Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2019:162 ECLI:NL:PHR:2019:162 AI generated

ECLI:NL:PHR:2019:162 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2019:162
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 18/00776 B Zitting: 8 januari 2019 Mr. G. Knigge Conclusie inzake: [klager] De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 7 februari 2018 het klaagschrift van de klager ex. art. 164 lid 8 WVW 1994, strekkende tot teruggave van zijn ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden rijbewijs, ongegrond verklaard. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Ontvankelijkheid van het beroep 3.1. Ambtshalve vestig ik de aandacht op het volgende.

Legislator headnote

AI generated

art. 164 lid 8 WVW 1994, art. 164 lid 4 WVW 1994, art. 130 lid 2 WVW 1994; ECLI:NL:PHR:2019:162 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 18/00776 B Zitting: 8 januari 2019 Mr. G. Knigge Conclusie inzake: [klager] De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 7 februari 2018 het klaagschrift van de klager ex. art. 164 lid 8 WVW 1994, strekkende tot teruggave van zijn ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden rijbewijs, ongegrond verklaard. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Ontvankelijkheid van het beroep 3.1. Ambtshalve vestig ik de aandacht op het volgende.

Keywords

AI generated
art. 164 lid 8 WVW 1994 art. 164 lid 4 WVW 1994 art. 130 lid 2 WVW 1994

Cited Legislation

AI generated
art. 164 lid 8 WVW 1994
art. 164 lid 8 WVW 1994, strekkende tot teruggave van zijn ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden rijbewijs, ongegrond verklaard.
art. 164 lid 4 WVW 1994
Vast staat immers dat van inhouding van het rijbewijs op grond van art. 164 lid 4 WVW 1994 vanaf 23 augustus 2018 geen sprake meer is geweest.
art. 130 lid 2 WVW 1994
In het kader van die procedure kan het rijbewijs worden ingevorderd (art. 130 lid 2 WVW 1994).

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 18/00776 B Zitting: 8 januari 2019 Mr. G. Knigge Conclusie inzake: [klager] De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 7 februari 2018 het klaagschrift van de klager ex. art. 164 lid 8 WVW 1994, strekkende tot teruggave van zijn ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden rijbewijs, ongegrond verklaard. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Ontvankelijkheid van het beroep 3.1. Ambtshalve vestig ik de aandacht op het volgende.

In het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevindt zich de ‘Beslissing bij invordering rijbewijs’ van de officier van justitie waaruit volgt dat het rijbewijs van de klager op 27 december 2017 voor de periode van acht maanden is ingehouden, onder vermelding van “Inhouden uiterlijk tot: 23 augustus 2018”. Uit namens mij bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de CVOM ingewonnen inlichtingen is gebleken dat de klager op 27 maart 2018 door de politierechter in de rechtbank Zeeland-Wets-Brabant is veroordeeld tot onder meer een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht maanden en dat de klager tegen deze veroordeling tijdig hoger beroep heeft ingesteld.

Voorts is uit de ingewonnen informatie gebleken dat het rijbewijs op 22 augustus 2018 is verzonden aan het CBR ten behoeve van een aldaar nog openstaande vordering en dat op diezelfde dag een brief ‘Kennisgeving einde ontzegging rijbevoegdheid’ is aangemaakt. 3.2. In cassatie kan niet als vaststaand worden aangenomen dat de klager zijn rijbewijs inmiddels heeft teruggekregen. Desondanks moet het ervoor worden gehouden dat de klager geen belang meer heeft bij het onderhavige cassatieberoep. Daarbij kan in het midden blijven op welke grond het CBR het rijbewijs van klager onder zich is gaan houden.

Vast staat immers dat van inhouding van het rijbewijs op grond van art. 164 lid 4 WVW 1994 vanaf 23 augustus 2018 geen sprake meer is geweest. Een eventuele vernietiging van de bestreden beschikking kan daardoor geen verandering brengen in de rechtspositie van de klager met betrekking tot het rijbewijs.

4. Deze conclusie strekt ertoe dat de klager in het cassatieberoep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Dat was wel het geval in HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8952, NJ 2012/208, m. nt. Schalken. Denkbaar is dat het CBR naar aanleiding van een melding van de politie over de onderhavige feiten een bestuursrechtelijke procedure is gestart naar de rijvaardigheid van de klager (op grond van art. 130-134a WVW 1994). In het kader van die procedure kan het rijbewijs worden ingevorderd (art. 130 lid 2 WVW 1994).