Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2019:129 ECLI:NL:PHR:2019:129 AI generated

ECLI:NL:PHR:2019:129 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2019:129
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 18/01265 P Zitting: 19 februari 2019 (bij vervroeging) Mr. D.J.C. Aben Conclusie inzake: [betrokkene] 1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 11 september 2017 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 35.765,35 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Legislator headnote

AI generated

artikel 511e Sv, artikel 36e Sr, art. 577b Sv, art. 36e Sr; ECLI:NL:PHR:2019:129 · Parket bij de Hoge Raad: Allereerst een beschouwing over de wettelijke uitgangspunten voor de beoordeling van de klacht. Bij de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen op de voet van het vigerende artikel 36e, achtste lid, Sr uitsluitend kosten voor aftrek in aanmerking komen (1) die daadwerkelijk zijn gemaakt en (2) die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict dat ten grondslag ligt aan de becijfering van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten om te bepalen of en, zo ja, in welke mate hij rekening houdt met kosten die de betrokkene heeft gemaakt.

Keywords

AI generated
artikel 511e Sv artikel 36e Sr art. 577b Sv art. 36e Sr

Cited Legislation

AI generated
artikel 511e Sv
Deze motiveringsverplichting berust op artikel 359, tweede lid, Sv, welke bepaling ingevolge artikel 511e Sv van overeenkomstige toepassing is op de behandeling van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
artikel 36e Sr
2011, 237), welke (onder meer) tot vernummering van enige leden van artikel 36e Sr heeft geleid.
art. 577b Sv
Wellicht kan de toepassing van art. 577b Sv deze leemte corrigeren, maar het lijkt mij dat die wettelijke bepaling op zichzelf niet is bedoeld om manco’s in art.
art. 36e Sr
Bovendien is in dit geval de voor betrokkene meest gunstige bepaling, te weten art. 36e, achtste lid (oud) Sr, van toepassing en geldt in deze zaak dus niet het vereiste dat de (in rechte toegekende) vordering van de benadeelde derde slechts in mindering wordt gebracht voor zover die is voldaan.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2011:BQ1967
31 mei 2011 Strafkamer nr. 09/02949 P Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 12 mei 2009, nummer 21/004161-07, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van: [Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats]. 1. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2. Beoordeling van het eerste middel 2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden. 2.2. Het middel is gegrond. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, welke in cassatie aanhangig is onder nr. 09/02950, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de hoofdzaak. 2.3. Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan. 3. Beoordeling van het tweede middel 3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel de door de betrokkene gemaakte investeringskosten ten behoeve van de kweekinstallatie geheel in mindering had moeten brengen op de opbrengst van de hennepkwekerij. 3.2. De bestreden uitspraak houdt omtrent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel onder meer het volgende in: "De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel (...) 3. Bij de berekening/schatting van het voordeel wordt als uitgangspunt genomen de verklaring van veroordeelde tegenover de politie afgelegd op 28 februari 2006 en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel (zoals door de officier van justitie aanvankelijk als uitgangspunt is genomen), zoals is weergegeven in het proces-verbaal van politie, regio Utrecht, district Eemland Zuid. Deze standaard berekening is volgens de normen van het BOOM-rapport. Nu uit het dossier en het verhandelde ter zitting het werkelijk behaalde voordeel onvoldoende blijkt, wordt een fictieve opbrengst berekend. 4. Bij de berekening wordt rekening gehouden met één eerdere oogst. (...) 7. De kosten worden berekend op € 3.003,00 per oogst. Dit levert een netto opbrengst op van 27.207,00 euro. (...) Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van (afgerond) EUR 27.200,00 (zevenentwintigduizend tweehonderd euro)." 3.3. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het Hof aan de volgende bewijsmiddelen ontleend: a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant: "(...) 5.5 Afschrijvingsperiode en -kosten van de kweekinstallatie Aangezien er niet wordt verklaard over de afschrijvingsperiode van de kweekinstallatie, wordt hierbij gebruik gemaakt van aanwezige jurisprudentie en het rapport "standaardberekening en normen" opgesteld door het BOOM. Daarnaast is in het project "standaardberekening en normen" aansluiting gezocht bij de landbouwnormen die de Belastingdienst gebruikt. Deze normen worden jaarlijks vastgesteld in overleg met de Vereniging van Accountants- en Belastingadviseurs VLB, Land- en Tuinbouworganisatie (LTO), Tuinbouw Accountant Administratiekantoren (TAAK) en de Koninklijke Algemene Vereniging voor Bloembollencultuur (KAVB) en gepubliceerd in de publicatie "Landelijke Landbouwnormen". De normen die in deze publicatie worden genoemd gelden voor de gehele Belastingdienst en gelden dan ook voor alle belastingplichtige ondernemingen in de agrarische sector. Voor de hennepkweek zijn de volgende afschrijvingstermijnen van belang: Soort apparatuur Afschrijvingstermijn C02 apparatuur 7 jaar stoomapparatuur inclusief afzuigsysteem, grondverwarming, bedverwarming en koeling 11 jaar Substraatinstallatie 4 jaar bron inclusief pomp, leidingen en overige watervoorzieningen/waterbehandeling 7 jaar vaste tafels, roltafels, rolcontainers 11 jaar klimaatcomputers 7 jaar assimilatie-installaties (hieronder wordt verstaan de lamp armatuur) 7 jaar lampen (hieronder wordt verstaan het "peertje") 3 jaar Afschrijvingstermijnen bedrijfsmiddelen glastuinbouw Soort apparatuur Afschrijvingstermijn Klimaatcomputer 5 jaar Regelpaneel 8 jaar C02 concentratiemeter 8 jaar Bevochtigingsregeling 10 jaar ventilatiesystemen 8 jaar 8 jaar Afschrijvingstermijnen klimaatinstallaties Op grond van de door de Belastingdienst, ondernemersorganisaties en accountants/belastingadviseurs vastgestelde afschrijvingsperioden is een algemene afschrijvingsperiode van vier jaar voor alle apparatuur aannemelijk. Bij een algemene afschrijvingstermijn van vier jaar wordt tevens voldoende rekening gehouden met mogelijk minder onderhoud en intensiever gebruik van de apparatuur bij illegale hennepkweek. Gezien bovenstaande wordt als uitgangspunt voor de afschrijving van de kweekinstallatie een termijn van 4 jaar gehanteerd. Voor aftrek komen alleen die kosten in aanmerking die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. Daartoe behoren gemaakte kosten die hebben gediend tot het verkrijgen van voordeel. Hier vanuit gaande kan ten aanzien van de kweekinstallatie rekening worden gehouden met de afschrijving op de investering. De investering is gepleegd om op langere termijn te worden terugverdiend. De afschrijving vormt dat deel van de kosten dat toegerekend kan worden aan de activiteiten die reeds hebben plaatsgevonden en tot opbrengsten hebben geleid, zijnde de succesvolle oogsten. De aanschafkosten (nieuwwaarde) van de kweekinstallatie is bepaald aan de hand van de verklaring van de verdachte [betrokkene]. Hij verklaarde dat hij een bedrag van 5 à 6 duizend euro heeft geïnvesteerd in de hennepkwekerij. In het voordeel van de verdachte wordt uitgegaan van een investering van € 6.000,00. Gezien bovenstaande worden de afschrijvingskosten van de investering per oogst op € 300,- gesteld. (...) 