Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2020:1023 ECLI:NL:PHR:2020:1023 AI generated

ECLI:NL:PHR:2020:1023 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2020:1023
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/02968 P Zitting 6 oktober 2020 CONCLUSIE T.N.B.M. Spronken In de zaak [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, hierna: de betrokkene. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 11 juni 2019 het vonnis van de rechtbank van 26 april 2017 bevestigd. In dat vonnis is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van € 41.450,- aan de staat ter ontneming van wederechtelijk verkregen voordeel. Er bestaat samenhang met de (hoofd)zaak onder 19/02969.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2020:1023 · Parket bij de Hoge Raad: In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Namens de betrokkene is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. 4. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan zij ingevolge artikel 437, tweede lid, Sv niet in haar cassatieberoep worden ontvangen. 5. Deze conclusie strekt tot ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar cassatieberoep.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/02968 P Zitting 6 oktober 2020 CONCLUSIE T.N.B.M. Spronken In de zaak [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, hierna: de betrokkene. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 11 juni 2019 het vonnis van de rechtbank van 26 april 2017 bevestigd. In dat vonnis is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van € 41.450,- aan de staat ter ontneming van wederechtelijk verkregen voordeel. Er bestaat samenhang met de (hoofd)zaak onder 19/02969.

In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Namens de betrokkene is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. 4. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan zij ingevolge artikel 437, tweede lid, Sv niet in haar cassatieberoep worden ontvangen. 5. Deze conclusie strekt tot ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG