Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2019:1341 ECLI:NL:PHR:2019:1341 AI generated

ECLI:NL:PHR:2019:1341 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2019:1341
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Bij uitspraak van 23 mei 2019 heeft de rechtbank Den Haag de uitlevering van [opgeëiste persoon] aan de Republiek Rwanda toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de “in de door de Rwandese autoriteiten overgelegde affidavit, vermelde feiten”. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Legislator headnote

AI generated

art. 6 EVRM, art. 1 EVRM, artikel 6 EVRM, artikel 3 van het EVRM, artikel 13 van het EVRM, artikel 6 van het EVRM; ECLI:NL:PHR:2019:1341 · Parket bij de Hoge Raad: CHARGES Count 1: Genocide 6. The Prosecutor General charges [opgeëiste persoon] with Genocide, a crime stipulated in Article 114 (1) and (2) of the Rwandan Penal Code as well as Articles II (a), (b), (c) and III (a) of the Convention on the Prevention and the Punishment of the Crime of Genocide. 7. [opgeëiste persoon] is responsible for killing and causing serious bodily or mental harm to members of the Tutsi ethnic group with intent to destroy it in whole or in part.

Keywords

AI generated
art. 6 EVRM art. 1 EVRM artikel 6 EVRM artikel 3 van het EVRM artikel 13 van het EVRM artikel 6 van het EVRM

Cited Legislation

AI generated
art. 6 EVRM
Het tweede middel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de opgeëiste persoon “door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art.
art. 1 EVRM
6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering”.
artikel 6 EVRM
Dan kom ik toe aan de klacht die opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat “nu de processen worden gemonitord een effectief rechtsmiddel voorhanden zou zijn tegen eventuele flagrante schendingen van artikel 6 EVRM”.
artikel 3 van het EVRM
Gelet op het vorenstaande kan het namens de opgeëiste persoon gedane beroep op artikel 3 van het EVRM niet tot de conclusie leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard.
artikel 13 van het EVRM
Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat tegen een eventuele schending van het recht op een eerlijk proces geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM ten dienste staat.
artikel 6 van het EVRM
Aan een beoordeling van een beroep op een voltooide schending van artikel 6 van het EVRM, komt de uitleveringsrechter in de regel niet toe, omdat pas na de berechting in de verzoekende staat kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie.
art. 13 EVRM

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2003:AE5288
8 juli 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U ABG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De procesgang 1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 20 mei 2003. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage vernietigd voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment, afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998, omschreven klacht ontoelaabaar is verklaard. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. 1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 is de opgeëiste persoon verschenen en is hij gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Wladimiroff, advocaat te 's-Gravenhage, die voor hem het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities. Ook heeft de opgeëiste persoon zelf het woord ter verdediging gevoerd. Zijn pleitnotities zijn eveneens aan voornoemd proces-verbaal gehecht. De Advocaat-Generaal Jörg heeft een schriftelijke samenvatting gegeven die ertoe strekt de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 toelaatbaar te verklaren. 2. Het verzoek tot uitlevering 2.1. Het hernieuwde verzoek tot uitlevering, verder aan te duiden als het verzoek, is gedaan bij nota no. 15 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 6 februari 2001, gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In dit verzoek wordt verwezen naar het hieronder onder 2.3 (i) nog te noemen, reeds eerder gedane, doch ingetrokken, verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon voor dezelfde strafbare feiten. 2.2. Het verzoek, voorzover thans nog aan de orde, strekt tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten 2 en 3, aangeduid als "prohibited foreign trade practices" en omschreven in de hieronder onder 2.3 (v) vermelde "affidavit in support of request for extradition" op p. 3 onder a t/m o. 2.3. De verzoekende staat heeft bij het verzoek de navolgende stukken overgelegd: (i) een nota no. 24 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 4 mei 2000 inhoudende een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging; (ii) een door de Assistant Authentication Officer, Department of State, gecertificeerde verklaring van Madeleine K. Albright, Secretary of State van 20 april 2000 dat het hierna onder (iii) genoemde document het zegel van het Department of Justice van de Verenigde Staten van Amerika draagt; (iii) een door de Director/Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division of the United States Department of Justice gecertificeerde verklaring van 19 april 2000 van Janet Reno, Attorney General of the United States, dat Russel Bikoff zowel ten tijde van de ondertekening van het daaraan gehechte document als ten tijde van het opmaken van de onderhavige verklaring Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division, U.S. Department of Justice, Washington DC, was; (iv) een verklaring van 19 april 2000 houdende de certificering door voornoemde Russel Bikoff van de onder (v) genoemde verklaring en onder (vi) genoemde bijlagen; (v) een door John M. Facciola, United States Magistrate Judge, beëdigd en door Philip Urofsky, employed by the United States Department of Justice as a Trial Attorney in the Criminal Division, op 31 maart 2000 afgelegde verklaring tot staving van het verzoek om uitlevering waarin is opgenomen de identiteit van de opgeëiste persoon, de nationaliteit, de vermoedelijke verblijfplaats, een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht met vermelding van plaats en tijd ervan, het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, de wettelijke omschrijving en de toepasselijke Amerikaanse strafbepalingen; (vi) de bijlagen, gevoegd bij de onder (v) genoemde verklaring: a. een gewaarmerkt afschrift van een Superseding Indictment van de United States District Court for the District of New Jersey, van 11 september 1998, houdende een nader overzicht van de feiten en het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, ondertekend door Nicholas R. Abitante, foreperson van de Grand Jury, en Faith S. Hochberg, United States Attorney; b. een gewaarmerkt afschrift van een door Anne E. Thompson, Chief, United States District Judge, te Trenton, New Jersey, gegeven Warrant for Arrest betreffende de opgeëiste persoon, inhoudende een korte aanduiding van de feiten (zonder datering); c. de tekst van de toepasselijke strafbepalingen van de desbetreffende Amerikaanse wet waarvoor uitlevering wordt verzocht en van de wetsbepalingen houdende de straf die op de feiten is gesteld; d. een foto van drie personen onder wie de opgeëiste persoon. Voorts bevinden zich bij de stukken de vertaling in het Nederlands van de hierboven onder (ii) t/m (vi) a t/m c aangeduide stukken. 3. Beoordeling van de gevoerde verweren 3.1.1. Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de bijzonderheden van de onderhavige zaak een inbreuk rechtvaardigen op het vertrouwensbeginsel dat de relatie tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden beheerst, aangezien de opgeëiste persoon het risico loopt te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op aan de opgeëiste persoon ingevolge het EVRM toekomende rechten. In het bijzonder wordt gesteld dat een plea agreement in strijd is met art. 6 EVRM. In dit verband wordt aangevoerd dat de verwachte duur van de procedure indien geen plea agreement wordt gesloten (full trial) onevenredig lang zal zijn in verhouding tot de situatie dat wel een plea agreement wordt gesloten. De opgeëiste persoon zou aldus in redelijkheid geen vrije keus hebben. Verder wordt gesteld dat gelet op de beschikbare gegevens de afdoening van de zaak, in geval van een full trial, vermoedelijk niet binnen een naar Nederlandse maatstaven redelijk te achten termijn zal plaatsvinden. Tot slot wordt betoogd dat de eventuele toepassing van de terugkeerregeling en omzettingsprocedure illusoir zal zijn, omdat de te verwachten vrijheidsstraf waarschijnlijk zodanig zal zijn dat deze reeds zal zijn ondergaan voordat terugkeer naar Nederland zal zijn geëffectueerd vanwege de procedurele complicaties en doorlooptijden. 3.1.2. Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (Trb. 1980, 111) heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika. De Hoge Raad neemt derhalve als uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren. Dat brengt mee dat evenzeer van dat vertrouwen uitgegaan moet worden bij toepassing in de Verenigde Staten van Amerika van het aldaar tot de strafprocessuele mogelijkheden behorende systeem dat een verdachte in voorkomend geval een plea agreement kan aangaan. Die mogelijkheid bestond immers ook reeds ten tijde van de bilaterale onderhandelingen die tot het onderhavige uitleveringsverdrag hebben geleid. Dit vertrouwensbeginsel kan uitzondering lijden, voor wat betreft art. 6 EVRM, indien blijkt dat de op-geëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het vermelde uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat. 3.1.3. Gelet op de door de raadsman hiervoor onder 3.1.1 gestelde omstandigheden, welke alle betrekking hebben op toekomstige gebeurtenissen waaromtrent nog niets met zekerheid is vast te stellen noch ten nadele noch ten voordele van de opgeëiste persoon, kan mede in het licht van het voorgaande niet worden gezegd, dat tussen de mogelijkheden waaruit de opgeëiste persoon zal moeten kiezen - het ondergaan van een full trial dan wel het aangaan van een plea agreement - gelet op de duur van de onderscheiden procedures en de mogelijke verschillen in uitkomst een zodanige flagrante wanverhouding bestaat, dat de opgeëiste persoon wordt gedwongen een plea agreement aan te gaan. Het verweer wordt derhalve verworpen. 3.1.4. Ten aanzien van het verweer dat, indien het tot een full trial in de Verenigde Staten van Amerika komt, er vermoedelijk geen sprake zal zijn van een berechting binnen een redelijke termijn, geldt dat dat enkele vermoeden niet dwingt tot het oordeel dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. 3.1.5. Het betoog tenslotte dat de terugkeerregeling illusoir kan blijken te zijn - gelet enerzijds op de te verwachten hoogte van de straf en anderzijds op de duur van de administratieve afhandeling van de terugkeer naar Nederland - wordt gevoerd met de kennelijke strekking dat op grond daarvan de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Dat betoog faalt, aangezien daarmee wordt miskend dat het de uitleveringsrechter niet vrijstaat bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering de vraag te betrekken of de opgeëiste persoon zal kunnen terugkeren naar Nederland teneinde aldaar de opgelegde vrijheidsstraf (verder) te ondergaan en of die terugkeer daartoe tijdig zal geschieden. 3.2.1. Verder is door de raadsman ten verwere aangevoerd dat het legaliteitsbeginsel wordt geschonden, indien de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika zou worden uitgeleverd. Nederland kan de opgeëiste persoon zelf niet vervolgen voor de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, aangezien deze feiten ten tijde van het begaan ervan niet strafbaar waren naar Nederlands recht, aldus de raadsman. 3.2.2. Met dit betoog wordt miskend dat de rechter de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft te beoordelen naar het tijdstip van de behandeling van het verzoek daartoe. In dit geval staat vast dat de feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht, inmiddels in Nederland strafbaar zijn gesteld. Derhalve faalt het betoog. 3.2.3. Voorzover het verweer tevens moet worden bezien in het verband van een te zijner tijd te nemen beslissing op een verzoek tot overdracht van de opgeëiste persoon naar Nederland teneinde hier de vrijheidsstraf (verder) te ondergaan, faalt het verweer op de door de Hoge Raad reeds in zijn te dezer zake gewezen tussenarrest van 20 mei 2003 gegeven gronden. 3.3.1. Tenslotte heeft de raadsman gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard, omdat niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 gehechte en daarvan deel uitmakende pleitnota heeft hij daartoe het volgende aangevoerd: "17. Overigens merk ik nog op dat de verdenkingen krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, aanvankelijk alleen de corrupte betaling van eigen onderdanen en van bedrijven gevestigd in de Verenigde Staten aan buitenlandse officials strafbaar stelde. Eerst sinds 1998 stelt deze wet dergelijk handelen van buitenlanders en buitenlandse bedrijven ook strafbaar. Kort en goed: hetgeen cliënt wordt verweten was ten tijde van de gedraging ook niet strafbaar in de Verenigde Staten (krachtens de FCPA)." 3.3.2. Uit de omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, blijkt dat de verdenking tegen de opgeëiste persoon bestaat ter zake van gedragingen van hem in zijn hoedanigheid van onder meer voorzitter van de raad van beheer van Saybolt North America Inc., een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde onderneming. De Foreign Corrupt Practices Act 1977 is derhalve ook op deze onderneming van toepassing. Het verweer mist dan ook feitelijke grondslag. 4. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering 4.1. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering ter strafvervolging als volgt. 4.2. De persoon die is gehoord ter zitting van 10 juni 2003 heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], de persoon op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft, en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. 4.3. De stukken voldoen aan de eisen die art. 9, tweede en derde lid, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika stellen. Ook is voldaan aan art. 18 Uitleveringswet. 4.4. De feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, zijn naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika strafbaar krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, United States Code, titel 15, art. 78DD-2 en titel 18, art. 2. Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.5. Naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar als het misdrijf van art. 177 Sr en/of het misdrijf van art. 177a Sr, in verbinding met art. 178a Sr (omkoping van buitenlandse ambtenaren). Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.6. Aan het in art. 2 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gestelde vereiste van dubbele strafbaarheid is derhalve voldaan. 5. Slotsom Aangezien de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg zouden staan, dient, gelet op het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, als volgt te worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad verklaart de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar voor de onder 2.2 bedoelde, in het verzoek onder 2 en 3 aangeduide, feiten. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 8 juli 2003. 20 mei 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/DAT Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het beroep en het middel zijn uitsluitend gericht tegen de weigering de verzochte uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de in het verzoek onder 2 en 3 genoemde feiten, te weten: - verboden buitenlandse handelspraktijken, in overtreding van titel 15, art. 78DD-2 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek; - reizen naar het buitenland en van Staat naar Staat ten behoeve van criminele ondernemingen, in overtreding van titel 18, art. 1952 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek. Namens de opgeëiste persoon is het cassatieberoep tegengesproken door mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep op grond dat de schriftuur niet is ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 2.2. Bij tussenarrest van 3 december 2002 heeft de Hoge Raad de Officier van Justitie ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Kort samengevat heeft de Hoge Raad geoordeeld: dat een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW meebrengt dat de officier van justitie in uitleveringszaken gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen, en dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak op 10 juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 2.3. De Hoge Raad gedraagt zich naar het tussenarrest. Weliswaar is nadien namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep op grond dat de uitspraak niet op 10 juni 2002, maar op 4 juni 2002 ter beschikking is gekomen, maar de juistheid van hetgeen aldus is aangevoerd kan in het midden blijven nu vaststaat dat het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank niet eerder dan eind juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen. 2.4. De Advocaat-Generaal Jörg heeft aanvullend geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en een dag zal bepalen waarop de zaak voor de Hoge Raad zal dienen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel komt met rechtsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 ontoelaatbaar dient te worden verklaard. 3.2. De Rechtbank heeft de uitlevering voor die feiten ontoelaatbaar verklaard en daartoe het volgende overwogen: "De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De Verenigde Staten van Amerika en Nederland zijn beide partij bij het op 21 maart 1983 gesloten Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. In verbinding met de exchange of letters of understanding, General Affairs Department DA2/J2-ISN-38245 No 81 van 11 juli 1991 zou dus technisch de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika ter zake van het feitencomplex sub 2 en sub 3, waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, teruglevering aan Nederland gegarandeerd kunnen worden om in Nederland tenuitvoerlegging van het gewijsde te ondergaan of verder te ondergaan. Ten tijde van de periode waarin het feitencomplex sub 2 en sub 3 volgens het uitleveringsverzoek zou zijn begaan, was dit complex als zodanig niet strafbaar naar Nederlands recht. De rechtbank zou door in casu uitlevering toe te laten, voorziend dat wegens het hierna te noemen legaliteitsbeginsel exequatur bij teruglevering in zoverre geweigerd zou moeten worden, inbreuk maken op het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht ongeclausuleerde en onvoorwaardelijk verbod tot berechting en bestraffing van iemand ter zake van feiten die ten tijde van begaan daarvan niet bij of krachtens de Nederlandse wet strafbaar waren gesteld. Immers, de opgeëiste persoon heeft, zoals overwogen, de Nederlandse nationaliteit en bij teruglevering van de opgeëiste persoon aan Nederland zou overneming en positieve erkenning van het veroordelend gewijsde een inbreuk inhouden van dit ongeclausuleerde verbod. Weliswaar kan het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 7 van het EVRM - waaraan Nederland als verdragsluitende partij gebonden is - vervatte legaliteitsbeginsel door verdragen of krachtens besluiten van volkenrechtelijke organisaties opzij worden gezet, zoals de Hoge Raad uitdrukkelijk overweegt in zijn arrest van 18 december 2001 in de zaak tegen [A] (de Hoge Raad leest: HR 18 september 2001, NJ 2002, 559), zulks op een voordracht tot cassatie in het belang der wet van een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 20 november 2000, maar in het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag is geen voorziening opgenomen waaruit deze terzijdestelling zou volgen. Derhalve staat vooralsnog vast dat aan enige veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika voor de sub 2 en 3 genoemde feiten als gekwalificeerd in het uitleveringsverzoek, bij teruglevering exequatur geweigerd zal moeten worden. De uitlevering dient mitsdien voor deze feiten op voornoemde gronden ontoelaatbaar verklaard te worden. Mochten de Verenigde Staten van Amerika slechts voornemens zijn geldboetes op te leggen, dan dient te gelden dat het te dezen toepasselijke verdrag niet voorziet in rechtshulp daartoe." 3.3. De eerste klacht van het middel, die in een aantal onderdelen uiteenvalt, is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat in geval van een veroordeling in de Verenigde Staten van Amerika ter zake van genoemde feiten het exequatur - waarmee de Rechtbank klaarblijkelijk doelt op het verlof tot tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) - geweigerd zou moeten worden. Het meest verstrekkende onderdeel van die klacht luidt dat de Rechtbank aldus ten onrechte is vooruitgelopen op de beslissing van de exequaturrechter. Dit onderdeel van de klacht treft doel. De beantwoording van de vraag of verlof dient te worden verleend tot tenuitvoerlegging van een vonnis van een buitenlandse rechter is voorbehouden aan de rechter die daaromtrent ingevolge de bepalingen van de WOTS heeft te oordelen. Het staat de uitleveringsrechter niet vrij de (te verwachten) beantwoording van die vraag bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering te betrekken. De gegrondheid van dit onderdeel van de klacht brengt mee dat de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven en de overige klachten geen bespreking behoeven. 3.4. Niettemin vindt de Hoge Raad aanleiding het middel nog te bespreken voorzover het kennelijk strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de exequaturrechter - na overdracht van de gevonniste persoon aan Nederland - het vereiste van strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht (art. 3, eerste lid onder c, WOTS) dient te beoordelen naar het moment waarop die feiten zijn gepleegd. Het middel bestrijdt dat oordeel terecht. De strekking van genoemd vereiste is immers te voorkomen dat Nederland medewerking zou moeten verlenen aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht. Voor de beantwoording van de vraag of aan dat vereiste is voldaan is daarom beslissend of de desbetreffende feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn ten tijde van de beslissing van de daartoe ingevolge de WOTS aangewezen rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging. Het verlenen door die rechter van een verlof tot tenuitvoerlegging kan niet worden aangemerkt als "berechting en bestraffing" van die feiten, zodat, anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, in geval van een dergelijk verlof ten aanzien van feiten die op het tijdstip waarop zij zijn gepleegd naar Nederlands recht nog niet strafbaar waren gesteld, van schending van het legaliteitsbeginsel geen sprake kan zijn. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998 omschreven aanklacht ontoelaatbaar is verklaard; Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 te 12:00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 mei 2003. ======================= 3 december 2002 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/SM Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De raadsvrouwe van de opgeëiste persoon, mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, heeft het cassatieberoep tegengesproken. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. In zijn verweerschrift tegen het cassatieberoep is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde beroep, aangezien de middelen niet zijn ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 3.2. Op grond van art. 31, derde lid, UW is de Officier van Justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie. 3.3. Het cassatieberoep is blijkens de daarvan opgemaakte akte ingesteld op 31 mei 2002. De schriftuur is blijkens een daarop geplaatst stempel op 9 juli 2002 bij de Hoge Raad ingekomen. De schriftuur is derhalve niet binnen de bij de wet bepaalde termijn ingediend. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter een schrijven van de Officier van Justitie van 19 juli 2002, inhoudende dat zij eerst op 10 juni 2002 kon beschikken over de uitgewerkte uitspraak. De Hoge Raad gaat uit van de juistheid van deze mededeling. Kennelijk heeft de Officier van Justitie aangenomen dat de wettelijke termijn van een maand voor het indienen van de schriftuur aanving op de datum van ontvangst van de uitgewerkte uitspraak waartegen het cassatieberoep was gericht. 3.4. In zijn beslissing van 16 april 1996, NJ 1996, 527, heeft de Hoge Raad in een strafzaak waarin het openbaar ministerie een van de kernstukken van het geding - het proces-verbaal van de terechtzitting - pas na verloop van de termijn voor het indienen van de schriftuur had ontvangen, beslist dat een redelijke toepassing van art. 433 (oud) Sv meebrengt dat die termijn pas begint te lopen na de ontvangst van het ontbrekende stuk. 3.5.1. Sedert de inwerkingtreding op 1 oktober 2000 van de wetswijziging van 28 oktober 1999, Stb. 467, is de regeling voor het indienen van de cassatieschriftuur in strafzaken neergelegd in art. 437 Sv. De termijn voor het indienen van de schriftuur van een maand vangt voor het openbaar ministerie thans aan nadat de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv aan hem is verzonden. Ook de verdachte is thans op straffe van niet-ontvankelijkheid gehouden zijn schriftuur binnen een termijn (twee maanden) nadat de aanzegging aan hem is betekend te doen indienen. 3.5.2. Voor de toepassing van art. 437 Sv heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 4 juli 2000, NJ 2000, 581, in een geval waarin de raadsman van een verdachte de kernstukken van het geding niet tijdig had ontvangen, beslist dat een dergelijk verzuim van de strafadministratie kan meebrengen dat de raadsman door de rolraadsheer (de enkelvoudige strafkamer van de Hoge Raad) desverzocht alsnog een termijn wordt gegund om een aanvullend middel in te dienen na toezending van de desbetreffende stukken voorzover kennisneming van die stukken onontbeerlijk is voor het formuleren van de middelen. Naar de stand van de huidige rechtspraak is het dan ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de officier van justitie onderscheidenlijk de verdachte een nadere termijn voor het indienen van de middelen wordt gegund en geldt niet meer de hiervoor onder 3.4 gegeven regel dat in ieder geval aanspraak kan worden gemaakt op de volle termijn vanaf de ontvangst van de kernstukken. 3.6. De te beantwoorden vraag is thans of het vorenstaande evenzeer geldt in uitleveringszaken. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. De regeling van art. 31, derde lid, UW wijkt in zoverre af van die van art. 437 Sv dat de termijn van een maand, waarbinnen de officier van justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid zijn schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad moet indienen, niet aanvangt na de verzending van een aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv, derhalve nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, maar nadat hij het beroep in cassatie heeft ingesteld. De opgeëiste persoon die beroep in cassatie instelt kan, anders dan de officier van justitie, een schriftuur indienen, en wel tot de dienende dag. 3.7. Dit verschil tussen de regeling van het Wetboek van Strafvordering en die van de Uitleveringswet heeft tot gevolg dat zaken waarin art. 437 Sv van toepassing is, reeds wel bij de Hoge Raad bekend zijn op het moment dat de termijn voor het indienen van de schriftuur begint te lopen, zodat de rolraadsheer dienaangaande in voorkomend geval kan beoordelen of er aanleiding is een nadere termijn te gunnen, terwijl de stukken van het geding in uitleveringszaken veelal nog niet bij de Hoge Raad ingekomen zijn in de fase waarin de wettelijke termijn voor het indienen van de schriftuur voor de officier van justitie loopt. De rolraadsheer zal in die gevallen dan ook niet in staat zijn een verzoek om verlenging van de termijn te beoordelen. 3.8. Gelet hierop brengt een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW mee dat de officier van justitie in uitleveringszaken, naar analogie van de hiervoor onder 3.4 weergegeven - voor strafzaken inmiddels achterhaalde - rechtspraak, gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen. 3.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 4. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat het door de Officier van Justitie ingestelde beroep in behandeling kan worden genomen. De zaak dient - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - te worden verwezen naar de rolzitting van de Hoge Raad voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel. 5. Beslissing De Hoge Raad: Verklaart de Officier van Justitie ontvankelijk in het cassatieberoep; Verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2003 voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel; Houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 december 2002.
ECLI:NL:HR:2017:463
21 maart 2017 Strafkamer nr.
ECLI:NL:GHDHA:2016:1924
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.182.281/01 Rolnummer rechtbank : C/09/494083/KG ZA 15/1205 arrest van 5 juli 2016 inzake DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelend te Den Haag, appellant in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag, tegen [naam] , woonplaats gekozen te Amsterdam, geïntimeerde in het principaal appel, appellant in het incidenteel appel, hierna te noemen: [X] , advocaat: mr. B. Stapert te Amsterdam.
ECLI:NL:RBDHA:2019:5235
Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Uitleveringskamer Kenmerk UTL-I-2010023570Raadkamernummer 19/1282 De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, doet de volgende uitspraak op een verzoek van de Rwandese autoriteiten tot uitlevering van: [Opgeëiste persoon] , geboren op [Geboortedatum] 1949 te [Geboorteplaats] ( [Geboorteland] ), wonende te [Woonplaats] , thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [Adres PI] , verder te noemen: de opgeëiste persoon. 1Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken 1.1 Het verzoek tot uitlevering Het ministerie van Justitie van Rwanda (hierna ook: de verzoekende staat) heeft aan het ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland een in de Engelse taal opgesteld gewaarmerkt verzoek doen toekomen, gedateerd 1 augustus 2018, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafvervolging (hierna ook: het uitleveringsverzoek).
ECLI:NL:RBDHA:2013:18505
ECLI:NL:HR:2014:1441
17 juni 2014 Strafkamer nr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/03009 U Zitting 17 december 2019 (bij vervroeging) CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, hierna: de opgeëiste persoon.

1. Bij uitspraak van 23 mei 2019 heeft de rechtbank Den Haag de uitlevering van [opgeëiste persoon] aan de Republiek Rwanda toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de “in de door de Rwandese autoriteiten overgelegde affidavit, vermelde feiten”.

2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de voor uitlevering vereiste verdragsgrondslag ontbreekt voor de feiten die in het uitleveringsverzoek zijn aangemerkt als misdrijven tegen de menselijkheid.

4. De uitlevering van [opgeëiste persoon] is verzocht ter zake van feiten die in het uitleveringsverzoek zijn gekwalificeerd als “Genocide”, “Complicity to Commit Genocide” en “Extermination as a Crime against Humanity”. Op het verzoek om uitlevering van de Republiek Rwanda ter zake van genocide, medeplichtigheid aan genocide en ter zake van misdrijven tegen de menselijkheid, is de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven (WOO) van toepassing in combinatie met bepalingen van de Uitleveringswet die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Op grond van art. 2 WOO kan de overlevering aan een andere staat – waaronder de verzochte “uitlevering” gemakshalve kan worden begrepen – slechts geschieden indien die staat partij is bij het geschonden verdrag. Dat is in feite de verdragseis die voor uitlevering geldt op grond van art. 2 Uitleveringswet en art. 2, derde lid, Grondwet.

5. Aan het uitleveringsverzoek is door de verzoekende staat ten grondslag gelegd het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide. Zowel Nederland als Rwanda zijn partij bij dit verdrag. Art. VII, tweede alinea, Genocideverdrag houdt in dat de verdragsluitende partijen zich verbinden verzoeken om uitlevering in te willigen overeenkomstig hun wetten en de voor hen toepasselijke verdragen. Daarmee biedt het Genocideverdrag een naar Nederlands recht voor uitlevering vereiste verdragsgrondslag.

6. Het middel stelt de vraag aan de orde of het Genocideverdrag ook de naar Nederlands recht vereiste verdragsgrondslag biedt voor de feiten die in het uitleveringsverzoek zijn aangemerkt als misdrijven tegen de menselijkheid. De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord omdat het “om één en hetzelfde feitencomplex” gaat. Aangevoerd wordt dat dit geen verandering kan brengen in de vereiste verdragsgrondslag en dat voor uitlevering van [opgeëiste persoon] ter strafvervolging van misdrijven tegen de menselijkheid niet de vereiste verdragsgrondslag bestaat.

7. Met betrekking tot de voor uitlevering vereiste verdragsgrondslag, houdt de uitspraak van de rechtbank het volgende in: “Op het verzoek is naast de WOO en de UW het op 9 december 1948 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (hierna: Genocideverdrag) van toepassing. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat het Genocideverdrag op zichzelf geen verdragsbasis biedt voor uitlevering met betrekking tot misdrijven tegen de menselijkheid. Blijkens de door de verzoekende staat overgelegde stukken is in de onderhavige zaak echter sprake van één en hetzelfde feitencomplex. Naar het oordeel van de rechtbank biedt daardoor het Genocideverdrag een toereikende verdragsbasis voor uitlevering.” 8. Voor de beoordeling van het middel is van belang ter zake van welke feiten de uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht en toelaatbaar verklaard.

9. De rechtbank heeft overwogen dat de opgeëiste persoon wordt verdachte van “deelname aan de genocide in Rwanda in 1994” en de feiten als volgt samengevat: “Blijkens het verzoekschrift zijn de Rwandese autoriteiten voornemens om de opgeëiste persoon te vervolgen voor genocide, medeplichtigheid aan genocide en misdrijven tegen de menselijkheid, gepleegd in de periode van 7 april 1994 tot en met juli 1994 in de Specialise Cell, van de Kigirambwa sector, in Ruhashya commune, in de voormalige Butare préfecture in de Republiek Rwanda. Aan deze verdenking worden door de verzoekende staat de volgende feiten ten grondslag gelegd.

De opgeëiste persoon was directeur van de Région du Plateau Central van het Institut des Sciences Agronomiques du Rwanda. Tussen 25 en 30 april 1994 heeft hij gereedschappen zoals schoffels, grote messen en machetes verstrekt aan Hutu-burgers, om te gebruiken om Tutsi-burgers te doden. Samen met Hutu-burgers uit de gemeente Maraba en gendarmes die door hem uit militair kamp Butare waren gehaald, is hij naar Rubona Hill in Specialise Cell gegaan. Daar hebben zij zich zodanig georganiseerd dat de Hutu-burgers de Tutsi-burgers die zich daar hadden verzameld omsingelden, terwijl de gendarmes de Tutsi-burgers doodschoten.

Ontsnapte Tutshburgers werden met traditionele wapens gedood. Voorts heeft hij tussen 25 en 28 april 1994 een beroep gedaan op Hutu-medewerkers van het Institut des Sciences Agronomiques du Rwanda en Hutu-burgers en hen voorzien van schoffels, grote messen, machetes en traditionele wapens. De Hutu Interahamwe die uit de aangrenzende Maraba- en Masasu gebieden kwamen, werkten samen met de Hutu-burgers die gereedschappen hadden gekregen om Tutsi-burgers aan te vallen die binnen het Institut des Sciences Agronomiques du Rwanda werkten. Samen met anderen heeft hij gendarmes mee gebracht, waarna alle Tutsi-burgers in de verschillende struiken rondom het Instituut zijn samengebracht en gedood met machetes, grote messen en traditionele wapens.” 10.

Als toepasselijke wetsbepalingen heeft de rechtbank de artikelen 3 en 4 Wet internationale misdrijven (WIM) vermeld. In art. 3 WIM is genocide strafbaar gesteld, in art. 4 WIM zijn misdrijven tegen de menselijkheid strafbaar gesteld.

11. Voor het antwoord op de vraag of het Genocideverdrag de naar Nederlands recht vereiste verdragsgrondslag voor uitlevering biedt, is niet de handzame samenvatting bepalend die de rechtbank van die feiten heeft gemaakt maar de uiteenzetting van de feiten zoals die door de verzoekende staat aan het uitleveringsverzoek ten grondslag zijn gelegd.

12. De rechtbank heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard ter strafvervolging wegens de “in de door de Rwandese autoriteiten overgelegde affidavit, vermelde feiten”.

13. Bij de stukken die tot staving van het uitleveringsverzoek zijn overgelegd, bevindt zich een “Affidavit in Support of the Extradition of [opgeëiste persoon] ” dat is gedateerd 1 augustus 2018 en ondertekend door J.B. Mutangana, “Prosecutor General”. Dit affidavit bevat onder E een “Summary of Evidence” en als bijlage A een “Indictment”. De inhoud van de samenvatting van het bewijs (“E”) en de aanklacht (“A”), komen inhoudelijk overeen met dit verschil dat het door [opgeëiste persoon] aan Hutu-burgers verstrekken van gereedschappen als schoffels, grote messen en machetes (“ [opgeëiste persoon] provided tools such as hoes, slashers, and machetes to Hutu civilians”) in de samenvatting van het bewijs onder 14 wordt gedateerd tussen 25 en 30 april 1994 en in de aanklacht tussen 26 en 30 april 1994.

Bovendien bevat de “Indictment”, anders dan de “Summary of Evidence”, driemaal een daadwerkelijke aanklacht (“count”). Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard ter zake van de feiten zoals die uiteen zijn gezet in de bijlage A “Indictment” die onderdeel uitmaakt van de affidavit die is overgelegd ter staving van het uitleveringsverzoek.

14. In de genoemde bijlage A van de genoemde affidavit zijn de feiten als volgt uiteengezet: “A. THE ACCUSED […] 3. Available evidence gathered during investigations conducted in HUYE District in the Southern Province; shows the participation of [opgeëiste persoon] in the 1994 Genocide committed against the Tutsi in SPECIALISE Cell, of KIGIRAMBWA Sector, in RUHASHYA Commune, in the former BUTARE Préfecture (Currently UBONA Village, KIRUHURA Cell, RUHASHYA Sector, HUYE District, in the Southern Province), in the Republic of Rwanda. B. HISTORICAL BACKGROUND […] 5.

It is during the said period that the execution of the Genocide was implemented by the genocidal regime which organized and trained the militia with the aim of committing the Genocide as it took place from October 1990 to July 1994. Thus, the destruction of the Tutsi community was characterized by its speedy pace and the propagation of operations to eliminate Tutsi throughout the country; the utilization of all administrative and military authorities; the training of militia to the use of arms, the distribution of weapons to Interahamwe and civilians, the drawing up of lists encompassing names of Tutsi to be killed, the search of Tutsi's residences and the magnitude of the number of victims who were killed during the three months' period.

C. CHARGES Count 1: Genocide 6. The Prosecutor General charges [opgeëiste persoon] with Genocide, a crime stipulated in Article 114 (1) and (2) of the Rwandan Penal Code as well as Articles II (a), (b), (c) and III (a) of the Convention on the Prevention and the Punishment of the Crime of Genocide. 7. [opgeëiste persoon] is responsible for killing and causing serious bodily or mental harm to members of the Tutsi ethnic group with intent to destroy it in whole or in part.

8. Based on the available evidence, [opgeëiste persoon] is individually liable to have, between 7 April 1994 and July 1994, participated in the commission of Genocide with the intent to destroy in whole or in part the Tutsi ethnic group in the SPECIALISE Cell, of KIGIRAMBWA Sector, in RUHASHYA Commune, in the former BUTARE Préfecture (Currently RUBONA Village, KIRUHURA Cell, RUHASHYA Sector, HUYE District, in the Southern Province), in the Republic of Rwanda. Factual basis for Count 1 9. As indicated in the following paragraphs, witnesses state that in March 1994; [opgeëiste persoon] des Sciences Agronomiques du Rwanda (ISAR RUBONA), was overheard by his secretary [betrokkene 1] , stating the following: "lyacyemura ikibazo cy' Abatutsi nuko bapfa bagashira", and went on saying: "Tumerewe nabi na abasirikare bacu bamerewe nabi kubera kujenjekera Abatutsi"; meaning that "the solution to the problem of the Tutsi would be to die and be wiped out", he continued saying that "our soldiers and ourselves are badly off because of being lenient to the Tutsi".

As such, [opgeëiste persoon] expressed his intent to kill Tutsi civilians in SPECIALISE Cell, of KIGIRAMBWA Sector, in RUHASHYA Commune, in the former BUTARE Préfecture (Currently RUBONA Village, KIRUHURA Cell, RUHASHYA Sector, HUYE District, in the Southern Province), the Republic of Rwanda.

10. Between 26 and 30 April 1994, [opgeëiste persoon] provided tools such as hoes, slashers, and machetes to Hutu civilians such as [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] (Their surnames are not known), [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , as well as unidentified Hutu civilians; to use them in killing Tutsi civilians. They joined forces with unidentified gendarmes brought by the Accused from BUTARE Military Camp and Hutu civilians from MARABA Commune such as [betrokkene 9] , [betrokkene 10] alias [betrokkene 10] , [betrokkene 11] , [betrokkene 12] , [betrokkene 13] , [betrokkene 14] , [betrokkene 15] , [betrokkene 16] , [betrokkene 17] (His first name is not known), [betrokkene 18] , [betrokkene 19] , [betrokkene 20] , [betrokkene 21] , [betrokkene 22] , [betrokkene 23] alias [betrokkene 23] , [betrokkene 24] , [betrokkene 25] , [betrokkene 26] , [betrokkene 27] , [betrokkene 28] , [betrokkene 29] , [betrokkene 30] , as well as unidentified Hutu civilians.

11. The Accused and the above-mentioned persons went to RUBONA Hill in SPECIALISE Cell, of KIGIRAMBWA Sector, in RUHASHYA Commune, in the former BUTARE Préfecture (Currently RUBONA Village, KIRUHURA Cell, RUHASHYA Sector, HUYE District, in the Southern Province) where between one thousand (1000) and two thousand (2000) Tutsi civilians had taken refuge; such as [slachtoffer 1] , his four (4) children namely [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] and [slachtoffer 5] (Their first names are not known), [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , his wife [slachtoffer 11] and their five (5) children namely [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] and [slachtoffer 16] (Their first names were not identified), [slachtoffer 17] , his wife [slachtoffer 18] and their two (02) sons [slachtoffer 19] and [slachtoffer 20] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 22] , [slachtoffer 23] , [slachtoffer 24] , [slachtoffer 25] , [slachtoffer 26] alias [slachtoffer 26] (His first name is not known), [slachtoffer 27] , [slachtoffer 28] , [slachtoffer 29] , [slachtoffer 30] , [slachtoffer 31] , [slachtoffer 32] (Their surnames were not identified), [slachtoffer 33] the son of [slachtoffer 34] (Their first names are not known), as well as unidentified Tutsi from different places such as MARABA, RUSATIRA, RUHASHYA and many more Tutsi civilians had gathered in order to ensure their own safety in fighting back any attack.

12. When the Accused and Hutu civilians mentioned in paragraph ten (10) of this Indictment went to the RUBONA Hill, they organized themselves in such a way that Hutu civilians surrounded the Hill while gendarmes and soldiers shot dead Tutsi civilians. Some Tutsi succeeded to escape the gun shot and Hutu civilians surrounding the Hill killed them with traditional weapons. Count 2: Complicity to Commit Genocide 13.The Prosecutor General charges [opgeëiste persoon] with Complicity to Commit Genocide, a crime stipulated in Article 98 (3) and 132 (5) of the Rwandan Penal Code; as well as Article III (e) of the Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide.

Factual basis for Count 2 14.Between 25 and 28 April 1994, Venant RUNUNGA called upon the Hutu staff members of the Institut des Sciences Agronomiques du Rwanda (ISAR RUBONA) such as [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] (Their surnames are not known), [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , as well as unidentified Hutu civilians; and gave them tools from the store of the said Institute such as hoes, slashers, machetes and traditional weapons under the pretext that Interahamwe from MARABA and MUSASU areas were likely to attack them and rob cows which belonged to the Institute.

15. When the said Hutu Interahamwe from MARABA and MASASU neighboring areas came, they collaborated with the mentioned Hutu civilians who had been given tools by [opgeëiste persoon] ; to fight Tutsi civilians working within the Institut des Sciences Agronomiques. The latter noticed that they were targeted, some of them sneaked away from the said Institute while others tried to fight back their assailants, using stones. 16. [opgeëiste persoon] realized that Tutsi civilians could defend themselves, he went with [betrokkene 31] to BUTARE and they brought unidentified gendarmes in a Toyota Hilux vehicle belonging to the Institut des Sciences Agronomiques du Rwanda (ISAR RUBONA). Upon their arrival, they searched for all Tutsi civilians in different bushes surrounding the Institute, found and gathered them together. Thereafter, they killed them with machetes, slashers and traditional weapons.

17. They killed Tutsi civilians such as [slachtoffer 35] , [slachtoffer 36] , [slachtoffer 37] , [slachtoffer 38] , [slachtoffer 39] (Their surnames are known), [slachtoffer 40] and his wife [slachtoffer 41] , [slachtoffer 42] , [slachtoffer 43] , [slachtoffer 44] , [slachtoffer 45] , [slachtoffer 46] , [slachtoffer 47] , [slachtoffer 48] (Their first names are not known), as well as Tutsi civilians who were not identified.

18. Between 25 and 30 April 1994, [opgeëiste persoon] provided tools such as hoes, slashers, machetes and traditional weapons to Hutu civilians such as [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] (Their surnames are not known), [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , as well as unidentified Hutu civilians; to use them in killing civilians. They joined forces with unidentified gendarmes brought by the Accused from BUTARE and Hutu civilians from MARABA Commune such as [betrokkene 9] , [betrokkene 10] alias [betrokkene 10] , [betrokkene 11] , [betrokkene 12] , [betrokkene 13] , [betrokkene 14] , [betrokkene 15] , [betrokkene 16] , [betrokkene 17] (His first name is not known), [betrokkene 18] , [betrokkene 19] , [betrokkene 20] , [betrokkene 21] , [betrokkene 22] , [betrokkene 23] alias [betrokkene 23] , [betrokkene 24] , [betrokkene 25] , [betrokkene 26] , [betrokkene 27] , [betrokkene 28] , [betrokkene 29] , [betrokkene 30] , as well as unidentified Hutu civilians. 19. [opgeëiste persoon] , together with the above-mentioned persons went to RUBONA Hill in SPECIALISE Cell, of KIGRAMBWA Sector, in RUHASHYA Commune, in the former BUTARE Préfecture (Currently RUBONA Village, KIRUHURA Cell, RUHASHYA Sector, HUYE District, in the Southern Province) where between one thousand (1000) and two thousand (2000) civilians had taken refuge; such as [slachtoffer 49] and her daughter [slachtoffer 50] (Their surnames were not identified), [slachtoffer 51] , [slachtoffer 52] , [slachtoffer 53] , [slachtoffer 54] , [slachtoffer 55] , [slachtoffer 56] (Their surnames are not known), [slachtoffer 57] , [slachtoffer 58] (Her surname was not identified) the daughter of [slachtoffer 59] (His first name was not identified), [slachtoffer 60] (His first name is not known), [slachtoffer 61] (Her surname was not identified) the daughter of [slachtoffer 62] (His first name is not known), [slachtoffer 1] , his four (4) children namely [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] and [slachtoffer 5] (Their first names are not known), [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , his wife [slachtoffer 11] and their five (5) children namely [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] and [slachtoffer 16] (Their first names were not identified), [slachtoffer 17] , his wife [slachtoffer 18] and their two (02) sons [slachtoffer 19] and [slachtoffer 20] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 22] , [slachtoffer 23] , [slachtoffer 24] , [slachtoffer 25] , [slachtoffer 26] alias [slachtoffer 26] (His first name is not known), [slachtoffer 27] , [slachtoffer 28] , [slachtoffer 29] , [slachtoffer 30] , [slachtoffer 31] , [slachtoffer 32] (Their surnames were not identified), [slachtoffer 33] the son of [slachtoffer 34] (Their first names are not known), as well as unidentified civilians from different places such as MARABA, RUSATIRA, RUHASHYA who had gathered to ensure their own safety in fighting back any attack.