6. Het wederrechtelijk verkregen voordeel Uitgaande van bovenstaande gegevens komen we tot de volgende berekening: Berekening totale opbrengst hennepkwekerij Opbrengst per oogst 5.2 Aantal planten 496 5.3 Opbrengst gram per plant 25,7 gr. Totale hoeveelheid grammen 496 planten x 25,7 gr. =12.747 gr. 5.4 Verkoopprijs per gram € 2,37 Bruto opbrengst 12.747 gr. x €2,37 = (het hof leest, afgerond) € 30.210,00 (A) Kosten per oogst 5.5 Afschrijving kweekinstallatie € 300,00 5.6 Inkoopprijs stekjes € 3,00 x 496 planten € 1.488,00 5.7 Bodem, water en voeding € 2,45 x 496 planten € l .215,20 Totale kosten € 3.003,00 (B) ======== Netto Opbrengst per oogst (het hof leest, afgerond) € 27.207,00" (A-/-B) b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de betrokkene: "U vraagt mij of de hennepkwekerij die u heeft aangetroffen in de woning aan de [a-straat 1] te Amersfoort mijn kwekerij was. Dat klopt. U vraagt mij of ik weet dat het houden van een hennepkwekerij strafbaar is. Ja dat weet ik. U vraagt mij hoeveel hennepplanten er in de kwekerij staan. Dit zullen er ongeveer vierhonderd (400) zijn. U vraagt mij wie de hennepkwekerij heeft ingericht. Dat heb ik zelf gedaan. Ik deed zelf de dagelijkse verzorging van de planten. U vraagt mij hoe de elektra voor de kwekerij is geregeld. Ik heb die zelf vanuit de meterkast aangelegd. Ik heb de gehele meterkast losgehaald en daarna alles aangesloten. Ik tap dus illegaal stroom af. U vraagt mij wanneer ik de kwekerij heb aangelegd. Dit is geweest net voor oud en nieuw van dit jaar (2005-2006)." 3.4. Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Indien evenwel namens de veroordeelde ter terechtzitting gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de veroordeelde dienen te blijven (vgl. HR 5 februari 2008, LJN BC2913, NJ 2008/288). 3.5. Gelet hierop geeft het in 's Hofs overwegingen besloten liggende oordeel dat niet de totale investeringskosten doch alleen de aan één oogst toe te rekenen afschrijvingskosten kunnen worden aangemerkt als kosten die in directe relatie staan tot het delict niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. 3.6. Het middel faalt. 4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 31 mei 2011.
ECLI:NL:HR:2010:BM6894
28 september 2010 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2008:BC2913
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Breda van 7 december 2004 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.410,-. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, met terug- of verwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht.
NJ 2008/288
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie voor de beschouwingen onder 7 en 9 onder meer de volgende jurisprudentie: HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1967; HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6894; HR 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2913, NJ 2008/288 m.nt.
ECLI:NL:HR:2005:AU2230
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Zwolle van 10 juli 2003 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 162.931,-. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
ECLI:NL:HR:2001:AB3200
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Groningen van 3 december 1998 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van zevenenveertigduizendzeshonderdéén gulden, subsidiair éénhonderdzestig dagen hechtenis.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 18/01265 P Zitting: 19 februari 2019 (bij vervroeging) Mr. D.J.C. Aben Conclusie inzake: [betrokkene] 1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 11 september 2017 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 35.765,35 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/04615 en 18/01277. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Namens de betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.M. Helmers, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel behelst de klacht dat het hof het verweer, inhoudende dat de energiekosten ten bedrage van € 9.867,87 in mindering moeten worden gebracht op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen.

5. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotitie heeft de raadsvrouw van de verdachte met betrekking tot de energiekosten aldaar het volgende aangevoerd: “ Vordering wederrechtelijk verkregen voordeel (…) De rechtbank is de verdediging gevolgd in het medeplegen en in het aantal planten per oogst, maar heeft de energiekosten ten bedrage van € 9.867,87 niet in mindering gebracht op het te ontnemen bedrag. De betalingsregeling sec was voor de rechtbank onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de kosten daadwerkelijk zijn betaald.

Inmiddels heeft de verdediging duidelijkheid over de reeds daadwerkelijk betaalde energiekosten. Tot op heden is betaald door cliënt een bedrag van € 4.605,02 en staat het nog openstaande bedrag van € 5.262,85 on hold. Zie hiervoor de aan u zojuist overhandigde mailcorrespondentie tussen mijzelf en Stedin. On hold betekent dat dit bedrag weer geïnd gaat worden zodra het (email) adres van cliënt weer bij Stedin bekend is. Het openstaande bedrag is niet oninbaar gesteld, niet afgeboekt, maar tot nu toe is de inning voorlopig even stop gezet tot het moment dat cliënt weer vindbaar is voor Stedin.

Ik sluit niet uit dat mijn email contact van vorige week voor Stedin weer het moment is geweest om [betrokkene] te gaan zoeken en het resterende bedrag bij hem te gaan innen. Cliënt zal dan gewoon betalen, zij het dat hij met Stedin een nieuwe betalingsregeling zal moeten treffen gezien zijn huidige schuldenlast. Ik verzoek uw Hof dan ook om alsnog het bedrag van het door cliënt wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten en vast te stellen op € 35.765,35 - € 9.867,87 = € 25.897,48” 6. Het hof heeft het door de verdediging gevoerde verweer in het bestreden arrest, zoals gezegd, verworpen.

Hiertoe overwoog het hof het volgende: “De verdediging heeft aangevoerd dat de energiekosten ten bedrage van € 9.867,87 in mindering gebracht dienen te worden op het te ontnemen bedrag, nu er tot op heden door veroordeelde een bedrag van € 4.605,02 is betaald en het resterende bedrag geïnd zal gaan worden als veroordeelde weer vindbaar is voor Stedin. Nu ter terechtzitting is gebleken dat thans nog geen volledige betaling heeft plaatsgevonden van de energiekosten aan Stedin zal het hof dit bedrag niet in mindering brengen op de verplichting tot betaling aan de Staat.” 7.

Allereerst een beschouwing over de wettelijke uitgangspunten voor de beoordeling van de klacht. Bij de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen op de voet van het vigerende artikel 36e, achtste lid, Sr uitsluitend kosten voor aftrek in aanmerking komen (1) die daadwerkelijk zijn gemaakt en (2) die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict dat ten grondslag ligt aan de becijfering van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten om te bepalen of en, zo ja, in welke mate hij rekening houdt met kosten die de betrokkene heeft gemaakt.

8. Naar het mij voorkomt kan de rechter bij het vaststellen van de omvang van het daadwerkelijk verkregen voordeel kosten in mindering brengen die de betrokkene niet reeds bij de voltooiing van het delict heeft gemaakt, maar pas op een later moment heeft gemaakt, bijvoorbeeld ingeval de betrokkene (tijdens de ontnemingsprocedure) alsnog voorziet in de betaling van de kosten van energie die is verbruikt voor het begaan van het delict dat het geschatte voordeel heeft teweeggebracht.

9. De beslissing omtrent de kosten waarmee de rechter rekening houdt behoeft in het algemeen geen motivering. Indien evenwel namens de betrokkene ter terechtzitting gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter bij verwerping van dat verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij – al dan niet gedeeltelijk – voor rekening van de veroordeelde dienen te blijven. Deze motiveringsverplichting berust op artikel 359, tweede lid, Sv, welke bepaling ingevolge artikel 511e Sv van overeenkomstige toepassing is op de behandeling van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

10. Voorts bepaalde tot 1 juli 2011 artikel 36e, zesde lid (oud), Sr dat bij de bepaling van de omvang van het ontnemingsbedrag aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering worden gebracht. Deze bepaling was van 1 juli 2011 tot 1 januari 2014 opgenomen in artikel 36e, achtste lid (oud), Sr. Bij wet van 26 juni 2013 is de wettelijke regeling met betrekking tot het in mindering brengen van vorderingen van benadeelde derden op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gewijzigd, zulks met ingang van 1 januari 2014.

De nieuwe bepaling, die vanaf 1 januari 2014 tot 1 januari 2015 was opgenomen in artikel 36e, achtste lid (oud), Sr en vanaf 1 januari 2015 is opgenomen in artikel 36e, negende lid, Sr houdt in dat bij de bepaling van de omvang van het ontnemingsbedrag, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering worden gebracht “voor zover die zijn voldaan”., 11. Door deze toevoeging in het bepaalde in het (voorheen achtste, thans) negende lid van artikel 36e Sr kan er naar mijn inzicht een overlap ontstaan met de regeling van artikel 36e, (thans) achtste lid, Sr in die gevallen waarin de betrokkene door het voldoen van een in rechte toegekende vordering tevens alsnog kosten maakt die rechtstreeks verband houden met het begaan van het delict op basis waarvan het voordeel is berekend.

Een dergelijke overlap in wettelijke regelingen lijkt mij evenwel minder bezwaarlijk dan wanneer er een leemte zou ontstaan tussen de genoemde regelingen, namelijk door niet te voorzien in de wettelijke mogelijkheid dat de ontnemingsrechter kosten in aanmerking neemt die de betrokkene na de voltooiing van het delict alsnog maakt, bijvoorbeeld door (tijdens de ontnemingsprocedure) de kosten te betalen van energie die is verbruikt voor het begaan van het delict dat het geschatte voordeel heeft teweeggebracht, terwijl de vordering tot die betaling (nog) niet in rechte is toegekend.

12. Terug naar de voorliggende zaak. Het hof heeft geoordeeld dat de energiekosten niet in mindering worden gebracht “omdat nog geen volledig betaling heeft plaatsgevonden.” Gelet op de gebruikte bewoordingen in de overweging van het hof, heb ik geaarzeld of het hof wellicht het oog heeft gehad op het bepaalde in artikel 36e, negende lid, Sr. Echter, noch de overwegingen van het hof, noch hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting heeft aangevoerd, wijst uit dat het hier gaat om een in rechte aan het energiebedrijf als benadeelde derde toegekende vordering. Bovendien is in dit geval de voor betrokkene meest gunstige bepaling, te weten art. 36e, achtste lid (oud) Sr, van toepassing en geldt in deze zaak dus niet het vereiste dat de (in rechte toegekende) vordering van de benadeelde derde slechts in mindering wordt gebracht voor zover die is voldaan.

13. Met het oordeel dat de energiekosten niet in mindering worden gebracht omdat nog geen volledig betaling heeft plaatsgevonden, heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de verdachte weliswaar door Stedin is aangeslagen voor de kosten van de illegaal verbruikte elektriciteit doch dat niet is gebleken dat de verdachte in dit verband daadwerkelijk kosten heeft gemaakt.

14. Dat oordeel acht ik echter niet zonder meer begrijpelijk, nu de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting – met stukken onderbouwd – heeft aangevoerd dat de betrokkene (in ieder geval) een deel van de elektriciteitsrekening, namelijk een bedrag ter grootte van € 4.605,02, daadwerkelijk heeft betaald en daarmee kosten heeft gemaakt die volgens haar in directe relatie staan tot het delict (hennepteelt).

15. Het middel is terecht voorgesteld.

16. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie voor de beschouwingen onder 7 en 9 onder meer de volgende jurisprudentie: HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1967; HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6894; HR 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2913, NJ 2008/288 m.nt. Borgers; HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2230; HR 31 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3200, NJ 2002/124 m.nt.

Mevis; HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1199, NJ 1998/841 m.nt. Schalken. Zie de wetswijziging bij de wet van 31 maart 2011 tot verruiming van de mogelijkheden tot voordeelontneming (Stb. 2011, 171 in verbinding met Stb. 2011, 237), welke (onder meer) tot vernummering van enige leden van artikel 36e Sr heeft geleid. Ingevoerd bij Wet van 26 juni 2013 tot aanpassing van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof in verband met de introductie van de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen op het vermogen van de verdachte ten behoeve van het slachtoffer, Stb. 2013, 278.

Zie de Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II 2012/13, 33295, 8. De in de strafzaak bewezenverklaarde feiten die ten grondslag liggen aan de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zijn gepleegd in de periode van 13 juli 2011 tot en met 15 februari 2012. De wet van 26 juni 2013 bevat geen overgangsbepaling. Aangezien art. 36e, negende lid, Sr een wijziging van wetgeving inhoudt ten aanzien van de toepasselijke regels van sanctierecht, dient op grond van art. 1, tweede lid, Sr bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene meest gunstige bepaling te worden toegepast.

Wellicht kan de toepassing van art. 577b Sv deze leemte corrigeren, maar het lijkt mij dat die wettelijke bepaling op zichzelf niet is bedoeld om manco’s in art. 36e Sr te herstellen, maar te voorzien in een mogelijkheid om rekening te houden met financiële omstandigheden die ná afloop van de ontnemingsprocedure zijn opgekomen, bijvoorbeeld wanneer de betrokkene de benadeelde na beëindiging van de ontnemingsprocedure (al dan niet vrijwillig) schadeloos heeft gesteld.