middel faalt. Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar met die enkele constatering kan worden volstaan. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG In de ontnemingszaken van de medeverdachten zijn geen middelen namens de verdachte ingediend. Met weglating van voetnoten. EHRM 10 oktober 2012, nr. 29353/06 (Vidgen/Nederland); EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwilli/Duitsland). Zie onlangs nog: HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523. Zie in dit verband mijn op dit punt gelijkluidende conclusies van 16 juni 2020, te vinden onder bijvoorbeeld ECLI:NL:PHR:2020:604 of ECLI:NL:PHR:2020:861, waarin ik inga op de vraag naar de verhouding tussen de ontnemingsmaatregel en de onschuldpresumptie en zie de in dat verband door mij aangehaalde relevante jurisprudentie.

De conclusie die te vinden is onder ECLI:NL:PHR:2020:861 ging vooraf aan het in de vorige voetnoot genoemde recente arrest. De driestappentoets is beschreven in de zaak Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk (EHRM d.d.15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06, NJ 2012/283 m.nt. Schalken en Alkema), en is verder genuanceerd in de zaak Schatschaschwilli/Duitsland (EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10). Zie ook HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, en HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:227. HR 7 april 2015, ECLI:NL:2015:898, en HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2023.