20. Once at RUBONA Hill, [opgeëiste persoon] with Hutu civilians mentioned in paragraph eighteen (18) of this indictment organized themselves in a manner that Hutu civilians surrounded the Hill while gendarmes and soldiers shot dead civilians mentioned in paragraph nineteen (19) of this Indictment. Some Tutsi succeeded to escape the gun shot and Hutu civilians surrounding the Hill killed them with traditional weapons. Count 3: Extermination as a Crime against Humanity 21.The Prosecutor General charges [opgeëiste persoon] with Extermination as a Crime against Humanity, a crime stipulated in the Penal Code of Rwanda, particularly in Article 120 (2); as well as in Article 1 (b) of the Convention of Non-Applicability of Statutory Limitations to War Crimes and Crimes against Humanity, in that, on or between 7 April and July 1994, in RUHASHYA Commune, of the former BUTARE Préfecture, in the Republic of Rwanda; [opgeëiste persoon] is liable for killing persons, or causing persons to be killed during mass killings attacks, as part of widespread or systematic attack directed against the civilian population.

Factual basis for Count 3 22. Between 25 and 30 April 1994, [opgeëiste persoon] provided tools such as hoes, slashers, machetes and traditional weapons to Hutu civilians such as [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] (Their surnames are not known), [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , as well as unidentified Hutu civilians; to use them in killing civilians. They joined forces with unidentified gendarmes brought by the Accused from BUTARE Military Camp and Hutu civilians from MARABA Commune such as [betrokkene 9] , [betrokkene 10] alias [betrokkene 10] , [betrokkene 11] , [betrokkene 12] , [betrokkene 13] , [betrokkene 14] , [betrokkene 15] , [betrokkene 16] , [betrokkene 17] (His first name is not known), [betrokkene 18] , [betrokkene 19] , [betrokkene 20] , [betrokkene 21] , [betrokkene 22] , [betrokkene 23] alias [betrokkene 23] , [betrokkene 24] , [betrokkene 25] , [betrokkene 26] , [betrokkene 27] , [betrokkene 28] , [betrokkene 29] , [betrokkene 30] , as well as unidentified Hutu civilians. 23. [opgeëiste persoon] , together with the above-mentioned persons went to RUBONA Hill in SPECIALISE Cell, of KIGIRAMBWA Sector, in RUHASHYA Commune, in the former BUTARE Préfecture (Currently RUBONA Village, KIRUHURA Cell, RUHASHYA Sector, HU YE District, in the Southern Province) where between one thousand (1000) and two thousand (2000) civilians had taken refuge; such as [slachtoffer 49] and her daughter [slachtoffer 50] (Their surnames were not identified), [slachtoffer 51] , [slachtoffer 52] , [slachtoffer 53] , [slachtoffer 54] , [slachtoffer 55] , [slachtoffer 56] (Their surnames are not known), [slachtoffer 57] , [slachtoffer 58] (Her surname was not identified) the daughter of [slachtoffer 59] (His first name was not identified), [slachtoffer 60] (His first name is not known), [slachtoffer 49] (Her surname was not identified) the daughter of [slachtoffer 62] (His first name is not known), [slachtoffer 1] , his four (4) children namely [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] and [slachtoffer 5] (Their first names are not known), [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , his wife [slachtoffer 11] and their five (5) children namely [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] and [slachtoffer 16] (Their first names were not identified), [slachtoffer 17] , his wife [slachtoffer 18] and their two (02) sons [slachtoffer 19] and [slachtoffer 20] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 22] , [slachtoffer 23] , [slachtoffer 24] , [slachtoffer 25] , [slachtoffer 26] alias [slachtoffer 26] (His first name is not known), [slachtoffer 27] , [slachtoffer 28] , [slachtoffer 29] , [slachtoffer 30] , [slachtoffer 31] , [slachtoffer 32] (Their surnames were not identified), [slachtoffer 33] the son of [slachtoffer 34] (Their first names are not known), as well as unidentified civilians from different places such as MARABA, RUSATIRA, RUHASHYA who gathered in order to ensure their own safety in fighting back any attack.

24. Once at RUBONA Hill, [opgeëiste persoon] with Hutu civilians mentioned in paragraph twenty two (22) of this Indictment organized themselves in a manner that Hutu civilians surrounded the Hill while gendarmes and soldiers shot dead civilians mentioned in paragraph twenty three (23) of this Indictment. Some Tutsi succeeded to escape the gun shot and Hutu civilians surrounding the Hill killed them with traditional weapons. The acts committed by [opgeëiste persoon] detailed herein, are punishable in accordance with Article 99,115 and 121 of the Penal Code of Rwanda.

15. In cassatie gaat het om de vraag of het Genocideverdrag voorziet in de naar Nederlands recht vereiste verdragsgrondslag voor de feiten zoals die in de “Indictment” onder 3 uiteen zijn gezet en in de affidavit zijn aangemerkt als misdrijven tegen de menselijkheid. Aangevoerd wordt dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord omdat het voor de vereiste verdragsgrondslag niet van belang is dat het gaat om hetzelfde feitencomplex, wat de rechtbank dus ten onrechte zou hebben overwogen.

16. Naar ik meen berust de klacht op onjuiste lezing van de overwegingen van de rechtbank. De overweging van de rechtbank dat het “om één en hetzelfde feitencomplex” gaat, versta ik als volgt: de onder “count 3” van de “Indictment” uiteengezette feiten leest de rechtbank als onderdeel van het feitencomplex zoals dat in zijn geheel uiteen is gezet onder “count” 1, 2 en 3 in de bijlage A “Indictment” bij de affidavit. Dit betekent dat de onder 3 uiteengezette feiten als onderdeel van dat feitencomplex niet alleen kunnen worden aangemerkt als een misdrijf tegen de menselijkheid, maar ook als genocide.

Dit is van belang omdat met betrekking tot de onder 3 uiteengezette feiten niet uitdrukkelijk is aangegeven dat deze feiten zijn gepleegd met de voor genocide vereiste “bedoeling om een nationale, ethnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen” zoals dat is omschreven in de Nederlandse vertaling van art. 2 Genocideverdrag. Dat de onder 3 van de “Indictment” uiteengezette feiten zijn begaan “as part of [a] widespread or systematic attack directed against the civilian population” is daarbij op zichzelf beschouwd niet voldoende om de feiten te kunnen aanmerken als genocide omdat genocide alleen kan worden begaan tegen een bepaalde, in art. 2 Genocideverdrag aangeduide groep.

In de onder 3 van de “Indictment” uiteengezette feiten is evenmin uitdrukkelijk aangegeven dat alle daar genoemde feiten zijn begaan tegen Tutsi’s. Echter, door de onder 3 uiteengezette feiten te lezen als onderdeel van “één en hetzelfde feitencomplex” heeft de rechtbank deze feiten kennelijk zo uitgelegd dat de onder 3 aangeduide personen, die het slachtoffer werden van feiten waarvoor de uitlevering van [opgeëiste persoon] wordt verzocht, Tutsi waren, net als de slachtoffers van de onder 1 uiteengezette feiten die daar uitdrukkelijk als “members of the Tutsi ethnic group” zijn aangemerkt, en dat de feiten onderdeel vormen van “the destruction of the Tutsi community”.

Daarmee valt in de lezing van de rechtbank ook feit 3 onder het bereik van het Genocideverdrag.

17. De uitleg van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht is voorbehouden aan de rechtbank. De uitleg van de onder 3 uiteengezette feiten als genocide acht ik niet in strijd met de bewoordingen van het verzoek en aldus niet onbegrijpelijk.

18. Tenslotte: dat de onder 3 uiteengezette feiten naast genocide ook kunnen worden aangemerkt als een misdrijf tegen de menselijkheid, betekent niet dat het Genocideverdrag voor die feiten niet langer de vereiste verdragsgrondslag zou kunnen bieden.

19. Het middel faalt.

20. Het tweede middel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de opgeëiste persoon “door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering”. De toelichting op het middel bevat meerdere klachten die erop neerkomen dat de opgeëiste persoon wel degelijk zal worden blootgesteld aan een zodanig risico en dat de rechtbank dit dus ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht.

In dit verband wordt gewezen op twee rechterlijke uitspraken die eveneens betrekking hebben op de uitlevering van Rwandezen aan Rwanda in verband met hun betrokkenheid bij de genocide in Rwanda. Ook zou de rechtbank ten onrechte hebben geoordeeld dat het monitoren “van de processen in Rwanda maakt dat een effectief rechtsmiddel voorhanden zou zijn tegen een flagrante schending van artikel 6 EVRM.” Met deze klachten richt het middel zich tegen de twee voorwaarden die de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 21 maart 2017 heeft gegeven waaronder de uitleveringsrechter de uitlevering ontoelaatbaar mag verklaren naar aanleiding van een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen.

Op deze voorwaarden kom ik terug.

21. Voordat ik het middel bespreek, wijs ik erop dat dit de derde zaak is waarin de uitlevering toelaatbaar is verklaard van een Rwandees aan Rwanda in verband met betrokkenheid bij de genocide die in Rwanda in 1994 heeft plaatsgevonden. De gang van zaken in de twee eerdere zaken is ter zitting van de rechtbank in de onderhavige zaak aan de orde geweest in verband met het verweer dat [opgeëiste persoon] door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht.

In de twee eerdere uitleveringszaken is ook een beroep gedaan op dreigende mensenrechtenschendingen. De Hoge Raad heeft in beide zaken het cassatieberoep verworpen dat was ingesteld tegen de beslissingen van de rechtbank waarbij het beroep op dreigende mensenrechtenschendingen was verworpen en de uitlevering toelaatbaar was verklaard. Vervolgens is in beide zaken in kort geding opgekomen tegen de beslissing van de Minister van Justitie en Veiligheid om de betreffende opgeëiste persoon uit te leveren. De rechtbank heeft in beide zaken de uitlevering verboden.

In hoger beroep heeft het hof Den Haag beide vonnissen vernietigd en de vordering afgewezen die inhield dat de uitlevering wordt verboden, althans dat aan de uitlevering een aantal in de dagvaarding nader gespecificeerde voorwaarden wordt verbonden die een eerlijk proces in Rwanda moeten garanderen. De arresten van het hof Den Haag van 5 juli 2016 komen hierna aan de orde.

22. De rechtbank heeft het verweer waarop het middel doelt, in haar uitspraak onder als volgt samengevat en verworpen: “3.2 Het standpunt van de opgeëiste persoon Namens de opgeëiste persoon is bepleit dat de uitlevering niet moet worden toegestaan. Hiertoe is aangevoerd dat uitlevering in strijd zou zijn met artikel 2, 3 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Verder is aangevoerd dat het beginsel van de goede rechtsbedeling vereist dat in deze zaak - mits er voldoende bewijs is - de strafvervolging in Nederland dient plaats te vinden. […] 4.1 Inleiding […]De Uitleveringswet (hierna:

UW) kent diverse gronden om een uitlevering te weigeren. In multilaterale en bilaterale verdragen zijn daarnaast veelal nog aanvullende gronden opgenomen. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen. In Nederland kent men echter wel een strikte scheiding tussen de bevoegdheden van de uitleveringsrechter enerzijds en de minister anderzijds. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, terwijl de minister dient te beslissen of het verzoek wordt ingewilligd (waarbij hij overigens wel is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering).

Dit brengt met zich dat niet alle weigeringsgronden die de UW en de verdragen kennen zijn onderworpen aan het oordeel van de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is - voor zover dit niet reeds uit de UW volgt - enkel bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen, indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, er niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en er geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen.

Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is derhalve vele malen beperkter dan dat van de minister. De uitleveringsrechter kan de minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren. De rechtbank zal vorenstaande als uitgangspunten nemen bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek. Voor zover van belang zal zij naar aanleiding van de gevoerde verweren verder ingaan op de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de minister en anderzijds de uitleveringsrechter. Voor zover namens de opgeëiste persoon is verwezen naar buitenlandse uitleveringsprocedures, merkt de rechtbank op dat Nederland één van de weinige landen is die een dergelijke bevoegdheidsverdeling kent.

Dit maakt dat beslissingen in buitenlandse procedures - zeker wanneer deze zijn gestoeld op een ander rechtssysteem - niet of nauwelijks te vergelijken te zijn met de criteria die de uitleveringsrechter in Nederland in de beoordeling kan betrekken.[…] 4.8 ( Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten In beginsel dient bij uitleveringszaken bij de beoordeling te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vgl. Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) is het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van het EVRM voorbehouden aan de minister. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.

Uit voormelde jurisprudentie volgt voorts dat het oordeel omtrent een beroep op een dreigende schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en/of artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR), in de regel niet aan de uitleveringsrechter is. Hierop kan een uitzondering bestaan indien bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het IVBPR ten dienste staat.

Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt echter niet snel dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Aan een beoordeling van een beroep op een voltooide schending van artikel 6 van het EVRM, komt de uitleveringsrechter in de regel niet toe, omdat pas na de berechting in de verzoekende staat kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. Hoewel de uitleveringsrechter aldus slechts kan oordelen over een beroep op een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM en een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het EVRM, kan hétgeen is aangevoerd omtrent een (dreigende) schending van artikel 3 of 6 van het EVRM wel aanleiding vormen voor de uitleveringsrechter om eventuele opvattingen kenbaar te maken in het advies aan de minister als bedoeld in artikel 30 van de UW.

Gelet op het vorenstaande kan het namens de opgeëiste persoon gedane beroep op artikel 3 van het EVRM niet tot de conclusie leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Van een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM is immers geen sprake. Namens de opgeëiste persoon is tevens een beroep gedaan op artikel 6 van het EVRM. Gesteld wordt dat er een reëel risico is dat de door de Rwandese autoriteiten verstrekte garanties in de praktijk niet zullen worden nageleefd. Daarbij is verwezen naar het rapport van mr. M.R. Witteveen van 3 juni 2015, waarin - kort gezegd - wordt geconcludeerd dat verdachten van genocide in Rwanda geen eerlijk proces zullen krijgen en niet zullen kunnen beschikken over een adequate verdediging.

Naar het oordeel van de rechtbank kan - gelet op een uitspraak van het Gerechtshof in Den Haag met betrekking tot een soortgelijke uitlevering naar Rwanda (ECLI:NL:GHDHA:2016:1924) - uit de inhoud van dit rapport echter niet worden afgeleid dat bij uitlevering aan Rwanda van de opgeëiste persoon een reëel risico bestaat op een flagrante schending van artikel 6 van het EVRM. Evenmin kan deze conclusie worden getrokken op grond van de namens de opgeëiste persoon naar voren gebrachte voorbeelden waarin (mogelijk) sprake zou zijn van een schending van het recht op een eerlijk proces.

Daarbij merkt de rechtbank op dat het merendeel van deze voorbeelden betrekking heeft op een ander soort zaken, die niet vallen onder de zogenaamde Transfer Law. Hier tegenover staan de procedures die wel worden gevoerd onder de Transfer Law, waaronder de strafzaken tegen twee personen die eerder door Nederland aan Rwanda zijn uitgeleverd. Met betrekking tot die twee strafzaken, worden door de Kenyan Sector van de International Commission of Jurists (hierna: ICJ Kenya) jaarlijks monitoring reports vrijgegeven. Uit deze monitoring reports volgen geen directe indicaties dat moet worden gevreesd voor een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het EVRM met betrekking tot de opgeëiste persoon.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat niet is gebleken van een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het EVRM. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat tegen een eventuele schending van het recht op een eerlijk proces geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM ten dienste staat. Het enkele standpunt dat de rechtspraak in Rwanda niet onafhankelijk is en het (niet onderbouwde) standpunt dat uitspraken van het African Court on Humans and People’s Rights door Rwanda naast zich neer worden gelegd, brengt niet met zich dat moet worden geconcludeerd dat er geen effectief rechtsmiddel is, temeer nu processen onder de Transfer Law worden gemonitord.

Het beroep wordt derhalve verworpen.” 23. Ik begin met de klacht dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat “niet is gebleken van een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het EVRM”. In deze overweging ligt als het oordeel van de rechtbank besloten dat niet aannemelijk is geworden – en dus niet is komen vast te staan – dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht.

24. In cassatie is de vraag aan de orde of dit feitelijke oordeel van de rechtbank met betrekking tot het gevoerde verweer niet onbegrijpelijk is. In de schriftuur wordt echter vooral geprobeerd om – grotendeels aan de hand van algemeen ingestoken, feitelijke argumenten c.q. observaties omtrent het rechtssysteem in Rwanda in het algemeen - aan te geven dat de beslissing van de rechtbank inhoudelijk niet juist is omdat de opgeëiste persoon wel degelijk, door te worden uitgeleverd, zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht.

De flagrante inbreuk zou in het bijzonder bestaan uit schending van het recht op rechtsbijstand en berechting door een onafhankelijke rechter.In zoverre wordt echter miskend dat de Hoge Raad in de huidige procedure niet als feitenrechter opereert. De vraag of de opgeëiste persoon door te worden uitgeleverd zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, betreft een feitelijk oordeel dat aan de rechtbank is voorbehouden. In cassatie kan wel relevant zijn wat in feitelijke aanleg, bij de rechtbank is aangevoerd, in relatie tot het oordeel van de rechtbank dat blootstelling aan een dergelijke flagrante schending van art. 6 EVRM niet aannemelijk is geworden.

Daartoe wordt in het middel in het bijzonder een beroep gedaan op twee rechterlijke uitspraken. In de ene uitspraak, van het Engelse High Court of Justice in de zaak Brown e.a. van 28 juli 2017, is het bestaan van een dergelijk risico aangenomen. In de andere uitspraak, een arrest van het hof Den Haag van 5 juli 2016 dat betrekking heeft op de uitlevering van een andere Rwandees aan Rwanda ter strafvervolging wegens betrokkenheid bij genocide in Rwanda, is het bestaan van een dergelijk risico niet aannemelijk geacht. In cassatie wordt aangevoerd dat ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan nadat het hof dit arrest heeft gewezen, de betekenis ervan hebben achterhaald en dat zulks door de rechtbank is miskend.

25. In cassatie kan echter slechts de vraag aan de orde komen of het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is, in het licht van hetgeen bij de rechtbank is aangevoerd ten aanzien van de uitspraak van het Engelse High Court of Justice en dat van het hof Den Haag.

26. Beide rechterlijke uitspraken hebben betrekking op het rapport van M.R. Witteveen van 3 juni 2015, waarin – zoals de rechtbank in de onderhavige zaak heeft overwogen – “wordt geconcludeerd dat verdachten van genocide in Rwanda geen eerlijk proces zullen krijgen en niet zullen kunnen beschikken over een adequate verdediging.” Ter zitting van de rechtbank is aangevoerd dat het High Court of Justice voornamelijk op basis van dit rapport heeft geoordeeld dat Brown e.a., door te worden uitgeleverd aan Rwanda “would be at risk of a flagrant denial of fair trial”. Het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak, dat niet aannemelijk is geworden dat [opgeëiste persoon] door te worden uitgeleverd zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem in gevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, zou daarom onbegrijpelijk zijn.

27. Het High Court of Justice overwoog in verband met het recht op een eerlijk proces, in het bijzonder het volgende: “377. […] The closer we have read the evidence in this case, the firmer has become our agreement with the judge below [Deputy Senior District Judge Arbuthnot, AEH] that defence capacity is the vital element, the capstone, of the case. Whilst in the context of our court system adequate representation is of course important, other safeguards in the system such as responsible unbiased prosecution, witness protection, unchallenged and complete judicial independence taken together, mean that inadequate defence may be compensated for and a reasonable quality of justice delivered overall.

Even in that context, it is well established that miscarriages of justice will occur, where defence representation is inadequate. However, in the context of Rwanda, with the difficulties and weaknesses we have identified, the presence or absence of effective defence is absolutely central. We are completely of one mind with the judge below on that point. 378. For the reasons we have identified, and need not repeat, the arrangements for defence in Rwanda are clearly inadequate. They would be inadequate even if the remainder of the criminal justice system was acceptable and the concerns which arise were not present.

In an authoritarian state, where judicial independence is institutionally weak and has been compromised in the past, where there is established fear by witnesses, not all of which can be effectively countered, the existing arrangements are quite insufficient to ensure a reasonable fairness in the proceedings. The story of the existing post 2009 genocide cases, the ‘transferred’ case, gives rise to real concern. We cannot rule out a degree of tactical complaint and manoeuvring by those defendants, but objectively the conditions are such as to give ample opportunity for complaint.

Here as in other aspects of the case, we pay great regard to Martin Witteveen. We consider that SDJ Arbuthnot was right to rely on his evidence, and that evidence is heavily fortified on this issue by material coming too late for her consideration but which is before us. We cannot find reassurance from the evidence of James Arguin. 379. Focussing on the correct legal test, we have considered carefully whether the problems identified are sufficient to establish a real risk of a truly serious or flagrant denial of justice. We find, as matters now stand, that they are sufficient to do so.

We also find, with the remarks of Lord Phillips in RB (Algeria) in mind, that the result of such a fundamental breach of the principles of a fair trial might be likely to lead to serious miscarriages of justice, in this context where, in the one completed transfer case, there has been a conviction for genocide, leading to a prison sentence of 30 years, itself regarded as lenient.” 28. Het High Court of Justice overwoog dat de mogelijkheid van rechtsbijstand het cruciale onderdeel vormt van de zaak en dat de voorzieningen daarvoor in Rwanda duidelijk ontoereikend zijn (“clearly inadequate”).

Uit de hier weergegeven overwegingen van de uitspraak, maar ook uit de andere overwegingen ervan, blijkt dat het rapport van Witteveen voor de rechters een belangrijke rol heeft gespeeld. In de uitspraak wordt ook ingegaan op de beslissingen van de rechtbank en het hof Den Haag in de zaken van twee andere Rwandezen in verband met hun uitlevering door Nederland aan Rwanda wegens betrokkenheid bij de genocide daar. De rechters van het High Court of Justice overwegen daarbij onder meer dat zij acht hebben geslagen op de overwegingen van het hof Den Haag maar dat dit hen niet belet hun eigen conclusies te trekken op basis van het voorhanden materiaal, ook niet als dat materiaal hetzelfde is als waarover het hof Den Haag beschikte.

29. Na de vaststelling dat Brown e.a., door te worden uitgeleverd aan Rwanda “would be at risk of a flagrant denial of fair trial”, heeft het High Court of Justice Rwanda in de gelegenheid gesteld gaat om aanvullende garanties te geven om de juridische hindernis voor uitlevering aan Rwanda weg te nemen. Hierbij wees het High Court of Justice erop dat geenszins werd aangenomen dat garanties van Rwanda die juridische hindernis zou wegnemen gelet op “the historical failure” van Rwanda om aan Engelse procedures mee te werken en “the inherent difficulty of being able to rely on assurances.” Of Rwanda aanvullende garanties heeft gegeven, heb ik niet kunnen achterhalen. De Secretary van de Home Office, de Engelse equivalent van de Minister van Binnenlandse Zaken, die in Engeland bevoegd is in uitleveringszaken, heeft het House of Commons op 9 april 2019 laten weten dat uitlevering aan Rwanda niet mogelijk is en in Engeland op verzoek en met medewerking van de Rwandese autoriteiten een strafrechtelijk onderzoek is gestart.

30. In de onderhavige uitleveringszaak heeft de rechtbank de problemen die zich in Rwanda zouden kunnen voordoen met betrekking tot het recht op rechtsbijstand anders gewogen dan het High Court of Justice. Op zich maakt dit de beslissing van de rechtbank niet onbegrijpelijk omdat de rechtbank op basis van het voorhanden materiaal haar eigen afweging maakt, zoals het High Court of Justice ten aanzien van zichzelf ook heeft aangegeven.

31. De beslissing van de rechtbank komt mij ook niet onbegrijpelijk voor in het licht van de arresten van het hof Den Haag van 5 juli 2016 in de kort-gedingzaken in de twee eerdere uitleveringsprocedures van Rwandezen wegens hun betrokkenheid bij de genocide.

32. Met betrekking tot de in de Rwandese regelgeving en de door de Rwandese autoriteiten gegeven garanties, heeft het hof het volgende overwogen: “niet is gebleken dat de Rwandese autoriteiten in betekenisvolle mate de in regelgeving en garanties verstrekte waarborgen voor een eerlijk proces schenden. [X] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat deze waarborgen in de praktijk niet functioneren.” 33. Ook in de onderhavige zaak hebbende de Rwandese autoriteiten garanties afgegeven met betrekking tot het recht op een eerlijk proces van [opgeëiste persoon] in Rwanda.

In de onderhavige zaak houdt de affidavit onder “J. FAIR TRIAL GUARANTEES” het volgende in (voetnoten heb ik weggelaten): “The purpose of this request is to extradite [opgeëiste persoon] to face charges brought against him before the Rwandan courts and it is in this regard the fair trial guarantees contained in the Law relating to the transfer cases to Rwanda and the Constitution of the Republic of Rwanda meet internationally accepted minimum standards of trial due process, such as: a. The right to a fair and public hearing by a competent, independent and impartial court; b.

The right to a presumption of innocence; c. The right to be informed promptly and in detail in a language which he or she understands, of the nature and cause of the charge against him or her; d. The right to have adequate time and facilities for the preparation of his or her defence and to communicate with counsel of his or her own choosing; e. The right to be tried without undue delay; f. The right to be tried in his or her presence; g. The right to defend himself or herself in person or through legal assistance of his or her own choosing; to be informed, if he or she does not have legal assistance, of this right; and to have legal assistance assigned to him or her, in any case where the interests of justice so require, and without payment by him or her in any such case if he or she does not have sufficient means to pay for it; h.

The right to examine, or have examined, the witnesses against him or her and to obtain the attendance and examination of witnesses on his or her behalf under the same conditions as witnesses against him or her;i. The right not to be compelled to testify against himself or herself or to confess guilt.” 34. De garanties zijn vergelijkbaar met de garanties die zijn gegeven in beide uitleveringszaken waarop de arresten van het hof Den Haag van 5 juli 2016 betrekking hebben.

35. Door zich uitdrukkelijk aan te sluiten bij een van de arresten van het hof Den Haag van 5 juli 2016, heeft de rechtbank ook voor de onderhavige uitleveringszaak aangegeven dat zij het gelet op de door de Rwandese autoriteiten “in regelgeving en garanties verstrekte waarborgen voor een eerlijk proces” niet aannemelijk acht dat [opgeëiste persoon] door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk.

36. In de schriftuur wordt nog aangevoerd dat de rechtbank het genoemde risico van een flagrante inbreuk ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht omdat “de door de Rwandese autoriteiten verstrekte garanties dat er een eerlijk proces zal zijn voor [de opgeëiste persoon] in de praktijk niet zullen worden nageleefd”. De betekenis die wordt toegekend aan garanties die zijn verstrekt door de verzoekende staat moet worden beoordeeld op basis van de omstandigheden van het geval. De betekenis die de rechtbank aan de garanties heeft toegekend, acht ik – wederom - niet onbegrijpelijk gelet op het feit dat de rechtbank zich daarbij heeft aangesloten bij het oordeel van het hof Den Haag in zijn arrest van 5 juli 2016 waarin werd overwogen dat niet is gebleken dat de Rwandese autoriteiten in betekenisvolle mate de in regelgeving en garanties verstrekte waarborgen voor een eerlijk proces schenden en dat de opgeëiste persoon in die zaak dan ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze waarborgen in de praktijk niet functioneren.

37. De beslissing van het High Court of Justice maakt dit niet anders, onder meer omdat uit zijn uitspraak niet kan blijken dat hij beschikte over dezelfde of vergelijkbare garanties van de Rwandese autoriteiten en omdat het High Court of Justice zich anders, ik zou zeggen sceptischer, opstelde tegenover eventuele garanties van de Rwandese autoriteiten. De betekenis die de rechtbank aan de Rwandese garanties heeft toegekend acht ik evenmin onbegrijpelijk gelet op de jaarlijkse monitoring reports van de Kenyan Sector van de International Commission of Jurists die betrekking hebben op de twee eerdere uitleveringszaken van Rwandesen aan Rwanda wegens hun betrokkenheid bij de genocide in Rwanda, waaruit naar het oordeel van de rechtbank geen directe indicaties volgen dat moet worden gevreesd voor een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het EVRM met betrekking tot [opgeëiste persoon] .

In deze overwegingen van de rechtbank komt tot uitdrukking dat de garanties die Rwanda in beide eerdere uitleveringszaken heeft gegeven, afdoende worden nageleefd zodat mag worden aangenomen dat Rwanda de garanties die in de onderhavige uitleveringszaak zijn gegeven, ook zal naleven. De invloed van “het enkele monitoren” is daarom niet “onzeker” zoals wordt aangevoerd.

38. Aan de betekenis van de arresten van het hof Den Haag van 5 juli 2016 wordt niet afgedaan door de ontwikkelingen die zich nadien hebben voorgedaan zoals de toegang van Amnesty International en Human Rights Watch tot Rwanda en een uitgesteld bezoek van het VN comité inzake foltering. Deze omstandigheden zijn ook aan de rechtbank voorgelegd en de rechtbank heeft daar klaarblijkelijk anders over geoordeeld. Dat maakt het oordeel van de rechtbank echter niet onbegrijpelijk.

39. De klachten die betrekking hebben op het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, falen.

40. Dan kom ik toe aan de klacht die opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat “nu de processen worden gemonitord een effectief rechtsmiddel voorhanden zou zijn tegen eventuele flagrante schendingen van artikel 6 EVRM”. Dit oordeel zou “onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk” zijn.

41. Deze klacht bespreek ik ten overvloede omdat de vraag of de opgeëiste persoon na zijn uitlevering een effectief rechtsmiddel ten dienste staat in de onderhavige zaak alleen nog van belang zou kunnen zijn indien aannemelijk was geworden dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht.

42. Aan het verweer dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering géén effectief rechtsmiddel ten dienste zou staan ter zake van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, is ten grondslag gelegd dat de rechters in Rwanda niet onafhankelijk zijn en de rechtsbijstand niet voldoet aan de eisen die daaraan op grond van art. 6 EVRM gesteld worden. Het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank houdt hierover het volgende in: “De raadsman mr. Wiersum voert het woord in dupliek, inhoudende - zakelijk weergegeven -[…]De officier van justitie stelt dat niet is aangevoerd dat er geen effective remedy is tegen een EVRM schending.

Misschien staat dit er niet letterlijk in, maar het is impliciet duidelijk dat die effective remedy er niet is. Die zou dan in Rwanda gevonden moeten worden, terwijl betoogd is dat de onafhankelijkheid en rechtsbijstand er niet is. Te zien is bovendien dat Rwanda beslissingen van het African Court on Human and Peoples’ Rights naast zich neerlegt.” 43. De rechtbank heeft dit onderdeel van het verweer verworpen en daartoe overwogen dat het enkele standpunt dat de rechtspraak in Rwanda niet onafhankelijk is en het (niet onderbouwde) standpunt dat uitspraken van het African Court on Human Rights and People’s Rights door Rwanda naast zich neer worden gelegd, niet meebrengt dat moet worden geconcludeerd dat er geen effectief rechtsmiddel is “temeer nu processen onder de Transfer Law worden gemonitord.” In deze overweging van de rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat niet aannemelijk is geworden – en dus niet is komen vast te staan – dat de opgeëiste persoon na diens uitlevering niet een effectief rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste zal staan.

Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Ook niet gelet op “het monitoren van processen in Rwanda”. Ten eerste betreft dit een overweging ten overvloede. Ten tweede omdat de rechtbank niet het monitoren van processen als effectief rechtsmiddel heeft aangemerkt. Het monitoren van processen heeft de rechtbank opgevat als steun voor de naleving door Rwanda van de gegeven garanties die betrekking hebben op de in art. 6, eerste lid, EVRM neergelegde rechten waaronder het recht op een behandeling van de zaak door een onafhankelijk gerecht en het recht op rechtsbijstand.

44. Ook deze klacht faalt.

45. Het middel faalt in alle onderdelen.

46. Tot besluit van de schriftuur wordt de Hoge Raad verzocht de verdere vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon te beëindigen op grond van art. 37 Uitleveringswet te beëindigen. Al in zijn arrest van 29 november 1983 heeft de Hoge Raad uiteengezet dat de opgeëiste persoon niet in dat verzoek kan worden ontvangen. De Hoge Raad overwoog als volgt: “In zijn tot de HR gerichte verzoek de beëindiging van zijn vrijheidsbeneming te gelasten kan N. niet worden ontvangen. Ingevolge het bepaalde in de art. 37 en 38 Uitleveringswet blijft aan de Rb., ook nadat tegen haar uitspraak beroep in cassatie is ingesteld, met betrekking tot de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon een taak toebedeeld. Mede in het licht hiervan moet worden aangenomen dat de beëindiging van een krachtens art. 27 Uitleveringswet bevolen vrijheidsbeneming door de HR alleen kan, en ook moet worden gelast indien die beëindiging uit zijn beslissing voortvloeit, welk geval zich te dezen niet voordoet.” 47. Dit is bestendige rechtspraak.

48. In een eerdere uitleveringszaak die betrekking heeft op een andere opgeëiste persoon, heeft de raadsvrouw die de schriftuur in deze zaak heeft ingediend, eenzelfde verzoek gedaan waaraan de Hoge Raad voorbij is gegaan met toepassing van art. 81, eerste lid, RO. Daarmee volgde de Hoge Raad klaarblijkelijk het voorstel dat mijn ambtgenoot Aben in zijn conclusie voor dat arrest had gedaan om een afzonderlijke niet-ontvankelijkverklaring van de opgeëiste persoon om proceseconomische redenen achterwege te laten. Ik sluit me daarbij aan.

49. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

50. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

51. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG ECLI:NL:RBDHA:2019:5235. Naar de letter van art. 4 lid 1 Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven, geeft de rechtbank een “advies” (zoals toentertijd gebruikelijk was in de op uitlevering toepasselijke wet) en betreft het uitleveringsverzoek naar de letter van art. 2 lid 2 van dezelfde wet een verzoek om “overlevering” van [opgeëiste persoon] . Zie over dat laatste Kamerstukken II 1951/52, 2511, nr. 11, p. 7 “Door dit verschil in benaming wordt het onderscheid geaccentueerd, dat bestaat tussen de vorm van rechtshulp, waardoor een Staat de beschikking krijgt over die personen die in strijd hebben gehandeld met de normen van het commune strafrecht, welke in de Staat gelden, en het bevorderen van de berechting van oorlogsmisdadigers die in strijd hebben gehandeld met de fundamentele beginselen van het internationale recht.” De Rb Den Haag heeft er in het verleden uitdrukkelijk voor gekozen van deze terminologie af te wijken en de Hoge Raad heeft die afwijkende terminologie overgenomen, zie Rb Den Haag 20 december 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:18505 en HR 17 juni 2004, ECLI:NL:HR:2014:1441.

Artikelen 1 lid 2 en 6 WOO. Zie voetnoot 1. Parijs 9 december 1948, Trb. 1960, 32; i.w.tr. 18 september 1966, voor Rwanda op 15 juli 1975 (met dien verstande dat Nederland ). Art. VII Genocideverdrag, Trb. 1960, 32, p. 4 “Genocide and the other acts enumerated in article III shall not be considered as political crimes for the purpose of extradition. The Contracting Parties pledge themselves in such cases to grant extradition in accordance with their laws and treaties in force.” HR 17 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:1441 r.o. 2.2 onder verwijzing naar de conclusie van A-G Aben onder 6-10.

Vgl. Prosecutor v. Musema, ICTR-96-13, Judgment, Appeals Chamber 16 november 2001, par. 370 “[…] the Appeals Chamber holds that convictions for genocide and extermination as a crime against humanity, based on the same set of facts, are permissible. Musema’s ground of appeal is thus dismissed. The Appeals Chamber further holds that cumulative charging is generally permitted.” K. Ambos m.m.v. A. Heinze en C. Penkuhn, Internationales Strafrecht. Strafanwendungsrecht – Völkerstrafrecht – Europäisches Strafrecht – Rechtshilfe, München:

Beck 2018, p. 243-244 nr. 127 en p. 277-278 nr. 201-202. Vgl. HR 17 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1764, NJ 2007/399 m.nt. N. Keijzer, r.o. 3.4. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.6 sub B onder (iii). HR 14 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1441; HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3627, NJ 2015/175. Rb 27 november 2015, Den Haag ECLI:NL:RBDHA:2015:13903 r.o. 4.15 en ECLI:NL:RBDHA:2015:13905 r.o. 4.10 “de vordering van eiser zal worden toegewezen, in die zin dat uitlevering naar Rwanda wordt verboden tenzij de Staat de door Witteveen in zijn rapport van 3 juni 2015 genoemde bezwaren, zoals weergegeven […] op adequate wijze wegneemt.” Hof Den Haag 5 juli 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1924 en ECLI:NL:GHDHA:2016:1925.

HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2019, NJ 2019/228 m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.6 “oordeel dat zulks niet aannemelijk is — en dus niet is komen vast te staan”. Hiertoe reken ik ook de klacht in de schriftuur dat de rechtbank “in het geheel niet” gemotiveerd zou hebben waarom het voorbij is gegaan aan “het door de verdediging voorgedragen standpunt dat door de vele rapporten en andere bronnen in voetnoten wordt ondersteund, dat er in theorie en praktijk veelvuldig wordt geïntimideerd en zelfs openlijk door het staatshoofd wordt gedreigd met de door voor een ieder die het Rwandese bewind onwelgevallig is.” Government of Rwanda v.

Brown e.a., High Court of Justice, Queen’s Bench Division, 28 juli 2017, [2017] EWHC 1912 (Admin), par. 499. Zie ook beide uitspraken van de rechtbank Den Haag in kort geding in de hierboven genoemde twee eerdere uitleveringszaken in voetnoot 12. Government of Rwanda v. Brown e.a., High Court of Justice, Queen’s Bench Division, 28 juli 2017, [2017] EWHC 1912 (Admin), par. 331 “Equally, whilst we pay due regard to the reasoning of the Court of Appeal in The Hague, we are not precluded from considering what conclusions we ought to draw from all the material that we have, even where it is the same as that Court had before it.” Government of Rwanda v.

Brown e.a., High Court of Justice, Queen’s Bench Division, 28 juli 2017, [2017] EWHC 1912 (Admin), par. “382. […] Given the seriousness of the offences alleged here, we are prepared to permit the Appellant a final opportunity to seek to assure the Court that credible and verifiable conditions will be in place, to overcome the legal bar to extradition upheld above. It should by no means be assumed that such assurances will successfully overcome the bar to extradition given the historical failure of the Appellant to cooperate in prosecutions in England, the serious concerns articulated earlier in this judgment, the length of time that has passed and the inherent difficulty of being able to rely on assurances.

However, it seems to us right that the opportunity should be afforded to the Appellant to persuade us that satisfactory assurances can be given. Given the very long history here, there can be no question of any long delay before the matter is finally resolved. 383. On the facts of this case, any successful future assurances or guarantees would have to be detailed, formal and underpinned with significant diplomatic weight. They would have to include at least (1) adequate funding for investigation and development of defence cases and for representation in Court by experienced and properly resourced advocates, (2) assurance of admission to the Rwandan Bar for suitably qualified and experienced foreign lawyers as defence counsel, where desired, and (3) inclusion of at least one non-Rwandan judge in any trial, such judge to be suitably experienced and independent of any connection with the Government of Rwanda (for example an existing judge of another relevant international Court or tribunal).” Idem.

HC Hansard, vol. 658, kolom 181 e.v. Hof Den Haag 5 juli 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1924 r.o. 3.12; Hof Den Haag 5 juli 2016, ECLI:NL:GHDHA:20161925 r.o. 3.12. Geciteerd in HR 14 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1441 r.o. 3.2.2: “The fair trial guarantees contained in the Law relating to the transfer of Cases to Rwanda and the Constitution of the Republic meet internationally accepted minimum standards of due process and can be summarised as follows: a. The right to a fair and public hearing by a competent, independent and impartial court; b. the right to a presumption of innocence; c. the right to be informed promptly and in detail in a language which he or she understands, of the nature and cause of the charge against him or her; d. the right to have adequate time and facilities for the preparation of his or her defense, and to communicate with counsel of his or her own choosing; e. the right to be tried without undue delay; f. the right to be tried in his or her presence; g. the right to defend himself or herself in person or through legal assistance of his or her own choosing; to be informed, if he or she does not have legal assistance, of this right, and to have legal assistance assigned to him or her, in any case where the interests of justice so require, and without payment by him or her in any such case if he or she does not have sufficient means to pay for it; h. the right to examine, or have examined, the witnesses against him or her and to obtain the attendance and examination of witnesses on his or her behalf under the same conditions as witnesses against him or her; i. not to be compelled to testify against himself or herself or to confess guilt.”.

In de andere zaak zijn de garanties als volgt weergegeven in de conclusie van AG Spronken, ECLI:NL:PHR:2014:2293 sub 51: “Should the Netherlands judicial authorities extradite the case of [de opgeëiste persoon] for prosecution before a competent court in Rwanda; the Accused will receive a fair trial in accordance with national legislation and in conformity with fair trail guarantees contained in other international instruments ratified by the Republic of Rwanda. The fair trial guarantees contained in the Organic Law on the Transfer of Cases and the Constitution of the Republic meet internationally accepted minimum standards of due process and can be summarised as follows: a.

The right to a fair and public hearing by a competent, idependent and impartila court; the right to a presumption of innocence; the right to be informed promptly and in detail in a language which he or she understands, of the nature and cause of the charge against him or her; the right to have adequate time and facilities for the preparation of his or her defense, and to communicate with counsel of his or her own choosing; the right to be tried without undue delay; the right to be tried in his or her presence; the right to defend himself or herself in person or through legal assistance of his or her own choosing; to be informed, if he or she does not have legal assistance, of this right, and to have legal assistance assigned to him or her, in any case where the interests of justice so require, and without payment by him or her in any such case if he or she does not have sufficient means to pay for it; the right to examine; or have examined, The' witnesses' against him or her and to obtain the attendance and examination of witnesses on his or her behalf under the same conditions as witnesses against him or her; i. the right not to be compelled to testify against himself or herself or to confess guilt”.

EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/613 m.nt. N. Keijzer, par. 187-197 i.h.b. par. 187 (Othman t. V.K.). HR 29 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC8208, NJ 1984/349 m.nt. Th.W. van Veen, r.o.

5. A.H.J. Swart m.m.v. K. Helder, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1986, hierboven voetnoot 8, p. 524-528 nr. 482-487. A-G Aben, ECLI:NL:PHR:2017:689 (niet gepubliceerd) onder 12; HR 24 januari 2017, rolnr. 16/02669, ECLI:NL:HR:2017:1593: art. 81 lid 1 RO (niet gepubliceerd).