Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2019:409 ECLI:NL:PHR:2019:409 AI generated

ECLI:NL:PHR:2019:409 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2019:409
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 17/04412 Zitting: 5 maart 2019 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 18 augustus 2017 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. ‘’opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en 2. “diefstal’’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair zestig dagen hechtenis.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2019:409 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 17/04412 Zitting: 5 maart 2019 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 18 augustus 2017 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. ‘’opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en 2. “diefstal’’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair zestig dagen hechtenis.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 17/04412 Zitting: 5 maart 2019 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 18 augustus 2017 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. ‘’opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en 2. “diefstal’’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair zestig dagen hechtenis.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. G.J.A. van de Grint, advocaat te Eindhoven, heeft een middel van cassatie voorgesteld. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 9 juli 2018 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie wordt ingediend. Deze termijn eindigde op vrijdag 7 september 2018. De schriftuur is eerst binnengekomen op dinsdag 11 september 2018.

De niet tijdige indiening ligt in de risicosfeer van de verdachte. Hetgeen door de steller van het middel in het begeleidend schrijven van 11 september 2018 is medegedeeld, te weten dat op vrijdag 7 september 2018 zijn faxapparaat dienst weigerde, kan hieraan niet afdoen. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG