Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2019:422 ECLI:NL:PHR:2019:422 AI generated

ECLI:NL:PHR:2019:422 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2019:422
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 18/01589 B Zitting: 23 april 2019 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [klager] 1Inleiding 1.1. De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle heeft bij beschikking van 21 maart 2018 het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan hem van een onder hem in beslag genomen auto, ongegrond verklaard. 1.2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. D.R. Kops, advocaat te Breukelen (Utrecht), heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2De aanleiding en de procesgang 2.1. Uit de gedingstukken maak ik het volgende op. - De kennisgeving van inbeslagneming (KVI) vermeldt dat op 8 januari 2018 een Volkswagen Golf personenauto ex art. 94 Sv in het kader van de waarheidsvinding in beslag is genomen, omdat deze als gestolen stond gesignaleerd. - Deze signalering is gebaseerd op een aangifte van diefstal op 26 oktober 2017 gedaan door [belanghebbenden] , vlak nadat hij de auto op een veiling van de Belastingdienst had gekocht.

Legislator headnote

AI generated

art. 552a Sv, art. 94 Sv, artikel 94 Sv, art. 3:119 BW, art. 552a lid 5 Sv; ECLI:NL:PHR:2019:422 · Parket bij de Hoge Raad: Feiten en omstandigheden Op 8 januari 2018 is op grond van artikel 94 Sv beslag gelegd op de hiervoor genoemde personenauto. Overwegingen Klager, onder wie de auto in beslag genomen is, stelt dat de inbeslagneming onrechtmatig is en maakt bezwaar dat de auto daarna aan [belanghebbenden] in bewaring is gegeven. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Meer dan klager is [belanghebbenden] in staat geweest te onderbouwen dat hij bezitter is van de personenauto en daardoor rechthebbende. Conclusie De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard en dat de inbeslaggenomen personenauto in de bewaring van [belanghebbenden] moet blijven.

Keywords

AI generated
art. 552a Sv art. 94 Sv artikel 94 Sv art. 3:119 BW art. 552a lid 5 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 552a Sv
De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle heeft bij beschikking van 21 maart 2018 het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan hem van een onder hem in beslag genomen auto, ongegrond verklaard.
art. 94 Sv
- De kennisgeving van inbeslagneming (KVI) vermeldt dat op 8 januari 2018 een Volkswagen Golf personenauto ex art. 94 Sv in het kader van de waarheidsvinding in beslag is genomen, omdat deze als gestolen stond gesignaleerd.
artikel 94 Sv
Maatstaf Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv.
art. 3:119 BW
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de rechtbank door te overwegen dat [belanghebbenden] meer dan de klager in staat is geweest te onderbouwen dat hij bezitter is geweest van de personenauto en daardoor rechthebbende, een onjuiste toepassing heeft gegeven aan art. 3:119 BW.
art. 552a lid 5 Sv
Dat had op grond van art. 552a lid 5 Sv wel moeten gebeuren.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2010:BL2823
Geding in cassatie Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegrondverklaring van het beklag wat betreft het Turkse paspoort, de identiteitskaart en de pasfoto's - is ingesteld door de klager.
NJ 2010/654
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.
ECLI:NL:HR:2006:AX6283
De bestreden beschikking De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door de klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van het in bovenvermelde beschikking omschreven voorwerp.
NJ 2006/385
2.10 en HR 4 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6283, NJ 2006/385.
ECLI:NL:HR:2018:949
onder klager zijn op 25 juni 2014 in beslag genomen: - de goederen zoals vermeld op aangehechte kennisgeving van inbeslagneming (bijlage I); bij vonnis van de Meervoudige Strafkamer in deze rechtbank van 30 juni 2015 is klager veroordeeld ter zake van oplichting. Op het beslag is toen geen beslissing gegeven. Overwegingen Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen bij klager in beslag is genomen. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv is daarbij in dit geval van belang of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de voorwerpen verbeurd zullen worden verklaard op grond van artikel 33a, tweede lid onder b WvSr, dan wel door de officier van justitie op grond van haar toekomende bevoegdheden zullen worden vernietigd.
ECLI:NL:PHR:2018:634
HR 19 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:949 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Knigge, ECLI:NL:PHR:2018:634, onder 4.4-4.6.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 18/01589 B Zitting: 23 april 2019 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [klager] 1Inleiding 1.1. De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle heeft bij beschikking van 21 maart 2018 het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan hem van een onder hem in beslag genomen auto, ongegrond verklaard. 1.2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. D.R. Kops, advocaat te Breukelen (Utrecht), heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2De aanleiding en de procesgang 2.1. Uit de gedingstukken maak ik het volgende op. - De kennisgeving van inbeslagneming (KVI) vermeldt dat op 8 januari 2018 een Volkswagen Golf personenauto ex art. 94 Sv in het kader van de waarheidsvinding in beslag is genomen, omdat deze als gestolen stond gesignaleerd. - Deze signalering is gebaseerd op een aangifte van diefstal op 26 oktober 2017 gedaan door [belanghebbenden] , vlak nadat hij de auto op een veiling van de Belastingdienst had gekocht.

Na de veiling werd hij aangesproken door drie personen, waaronder de voormalige eigenaar van de auto, [betrokkene] (broer van de klager), die hem vertelde dat hij de autosleutels nog had en de auto voor € 1800,- wilde kopen. - De broer van de klager zou de papieren ophalen en ondertussen is [belanghebbenden] naar de Rijksdienst voor het Wegverkeer gegaan om een andere auto op zijn naam te laten zetten. - Bij terugkomst zag [belanghebbenden] dat de Volkswagen Golf weg was. Een medewerker van de Belastingdienst gaf aan dat de klager een vrijwaringsbewijs had laten zien en dat hij de auto aan de klager had meegegeven. - [belanghebbenden] stelt dat hij geen geld voor de auto heeft gekregen en dat er sprake is van diefstal.

Dit wordt door de klager betwist. Hij stelt dat [belanghebbenden] de auto aan hem heeft verkocht voor € 1800,-. - Het openbaar ministerie heeft in haar reactie op het klaagschrift medegedeeld dat zij voornemens is de strafzaak tegen de klager wegens onvoldoende bewijs te seponeren en de auto terug te geven aan [belanghebbenden] . - Een hulpofficier van justitie heeft op 8 januari 2018 de auto teruggegeven aan [belanghebbenden] . - Kennelijk is op 12 januari 2018 deze onbevoegd bevolen teruggave gerectificeerd en in de plaats daarvan is de auto aan [belanghebbenden] in bewaring gegeven, in afwachting van een beslissing van de officier van justitie. - Voor zover mij bekend, heeft de officier van justitie tot op heden geen verdere beslissingen genomen omtrent de teruggave en is de auto ook thans nog in bewaring bij [belanghebbenden] . - De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager ongegrond verklaard. 3Het middel 3.1.

Het middel bevat de klacht dat het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard onjuist is, althans onvoldoende is gemotiveerd. 3.2. De bestreden beschikking houdt het volgende in: “5. De beoordeling Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast. Maatstaf Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv. De rechtbank dient daarom a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

Feiten en omstandigheden Op 8 januari 2018 is op grond van artikel 94 Sv beslag gelegd op de hiervoor genoemde personenauto. Overwegingen Klager, onder wie de auto in beslag genomen is, stelt dat de inbeslagneming onrechtmatig is en maakt bezwaar dat de auto daarna aan [belanghebbenden] in bewaring is gegeven. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Meer dan klager is [belanghebbenden] in staat geweest te onderbouwen dat hij bezitter is van de personenauto en daardoor rechthebbende. Conclusie De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard en dat de inbeslaggenomen personenauto in de bewaring van [belanghebbenden] moet blijven.

6. De beslissing De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.” 3.3. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de rechtbank door te overwegen dat [belanghebbenden] meer dan de klager in staat is geweest te onderbouwen dat hij bezitter is geweest van de personenauto en daardoor rechthebbende, een onjuiste toepassing heeft gegeven aan art. 3:119 BW. Deze bepaling houdt in dat de bezitter van een goed wordt vermoed de rechthebbende te zijn. Volgens de steller van het middel staat vast dat de klager op het moment van inbeslagname bezitter van de auto was en dat daaruit dus voortvloeit dat hij als rechthebbende van de auto had moeten worden aangemerkt.

Dit kan slechts anders zijn indien [belanghebbenden] dit wettelijke vermoeden weerlegt. De rechtbank heeft nagelaten te motiveren op grond van welke feiten en omstandigheden [belanghebbenden] meer dan klager zou hebben onderbouwd dat hij en niet de klager als bezitter en daardoor rechthebbende van de auto dient te worden aangemerkt. 3.1. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Bij het beoordelen van een beklag tegen een op grond van art. 94 Sv in beslag genomen goed dient de rechter (i) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo neen, (ii) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. 3.2.

De rechtbank heeft in haar beschikking onder het kopje “maatstaf” op zichzelf het juiste toetsingskader aangehaald. Bij de toepassing hiervan heeft de rechtbank niet expliciet overwogen dat het belang van strafvordering zich thans niet meer verzet tegen opheffing van het beslag, Dat valt nog wel te begrijpen. De officier van justitie heeft immers in de reactie op het klaagschrift van de klager laten weten dat het openbaar ministerie voornemens is de strafzaak tegen klager te seponeren wegens gebrek aan bewijs en de auto terug te geven aan de (in de ogen van het openbaar ministerie) rechthebbende, zijnde [belanghebbenden] .

Deze schriftelijke reactie is voorafgaand aan de zitting ook toegezonden aan de klager en zijn raadsman (zie proces-verbaal van raadkamerbehandeling van 21 maart 2018). In deze mededeling ligt mijns inziens voldoende besloten dat volgens de officier van justitie het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet. Dat betekent dat de rechtbank zich slechts had te buigen over de vraag of een ander dan de klager, in dit geval [belanghebbenden] , redelijkerwijs als rechthebbende moest worden aangemerkt. Bij de beantwoording van deze laatste vraag heeft de rechterbank volstaan met de overweging dat [belanghebbenden] meer dan klager in staat is geweest te onderbouwen dat hij bezitter is van de personenauto en daardoor rechthebbende is. 3.3.

Dat oordeel van de rechtbank acht ik niet zonder meer begrijpelijk. De rechtbank heeft hierbij mijns inziens miskend dat het in dit geval niet aan de klager was om aan te tonen dat hij een ‘beter recht’ op de auto had dan [belanghebbenden] , omdat de auto onder de klager in beslag genomen is. Voor zover de rechtbank met haar overweging slechts tot uitdrukking bedoelde te brengen dat [belanghebbenden] redelijkerwijs als rechthebbende van da auto moet worden aangemerkt, ben ik het met de steller van het middel eens dat het op de weg van de rechtbank had gelegen daaraan een nadere feitelijke onderbouwing te geven.

Door dit na te laten heeft de rechtbank zijn beslissing niet naar behoren gemotiveerd. 3.4. Het middel slaagt. 4Ambtshalve opmerking 4.1. Aangezien ik van mening ben dat het voorgestelde middel dient te slagen en de zaak moet worden teruggewezen naar de rechtbank, veroorloof ik mij de volgende ambtshalve opmerking die van belang is voor een hernieuwde behandeling van het klaagschrift. Uit de stukken van geding blijkt niet dat [belanghebbenden] , die stelt rechthebbende te zijn van het in beslag genomen voorwerp, is opgeroepen als belanghebbende om tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord en desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen.

Dat had op grond van art. 552a lid 5 Sv wel moeten gebeuren. 5Conclusie 5.1. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m. nt. Mevis, rov. 2.8. In het systeem van de wet ligt immers besloten dat, indien het openbaar ministerie te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen.

Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m. nt. Mevis, rov. 2.10 en HR 4 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6283, NJ 2006/385. Vgl. HR 19 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:949 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Knigge, ECLI:NL:PHR:2018:634, onder 4.4-4.6.