ECLI:NL:PHR:2019:512 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 15/03070 Zitting: 19 maart 2019 (bij vervroeging) Mr. B.F. Keulen Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 26 juni 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, onder 1A wegens ‘medeplegen van poging tot doodslag’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Er bestaat samenhang met de zaak 15/03052. In deze zaak zal ik vandaag eveneens concluderen. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, één middel voorgesteld.
Legislator headnote
AI generatedart. 27 Sr; ECLI:NL:PHR:2019:512 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 15/03070 Zitting: 19 maart 2019 (bij vervroeging) Mr. B.F. Keulen Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 26 juni 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, onder 1A wegens ‘medeplegen van poging tot doodslag’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Er bestaat samenhang met de zaak 15/03052. In deze zaak zal ik vandaag eveneens concluderen. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, één middel voorgesteld.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedCited Case Law
AI generatedFull text
Nr. 15/03070 Zitting: 19 maart 2019 (bij vervroeging) Mr. B.F. Keulen Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 26 juni 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, onder 1A wegens ‘medeplegen van poging tot doodslag’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Er bestaat samenhang met de zaak 15/03052. In deze zaak zal ik vandaag eveneens concluderen. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, één middel voorgesteld.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. Op de grond dat het ingestelde cassatieberoep enkel ertoe strekt te klagen dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, en namens de verdachte kennelijk geen (cassatie)klachten bestaan over de bestreden uitspraak, betreft het een klacht waarbij de verdachte onvoldoende belang bij cassatie heeft.
6. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet ontvankelijk kan worden verklaard. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.2.4 en A.J.A. van Dorst, ‘Cassatie in strafzaken’, 9e druk, Deventer Wolters Kluwer 2018, p. 214.