Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2019:1152 ECLI:NL:PHR:2019:1152 AI generated

ECLI:NL:PHR:2019:1152 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2019:1152
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/03700 Zitting 8 november 2019 CONCLUSIE E.B. Rank-Berenschot In de zaak Ludinga Vastgoed B.V. eiseres tot cassatie, adv.: mr. J.P. Heering tegen Stichting Accolade verweerster in cassatie, adv.: mr. M.W. Scheltema Deze zaak betreft een geschil tussen eiseres tot cassatie (hierna: Ludinga) en verweerster in cassatie (hierna: Accolade) met betrekking tot de ontwikkeling van een viertal aan partijen in gezamenlijke eigendom toebehorende ‘bouwvlekken’ in het plangebied ‘Ludinga’ te Harlingen.

Legislator headnote

AI generated

art. 118 Rv; ECLI:NL:PHR:2019:1152 · Parket bij de Hoge Raad: Productie 2 bij inleidende dagvaarding. Productie overgelegd ter rolle van 24 januari 2018 door Ludinga. Productie 7 bij akte overlegging producties van Accolade van 24 januari 2018 in hoger beroep. Productie 1A bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie van Ludinga. Productie 21 bij conclusie van repliek in conventie tevens akte wijziging van eis tevens conclusie van antwoord in reconventie tevens incidentele vordering tot oproeping van een derde (art. 118 Rv). De eiswijziging is vervat in de conclusie van repliek in conventie tevens akte wijziging van eis tevens conclusie van antwoord in reconventie tevens incidentele vordering tot oproeping van een derde.

Keywords

AI generated
art. 118 Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 118 Rv
Productie 21 bij conclusie van repliek in conventie tevens akte wijziging van eis tevens conclusie van antwoord in reconventie tevens incidentele vordering tot oproeping van een derde (art. 118 Rv).

Cited Case Law

AI generated
NJ 2012/589
HR 12 oktober 2012, NJ 2012/589), aldus het onderdeel.
ECLI:NL:GHARL:2018:4809
Aankoop van de onverdeelde helft, thans nog in eigendom bij cliënte voor de prijs van € 3.822.700,--.
ECLI:NL:RBNNE:2014:2790
vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Leeuwarden zaaknummer / rolnummer: C/17/110054 / HA ZA 11-75 Vonnis van 4 juni 2014 in de zaak van de stichting STICHTING ACCOLADE, gevestigd te Drachten, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat: mr. H. de Boer, kantoorhoudende te Leeuwarden, tegen de besloten vennootschap LUDINGA VASTGOED B.V., gevestigd te Harlingen, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat: mr. W. Sleijfer, kantoorhoudende te Leeuwarden, en tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE HARLINGEN, zetelend te Harlingen, derde-partij ex art. 118 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), advocaat: mr. J.J. Veldhuis, kantoorhoudende te Leeuwarden. Partijen zullen hierna worden aangeduid als Accolade, Ludinga VG en de gemeente. 1De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het incidenteel vonnis van 16 november 2011, de rolbeslissing van 21 december 2011, de oproeping van een derde partij in het geding door Accolade, de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie tevens houdende vermeerdering van eis in reconventie met producties 26-33, de conclusie van dupliek in reconventie met producties 33-38, de akte van Ludinga VG houdende overlegging productie (ongenummerd), de antwoordakte van Accolade de akte van de gemeente houdende uitlating derde-partij ex art. 118 Rv met producties 1-9, de akte van Accolade houdende uitlating producties. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 1.3. De Wet herziening gerechtelijke kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland. 2De feiten 2.1. Ludinga VG houdt zich bezig met projectontwikkeling. Accolade is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet die zich uitsluitend bezighoudt met volkshuisvesting. 2.2. Ludinga VG heeft van de gemeente een viertal zogenaamde bouwvlekken nabij de Achlumerdijk te Harlingen gekocht, die zij op 2 juni 2005 geleverd heeft gekregen. De vier bouwvlekken zijn 25.800 m² groot. De koopprijs van de bouwvlekken was € 793.170,00 exclusief BTW, en inclusief rente, plankosten en bijdrage bovenwijkse voorzieningen (zie ook r.o. 2.6.). Diezelfde dag is de onverdeelde helft van deze vier bouwvlekken in eigendom geleverd aan Arqin, de rechtsvoorganger van Accolade, tegen een koopprijs van € 3.822.700,00, vermeerderd met een bedrag aan rente van € 250.098,84 vanaf 1 mei 2004 tot en met 2 juni 2005, derhalve € 4.072.798,84. 2.3. De tussen de gemeente en Ludinga VG opgemaakte notariële akte van levering van 2 juni 2005 luidt, voor zover van belang: "Verkoper is met koper een samenwerkingsovereenkomst aangegaan (op 8 oktober 2004, toevoeging rechtbank), uit welke samenwerkingsovereenkomst voortvloeit dat verkoper aan koper heeft verkocht (…). (…) Het inzake deze transactie totaal te betalen bedrag bedraagt (…) € 793.170,00 (…), zoals nader is uitgewerkt op het aan deze akte gehechte overzicht, opgemaakt door GCM Adviesbureau B.V., gedateerd vijfentwintig mei tweeduizend vier (zie 2.6, toevoeging rechtbank) (…)" 2.4. De tussen de gemeente en Ludinga VG op 8 oktober 2004 ondertekende samenwerkingsovereenkomst luidt, voor zover hier van belang: "Considerans Overwegende dat (…) 2. Partijen inzake de (stedenbouwkundige) planvorming gezamenlijk overleg hebben gevoerd (…) hetgeen geresulteerd heeft in: (…) 2. het bestemmingsplan inclusief beeldkwaliteitsplan (Gemeente Harlingen 99-19-07 / 30-06-04 Bestemmingsplan Harlingen - Ludinga). Doel van de overeenkomst (…) Uitgangspunt daarbij is dat de grondexploitatie zal plaatsvinden door en voor rekening en risico van Ludinga Vastgoed B.V. (…) (…) 4. Grondinbreng (…) 1b. Voor de bij de gemeente in eigendom zijnde registergoederen genoemd in lid 1a bedraagt de koopsom € 3.811.754,-- (…). (…) 1.c. Betaling van de in lid 1b bedoelde bedragen zal plaatsvinden conform hetgeen is vastgelegd in verslag 2001.04V6, V7 en V8 en wel naar gelang bouwrijpe grond aan de uiteindelijke kopers juridisch in eigendom wordt overgedragen en door deze kopers wordt betaald (betaling alzo op basis van eindafname eindproduct) (…) (…) II. Ludinga Vastgoed B.V. vergoedt de gemeente een rente van zes procent (6%) over de koopsom dan wel het restant daarvan te rekenen vanaf één januari 2002. Bovendien zal Ludinga Vastgoed B.V. (naast gemelde koopsom en rente) een toeslag aan de gemeente vergoeden (bijdrage bovenwijks) over het brutoplangebied. Dit bedrag wordt vastgesteld op € 2.541.169,- (…) (…) III. (…) b. Partijen zullen streven naar navolgende verhouding: 10% sociale woningbouw, 30% woningbouwkavels (…) en 60% wordt kleinschalig ontwikkeld. (…) 6. Gemeente De gemeente zal de benodigde planologische procedure(s) voeren, en zorg dragen voor de benodigde vergunningen. Qua contingentering zal de gemeente in haar beleid aansluiten op de ontwikkeling van Ludinga, zij zal met de middelen die haar ter beschikking staan, voorkomen dat er strijdigheden, c.q markttechnische conflicten ontstaan tussen de ontwikkeling van Ludinga en eventuele andere ontwikkelingen binnen de grenzen van de gemeente Harlingen. (…) (…) 8. Openbaar gebied Elk gedeelte van het plangebied, dat niet bestaat uit uitgeefbare bouwkavels voor bebouwing, wordt aangemerkt als openbaar gebied. Zodra in enige fase van het plangebied de werkzaamheden tot bouw- en woonrijp maken zijn voltooid dient het betreffende gedeelte van het openbaar gebied door Ludinga Vastgoed B.V. om niet te worden opgeleverd aan de gemeente (…). (…) 12. Planschade Ludinga Vastgoed B.V. zal de door de gemeente bepaalde planschade betalen (…) 13. Sportvoorzieningen (...) 14. Kwaliteit grond - De gronden worden schoon geleverd, dat wil zeggen geschikt voor het doel en vrij van alle verontreinigingen die dit doel beperken of onmogelijk maken. (…)" 2.5. Het hiervoor bedoelde besprekingsverslag 2001.04V8 luidt, voor zover hier van belang: "Tijdens het overleg op 21 maart 2002, zijn de volgende punten behandeld, en zijn de daaraan gekoppelde afspraken gemaakt: Ten aanzien van de financiën wordt het volgende, aanvullend op, c.q. ter vervanging van hetgeen in voorgaande overleg besproken is, afgesproken:  Ludinga BV koopt de gronden van de gemeente voor een bedrag van € 3.811.754,00 (ƒ 8.400.000). (…)" 2.6. Bedoelde bedragen van € 3.811.754,00 en € 793.170,00 waren al eerder in een overzicht van het door Ludinga VG ingeschakelde adviesbureau G.C.M. Adviesbureau B.V. van 25 mei 2004 vermeld. Dit overzicht luidt: "Onderwerp: Formule betaling grond en bovenwijks aan gemeente. Berekening te betalen bij eerste grondtransactie, 4 locaties in parkgebied Basis formule: In de overeenkomst en de daaraan gekoppelde verslagen is de volgende afspraak gemaakt: Betalen naar rato van uitgifte (oppervlakte verkochte kavel, gedeeld door de totale oppervlakte uitgeefbaar)* keer (gesommeerde alle nog aan de gemeente te betalen kosten en vergoedingen). Voor het eerste deel van de breuk is de totale oppervlakte van het uitgeefbare gebied in het bestemmingsplan berekend in september 2003. Met het toenmalige inzicht ca 213.000 m2 stadsuitleg en ca. 25.800 m2 in het park. De totale oppervlakte uitgeefbaar bedraagt daarmee ca. 238.800 m2. Bij de verdere uitwerking zal dit kunnen veranderen. Voorgesteld wordt als rekeneenheid 238.000m2 te nemen. (…). Het tweede deel van de breuk, de gesommeerde kosten aan de gemeente te betalen: 1. koopsom grond € 3.811.754,-- 2. 6% rente over de koopsom, te bepalen per transactie € 3. plankosten gemeente (nog te verifiëren) € 385.714,-- 4. Bijdrage bovenwijks totaal plangebied € 2.541.169,-- Berekening aankoop parkgebied Koopsom betreft 25.800/238.000 = 0,108403 1. koopsom grond 25.800/238.000 = 0,108403*€ 3.811.754 € 413.207,00 2. rente 1 jan 2002 tot 1 juni 2004 over koopsom (deel parkgebied) = € 62.679,00 3. bijdrage plankosten 0,108403*385.714,-- € 41.813,00 4. bijdrage bovenwijks 0,108403*€ 2.541.169,-- € 275.471,00 ----------------- Totaal te betalen bij grondtransactie parkgebied € 793.170,00 2.7. De overeenkomst tussen Ludinga VG en (de rechtsvoorganger van) Accolade is neergelegd in de brief van 2 februari 2004 van (de rechtsvoorganger van) Accolade aan Ludinga VG, de door (de rechtsvoorganger van) Accolade en Ludinga VG op 6 juli 2004 ondertekende aanvullende overeenkomst en de op 9 juli 2003 door (de rechtsvoorganger van) Accolade en Ludinga VG ondertekende brief van 23 juni 2003 van G.C.M Adviesbureau B.V. aan (de rechtsvoorganger van) Accolade. 2.7.1. De brief van G.C.M. Adviesbureau B.V. van 23 juni 2003 aan (de rechtsvoorganger van) Accolade luidt, voor zover hier van belang: "De concrete vraag, die uiteindelijk op basis van voorgaand weergegeven informatie aan u gesteld werd, luidt: is Arqin bereid om risicodragend het getoonde woon-zorg complex in het plan Ludinga Harlingen te ontwikkelen en te exploiteren tegen nader overeen te komen voorwaarden met Ludinga Vastgoed BV? U hebt in het telefoongesprek op 19 juni 2003 met Dhr. [A] aangegeven dat u 'in principe' voornemens bent de genoemde locatie in ontwikkeling te nemen. (…) Daarbij worden door u de volgende kanttekeningen gemaakt: (…) Voor de grondquote onder de appartementen wordt uitgegaan van een marktconforme prijs. " 2.7.2. Bedoelde brief van 2 februari 2004 luidt, voor zover hier van belang: "1. Het betreft hier vier bouwvlekken in het parkgebied in het bestemmingsplan Ludinga te Harlingen welke aan partijen voldoende bekend zijn. 2. Op deze vlekken is een volumestudie gemaakt door Architectenbureau Van den Berg te [plaats]. Het totaal aantal appartementen van deze volumestudie is 301 stuks. De appartementen zullen door Arqin (bedoelde rechtsvoorganger van Accolade, toevoeging rechtbank) worden ontwikkeld en door Arqin worden geëxploiteerd of worden verkocht. 3. De eigendom van de grond zal in eerste instantie door Arqin en Ludinga Vastgoed BV gezamenlijk worden genomen in de verhouding 50/50. (…) Een alternatieve mogelijkheid is dat Arqin de onverdeelde helft van de gronden juridisch in eigendom verwerft. 4. De koopsom van het 50% primaire belang dat Arqin zal verwerven bedraagt Euro 25.400,00 x 301 x 50% exclusief BTW. Voorwaarde daarbij is wel, dat er ook daadwerkelijk 301 appartementen van voldoende kwaliteit (circa 100 m2) ontwikkeld kunnen worden. Betaling zal geschieden direct nadat partijen op basis van bovenstaand weergegeven eigendomsverhouding de optimale fiscale vorm hebben vastgelegd. Streven is dat dit deel van de koopsom door Arqin uiterlijk 1 mei 2004 wordt betaald. (…) 8. Arqin stelt als voorwaarde dat [B] bij de gehele ontwikkeling betrokken zal blijven voor de commerciële aspecten en de marketing. [B] gaat hiermee akkoord. Dit op normale en vooraf overeen te komen condities. Niet zijnde een persoonlijke honorering. 9. Zodra één bouwvlek geheel of deels in ontwikkeling zal worden genomen, zal Arqin voor deze bouwvlek het gehele juridische eigendom verwerven en het resterende 50% deel van Ludinga Vastgoed BV van deze bouwvlek aankopen en zal er voor deze vlek worden afgerekend. 10. Arqin verplicht zich zelf te ontwikkelen en de gronden niet zonder meer door te verkopen (…) " 2.7.3. De aanvullende overeenkomst van 6 juli 2004 luidt, voor zover hier van belang: "Overwegende dat: Partijen overeen zijn gekomen dat partij A. (Arqin, toevoeging rechtbank) van partij B. (Ludinga VG, toevoeging rechtbank) de onverdeelde helft aan zal kopen van vier bouwvlekken in het parkgebied van het bestemmingsplan Ludinga te Harlingen, dit zoals bevestigd in het schrijven de dato 2 februari 2004 van partij A. aan partij B. (…) Overeen is gekomen dat betaling en eigendomsoverdracht op 1 mei 2004 plaats zal (zou) vinden. Betaling en eigendomsoverdracht hebben tot op heden niet plaatsgevonden, tengevolge van de interne situatie bij partij A. Komen partij als volgt overeen: (…) - Vanaf 1 mei 2004 tot de dag van betaling zal partij A, aan partij B. een rente van 6% per jaar zijn verschuldigd over de overeengekomen koopsom. De verschuldigde rente zal worden voldaan tegelijkertijd met de betaling van de koopsom bij het notarieel transport van de vier bouwvlekken. (Het rentepercentage van 6 is hetzelfde percentage dat de gemeente Harlingen aan partij B in rekening brengt over nog niet betaalde gelden)." 2.8. Op 30 juni 2004 is het Bestemmingsplan Harlingen-Ludinga vastgesteld. Het bestemmingsplan is door Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân goedgekeurd bij besluit van 21 december 2004. 2.8.1. In de inleiding van dit bestemmingsplan is vermeld, voor zover hier van belang: "Uitgangspunt in het Woonplan is, dat er in de periode 2000-2010 op de uitbreidingslocaties van Harlingen in totaal 455 woningen gerealiseerd zullen worden. Van dit aantal kunnen in de periode 2001-2010 400 woningen in de uitbreidingslocatie Ludinga gerealiseerd worden. (…) De eerste fase van Ludinga zal in het onderhavige bestemmingsplan worden inbestemd. Deze fase bestaat uit twee deelgebieden, het sportveldengebied/woongebied in het noordwesten en een woongebied in het midden van het plangebied (…). In deze fase zullen circa 330 woningen gerealiseerd worden in vijf jaar vanaf 2004. Het woongebied in de tweede fase is onder een nader uit te werken bestemming gebracht (artikel 11 WRO) en wordt na de aanleg van fase 1, als zodanig ontwikkeld. (…) 2.8.2. Hoofdstuk 2 van het bestemmingsplan omvat het beleidskader. Onder 2.2. is het gemeentelijk beleid neergelegd, waaronder: “In totaal kunnen in de fasen I en II tezamen circa 400 woningen gerealiseerd worden. Bij een gemiddelde productie van gemiddeld 65 woningen per jaar in het plan Ludinga, kan Harlingen met de ontwikkeling van Ludinga de komende 6 jaar (2004 tot 2010) in haar uitbreidingsbehoefte voorzien. De provincie gaat uit van het concreet bestemmen tot maximaal 5 jaar en de rest door middel van artikel 11. In het onderhavige plan heeft deze uitgangssituatie geresulteerd in het concreet bestemmen van circa 330 woningen (5/6 keer 400) in de eerste fase. Na de realisatie van de eerste fase zullen de resterende woningen in de tweede fase door middel van een nader uit te werken bestemming gebouwd worden." 2.9. Bij e-mailbericht van 4 november 2004 heeft Ludinga VG aan [A] (G.C.M. Adviesbureau B.V.) laten weten, voor zover hier van belang: "Gezien het voorgaande wil ik van te voren een royaal reklamebord laten plaatsen met hierop vermeld de realisatie van het bestemmingsplan. Op dit bord zal worden vermeld dat er circa 400 woningen worden gerealiseerd, circa 100 vrije bouwkavels en circa …. appartementen, zowel in koop als huur." 2.10. De tussen de Ludinga VG en (de rechtsvoorganger van) Accolade opgemaakte notariële akte van levering van 2 juni 2005 luidt, voor zover van belang: "De koopprijs bedraagt (…) € 3.822.700,00 (…) te vermeerderen met een rente van zes procent (…) gerekend vanaf één mei 2004 tot en met heden zijnde een bedrag groot (…) € 250.098,84 (…) welke koopsom en rentevergoeding worden vermeerderd met negentien procent omzetbelasting ofwel (…) € 773.831,77 (…), alzo voor een totale koopprijs van (…) € 4.846.630,61 (…) VERREKENING De gemelde koopprijs is gebaseerd op de bouw van driehonderd één appartementen, met ieder een waarde voor de ondergrond van (…) € 25.400,00 (..). Indien partijen in onderling overleg tot overeenstemming komen om meer of minder dan (…) 301 (..) appartementen zullen ontwikkelen zal de koopprijs per meer of minder ontwikkeld appartement voor de koper worden vermeerderd casu quo verminderd met een bedrag van (…) € 12.700,00. (…)" 2.11. Over het verrekenbeding zoals dat is opgenomen in de tussen de Ludinga VG en (de rechtsvoorganger van) Accolade opgemaakte akte van levering van 2 juni 2005 (zie hiervoor sub 2.10.), is tussen partijen als volgt gecorrespondeerd: 2.11.1. Ludinga VG heeft (de rechtsvoorganger van) Accolade bij brief van 19 mei 2005 laten weten: "Over een eventuele wijziging van het aantal appartementen dient tussen partijen overeenstemming te bestaan. (…) U bevestigt hierbij nog eens dat er tussen partijen overeenstemming dient te bestaan indien er meer of minder appartementen worden gerealiseerd." 2.11.2. ( De rechtsvoorganger van) Accolade heeft Ludinga BV bij brief van 23 mei 2005 als volgt bericht: "Onder instandhouding van de basisafspraken de dato 2 februari 2004 zijn we met u van mening, dat, om de verrekening te effectueren, partijen overeenstemming moeten hebben over een gewijzigd aantal." 2.12. Op 9 juni 2005 heeft [C] in opdracht van Accolade een rapport "Stand van zaken Ludinga" opgemaakt. Dit rapport luidt, voor zover hier van belang: "De bovenstaande analyse van het dossier (gehouden tegen gebruikelijk in samenwerkingen gemaakte afspraken) maakt duidelijk wat de heer [B] eigenlijk zelf ook bevestigt: aan Arqin is een grondpositie gegeven, die Arqin verder volledig zelf moet invullen. Ludinga Vastgoed is geen medeontwikkelaar en is ook geen "intermediair" tussen de gemeente en Arqin. Ludinga Vastgoed heeft naar het zich laat aanzien op zich op de korte termijn ook geen eigen belang of positie om Arqin tot actie te dwingen. Een en ander laat echter wel onverlet, dat duidelijk is dat de aankoop van de grondpositie is geschied onder de (juridisch relevante) aanname dat op enig moment tot ontwikkeling zal worden overgegaan. Welbeschouwd is het grootste risico, dat Ludinga Vastgoed op termijn steeds meer gaat aandringen op overdracht van de tweede eigendomshelft, niet omdat hij de ontwikkeling van woningbouw daarop wil aanjagen, maar omdat hij wil cashen. Ook al zijn dergelijke afspraken niet duidelijk in de tijd gezet, het enkele verloop van tijd zal zijn positie daarin natuurlijk wel versterken. Want zoals gezegd, dat er op enig moment zal worden ontwikkeld, is toch wel de onderlegger geweest van de gedeelde grondpositie." 2.13. Bij e-mailbericht van 18 maart 2010 heeft (de advocaat van) Ludinga VG aan makelaar [D] ([D] Bedrijfsmakelaars) bericht, voor zover hier van belang: "Op donderdag, 11 maart jl. bespraken wij op mijn kantoor de mogelijkheid om in der minne een oplossing te vinden met betrekking tot de ontwikkeling van een viertal bouwvlekken en het plangebied Ludinga te Harlingen, waarvan zowel Accolade als cliënte de onverdeelde helft in eigendom heeft. Accolade heeft in dit verband, naar ik begreep, het volgende voorstel op tafel gelegd. 1. Aankoop van de onverdeelde helft, thans nog in eigendom bij cliënte voor de prijs van € 3.822.700,--. 2. Rentevergoeding (…) 3. Cliënte onthoudt zich van het maken van bezwaar of het aanwenden van welk rechtsmiddel dan ook tegen bebouwing van de bouwvlekken (…) 4. De onder 1 tot en met 3 vermelde punten behoeven de goedkeuring van de raad van bestuur van Accolade, waarmede een termijn is gemoeid van plm. 6 weken. Het hiervoor omschreven voorstel heb ik inmiddels aan cliënte voorgelegd. Haar reactie is de volgende. ad 1. Deze prijs, die correspondeert met de waarde van de betreffende onverdeelde helft, is wat cliënte betreft akkoord. (…)" 2.14. Op 12 mei 2010 heeft Ludinga VG aan makelaar [D] een concept-overeenkomst gestuurd waarin het (zie 2.13) in het e-mailbericht van 18 maart 2010 vermelde is opgenomen. 2.15. Bij brief van 14 juni 2010 heeft de bestuurder van Accolade, [E], aan Ludinga VG bericht, voor zover hier van belang: "Wij hebben binnen de directie van Accolade een verkennend gesprek gehad over de voorstellen m.b.t. Ludinga, zoals deze nu op tafel liggen. Het moet - ook voor de heer [B] - duidelijk zijn, dat woningcorporaties in deze tijd buitengewoon zorgvuldig om moeten gaan met vastgoedtransacties. (…) Dat betekent dat binnen Accolade wij doordacht de voorstellen en alternatieve scenario's willen doornemen en de grondpositie met de leden van de Raad van Commissarissen moeten bespreken. Dat doen wij niet om onnodig te vertragen - want daar heeft Accolade helemaal geen belang bij - maar wel om een goed en zorgvuldig afgewogen besluit te kunnen nemen (…). Omdat destijds ten tijde van de aankoop uitgegaan is van een heel ander scenario heeft Accolade tijd nodig om dit voor te bereiden om aan de Raad van Commissarissen te presenteren. Gezien de Raad van Commissarissen pas begin september bijeen komt hebben wij minimaal tot die tijd nodig om tot een standpunt te kunnen komen." 2.16. Bij brief van 5 augustus 2010 heeft [E] voornoemd aan Ludinga VG bericht, voor zover van belang: "In verband met de reeds lang lopende correspondentie ter zake van de vier u bekende percelen grond te Harlingen, waarvan wij gezamenlijk eigenaar zijn, bericht ik u als volgt. Om onduidelijkheden en misverstanden te voorkomen benadruk ik dat alleen ik als bestuurder bevoegd ben Stichting Accolade te vertegenwoordigen, en dat er over de Ludinga locatie geen afspraken kunnen worden gemaakt die Stichting Accolade binden, als deze niet schriftelijk en integraal worden vastgelegd en ik die afspraken heb ondertekend. Feitelijk verricht de heer [F] voorbereidende handelingen bij dit project voor ons, maar hij is dus niet bevoegd rechtshandelingen te verrichten namens Stichting Accolade. Hetzelfde geldt voor mevrouw [D] van Makelaardij [D].(…) ". 2.17. Bij brief van 27 september 2010 heeft (de advocaat van) Ludinga VG aan Accolade bericht, voor zover hier van belang: "Na veelvuldig overleg tussen u en cliënte (…) is - behoudens instemming van uw Raad van Commissarissen - overeenstemming bereikt over de aankoop door u van de aan cliënte in eigendom toebehorende onverdeelde helft van een viertal bouwvlekken in het plangebied Ludinga te Harlingen, u genoegzaam bekend, een en ander onder de voorwaarden en bedingen als verwoord in de u gezonden concept-overeenkomst, welke de resultante vormt van de afspraken op 11 maart 2010 gemaakt tussen cliënte enerzijds en de heren mr. Deckers en [F] en mevrouw [D] anderzijds." 2.18. Op 22 november 2010 heeft [A] (G.C.M. Adviesbureau B.V.), een schriftelijke verklaring afgelegd, die voor zover van belang als volgt luidt: "Als directeur van G.C.M. Adviesbureau BV ben ik in opdracht van Ludinga Vastgoed BV betrokken geweest bij de aankoop door Ludinga Vastgoed BV van een viertal zgn. bouwvlekken in het plangebied Ludinga te Harlingen en de doorverkoop aan-, en de voorgenomen ontwikkeling ervan door Accolade te Heerenveen (toenmalig Arqin geheten). De prijs die door de gemeente Harlingen aan Ludinga Vastgoed B.V. is bedongen, is gebaseerd op een prijs per m2 ondermeer rekening houdend met de investeringen van Ludinga Vastgoed BV ten behoeve van de ontwikkeling in het totale grondexploitatie gebied. Deze afspraken zijn vastgelegd in de overeenkomst tussen gemeente Harlingen en Ludinga Vastgoed BV. De als bijlage toegevoegde berekening (zie 2.6., toevoeging rechtbank) is het resultaat van deze overeenkomst. De afhandeling van deze (eerste) grondtransactie is opgesteld in nauw overleg met de verantwoordelijke ambtenaren van de gemeente, de heren [G] en [H]. Met Arqin, nu Accolade, is een prijs, op haar voorstel, overeengekomen op basis van een grondquote van € 25.400,-- per appartement. Deze prijs werd door Arqin op dat moment als marktconform beschouwd. (marktconform, mede doordat zowel bestemmingsplan als situering nabij het ziekenhuis, wonen met 24 uurzorg aangeboden kon worden. In dat kader zijn door Accolade contacten gelegd met de betreffende zorggroep). Beoogd is dat op de vier bouwvlekken 301 appartementen worden gerealiseerd. Dit aantal volgde uit een volume studie die, door derden, in opdracht van Ludinga, is opgesteld. Arqin, (nu Accolade) heeft met de aankoop mede ingestemd met deze volume studie. Na de grondtransactie is door Arqin (nu Accolade) een ontwikkeling opgestart. Daar was ik niet bij betrokken. In 2007 is een tweede ontwikkeling poging gedaan. Daarbij ben ik door zowel Accolade als Ludinga gevraagd te adviseren om het project los te trekken. Dit heeft niet geleid tot een opdracht voor GCM Adviesbureau. De ontwikkeling is, voor wat betreft mijn waarneming, na een ingrijpende reorganisatie verandering bij Accolade, gestopt." 2.19. Bij brief van 16 december 2010 heeft makelaar [I] ([I] Makelaars en Adviseurs) Ludinga VG als volgt bericht, voor zover hier van belang: "U heeft ondergetekende opdracht gegeven gegevens aan te leveren waaruit men kan opmaken wat reële en gemiddelde grondprijzen zijn van (agrarische) gronden welke worden aangewend voor bestemmingsplan wijziging t.b.v. staduitbreiding in de periode rond 2002. (…) Ten behoeve van woningbouw: 27 augustus 1999 (…) aan gemeente Leeuwarden (…) ƒ 25,= / m2 (…) 27 augustus 2001 (…) aan de gemeente Leeuwarden (…) ƒ 35,= / m2 (…) 28 mei 2002 (…) aan de gemeente Leeuwarden (…) € 15,56 / m2 (…) 08 december 2003 (…) aan de gemeente Leeuwarden (…) € 20,47 /m2 (…)" 2.20. In opdracht van Ludinga VG heeft [J] RT ([K] Taxaties) de waarde van de vier bouwvlekken getaxeerd. Het daarvan op 28 januari 2011 opgemaakte rapport bevat de navolgende conclusie: “Op grond van het vorenstaande kan worden geoordeeld dat de gemeente Harlingen en Ludinga Vastgoed B.V. als redelijke verkoper en koper hebben gehandeld en dat de overeengekomen koopprijs van € 15,88 p/m², prijspeil 1 januari 2002 zeer zeker binnen een marktconforme bandbreedte ligt, zelfs eerder aan de bovenkant dan aan de onderkant van de bandbreedte." 2.21. Accolade heeft Fakton B.V. gevraagd om de tussen de gemeente en Ludinga VG overeengekomen grondprijs met bijbehorende voorwaarden conform de inzichten van 2004 te beoordelen op marktconformiteit. Fakton B.V. waardeert de grond op € 24,31/m². Het daarvan op 25 juli 2011 opgemaakte rapport luidt, voor zover hier van belang: op bladzijde 21 "Op basis van de beschreven uitgangspunten bedragen de grondproductiekosten circa € 11,4 miljoen en bedragen de uitgifteopbrengsten (grondwaarde) circa € 19,5 miljoen. Beide bedragen zijn netto per 1-1-2004. Het saldo van de grondontwikkelingskosten en de uitgifteopbrengsten geeft aan wat per 1-1-2004 maximaal voor de grond betaald kan worden, wat resulteert in een bedrag van € 8,2 miljoen. Hiermee komt de waarde van het gehele bestemmingsplangebied van circa 33,5 hectare op € 24,31 per m² kaveloppervlak. Omgeslagen naar het deel wat centraal staat in deze taxatie, te weten de gronden van de gemeente Harlingen in het bestemmingsplan Harlingen Ludinga, welke een omvang heeft van 238.000 m², bedraagt de waarde van de door de gemeente te verkopen grond per 1-1-2004 € 5,8 miljoen." 2.22. In opdacht van Accolade heeft Fakton B.V. een reactie gegeven op de door Ludinga VG aangedragen referentietransacties. De daarvan op 25 juli 2011 opgemaakte notitie luidt, voor zover hier van belang: “(…) Door [K] en [I].nl is een aantal referentietransacties aangedragen, welke in hun beleving de overeengekomen grondprijs tussen de gemeente Harlingen en Ludinga Vastgoed als marktconform kwalificeert. Hier zijn wij het stellig niet mee eens en om de volgende redenen: 1. Het betreft gronden waar nog geen bestemmingswijziging heeft plaatsgevonden en waar het nog vele jaren kan duren, voordat er een dergelijke wijziging plaatsvindt; 2. Het betreft gronden, die mogelijk meer oppervlakte omvatten dan strikt noodzakelijk is. Dit is zo goed als onvermijdelijk, omdat een agrariër meestal alleen zijn gehele bezit wenst te verkopen. Tevens geldt dat het voor de koper onzeker is hoe de toekomstige plangrenzen zijn. Het gevolg is dat ruim wordt ingekocht; 3. Het gaat om transacties waar de gemeente koper is en niet een projectontwikkelaar. (…) Het laatste belangrijke verschil is het type partij. Het betreft de transacties tussen hoofdzakelijk agrariërs/grootgrondbezitters en de gemeenten. Op het moment dat een projectontwikkelaar deze ruwe gronden koopt, zonder dat het zeker is of er een wijziging van het bestemmingsplan naar wonen komt, is deze ontwikkelaar vaak geneigd meer te betalen dan een gemeente. Met het verkrijgen van een grondpositie verkrijgt een ontwikkelaar een stevige positie in de toekomstige ontwikkeling. Ze stelt toekomstige bouwproductie veilig en hiermee de omzet en winst. Vanuit dit hogere belang is een ontwikkelaar bereid om meer te betalen voor de grond. (…) Concluderend kunnen wij stellen dat al de aangedragen referentieobjecten niet vergelijkbaar zijn met de situatie rondom de gemeente Harlingen en Ludinga Vastgoed. Voornaamste verschillen: - De referenties betreffen transacties tussen de gemeente en de eigenaren van de agrarische gronden; - Bestemmingsplanwijziging heeft niet plaatsgevonden en valt bovendien niet op korte termijn te verwachten. Bij de aangedragen transacties is pas na ruim 10 jaar een voorbereidingsbesluit. De daadwerkelijke bestemmingswijziging vindt pas ca. 12 tot 13 jaar na dato plaats; - De oppervlakte van het verworven gebied is groter dan het ontwikkelgebied. Dit komt door onzekerheid over de exacte plangrenzen en doordat de eigenaar alleen het geheel wil verkopen en niet een deel. (…) Daar waar de onzekerheden bij de referenties nog groot zijn, is dat niet het geval bij het plan Ludinga. Ludinga Vastgoed had de zekerheid van de bestemmingswijziging. In het onwaarschijnlijke geval dat planontwikkeling alsnog geen doorgang kon vinden, compenseert de gemeente Harlingen Ludinga Vastgoed (zie artikel 4II.a. van de SOK). " 2.23. In opdracht van Ludinga VG heeft adviesbureau Tauw het rapport van Fakton BV beoordeeld. Adviesbureau Tauw heeft de aannamen en uitkomsten in het rapport van Fakton BV getoetst in relatie tot de samenwerkingsovereenkomst. Adviesbureau Tauw maakt in haar rapport van 20 februari 2012 onderscheid in door haar geconstateerde omissies in het rapport van Fakton BV (hoofdstuk 3) en in overige punten, zijnde beoordelingen van adviesbureau Tauw op grond van haar ervaring en expertise van de aannamen en uitgangspunten in de rapportage van Fakton BV (hoofdstuk 4). 2.23.1. Invulling gevend aan de door haar vastgestelde omissies in het rapport van Fakton BV dient volgens adviesbureau Tauw een bedrag van € 1.430.669,00 extra aan kosten in aanmerking te worden genomen. Als omissies merkt adviesbureau Tauw aan de onderdelen "ruimtegebruik appartementen (+ € 149.992,00)", "planontwikkelingskosten (+ € 22.499,00)", "risico en onvoorzien (+ € 7.500,00)", "persleiding en rotonde (+€ 267.500,00)" en "planschade (+ € 983.178,00)". Adviesbureau Tauw concludeert aan het eind van hoofdstuk 3, voor zover hier van belang: "Na het doorvoeren van bovengenoemde wijzigingen ontstaat een resultaat van EUR 6.846.327 (netto contant prijspeil 2004). Het bruto planoppervlak bedraagt 335.410 m². Hiermee resulteert een m²-prijs van EUR 20,41 (netto contant prijspeil 2004). (…) Het verschil in m²-prijs met de overeengekomen prijs uit de samenwerkingsovereenkomst van EUR 18,01 bedraagt EUR 2,40. Procentueel is dit een verschil van 13%. Dit is binnen grondexploitaties die worden opgesteld in het beginstadium van een ontwikkeling een zeer gebruikelijke marge waarbinnen het uiteindelijke werkelijke resultaat zich zal bevinden. Ons inziens is het verschil dusdanig dat gesproken kan worden van een marktconforme overeengekomen grondprijs." 2.23.2. In hoofdstuk 4 van haar rapport komt adviesbureau Tauw tot de conclusie dat, een bedrag van € 3.295.119,00 extra aan kosten in aanmerking moet worden genomen. Dit bedrag omvat de posten "ruimtegebruik appartementen (+ € 149.992,00"), "planontwikkelingskosten (+ € 1.420.836,00)", "risico en onvoorzien (+ € 473.612,00)", "persleiding en rotonde (+ € 267.500,00)" en "planschade (+ € 983.178,00)". Adviesbureu Tauw concludeert tegen het eind van hoofdstuk 4, voor zover hier van belang: "Na het doorvoeren van bovengenoemde aanpassingen ontstaat een resultaat op netto contante waarde van EUR 4.709.550 (prijspeil 2004). Dit betekent een waarde van EUR 14,04/m² bruto plangebied waarbij voor het bruto plangebied een oppervlak van 335.410 m² geldt. (…) Afgezet tegen de overeengekomen prijs van EUR 18,01/m² betekent dit een verschil van EUR -3,97. Procentueel is dit een verschil van -22%. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat door de gemeente Harlingen geen ongeoorloofde staatssteun is verleend." 2.24. Op 18 april 2012 heeft Accolade een klacht ingediend bij de Europese Commissie met betrekking tot onrechtmatige staatssteun van de gemeente aan Ludinga VG. 3Het geschil in conventie 3.1. Accolade vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: primair verklaart voor recht dat de levering d.d. 2 juni 2005 van de gronden door de Gemeente Harlingen aan Ludinga VG bij Akte van Levering van diezelfde datum met nummer: 21779 24822 FH, en de aan de levering ten grondslag liggende koop, subsidiair de tussen de Gemeente Harlingen en Ludinga VG gesloten Samenwerkingsovereenkomst d.d. 8 oktober 2004, nietig zijn op grond van artikel 3:40 lid 2 BW, omdat sprake is van onrechtmatige en onverenigbare staatssteun aangezien gehandeld is in strijd met artikel 107 lid 1 en 108 lid 3 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie; verklaart voor recht dat de nietigheid van de levering op 2 juni 2005 van de hierboven sub 1 omschreven gronden door de Gemeente Harlingen aan Ludinga VG en de aan de levering ten grondslag liggende koop met zich brengt dat ook de levering op 2 juni 2005 van de onverdeelde helft van deze gronden door Ludinga VG aan Accolade en de aan die levering ten grondslag liggende koop, niet rechtsgeldig tot stand gekomen zijn; Ludinga VG veroordeelt tot (terug)betaling aan Accolade binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis van de in verband met de koop en levering van de onverdeelde helft van de hierboven bedoelde gronden door Accolade betaalde koopprijs aan Ludinga VG van € 4.846.630,61 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2005 tot aan de dag van volledige betaling; Ludinga VG veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; subsidiair verklaart voor recht dat Accolade in de gegeven omstandigheden een beroep toekomt op het in de leveringsakte tussen Ludinga VG en Accolade d.d. 5 juni 2005 op pagina 3 opgenomen Verrekenbeding, omdat Accolade (door toedoen van Ludinga VG) juridisch (planologisch) niet meer het recht toekomt tot ontwikkeling van 301 appartementen en dat Accolade derhalve gerechtigd is tot terugbetaling door Ludinga VG aan haar van een bedrag van € 12.700,00 per niet te ontwikkelen appartement; Ludinga VG veroordeelt tot betaling aan Accolade binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, in verband met haar beroep in rechte op het in de leveringsakte d.d. 5 juni 2005 op pagina 3 opgenomen Verrekenbeding van: 151 x € 12.700,00 = € 1.917.700,00 althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2011 tot aan de dag van volledige betaling; Ludinga VG veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling. 3.2. Ludinga VG concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Accolade in het nasalaris van de advocaat ad € 205,00 voor zover betaling wordt verkregen zonder dat betekening van dit vonnis nodig is, respectievelijk ad € 273,00 voor zover betaling binnen 14 dagen na aanschrijving uitblijft en betekening van dit vonnis nodig is, met veroordeling van Accolade in de proceskosten, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dit vonnis. in reconventie 3.3. Ludinga VG vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: primair Accolade veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de levering door Ludinga VG aan Accolade van de onverdeelde helft van de vier bouwvlekken en alsdan mee te werken aan de ondertekening van de akte van levering, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per dag voor elke dag dat Accolade in gebreke zal blijven aan deze veroordeling te voldoen; Accolade veroordeelt tot voldoening van de koopsom ad € 3.822.700,00 exclusief BTW, vermeerderd met de daarop gevallen wettelijke (handels)rente - niet cumulatief - vanaf 1 mei 2004 over te maken op de desbetreffende rekening van de behandelend notaris op straffe van verbeurte van een dwangsom groot € 25.000,00 per dag voor elke dag dat Accolade in gebreke zal blijven aan deze veroordeling te voldoen; subsidiair Accolade veroordeelt de overeenkomst die onder meer is verwoord in de brief van Accolade in reconventie d.d. 2 februari 2004 na te komen door binnen 5 maanden na dit vonnis een ontvankelijke bouwvergunning aan te vragen voor de realisatie van de appartementen op in ieder geval één van de vier bouwvlekken en binnen 3 maanden na het verkrijgen van formele rechtskracht van deze bouwvergunning te beginnen met de bouw, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of dagdeel dat Accolade daarmee in gebreke blijft; primair en subsidiair Accolade veroordeelt in het nasalaris van de advocaat ad € 205,00 voor zover betaling wordt verkregen zonder dat betekening van dit vonnis nodig is, respectievelijk ad € 273,00 voor zover betaling binnen 14 dagen na aanschrijving uitblijft en betekening van dit vonnis nodig is, met veroordeling van Accolade in de proceskosten, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dit vonnis. 3.4. Accolade voert verweer met conclusie tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Ludinga VG in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Verder verzoekt Accolade de rechtbank voor het geval de vordering(en) in reconventie (deels) zouden worden toegewezen om de veroordeling(en) niet uitvoerbaar bij voorraad uit te spreken althans daaraan de voorwaarde te verbinden dat tot een door de rechtbank te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld door middel van een door Accolade goed te keuren bankgarantie, afgegeven door een te goeder naam en faam bekendstaande bankinstelling in Nederland. in conventie en in reconventie 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling In conventie 4.1. De primaire vordering van Accolade sub 1 is gericht op (1) de vaststelling van de nietigheid van de levering van de vier bouwvlekken door de gemeente aan Ludinga VG alsmede op (2) primair de vaststelling van de nietigheid van de aan die levering ten grondslag liggende koopovereenkomst en subsidiair de vaststelling van de nietigheid van de tussen de gemeente en Ludinga VG gesloten samenwerkingsovereenkomst van 8 oktober 2004. De primaire vorderingen sub 2 en sub 3 bouwen voort op de onder 1 gevorderde vaststellingen. De primaire vordering sub 2 is gericht op de vaststelling van de nietigheid van de (opvolgende) levering van de onverdeelde helft van de vier bouwvlekken door Ludinga VG aan Accolade en de daaraan ten grondslag liggende koopovereenkomst. Onder 3 vordert Accolade de door haar aan Ludinga VG betaalde koopsom van € 4.846.630,61 als onverschuldigd betaald terug. 4.2. Accolade legt aan haar primaire vordering onder 1 ten grondslag dat de grondtransactie tussen de gemeente en Ludinga VG elementen bevat van verboden staatsteun die niet bij de Europese Commissie zijn aangemeld waarmee de grondtransactie op grond van artikel 108 lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) in samenhang met artikel 107 VWEU en artikel 3:40 lid 2 BW nietig is. De rechtbank constateert allereerst dat, gelet op het door Accolade primair onder 1 gevorderde, Accolade onder grondtransactie kennelijk zowel verstaat de levering van de gronden als de aan de levering ten grondslag liggende koopovereenkomst. De staatssteun ligt volgens Accolade besloten in de te lage koopprijs die de gemeente voor de verkoop van de vier bouwvlekken aan Ludinga VG in rekening heeft gebracht alsmede de overige financiële voordelen die Ludinga VG ten deel vallen. 4.3. De rechtbank overweegt als volgt. Het belang dat Accolade heeft bij haar primaire vordering sub 1 tot vaststelling van de nietigheid van de aan de levering ten grondslag liggende koopovereenkomst, althans de samenwerkingsovereenkomst en de levering van de gronden aan Ludinga VG, ligt - naar de rechtbank begrijpt - vooral in de gevolgen die Accolade daaraan verbindt zoals die tot uiting komen in haar primaire vorderingen sub 2 en sub 3. De primaire vorderingen van Accolade sub 2 en sub 3 hebben immers betrekking op de overdracht van de onverdeelde helft van de bouwvlekken van Ludinga VG aan Accolade. Accolade gaat er in haar betoog kennelijk vanuit dat in geval van verboden staatssteun door de gemeente aan Ludinga VG zowel de betreffende koopovereenkomst (althans de samenwerkingsovereenkomst) als de levering van de grond door de gemeente aan Ludinga VG – integraal - door een nietigheidssanctie worden getroffen. Accolade voert, daarop voortbouwend, voorts aan dat de koopovereenkomst die zij met Ludinga VG heeft gesloten ongeldig is als gevolg van de nietigheid van de tussen de gemeente en Ludinga VG gesloten koopovereenkomst en dat óók de levering van de onverdeelde helft van de gronden door Ludinga VG aan Accolade nietig is in verband met de nietigheid van de levering van de gronden door de gemeente aan Ludinga VG. 4.4. De rechtbank stelt ten aanzien van de gestelde staatssteun het navolgende voorop. Artikel 107 lid 1 VWEU bepaalt: Behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Artikel 108 VWEU bepaalt vervolgens: 1. De Commissie onderwerpt tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de interne markt vereist. 2. Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 107 niet verenigbaar is met de interne markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn. Indien deze staat dat besluit niet binnen de gestelde termijn nakomt, kan de Commissie of iedere andere belanghebbende staat zich in afwijking van de artikelen 258 en 259 rechtstreeks tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden. Op verzoek van een lidstaat kan de Raad met eenparigheid van stemmen beslissen 6)[4] dat een door die staat genomen of te nemen steunmaatregel in afwijking van de bepalingen van artikel 107 of van de in artikel 109 bedoelde verordeningen als verenigbaar moet worden beschouwd met de interne markt, indien buitengewone omstandigheden een dergelijk besluit rechtvaardigen. Als de Commissie met betrekking tot deze steunmaatregel de in de eerste alinea van dit lid vermelde procedure heeft aangevangen, wordt deze door het verzoek van de betrokken staat aan de Raad geschorst, totdat de Raad zijn standpunt heeft bepaald. Evenwel, indien de Raad binnen een termijn van drie maanden te rekenen van het verzoek zijn standpunt niet heeft bepaald, beslist de Commissie. 3. De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 107 onverenigbaar is met de interne markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbesluit heeft geleid. 4. De Commissie kan verordeningen vaststellen betreffende de soorten van staatssteun waaromtrent de Raad overeenkomstig artikel 109 heeft bepaald dat zij van de in lid 3 van dit artikel bedoelde procedure kunnen worden vrijgesteld. 4.5. Op de naleving van artikel 107 VWEU wordt toegezien door de Europese Commissie, aan wie (behoudens rechterlijke toetsing door het Hof van Justitie van de EU) het exclusieve oordeel over de vraag of een steunmaatregel in strijd is met het Verdrag, is voorbehouden. Het toezicht is geregeld in artikel 108 VWEU. Artikel 108 lid 3 VWEU legt op de lidstaten - zakelijk weergegeven - de verplichting om voorgenomen steunmaatregelen voor de uitvoering daarvan aan de Europese Commissie te melden. Tijdens het daarop volgende onderzoek van de Europese Commissie mag de lidstaat in kwestie de voorgenomen maatregel niet ten uitvoerleggen: de zogenoemde standstill-verplichting. Bij schending van die verplichting kan de Europese Commissie, als haar eindoordeel over een steunmaatregel negatief is, bevelen de steunmaatregel op te schorten en de reeds betaalde steun terug te vorderen. Ook de rechter is bevoegd om te toetsen of de standstill-verplichting is geschonden omdat die standstill-verplichting directe werking heeft. In geval van schending moet de rechter de steunverlening opschorten en/of ongedaan maken. 4.6. De nationale rechter is bevoegd om een overeenkomst die ongeoorloofde staatssteun bevat nietig te verklaren. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid moet de nationale rechter beoordelen of er sprake is van staatssteun als bedoeld in artikel 107 VWEU en ervoor zorgen dat de steun wordt teruggevorderd en kán hij te dien einde de betreffende overeenkomst geheel nietig verklaren, met name wanneer bij gebreke van minder dwingende maatregelen, deze nietigverklaring ertoe kan leiden of ertoe kan bijdragen dat de mededingingssituatie van vóór de overeenkomst wordt hersteld (HvJ EU, 8 december 2011, C-275/10, Residex). Het HvJ EU oordeelt in de Residex uitspraak (ov. 45) voorts dat de maatregelen die de nationale rechter in geval van een inbreuk op artikel 108 VWEU moet treffen er met name toe strekken om de mededingingssituatie van vóór de uitkering van de steun te herstellen, en dat die doelstelling kan worden bereikt door het treffen van maatregelen ten aanzien van de geldigheid van de betreffende handelingen. Artikel 108 lid 3 VWEU heeft, concluderend, dus (enkel) als doel om de geldigheid van rechtshandelingen aan te tasten voor zover de nietigheid daarvan dienstig kan zijn aan het ongedaan maken van de gevolgen van onrechtmatige steun en het herstel in de oude toestand door ontneming van het verkregen voordeel. Door de terugbetaling van de steun verliest de begunstigde immers het voordeel dat hij op de markt ten opzichte van zijn concurrenten genoot en wordt de toestand van voor de steunverlening hersteld (HvJ EU 4 april 1995, C-350/93, Commissie/Italië). De nationale rechter is al met al dus niet verplicht om in geval van ongeoorloofde staatssteun de betreffende overeenkomst integraal nietig te verklaren. De rechtbank vindt voor vorenstaand oordeel ook steun in de conclusie van de A-G Keus bij het Residex-arrest van de Hoge Raad (HR 28 mei 2010, LJN: BL4082). Gelet op het vorenstaande brengt een eventuele vaststelling in rechte dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun, anders dan Accolade kennelijk meent, niet althans zeker niet zonder meer, de integrale nietigheid van de overeenkomst tussen de gemeente en Ludinga VG met zich. 4.7. Overdracht van een goed vereist, naast beschikkingsbevoegdheid en levering, het bestaan van een geldige titel. Die titel valt weg als de aan de overdracht ten grondslag liggende overeenkomst als nietig wordt aangemerkt. Indien op basis van een nietige overeenkomst een goed is geleverd, dan is daarmee de titel aan de overdracht komen te ontvallen en heeft dit goed als gevolg van deze nietigheid (achteraf bezien) nimmer het vermogen van de vervreemder verlaten. 4.8. Naar het oordeel van de rechtbank leent een ongeoorloofde staatsteun bevattende koopovereenkomst (“de titel”) zich doorgaans slechts voor nietigheid, waar het de overeengekomen verkoopprijs betreft. Het zal immers in de regel de koopprijs zijn die elementen van ongeoorloofde staatsteun bevat. Met het nietig verklaren van (slechts) de overeengekomen verkoopprijs kan doorgaans de mededingingssituatie van vóór de ongeoorloofde staatssteun worden hersteld. Nietigheid van rechtshandelingen waarbij derden zijn betrokken, is niet beoogd, indien zij niet bijdraagt en niet kan bijdragen aan de ontneming van het door de begunstigde onderneming genoten voordeel teneinde herstel in oude toestand te bewerkstelligen (zie genoemde conclusie van de A-G Keus, nr. 2.36.). 4.9. Gelet op het vorenstaande overweegt de rechtbank, indien bij wijze van veronderstelling wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van Accolade dat er bij de grondtransactie tussen de gemeente en Ludinga VG sprake is geweest van ongeoorloofde staatssteun, dat zulks slechts de tussen de gemeente en Ludinga overeengekomen verkoopprijs raakt en niet de tussen hen gesloten koopovereenkomst (althans de samenwerkingsovereenkomst) als geheel. Er is in dat geval hooguit sprake van partiële nietigheid van de koopovereenkomst (voor wat betreft de overeengekomen koopprijs) en een verplichting zijdens Ludinga VG om bij te betalen aan de gemeente, teneinde de gevolgen van de ongeoorloofde staatssteun ongedaan te maken. Dit alles betekent dat de titel van de overdracht van de grond door de gemeente aan Ludinga VG- de koopovereenkomst – voor het overige in stand blijft. Dat heeft als gevolg dat de overdracht van de grond door de gemeente aan Ludinga VG – nog steeds – als rechtsgeldig moet worden aangemerkt en dat Ludinga VG dus óók bevoegd was om de onverdeelde helft van de eigendom van de gronden vervolgens aan Accolade over te dragen. 4.10. De door Accolade primair onder 1 gevorderde verklaring voor recht dat de levering van de gronden door de gemeente aan Accolade en de aan de levering van de gronden ten grondslag liggende koopovereenkomst tussen die partijen, althans de samenwerkingsovereenkomst, nietig zijn op grond van artikel 3:40 BW omdat sprake is van ongeoorloofde staatssteun moet derhalve – al zou er sprake zijn van ongeoorloofde staatssteun door de gemeente aan Ludinga VG – gelet op het vorenoverwogene reeds worden afgewezen. Dat geldt vervolgens dan ook voor de primair onder 2 gevorderde verklaring voor recht dat de nietigheid van de levering van de gronden door de gemeente aan Ludinga VG en de aan die levering ten grondslag liggende kooptransactie met zich brengt dat óók de daaropvolgende levering van de onverdeelde helft van de eigendom van deze gronden door Ludinga VG aan Accolade en de daaraan ten grondslag gelegde koop niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Bovendien: de geldigheid van de overeenkomst tussen Ludinga VG en Accolade in verbintenisrechtelijke zin is niet afhankelijk van de geldigheid in die zin van de overeenkomst tussen Ludinga VG en de gemeente. Nu daarmee de koopovereenkomst tussen Ludinga VG en Accolade als rechtsgeldig moet worden beschouwd, strandt tevens de op de nietigheid van de koopovereenkomst gebaseerde vordering van Accolade primair onder 3 strekkende tot terugbetaling van de koopprijs door Ludinga VG aan Accolade. 4.11. De primaire vorderingen van Accolade zijn geen van allen geënt op het ongedaan maken van de ongeoorloofde staatssteun in de verhouding tussen de gemeente en Ludinga VG en herstel van de oude toestand in dat verband. Accolade doet slechts een beroep op ongeoorloofde staatssteun om de (elkaar opvolgende) grondtransacties tussen de gemeente en Ludinga VG en tussen Ludinga VG en Accolade terug te draaien, zodat Accolade – achteraf bezien – nooit eigenaar van de gronden zou zijn geworden en Ludinga VG gehouden zou zijn om aan Accolade de overeengekomen koopprijs (als zijnde onverschuldigd betaald) terug te betalen. Daarvoor is artikel 108 lid 3 VWEU – en in bredere zin: het gemeenschapsrecht dat strekt tot bescherming van de interne markt - naar het oordeel van de rechtbank echter niet bedoeld. Accolade heeft ook niet gesteld welk ander (dan haar private) belang dan hiervoor genoemd zij heeft bij een staatssteuntoetsing. Een en ander brengt met zich dat voor een onderzoek naar de vraag of er bij de grondtransactie tussen de gemeente en Ludinga VG daadwerkelijk sprake is geweest van ongeoorloofde staatssteun (welke situatie zou moeten worden geredresseerd) in deze procedure geen aanleiding bestaat. 4.12. De rechtbank komt vervolgens toe aan de bespreking van de subsidiaire vorderingen van Accolade. Deze strekken ertoe – samengevat weergegeven - dat voor recht wordt verklaard dat Accolade een beroep toekomt op het in de akte van levering van 5 juni 2005 tussen Ludinga VG en Accolade opgenomen verrekenbeding en dat Ludinga in verband daarmee dient te worden veroordeeld om uit hoofde van het verrekenbeding een bedrag van € 1.917.700,- aan Accolade te voldoen. Accolade legt aan deze vorderingen ten grondslag dat Accolade door toedoen van Ludinga VG niet meer het recht toekomt tot ontwikkeling van 301 appartementen en dat Accolade daarom recht heeft op terugbetaling door Ludinga VG van een bedrag van € 12.700,- per niet verkocht appartement. 4.13. Bij de beoordeling van de subsidiaire vorderingen van Accolade komt het aan op de uitleg van het in de notariële akte van levering van 5 juni 2005 tussen Ludinga VG en Accolade opgenomen verrekenbeding. Volgens vaste jurisprudentie is voor de uitleg van bepalingen in een notariële akte van levering bepalend de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht. Deze bedoeling moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (zie o.a. HR 13 juni 2003, NJ 2004/251 en HR 17 december 2010, NJ 2011/9). 4.14. Het verrekenbeding dient gelet op de ter zake in de akte gebruikte bewoordingen naar het oordeel van de rechtbank te worden bezien tegen de achtergrond van de tussen Ludinga VG en Accolade overeengekomen koopprijs, welke koopprijs is gebaseerd op de bouw van 301 appartementen en strekt ertoe dat indien partijen in onderling overleg tot overeenstemming komen om meer of minder dan 301 appartementen te ontwikkelen, de koopprijs per meer of minder ontwikkeld appartement de koopprijs zal worden vermeerderd respectievelijk verminderd met een bedrag van € 12.700,- per appartement. Wil er dus sprake zijn van toepasselijkheid van het verrekenbeding, dan is daarvoor vereist dat partijen in onderling overleg tot overeenstemming zijn gekomen om meer of minder dan 301 appartementen te ontwikkelen. Gesteld noch gebleken is echter dat er zodanig overleg is geweest, laat staan dat er daarin overeenstemming tussen partijen is bereikt over het ontwikkelen van meer of minder dan 301 appartementen, zodat reeds daarom het beroep op het verrekenbeding strandt. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat zelfs al zou zodanige overeenstemming wel in overleg zijn bereikt tussen partijen, gesteld noch gebleken is dat Ludinga VG met de nakoming van een dergelijke afspraak in verzuim is, waarbij overigens dient te worden bedacht dat die overeenstemming óók zou kunnen behelzen dat er minder dan 301 appartementen zouden worden gebouwd. 4.15. De subsidiaire vorderingen van Accolade zullen derhalve eveneens worden afgewezen. 4.16. Accolade zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure in conventie worden veroordeeld. 4.16.1 De proceskosten worden aan de zijde van Ludinga VG als volgt vastgesteld: vast recht € 3.537,00 salaris advocaat € 8.027,50 (2,5 punt x € 3,211,00, tarief VIII) -------------- € 11.564,50 4.16.2. De proceskosten worden aan de zijde van de gemeente als volgt vastgesteld: vast recht € 3.529,00 salaris advocaat € 3.211,00 (1 punt x € 3.211,00, tarief VIII) -------------- € 6.740,00. 4.17. De door Ludinga VG gevorderde nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna in het dictum te melden. 4.18. Er dient nog te worden beslist omtrent de proceskosten in het incident. De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten in het incident te compenseren, zoals hierna in het dictum te melden. in reconventie 4.19. Ludinga VG vordert in reconventie primair nakoming van de overeenkomst die zij met Accolade stelt te hebben gesloten op 11 maart 2010, te weten medewerking van Accolade aan de levering van de onverdeelde helft van de vier bouwvlekken én betaling van de koopsom van in hoofdsom € 3.822.700,00. Accolade betwist uitdrukkelijk en gemotiveerd op 11 maart 2010 met Accolade een zodanige overeenkomst te hebben gesloten. 4.20. Gelet op die (stellige) betwisting ligt het op de weg van Ludinga VG om voldoende feiten te stellen waaruit het bestaan van de gestelde overeenkomst blijkt. Ludinga VG heeft die feiten naar het oordeel van de rechtbank niet aangevoerd. De rechtbank verwerpt in dat kader allereerst de stelling van Ludinga VG dat zij mocht menen dat de heer [F] (Ludinga VG heeft het, naar de rechtbank begrijpt, abusievelijk over de heer [L] en de heer [F]) en/of makelaar [D] (van [D] Bedrijfsmakelaardij) bevoegd waren om namens Accolade een dergelijke overeenkomst te sluiten. Ludinga VG heeft namelijk geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden opgemaakt dat zij op grond van een verklaring of gedraging van Accolade heeft mogen aannemen dat [F] en/of [D] bevoegd waren om haar te vertegenwoordigen. Ludinga VG heeft voorts geen feiten en omstandigheden gesteld die voor risico van Accolade komen waaruit naar verkeersopvatting zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Die feiten en omstandigheden zijn ook anderszins niet gebleken. [E], bestuurder van Accolade, heeft Ludinga VG bij brief van 14 juni 2010 (zie 2.15) laten weten dat het bestuur nog geen besluit heeft genomen en dat de grondpositie met de Raad van Commissarissen moet worden besproken. Ook uit het e-mailbericht van 18 maart 2010 (zie 2.13) van Ludinga VG blijkt dat duidelijk was dat de beoogde overeenkomst goedkeuring van het bestuur van Accolade behoefde en dat die goedkeuring nog niet was verstrekt. Diezelfde bestuurder van Accolade heeft vervolgens bij brief van 5 augustus 2010 (zie 2.16) nog eens expliciet aan Ludinga VG laten weten dat [F] en makelaar [D] niet bevoegd zijn om Accolade ter zake te vertegenwoordigen. Aan het optreden van een ingeschakelde makelaar en van een werknemer kan niet reeds in het algemeen het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat een toereikende volmacht is verleend tot het sluiten van een overeenkomst. Ludinga VG heeft verder geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat het bestuur van Accolade haar fiat heeft gegeven voor de medewerking aan de levering van de vier bouwvlekken aan haar, tegen betaling van het door Ludinga VG genoemde bedrag. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het in dezen door Ludinga VG gedane beroep op artikel 6:23 lid BW – in verband met het beweerdelijk uitblijven zijdens Accolade van het doen van een voorstel tot goedkeuring van de hiervoor genoemde overeenkomst door de Raad van Commissarissen van Accolade - reeds niet opgaat, nu omdat zulks het bestaan van een overeenkomst tussen partijen veronderstelt, terwijl hiervoor is geoordeeld dat het bestaan van een zodanige overeenkomst in rechte niet is komen vast te staan. 4.21. De primaire vordering in reconventie ontbeert derhalve een deugdelijke grondslag en zal mitsdien worden afgewezen. 4.22. Subsidiair vordert Ludinga VG, zakelijk weergegeven, om Accolade te veroordelen om tot het bouwen van de appartementen over te gaan, zoals is neergelegd in de brief van 2 februari 2004 (zie 2.7.2.), op straffe van het verbeuren van dwangsommen. Accolade betwist dat zij zich jegens Ludinga VG heeft verplicht om tot de bouw van de appartementen over te gaan. Ludinga VG erkent dat deze verplichting niet blijkt uit de bewoordingen van de in de brief van 2 februari 2004 neergelegde overeenkomst en evenmin uit andere schriftelijke stukken. Ludinga VG voert evenwel aan dat mondeling is afgesproken dat op Accolade een bouwplicht rust. Meer concreet voert Ludinga VG aan dat tussen haar en Accolade in 2003 en/of 2004 is overeengekomen dat Accolade in een tijdsbestek van 5 à 10 jaar de bouwvlekken zal ontwikkelen. Ludinga VG biedt van haar stelling getuigenbewijs aan. Verder wijst Ludinga VG op het in opdracht van Accolade opgestelde rapport van [C] van 9 juni 2005 (zie 2.12) waarin is vermeld "dat duidelijk is dat de aankoop van de grondpositie is geschied onder de (juridisch relevante) aanname dat op enig moment tot ontwikkeling zal worden overgegaan.". Accolade heeft het bestaan van een mondeling tot stand gekomen overeenkomst betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Ludinga VG de vermeende op Accolade rustende bouwplicht onvoldoende onderbouwd. Ludinga VG stelt slechts in algemene termen dat in 2003 en/of 2004 is overeengekomen dat Accolade in een tijdsbestek van 5 á 10 jaar de bouwvlekken zal ontwikkelen; zij concretiseert dit betoog echter niet in voldoende mate. Zo stelt zij niet met wie (welke vertegenwoordiger van Accolade) de vermeende bouwplicht is overeengekomen en wanneer precies. De stelling dat zulks in 2003 en/of 2004 is overeengekomen is dermate breed en vaag dat deze stelling reeds daarom zal worden gepasseerd. Ook de verwijzing naar het rapport van [C] kan Ludinga VG in dezen niet baten, nu daarin slechts is vermeld de aanname – door een derde - dat op enig moment tot ontwikkeling van de aangekochte gronden zal worden overgegaan. Deze aanname door een derde levert op zichzelf beschouwd geen aanwijzing op van enige overeenstemming tussen Ludinga VG en Accolade over de ontwikkeling van de bouwvlekken binnen de door Ludinga VG gestelde termijn. Nu Accolade niet voldoende heeft voldaan aan haar stelplicht ter zake de gestelde bouwplicht, is verdere bewijslevering naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. 4.23. De subsidiaire vordering van Ludinga VG ligt daarmee eveneens voor afwijzing gereed. 4.24. Ludinga VG zal als de in reconventie in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Accolade vastgesteld op een bedrag van € 8.027,50 (2,5 punt x € 3,211,00, tarief VIII), uitgaande van een zelfstandige vordering in reconventie, niet voortvloeiend uit het verweer van Ludinga VG in conventie. 5DE BESLISSING De rechtbank: in conventie in de hoofdzaak 5.1. wijst de vorderingen van Accolade af; 5.2. veroordeelt Accolade in de kosten van het geding aan de zijde van Ludinga VG, tot op heden vastgesteld op € 11.564,50, alsmede in de nakosten, vastgesteld op € 131,00 zonder betekening en € 199,00 bij betekening van dit vonnis, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een termijn van veertien dagen na dagtekening van het vonnis, indien deze bedragen niet binnen deze termijn zijn voldaan, tot aan de dag der voldoening van deze bedragen; 5.3. veroordeelt Accolade in de kosten van het geding aan de zijde van de gemeente, tot op heden vastgesteld op € 6.740,00; 5.4. verklaart het vonnis voor wat betreft de hierboven genoemde kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; in het incident 5.5. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. in reconventie 5.6. wijst de vorderingen van Ludinga VG af; 5.7. veroordeelt Ludinga VG in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Accolade vastgesteld op € 8.027,50; 5.8. verklaart het vonnis voor wat betreft deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; Dit vonnis is gewezen door mr. A. van der Meer, mr. J. Smit en mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2014, in tegenwoordigheid van de griffier. fn 343

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/03700 Zitting 8 november 2019 CONCLUSIE E.B. Rank-Berenschot In de zaak Ludinga Vastgoed B.V. eiseres tot cassatie, adv.: mr. J.P. Heering tegen Stichting Accolade verweerster in cassatie, adv.: mr. M.W. Scheltema Deze zaak betreft een geschil tussen eiseres tot cassatie (hierna: Ludinga) en verweerster in cassatie (hierna: Accolade) met betrekking tot de ontwikkeling van een viertal aan partijen in gezamenlijke eigendom toebehorende ‘bouwvlekken’ in het plangebied ‘Ludinga’ te Harlingen.

Ludinga heeft in hoger beroep verschillende vorderingen ingesteld, gebaseerd op haar stelling dat Accolade gehouden is tot ontwikkeling en exploitatie en/of verkoop van appartementen op de vier bouwvlekken en dat Accolade daarin toerekenbaar is tekortgeschoten. Het hof heeft de vorderingen afgewezen op grond van zijn oordeel dat door Ludinga niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat Accolade zich jegens Ludinga zou hebben verplicht tot bebouwing van de vier bouwvlekken. In cassatie wordt dit oordeel door Ludinga bestreden. 1Feiten en procesverloop 1.1 Er kan, voor zover in cassatie relevant, van de volgende feiten worden uitgegaan: (i) Ludinga houdt zich bezig met projectontwikkeling.

Accolade is een toegelaten instelling als bedoeld in [het toenmalige, toev. A-G] artikel 70 van de Woningwet die zich uitsluitend bezighoudt met volkshuisvesting. (ii) Ludinga heeft van de gemeente Harlingen (hierna: de gemeente) een viertal percelen nabij de Achlumerdijk te Harlingen gekocht, die zij op 2 juni 2005 geleverd heeft gekregen, nader aangeduid als “bouwvlekken”. De vier bouwvlekken zijn samen 25.800 m2 groot. De koopprijs van de bouwvlekken was € 793.170,- exclusief BTW, en inclusief rente, plankosten en bijdrage bovenwijkse voorzieningen.

Eveneens op 2 juni 2005 is de onverdeelde helft van deze vier bouwvlekken in eigendom geleverd aan Stichting Bouwcorporatie Heerenveen (hierna: Arqin), een rechtsvoorganger van Accolade, tegen een koopprijs van € 3.822.700,-, vermeerderd met een bedrag aan rente van € 250.098,84 vanaf 1 mei 2004 tot en met 2 juni 2005, derhalve € 4.072.798,84. (iii) Tussen de gemeente en Ludinga is op 8 oktober 2004 een samenwerkingsovereenkomst gesloten die betrekking heeft op een veel groter gebied dan alleen de hiervoor bedoelde (in dat gebied gelegen) bouwvlekken.

Daarbij is onder meer vastgelegd, voor zover hier van belang: “Overwegende dat (…) 2. Partijen inzake de (stedenbouwkundige) planvorming gezamenlijk overleg hebben gevoerd (...) hetgeen geresulteerd heeft in: (...) 2. het bestemmingsplan inclusief beeldkwaliteitsplan (Gemeente Harlingen 99-19-07/30-06-04 Bestemmingsplan Harlingen - Ludinga). Doel van de overeenkomst (...) Uitgangspunt daarbij is dat de grondexploitatie zal plaatsvinden door en voor rekening en risico van Ludinga Vastgoed B.V. (...) (…) Komen overeen als volgt: (...) 4. Grondinbreng (...) 1b.

Voor de bij de gemeente in eigendom zijnde registergoederen genoemd in lid 1a bedraagt de koopsom € 3.811.754 (...). (...) 1c. Betaling van de in lid 1b bedoelde bedragen zal plaatsvinden conform hetgeen is vastgelegd in verslag 2001.04V6, V7 en V8 en wel naar gelang bouwrijpe grond aan de uiteindelijke kopers juridisch in eigendom wordt overgedragen en door deze kopers wordt betaald (betaling alzo op basis van eindafname eindproduct) (...) (...) II. Ludinga Vastgoed B.V. vergoedt de gemeente een rente van zes procent (6%) over de koopsom dan wel het restant daarvan te rekenen vanaf één januari 2002.

Bovendien zal Ludinga Vastgoed B.V. (naast gemelde koopsom en rente) een toeslag aan de gemeente vergoeden (bijdrage bovenwijks) over het brutoplangebied. Dit bedrag wordt vastgesteld op € 2.541.169,- (...) (…) b. Partijen zullen streven naar navolgende verhouding; 10% sociale woningbouw, 30% woningbouwkavels (...) en 60% wordt kleinschalig ontwikkeld. (…) 6. Gemeente De gemeente zal de benodigde planologische procedure(s) voeren, en zorg dragen voor de benodigde vergunningen. Qua contingentering zal de gemeente in haar beleid aansluiten op de ontwikkeling van Ludinga, zij zal met de middelen die haar ter beschikking staan, voorkomen dat er strijdigheden, c.q markttechnische conflicten ontstaan tussen de ontwikkeling van Ludinga en eventuele andere ontwikkelingen binnen de grenzen van de gemeente Harlingen. (...) (...) 8.

Openbaar gebied Elk gedeelte van het plangebied, dat niet bestaat uit uitgeefbare bouwkavels voor bebouwing, wordt aangemerkt als openbaar gebied. Zodra in enige fase van het plangebied de werkzaamheden tot bouw- en woonrijp maken zijn voltooid dient het betreffende gedeelte van het openbaar gebied door Ludinga Vastgoed B. V. om niet te worden opgeleverd aan de gemeente (...). (…) 12. Planschade Ludinga Vastgoed B.V. zal de door de gemeente bepaalde planschade betalen.” (iv) In het in artikel 4 onder 1c. van de samenwerkingsovereenkomst aangeduide besprekingsverslag 2001.04V8 is onder meer nader uitgewerkt hoe de in de samenwerkingsovereenkomst genoemde bedragen verdeeld worden over de afzonderlijke percelen.

Voor de vier bouwvlekken is uitgekomen op een bedrag van € 793.170,-. (v) De tussen Ludinga en Arqin gemaakte afspraken zijn neergelegd in de brief van 2 februari 2004 van Arqin aan Ludinga, de door Arqin en Ludinga op 6 juli 2004 ondertekende aanvullende overeenkomst en de op 9 juli 2003 door Arqin en Ludinga ondertekende brief van 23 juni 2003 van G.C.M. Adviesbureau B.V. aan Arqin. Laatstgenoemde brief van 23 juni 2003 luidt, voor zover van belang: “De concrete vraag, die uiteindelijk op basis van voorgaand weergegeven informatie aan u gesteld werd, luidt: is Arqin bereid om risicodragend het getoonde woon-zorg complex in het plan Ludinga Harlingen te ontwikkelen en te exploiteren tegen nader overeen te komen voorwaarden met Ludinga Vastgoed BV? U hebt in het telefoongesprek op 19 juni 2003 met [betrokkene 1] aangegeven dat u ‘in principe’ voornemens bent de genoemde locatie in ontwikkeling te nemen. (...) Daarbij worden door u de volgende kanttekeningen gemaakt: (...) Voor de grondquote onder de appartementen wordt uitgegaan van een marktconforme prijs.” (vi) Bedoelde brief van 2 februari 2004 luidt, voor zover hier van belang:

“1. Het betreft hier vier bouwvlekken in het parkgebied in het bestemmingsplan Ludinga te Harlingen welke aan partijen voldoende bekend zijn.

2. Op deze vlekken is een volumestudie gemaakt door Architectenbureau Van den Berg te IJsselmuiden. Het totaal aantal appartementen van deze volumestudie is 301 stuks. De appartementen zullen door Arqin worden ontwikkeld en door Arqin worden geëxploiteerd of worden verkocht.

3. De eigendom van de grond zal in eerste instantie door Arqin en Ludinga Vastgoed BV gezamenlijk worden genomen in de verhouding 50/50. (...) Een alternatieve mogelijkheid is dat Arqin de onverdeelde helft van de gronden juridisch in eigendom verwerft.

4. De koopsom van het 50% primaire belang dat Arqin zal verwerven bedraagt Euro 25.400,00 x 301 x 50% exclusief BTW. Voorwaarde daarbij is wel, dat er ook daadwerkelijk 301 appartementen van voldoende kwaliteit (circa 100 m2) ontwikkeld kunnen worden. Betaling zal geschieden direct nadat partijen op basis van bovenstaand weergegeven eigendomsverhouding de optimale fiscale vorm hebben vastgelegd. Streven is dat dit deel van de koopsom door Arqin uiterlijk 1 mei 2004 wordt betaald. (...) 8. Arqin stelt als voorwaarde dat [betrokkene 2] bij de gehele ontwikkeling betrokken zal blijven voor de commerciële aspecten en de marketing. [betrokkene 2] gaat hiermee akkoord. Dit op normale en vooraf overeen te komen condities. Niet zijnde een persoonlijke honorering.

9. Zodra één bouwvlek geheel of deels in ontwikkeling zal worden genomen, zal Arqin voor deze bouwvlek het gehele juridische eigendom verwerven en het resterende 50% deel van Ludinga Vastgoed BV van deze bouwvlek aankopen en zal er voor deze vlek worden afgerekend.

10. Arqin verplicht zich zelf te ontwikkelen en de gronden niet zonder meer door te verkopen.” (vii) De aanvullende overeenkomst van 6 juli 2004 luidt, voor zover hier van belang: “Partijen overeen zijn gekomen dat partij A. [Arqin, toev. A-G] van partij B. [Ludinga, toev. A-G], de onverdeelde helft aan zal kopen van vier bouwvlekken in het parkgebied van het bestemmingsplan Ludinga te Harlingen, dit zoals bevestigd in het schrijven de dato 2 februari 2004 van partij A. aan partij B. (...) - Overeen is gekomen dat betaling en eigendomsoverdracht op 1 mei 2004 plaats zal (zou) vinden. - Betaling en eigendomsoverdracht hebben tot op heden niet plaatsgevonden, tengevolge van de interne situatie bij partij A.

Komen partijen als volgt overeen: (…) - Vanaf 1 mei 2004 tot de dag van betaling zal partij A, aan partij B. een rente van 6% per jaar zijn verschuldigd over de overeengekomen koopsom. De verschuldigde rente zal worden voldaan tegelijkertijd met de betaling van de koopsom bij het notarieel transport van de vier bouwvlekken. (Het rentepercentage van 6 is hetzelfde percentage dat de gemeente Harlingen aan partij B in rekening brengt over nog niet betaalde gelden).” (viii) Op 30 juni 2004 is het bestemmingsplan Harlingen-Ludinga vastgesteld. Het bestemmingsplan is door Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân goedgekeurd bij besluit van 21 december 2004. (ix) Op 15 november 2004 heeft [betrokkene 3] van Arqin aan [betrokkene 2] van Ludinga gemaild:

“Vorige week hebben wij telefonisch contact gehad over de ontwikkeling van de vier bouwvlekken in het bestemmingsplan Ludinga. Wij spraken af dat er de komende weken snelheid gemaakt wordt in de planontwikkeling. Dit betekent dat wij nog komen te spreken over een aantal open eindjes. (..) De open eindjes zijn volgens mij: Een verklaring dat de grond niet aan een andere partij verkocht wordt dan A 7 corporaties. Dat er ten aanzien van de afname grond een fixed price geldt tot... en daarna een stijging van 2% op jaarbasis. Dat een en ander wordt afgesproken op basis van realisatie van 301 appartementen.

De rol van de makelaars in het project. De externe profilering en communicatiemiddelen (bouwborden, internet, magazines ed). Ik hoop dat we elkaar snel kunnen treffen om een en ander definitief te maken.” (x) [betrokkene 2] heeft op 25 november 2004 aan [betrokkene 3] gemaild: “Aan notaris Heeres te Harlingen heb ik verzocht een clausule op te stellen die betrekking heeft op het recht van koop op de onverdeelde helft van de grond die in eigendom blijft bij Ludinga Vastgoed BV en tevens een bepaling dat, indien Arqin mogelijk op den duur een deel van de gronden niet mocht willen ontwikkelen maar weer wil verkopen, Ludinga Vastgoed B.V. het recht van koop heeft op deze gronden op dezelfde voorwaarden en condities.

Notaris Heeres heeft deze clausule opgenomen in het concept van de akte van eigendomsoverdracht. Dit concept gaat hierbij.” (xi) De tussen de Ludinga en Arqin opgemaakte notariële akte van levering van 2 juni 2005 luidt, voor zover van belang: “De koopprijs bedraagt (...) € 3.822.700,00 (...) te vermeerderen met een rente van zes procent (...) gerekend vanaf één mei 2004 tot en met heden, zijnde een bedrag groot (...) € 250.098,84 (...), welke koopsom en rentevergoeding worden vermeerderd met negentien procent omzetbelasting ofwel (...) € 773.831,77 (...), alzo voor een totale koopprijs van (...) €4.846.630,61 (...) VERREKENING De gemelde koopprijs is gebaseerd op de bouw van (…) 301 (..) appartementen, met ieder een waarde voor de ondergrond van (...) € 25.400,00 (..).

Indien partijen in onderling overleg tot overeenstemming komen om meer of minder dan (...) 301 (..) appartementen zullen ontwikkelen zal de koopprijs per meer of minder ontwikkeld appartement voor de koper worden vermeerderd casu quo verminderd met een bedrag van (... ) € 12.700,00. (...)” Voorts bevat de akte een aanbiedingsverplichting, inhoudende dat Arqin verplicht is bij verkoop van de percelen (in onbebouwde staat) deze eerst aan Ludinga aan te bieden; indien Ludinga niet bereid is de percelen voor de aangeboden prijs en overige condities aan te kopen, staat het Arqin vrij gedurende een jaar de percelen tegen dezelfde condities aan derden te verkopen.

Als dat niet plaatsvindt, herleeft de aanbiedingsverplichting. (xii) Op 9 juni 2005 heeft J.B.M. Heilen in opdracht van Accolade een rapport “Stand van zaken Ludinga” opgemaakt. Dit rapport luidt, voor zover hier van belang: “De bovenstaande analyse van het dossier (gehouden tegen gebruikelijk in samenwerkingen gemaakte afspraken) maakt duidelijk wat [betrokkene 2] eigenlijk zelf ook bevestigt: aan Arqin is een grondpositie gegeven, die Arqin verder volledig zelf moet invullen. Ludinga Vastgoed is geen medeontwikkelaar en is ook geen “intermediair” tussen de gemeente en Arqin.

Ludinga Vastgoed heeft naar het zich laat aanzien op zich op de korte termijn ook geen eigen belang of positie om Arqin tot actie te dwingen. Een en ander laat echter wel onverlet, dat duidelijk is dat de aankoop van de grondpositie is geschied onder de (juridisch relevante) aanname dat op enig moment tot ontwikkeling zal worden overgegaan. Welbeschouwd is het grootste risico, dat Ludinga Vastgoed op termijn steeds meer gaat aandringen op overdracht van de tweede eigendomshelft, niet omdat hij de ontwikkeling van woningbouw daarop wil aanjagen, maar omdat hij wil cashen.

Ook al zijn dergelijke afspraken niet duidelijk in de tijd gezet, het enkele verloop van tijd zal zijn positie daarin natuurlijk wel versterken. Want zoals gezegd, dat er op enig moment zal worden ontwikkeld, is toch wel de onderlegger geweest van de gedeelde grondpositie.” (xiii) Accolade heeft de vier bouwvlekken in een brief van haar advocaat van 3 januari 2018 aan Ludinga aangeboden voor € 3.822.700,- ex btw. Ludinga had dit aanbod ten tijde van de zitting in hoger beroep noch afgewezen noch aanvaard. 1.2 Bij inleidende dagvaarding van 24 december 2010 heeft Accolade Ludinga gedagvaard voor de rechtbank Leeuwarden.

Na wijziging van eis heeft Accolade in conventie vorderingen ingesteld die er - zeer kort samengevat - op neer komen, primair, dat voor recht wordt verklaard dat de koop en de levering van de onverdeelde helft van de gronden door Ludinga aan Accolade niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen en dat Ludinga wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door Accolade betaalde koopprijs van € 4.846.630,-, en, subsidiair, dat voor recht wordt verklaard dat Accolade een beroep toekomt op het in de leveringsakte van 2 juni 2005 opgenomen verrekenbeding en dat Ludinga uit dien hoofde wordt veroordeeld tot teugbetaling van een bedrag van € 1.917.700,-.

Deze vorderingen van Accolade zijn in cassatie niet relevant en worden hierna verder buiten beschouwing gelaten. 1.3 Ludinga heeft op haar beurt, na vermeerdering van eis, in reconventie gevorderd, kort samengevat: primair dat (i) Accolade wordt veroordeeld om mee te werken aan de levering door Ludinga aan Accolade van de onverdeelde helft van de vier bouwvlekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom en (ii) Accolade wordt veroordeeld tot voldoening van de koopsom ad € 3.822.700 exclusief BTW, en subsidiair dat Accolade wordt veroordeeld de overeenkomst die onder meer is verwoord in de brief van Accolade van 2 februari 2004 na te komen door binnen 5 maanden na dit vonnis een ontvankelijke bouwvergunning aan te vragen voor de realisatie van de appartementen op in ieder geval één van de vier bouwvlekken en binnen drie maanden na het verkrijgen van formele rechtskracht van deze bouwvergunning te beginnen met de bouw, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

In cassatie is uitsluitend de subsidiaire vordering van Ludinga van belang; de primaire vordering wordt hierna verder buiten beschouwing gelaten. 1.4 Bij vonnis van 4 juni 2014 heeft de rechtbank Noord-Nederland zowel de vorderingen van Accolade in conventie als de vorderingen van Ludinga in reconventie afgewezen. De subsidiaire vordering in reconventie is afgewezen omdat Ludinga de vermeende op Accolade rustende bouwplicht onvoldoende heeft onderbouwd. 1.5 Ludinga is van dit vonnis in hoger beroep gekomen met conclusie dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank zal vernietigen voor zover het de subsidiaire vordering in reconventie betreft, en opnieuw rechtdoende - na wijziging van eis in hoger beroep bij memorie van grieven - zakelijk weergegeven: primair (i) voor recht zal verklaren dat Accolade gehouden is tot ontwikkeling en exploitatie en/of verkoop van de appartementen op de vier bouwvlekken en dat Accolade daarin toerekenbaar is tekortgeschoten, en (ii) Accolade zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat, subsidiair Accolade zal veroordelen tot nakoming van haar verplichting tot ontwikkeling en exploitatie en/of verkoop van de appartementen op de vier bouwvlekken, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag voor elke dag dat Accolade in gebreke blijft binnen vijf maanden na het arrest van het hof een ontvankelijke omgevingsvergunning aan te vragen en in gebreke blijft om binnen drie maanden na het verkrijgen van formele rechtskracht van deze omgevingsvergunning te beginnen met de bouw, en meer subsidiair voor recht zal verklaren dat Accolade onrechtmatig heeft gehandeld jegens Ludinga, alsmede een verwijzing naar de schadestaat. 1.6 Accolade heeft verweer gevoerd. 1.7 Bij tussenarrest van 12 september 2017 heeft het hof een meervoudige comparitie van partijen gelast.

Deze is gehouden op 24 januari 2018. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. 1.8 Bij arrest van 29 mei 2018 heeft het hof, rechtdoende op de gewijzigde eis van Ludinga, in het principaal appel het vonnis van de rechtbank van 4 juni 2014 bekrachtigd voor zover in reconventie gewezen, Ludinga uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld in het kosten van het hoger beroep en het meer of anders gevorderde afgewezen. 1.9 Ludinga is van het arrest van het hof van 29 mei 2018 in cassatie gekomen en heeft daartoe op 27 augustus 2018 (en dus tijdig) een procesinleiding bij de Hoge Raad ingediend.

Accolade heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarna partijen hun standpunt schriftelijk hebben toegelicht. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel, dat uit drie onderdelen bestaat, is gericht tegen de rov. 5.2 tot en met 5.8, en in het bijzonder rov. 5.4, van het bestreden arrest, waarin het hof grief 1 van Ludinga in het principaal appel heeft besproken en verworpen. Grief 1 was gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat Accolade zich jegens Ludinga heeft verplicht om tot de bouw van appartementen op de vier bouwvlekken over te gaan, op grond van welk oordeel de rechtbank de subsidiaire vordering van Ludinga in eerste aanleg - nakoming van de overeenkomst op straffe van verbeurte van een dwangsom - heeft afgewezen.

In cassatie ligt (uitsluitend) de vraag voor of het hof dit oordeel van de rechtbank op goede gronden heeft onderschreven. 2.2 In rov. 5.2 tot en met 5.8 van het bestreden arrest heeft het hof als volgt geoordeeld (voor de leesbaarheid citeer ik ook - de in cassatie niet bestreden - rov. 5.1). “5.1 Ludinga heeft twee grieven opgeworpen. De eerste grief vecht het oordeel van de rechtbank aan dat niet is komen vast te staan dat Accolade zich jegens Ludinga heeft verplicht om tot de bouw van appartementen op de vier bouwvlekken over te gaan. 5.2 De afspraken die partijen gemaakt hebben over hun samenwerking met betrekking tot de vier bouwvlekken waarvan zij ieder de onverdeelde helft in eigendom hebben verkregen, zijn niet op schrift gesteld in een uitgewerkt contract.

De afspraken zijn (deels) neergelegd in de correspondentie, hiervoor aangeduid in de rechtsoverwegingen 2.5 tot en met 2.10 [zie hiervoor, onder 1.1 (v) tot en met 1.1 (x), toev. A-G] en zijn deels mondeling gemaakt. De door het hof te beantwoorden vragen of Accolade (althans haar rechtsvoorgangster Arqin) zich jegens Ludinga verplicht heeft om de bouwvlekken daadwerkelijk te ontwikkelen door daar appartementen te bouwen en zo ja, binnen welke termijn, zijn vragen omtrent de precieze inhoud en het daaraan te verbinden rechtsgevolg van de gemaakte afspraken.

Aangezien een contract ontbreekt, is het debat dat partijen hebben gevoerd hebben over de toepasselijke uitlegnorm (Haviltex of een van de varianten daarop met meer of minder betekenis voor de grammaticale uitleg) minder relevant. Voor zover bij de beantwoording van de kernvraag wat partijen nu precies zijn overeengekomen, de hiervoor aangeduide correspondentie een rol speelt, moet het hof wel beoordelen welke betekenis partijen over en weer, gelet op alle omstandigheden van het geval aan de correspondentie van hun wederpartij hebben mogen hechten. 5.3 Naast deze correspondentie en de onder 2.11 aangehaalde notariële akte van levering [zie hiervoor, onder 1.1 (xi), toev.

A-G] zijn ter beantwoording van de genoemde vragen ook van de belang de verklaringen van de in voorlopig getuigenverhoor bij het hof gehoorde getuigen, namelijk de partijgetuige [betrokkene 2] (bestuurder Ludinga), [betrokkene 1] (adviseur voor Ludinga), [betrokkene 3] (destijds directeur Arqin), [betrokkene 4] (destijds directeur Arqin) en [betrokkene 5] (in 2007 directeur van de woningstichting Franeker, ook een rechtsvoorganger van Accolade). De getuige [betrokkene 1] heeft verklaard: “Met betrekking tot de gronden in Harlingen was ik voor meerdere partijen aan het werk (...) Ik sprak onder meer met [betrokkene 4] , toen directeur/bestuurder van Arqin.

Bij de aankoop was ook [betrokkene 3] betrokken die toen hoofd afdeling ontwikkeling was. Op zeker moment is [betrokkene 3] directeur van Arqin geworden (...) Op een A4-tje [van 23 juni 2003, hof] zijn de basisafspraken gemaakt. (...) Over de feitelijke start van de bouw is geen concrete datum genoemd. Wel is een ontwikkelplan afgesproken en zou eind van het jaar de paal in de grond gaan. Dat was voor de bouw van de eerste van de vier fasen of zoveel fasen als de markt kon opnemen. Het totale plan betrof 301 eenheden, dat in 10 jaar ontwikkeld zou worden.

De afspraken zijn over het eerste blok gemaakt. Als mij wordt gevraagd waarom de eerste paal de grond niet is ingegaan dan weet ik dat niet. In 2003 was de ontwikkeling buiten mijn gezichtsveld (...) In 2006 ben ik door Arqin benaderd. [betrokkene 5] was directeur. Hij heeft mij gevraagd of ik kon helpen bij het op gang krijgen van de betreffende ontwikkeling. (...) Ik heb in 2006 geen stukken gezien waaruit blijkt dat in dat jaar tussen Arqin en Ludinga nadere afspraken zijn gemaakt. Ik heb wel ervaren dat zowel [betrokkene 5] van Arqin als [betrokkene 2] van Ludinga ervanuit gingen dat er gebouwd ging worden.” [betrokkene 4] heeft verklaard:

“Door toedoen van [betrokkene 1] zijn wij in contact gekomen met Ludinga. Het kon interessant zijn een positie rond Harlingen in te nemen. Ikzelf ben niet bij de onderhandelingen betrokken geweest. (...) Als u mij vraagt naar het doel van het contact met Ludinga en de plannen rond Harlingen dan zeg ik dat de bedoeling was de ontwikkeling van 300 woningen. In mijn tijd waren er nog geen vast omlijnde plannen hoe die ontwikkeling zou gaan. (...) Volgens de statuten was het werkgebied van Arqin beperkt tot Heerenveen. Hierdoor kon Arqin als zodanig niet aan de toekomstige ontwikkeling in Harlingen werken.

Bij de eerste fusie, volgens mij in 2005, is de statutaire omschrijving verruimd. (...) In ieder geval tot 1 januari 2004 heeft Arqin geen besluit tot aankoop van gronden rond Harlingen genomen.” [betrokkene 3] heeft verklaard: “Als u vraagt wat de gedachte van Arqin was om de onverdeelde helft van Ludinga met betrekking tot de gronden in Harlingen te verwerven dan zeg ik daarop dat Arqin strategische belang had om ook in de regio Leeuwarden/Westergo, waartoe ook Harlingen behoorde, een positie te verkrijgen. (...) De bedoeling was om op die gronden woningen te realiseren.

Deze bedoeling hadden beide partijen. Voor Arqin geldt dat zij ook een concept had met zorg. De bedoeling was om na aankoop in 2004/2005 te komen tot ontwikkeling van het project. (...) Uitgangspunt was de start van de bouw in 2004. De bedoeling was om de gronden gezamenlijk (Arqin en Ludinga) te ontwikkelen. [betrokkene 1] is ook ingehuurd om daarin het voortouw te nemen. Arqin heeft ook het nodige in de organisatie gedaan. Daar bedoel ik mee de ontwikkeling van dat zorgconcept en de gesprekken met de architect. Als mij wordt gevraagd waarom niet met de ontwikkeling is gestart is dat moeilijk aan te geven.

Dat is bijna speculatief. (...) als mij wordt gevraagd of de reden zou kunnen zijn dat Arqin er strategisch voor heeft gekozen om zich uit de regio Leeuwarden/Westergo terug te trekken dan zeg ik dat dat in 2004/2005 niet speelde Eerst later is de strategie wijziging gekomen. Dat is meer in 2008 en mogelijk zelfs later geweest.” De getuige [betrokkene 5] heeft verklaard: “Ik ben er eerst bij betrokken begin 2007 (...) Het gebied was in 4 vlekken verdeeld waarop, als ik mij goed herinner, in totaal 301 woningen (...) zou worden gebouwd. Voor mij werd er vooral gesteggeld over de vraag of het aantal woningen in de vlekken paste en of er niet woningen op zou moeten.

Ik heb voor een pragmatische insteek gekozen. Per vlek zou er worden ontwikkeld waarbij het aantal woningen zo dicht mogelijk tegen het oorspronkelijke plan zou liggen. Deze insteek ging goed. Er is een gezamenlijk plan gemaakt en alles was klaar om met de bouw te starten. Dat is niet gebeurd. Er kwam bij Accolade een nieuwe Raad van Bestuur en die had een nieuwe visie. De focus moest worden gelegd op de thuisgebieden waarin men van oudsher actief was. Hierdoor vielen de plannen voor Harlingen en Leeuwarden af (...) vermoedelijk is ergens in de periode van oktober 2007 tot januari 2008 het besluit genomen.” De partijgetuige [betrokkene 2] heeft verklaard:

“Begin 2004 zijn er afspraken gemaakt met Arqin over de start van de bouw van de appartementen. In 2004 zijn die afspraken gemaakt met [betrokkene 4] en [betrokkene 3] . Op een zeker moment heb ik de druk wat opgevoerd. Er is een bespreking geweest in 2004, wanneer weet ik niet meer precies, waarbij [betrokkene 3] , [betrokkene 1] , makelaar [betrokkene 6] en ik aanwezig waren. Toen is de afspraak gemaakt over de start bouw van de appartement. (...) Later, in 2007 heb ik met de nieuwe directeur [betrokkene 5] de afspraak gemaakt dat de start bouw in 2007 zou plaatsvinden. (...) Begin 2004 is al de harde afspraak gemaakt dat Arqin met de start bouw in 2004 zou beginnen.

Die afspraak is in Heerenveen gemaakt op de bespreking van 13 februari 2004. Toen er niet werd gestart is in 2004/begin 2005 de bespreking in Harlingen geweest waarbij ook makelaar [betrokkene 6] aanwezig was. Op die bespreking heeft [betrokkene 3] uitdrukkelijk gezegd dat Arqin nu echt ging beginnen met de start bouw.” 5.4 Het hof overweegt dat uit deze verklaringen volgt dat beide partijen de intentie hebben gehad dat Arqin op de woonvlekken bebouwing zou realiseren. Daarmee is evenwel niet gegeven dat Arqin zich jegens Ludinga heeft verplicht om de bebouwing te realiseren en in het verlengde daarvan, dat daarvoor - (mede) ten behoeve van Ludinga - een termijn is afgesproken waarbinnen deze bebouwing gerealiseerd zou moeten zijn.

De enige getuige die heeft verklaard dat tussen partijen harde afspraken - in 2004 en 2005 - over de start van de bouw zijn gemaakt is de partijgetuige [betrokkene 2] , aan wiens verklaring in deze procedure slechts een beperkte bewijskracht toekomt. De getuigenverklaring van [betrokkene 2] bevat ook geen argumenten waarom er volgens hem tussen partijen harde afspraken zijn gemaakt over de verplichting tot bouwen. De verklaring van [betrokkene 2] en in het verlengde daarvan de vordering van Ludinga dat Arqin alle vier de bouwlocaties zou hebben moeten bebouwen, verdraagt zich niet goed met de e-mail van [betrokkene 2] van 25 november 2004, hiervoor aangehaald in rov. 2.10 [zie hiervoor, onder 1.1 (x), toev.

A-G], waaruit blijkt dat [betrokkene 2] heeft aangedrongen op opname in het contract van de plicht van Arqin om, indien Arqin de bouwvlekken op enig moment zou willen verkopen, deze eerst aan Ludinga aan te bieden. Dat tussen partijen van meet af aan ook rekening is gehouden met de mogelijkheid dat Arqin de bouwvlekken niet zou bebouwen, volgt ook uit punt 10 van de brief van Arqin aan Ludinga van 2 februari 2004, geciteerd in rov 2.6. [zie hiervoor, onder 1.1 (vi), toev. A-G] waarin Arqin zich verplicht om de betrokken gronden niet zonder meer door te verkopen.

De aanbiedingsverplichting waaraan [betrokkene 2] in zijn genoemde mail refereerde, is ook in de leveringsakte van 2 juni 2005 terechtgekomen (zie hiervoor onder 2.11) [zie hiervoor, onder 1.1 (xi), toev. A-G]. Voor zover in de stellingen van Ludinga en de verklaring van [betrokkene 2] besloten ligt dat partijen in 2004/2005 zijn overeengekomen dat Arqin tenminste één bouwvlek zou moeten bebouwen, is het hof van oordeel dat ook daarvoor de overgelegde stukken en de overige getuigenverklaringen onvoldoende steun bieden. Dat een dergelijke verplichting voor Accolade na 2005 wel is overeengekomen, volgt evenmin uit de door Ludinga bijgebrachte bewijsmiddelen. 5.5 Het hof merkt nog op dat de in eerste aanleg door Ludinga betrokken stelling - door de rechtbank verworpen - dat in 2010 tussen partijen een geldige nadere afspraak is gemaakt (zie hiervoor onder 2.14 tot en met 2.19), in hoger beroep geen rol meer speelt. 5.6 Het hof acht derhalve door Ludinga niet voldoende aannemelijk gemaakt dat Accolade is tekort geschoten in een contractuele verplichting tot bebouwing van de vier bouwvlekken.

Het hof merkt in dat verband nog op dat evenmin kan worden staande gehouden dat Accolade de (mede-eigendom van de) bouwvlekken te vroeg van de hand wil doen, nu zij deze gronden reeds dertien jaar in (mede-)eigendom heeft gehad. 5.7 Het hof passeert het aanbod van Ludinga om nader bewijs te leveren dat Accolade wel de verplichting op zich heeft genomen tot ontwikkeling van de appartementen, nu dat neerkomt op het nogmaals horen van de reeds gehoorde getuigen en Ludinga niet heeft aangegeven wat de getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij reeds verklaard hebben, terwijl Ludinga van de aanvullend te horen getuigen [betrokkene 7] en [betrokkene 8] zelf aangeeft dat deze niet bij het maken van afspraken tussen partijen aanwezig zijn geweest. 5.8 Grief 1 treft geen doel en de subsidiaire en de primaire vordering, die respectievelijk op nakoming van deze veronderstelde contractuele verplichting dan wel de omzetting van de vordering tot nakoming in een vordering tot schadevergoeding zijn gebaseerd, kunnen niet worden toegewezen.” 2.3 Volgens de onderdelen is de oordeelsvorming van het hof in voornoemde rechtsoverwegingen om verschillende redenen onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd. 2.4 De klacht van onderdeel 1 komt er in de kern op neer dat het hof ten onrechte niet (kenbaar) bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken dat, zoals door Ludinga is gesteld, in de brief van Arqin aan Ludinga van 2 februari 2004 tweemaal (onder punt 2 en onder punt 10 van de brief, zie hiervoor, onder 1.1 (vi)) de verplichting tot ontwikkeling van de bouwvlekken door Accolade is vastgelegd.

Het hof heeft aldus, in weerwil van de - volgens het onderdeel essentiële - stellingen van Ludinga dienaangaande, verzuimd te motiveren waarom uit de geciteerde passages niet zou blijken dat partijen een verplichting tot bebouwing zijn overeengekomen. Het hof heeft zijn oordeel derhalve ontoereikend gemotiveerd, aldus het onderdeel. 2.5 Deze klacht faalt op grond van het volgende. 2.6 In rov. 5.2 heeft het hof vooropgesteld dat de door hem te beantwoorden vragen of Accolade (althans haar rechtsvoorgangster Arqin) zich jegens Ludinga heeft verplicht om de bouwvlekken daadwerkelijk te ontwikkelen door daar appartementen te bouwen, en zo ja, binnen welke termijn, vragen zijn omtrent de precieze inhoud en het daaraan te verbinden rechtsgevolg van de gemaakte afspraken Het hof kon voor beantwoording van de vragen niet terugvallen op een contract, nu, zoals het hof ook heeft overwogen in rov. 5.2, de afspraken die partijen hebben gemaakt niet op schrift zijn gesteld in een uitgewerkt contract, maar (deels) zijn neergelegd in de correspondentie als vermeld in rov. 2.5 t/m 2.10 (zie hiervoor, onder 1.1 (v) t/m 1.1 (x)), en deels mondeling zijn gemaakt.

Ten aanzien van de eventuele rol van de correspondentie overweegt het hof dat het moet beoordelen welke betekenis partijen over en weer, gelet op alle omstandigheden van het geval, aan die correspondentie hebben mogen hechten (rov. 5.2, slot). 2.7 Voor beantwoording van de onder 2.6 genoemde vragen heeft het hof, zo volgt uit rov. 5.3, naast de hiervoor genoemde correspondentie, ook de notariële akte van levering (zie hiervoor, onder 1.1 (xi)) en de tijdens een voor het hof gehouden voorlopig getuigenverhoor afgelegde getuigenverklaringen (als geciteerd in rov. 5.3 van het bestreden arrest) van belang geacht. 2.8 Voormelde in rov. 5.2 en rov. 5.3 vervatte overwegingen zijn in cassatie niet als zodanig bestreden. 2.9 Vervolgens heeft het hof in rov. 5.4 eerst de getuigenverklaringen beoordeeld.

Blijkens het oordeel van het hof in rov. 5.4 bieden de getuigenverklaringen geen steun voor de stelling dat Arqin zich jegens Ludinga heeft verplicht om de bebouwing te realiseren en in het verlengde daarvan, dat daarvoor - (mede) ten behoeve van Ludinga - een termijn is afgesproken waarbinnen deze bebouwing gerealiseerd zou moeten zijn. Uit de getuigenverklaringen kan - zo begrijp ik het oordeel van het hof - alleen worden afgeleid dat beide partijen de intentie hebben gehad dat Arqin op de woonvlekken bebouwing zou realiseren. De getuigenverklaring van [betrokkene 2] , die heeft verklaard dat tussen partijen harde afspraken - in 2004 en 2005 - over de start van de bouw zijn gemaakt, doet hier volgens het hof niet aan af.

Redengevend voor dit oordeel is (onder meer), zo leid ik af uit rov. 5.4, dat aan deze verklaring in deze procedure slechts een beperkte bewijskracht toekomt nu [betrokkene 2] partijgetuige is en de getuigenverklaring van [betrokkene 2] ook geen argumenten bevat waarom er volgens hem tussen partijen harde afspraken zijn gemaakt over de verplichting tot bouwen. 2.10 In vervolg daarop heeft het hof in rov. 5.4 - onder meer aan de hand van de getuigenverklaring van [betrokkene 2] - aandacht besteed aan de tussen partijen gevoerde correspondentie en de notariële akte van levering.

Het hof heeft overwogen dat de verklaring van [betrokkene 2] - en het in verlengde daarvan de vordering van Ludinga - zich niet verdraagt met de e-mail van [betrokkene 2] van 25 november 2004, waaruit blijkt dat [betrokkene 2] heeft aangedrongen op opname in het contract van de plicht van Arqin om, indien Arqin de bouwvlekken op enig moment zou willen verkopen, deze eerst aan Ludinga aan te bieden. Verder heeft het hof overwogen dat “ook” uit punt 10 van de brief van Arqin aan Ludinga van 2 februari 2004, waarin Arqin zich heeft verplicht om de betrokken gronden niet zonder meer door te verkopen, volgt dat partijen er van meet af aan rekening mee hebben gehouden dat Arqin de bouwvlekken niet zou bebouwen.

De aanbiedingsverplichting waaraan [betrokkene 2] in zijn genoemde mail refereerde, is ook in de leveringsakte van 2 juni 2005 terechtgekomen, aldus het hof. Voor zover in de stellingen van Ludinga en de verklaring van [betrokkene 2] besloten ligt dat partijen in 2004/2005 zijn overeengekomen dat Arqin tenminste één bouwvlek zou moeten bebouwen, is het hof van oordeel dat ook daarvoor de overgelegde stukken en de overige getuigenverklaringen onvoldoende steun bieden. 2.11 Ook de voornoemde overwegingen uit rov. 5.4 zijn - met uitzondering van de overweging betreffende punt 10 van de brief - als zodanig in cassatie niet bestreden.

Zij komen er mijns inziens op neer dat volgens het hof op grond van de door Ludinga bijgebrachte bewijsmiddelen niet aannemelijk is dat partijen in 2004/2005 schriftelijk danwel mondeling een bouwplicht (van welke omvang dan ook) voor Arqin overeen zijn gekomen, omdat: - de getuigenverklaringen geen steun bieden voor de stelling dat Arqin zich jegens Ludinga heeft verplicht om de bebouwing te realiseren; - de getuigenverklaring van partijgetuige [betrokkene 2] - de enige getuige die heeft verklaard dat harde afspraken zijn gemaakt tussen partijen - dat niet anders maakt, omdat (i) de verklaring beperkte bewijskracht heeft, (ii) de verklaring ook geen argumenten bevat waarom er volgens hem tussen partijen harde afspraken zijn gemaakt over de verplichting tot bouwen, en (iii) de verklaring niet strookt met de e-mail van [betrokkene 2] van 25 november 2004; en - met (a) de tekst van punt 10 van de brief van Arqin aan Ludinga van 2 februari 2004, (b) de e-mail van [betrokkene 2] van 25 november 2004, en (c) de leveringsakte van 2 juni 2005, juist bevestigd wordt dat partijen van meet af aan rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat Arqin de bouwvlekken niet zou bebouwen. 2.12 In voornoemd oordeel ligt naar mijn mening besloten dat het hof de stellingen van Ludinga ten aanzien van de lezing van (punt 2 en punt 10 van) de brief van 2 februari 2004 heeft verworpen tegen de achtergrond van alle omstandigheden van het geval (de correspondentie, de notariële akte van levering en de getuigenverklaringen). 2.13 Ik meen dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoeft. 2.14 Dat geldt temeer nu, anders dan het onderdeel lijkt te veronderstellen, het hof bij de uitleg van de voor beantwoording van de kernvraag relevante correspondentie niet zonder meer kon uitgaan van de taalkundige uitleg van de bewoordingen ervan, maar - zoals het in rov. 5.2 (slot) onbestreden heeft vooropgesteld - ook acht moest slaan op de omstandigheden van het geval. 2.15 Bovendien zijn, blijkens de stellingen van partijen, de bewoordingen van (punt 2 en punt 10 uit) de brief van 2 februari 2004 voor meerdere uitleg vatbaar.

Ludinga heeft, zo volgt uit de vindplaatsen waarnaar onderdeel 1 verwijst, zich op het standpunt gesteld dat de brief van 2 februari 2004 niet anders kan worden uitgelegd dan dat partijen een bouwplicht zijn overeengekomen. Accolade heeft echter betoogd dat uit de brief van 2 februari 2004 niet kan worden afgeleid dat zij zou moeten bouwen, maar dat áls zij dat wel zou doen dat op grond van haar eigen beslissing en voor haar eigen rekening en risico zou zijn. Ludinga heeft dit beaamd in die zin dat volgens haar geen sprake was van een gezamenlijke ontwikkeling in de zin van een risicodragende samenwerking, maar dat de ontwikkeling zou worden gedaan door Accolade en wel voor haar eigen risico.

De tekst van (punt 2 en punt 10 van) de brief van 2 februari 2004 zou aanknopingspunten kunnen bieden voor beide lezingen, hetgeen een extra reden vormt om niet uitsluitend waarde te hechten aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen van deze brief. Het hof heeft dit dan ook - begrijpelijkerwijs - niet gedaan. 2.16 Tot slot merk ik op dat, zoals ook naar voren gebracht door Accolade in haar s.t. (par. 3.7), Ludinga zich in eerste aanleg nog op het standpunt stelde dat uit de tussen partijen gevoerde correspondentie niet een bouwplicht is af te leiden.

Ludinga heeft in eerste aanleg in haar conclusie van repliek in reconventie (nr. 100) gesteld: “Kortom, veel afspraken zijn mondeling gemaakt. Zo ook de afspraak dat er op Accolade wel degelijk een bouwplicht rust. Uit de verschillende schriftelijke brieven blijkt zulks niet. Partijen zijn echter vrij om een dergelijke afspraak mondeling aan te gaan. Zo nodig kunnen onder ede worden gehoord [betrokkene 5] , werkzaam geweest voor Accolade, en [betrokkene 1] , adviseur van partijen. Uit hun verklaringen zal blijken, dat partijen zijn overeengekomen dat Accolade in een tijdsbestek van 5 a 10 jaar de bouwvlekken zal ontwikkelen.” Nu Ludinga zich pas in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat uit de bewoordingen van de brief van 2 februari 2004 een bouwplicht volgt, valt het in de overwegingen van het hof in rov. 5.4 besloten liggende oordeel tot verwerping van deze stelling des te meer te begrijpen. 2.17 Volgens onderdeel 2 is mede in het licht van het voorgaande onderdeel tevens onbegrijpelijk het oordeel van het hof in rov. 5.4 dat uit punt 10 van de brief van 2 februari 2004 volgt dat partijen van meet af aan rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat Arqin/Accolade de bouwvlekken niet zou bebouwen.

Het hof leidt dit af uit het feit dat in punt 10 is vastgelegd dat Arqin “niet zonder meer” zou doorverkopen, maar ziet daarbij volgens het onderdeel ten onrechte voorbij aan het cruciale eerste zinsdeel van punt 10 van de brief, te weten “Arqin verplicht zich zelf te ontwikkelen”. Althans, zo klaagt het onderdeel verder, geeft het hof - zoals in onderdeel 1 betoogd - zich ten onrechte geen rekenschap van de essentiële stelling van Ludinga dat uit het eerste zinsdeel van punt 10 (alsmede uit punt 2) van die brief blijkt dat partijen wel degelijk een verplichting tot bebouwing zijn overeengekomen. 2.18 De eerste klacht van onderdeel 2 faalt bij gebrek aan belang.

De klacht ziet eraan voorbij dat het hof zijn oordeel dat partijen van meet af aan rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat Arqin de bouwvlekken niet zou bebouwen niet alleen heeft gebaseerd op (a) punt 10 van de brief van Arqin aan Ludinga van 2 februari 2004, maar tevens op (b) de e-mail van [betrokkene 2] van 25 november 2004 en (c) de leveringsakte van 2 juni 2005 (zie hiervoor, onder 2.11). Ook indien aangenomen zou moeten worden dat het hof zijn oordeel dat partijen van meet af aan rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat Arqin de bouwvlekken niet zou bebouwen niet zou kunnen baseren op (a) punt 10 van de brief van Arqin aan Ludinga van 2 februari 2004, maakt dat het oordeel van het hof naar mijn mening niet onbegrijpelijk.

Het oordeel van het hof vindt namelijk voldoende steun in de hiervoor onder (b) en (c) genoemde stukken. 2.19 De tweede klacht van onderdeel 2 faalt om de redenen uiteengezet bij onderdeel 1. 2.20 Onderdeel 3 klaagt dat het hof voorts ten onrechte niet (kenbaar) bij zijn beoordeling heeft betrokken het betoog van Ludinga dat Accolade op verschillende manieren ook daadwerkelijk is aangevangen met de voorbereiding en uitvoering van de ontwikkeling van de bouwvlekken en dat ook uit deze uitvoeringshandelingen blijkt dat partijen een bebouwingsverplichting zijn overeengekomen, althans dat Ludinga uit deze voorbereidingshandelingen heeft mogen opmaken dat ook Accolade meende zich (met de brief van 2 februari 2004) tot bebouwing te hebben verplicht.

Het oordeel van het hof is onjuist, voor zover het hof heeft gemeend dat de stellingen van Ludinga dienaangaande niet relevant zijn, omdat het hof in dat geval heeft miskend dat ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst van belang kunnen zijn voor de aan die overeenkomst te geven uitleg (vgl. HR 12 oktober 2012, NJ 2012/589), aldus het onderdeel. Althans, zo klaagt het onderdeel verder, is het hof in zijn motiveringsplicht tekortgeschoten door niet in te gaan op de vraag waarom uit genoemde voorbereidings- en uitvoeringshandelingen van Accolade niet blijkt dat partijen een verplichting tot bebouwing zijn overeengekomen. 2.21 Deze klachten falen. 2.22 De stellingen van Ludinga ten aanzien van de door Accolade getroffen “voorbereidings- en uitvoeringshandelingen” zijn - zo begrijp ik de stellingen - in de mvg naar voren gebracht ter onderbouwing van het standpunt van Ludinga dat de brief van 2 februari 2004 zo begrepen moet worden dat daarin een bouwplicht is overeengekomen (mvg nr. 3.6 t/m 3.20, onder het kopje “Schriftelijk overeengekomen”), danwel ter onderbouwing van het standpunt dat de getuigenverklaringen zo moeten worden begrepen dat partijen mondeling een bouwplicht zijn overeengekomen (mvg nr. 3.32-3.33, onder het kopje “Mondeling overeengekomen”). 2.23 Zoals hiervoor uiteengezet (onder 2.11) heeft het hof ten aanzien van de brief van 2 februari 2004 overwogen dat uit punt 10 van die brief blijkt dat partijen van meet af aan rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat Arqin de bouwvlekken niet zou bebouwen en ten aanzien van de getuigenverklaringen dat daaruit alleen kan worden afgeleid dat beide partijen de intentie hebben gehad dat Arqin op de woonvlekken bebouwing zou realiseren Voor zijn oordeel dat partijen geen bouwplicht zijn overeengekomen, heeft het hof tevens van belang geacht dat de getuigenverklaring van partijgetuige [betrokkene 2] - en het in verlengde daarvan de vordering van Ludinga - zich niet verdraagt met de e-mail van [betrokkene 2] van 25 november 2004, waaruit blijkt dat [betrokkene 2] heeft aangedrongen op opname van een aanbiedingsverplichting in het contract, en dat de aanbiedingsverplichting, waaraan [betrokkene 2] in zijn genoemde mail refereerde, ook in de leveringsakte van 2 juni 2005 terechtgekomen is.

In deze overwegingen ligt besloten dat het hof in de stellingen van Ludinga ten aanzien van de door Accolade getroffen voorbereidings- en uitvoeringshandelingen geen aanleiding heeft gezien de brief van 2 februari 2004 en de getuigenverklaringen anders uit te leggen dan het heeft gedaan. 2.24 Dit oordeel geeft er aldus geen blijk van dat het hof heeft miskend dat ook gedragingen van partijen na het sluiten van een overeenkomst van belang kunnen zijn voor de aan die overeenkomst te geven uitleg. 2.25 Voorts meen ik dat dit oordeel begrijpelijk is en geen nadere motivering behoefde.

Dit geldt temeer, nu het onderdeel miskent dat uit de omstandigheid dat, zoals Ludinga stelt, Accolade zou zijn aangevangen met voorbereidings- en uitvoeringshandelingen, weliswaar kan worden afgeleid dat partijen de intentie hebben gehad dat Accolade tot bebouwing van de bouwvlekken over zou gaan, maar daarmee - vgl. het oordeel van het hof in rov. 5.4 - evenwel niet zonder meer is gegeven dat Arqin zich (met de brief van 2 februari 2004) jegens Ludinga heeft verplicht om de bebouwing te realiseren. 3Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De bij de Hoge Raad aanhangige zaak 18/03191 tussen Ludinga en de gemeente Harlingen, waarin op 1 november 2019 werd geconcludeerd, betreft eveneens de ontwikkeling van het plangebied Ludinga, maar vertoont overigens geen samenhang met deze zaak. Zie rov. 2.1-2.11, 2.13 en 2.23 van het - in cassatie bestreden - arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 29 mei 2018, zaaknummer 200.153.434/01, ECLI:NL:GHARL:2018:4809. Productie 2 bij inleidende dagvaarding van Accolade. Productie 2 bij inleidende dagvaarding.

Productie 2 bij inleidende dagvaarding. Productie overgelegd ter rolle van 24 januari 2018 door Ludinga. Productie 7 bij akte overlegging producties van Accolade van 24 januari 2018 in hoger beroep. Productie 1A bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie van Ludinga. Productie 21 bij conclusie van repliek in conventie tevens akte wijziging van eis tevens conclusie van antwoord in reconventie tevens incidentele vordering tot oproeping van een derde (art. 118 Rv). De eiswijziging is vervat in de conclusie van repliek in conventie tevens akte wijziging van eis tevens conclusie van antwoord in reconventie tevens incidentele vordering tot oproeping van een derde.

De vermeerdering van eis is vervat in de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie tevens houdende vermeerdering van eis in reconventie. Deze primaire vordering is gebaseerd op de stelling dat op 11 maart 2010 een koopovereenkomst tussen Ludinga en Accolade betreffende de onverdeelde helft van de bouwvlekken tot stand is gekomen. Deze vordering is in cassatie niet van belang. Ontleend aan rov. 3.3 van het vonnis van 4 juni 2014 en rov. 3.2 van het bestreden arrest. Rb Noord-Nederland 4 juni 2014, zaak-/rolnummer C/17/110054/HA ZA 11-75, ECLI:NL:RBNNE:2014:2790.

Sinds de inwerkingtreding van de Wet herziening gerechtelijke kaart per 1 januari 2013 vormen de rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden tezamen de rechtbank Noord-Nederland. Zie rov. 3.6 van het bestreden arrest. Ontleend aan rov. 4.1 van het bestreden arrest. Accolade heeft tevens incidenteel appel ingesteld. Zij heeft dit later weer ingetrokken. Daarmee verviel ook haar belang bij haar (bij incidenteel arrest van 27 september 2016 toegestane) oproep aan de gemeente om partij te worden in het hoofdgeding. Zie rov. 4.3-4.4 van het bestreden arrest.

Hof Arnhem-Leeuwarden 29 mei 2018, zaaknummer 200.153.434/01, ECLI:NL:GHARL:2018:4809. Zie rov. 4.2 van het bestreden arrest. In het (ingetrokken) incidenteel appel heeft het Hof Accolade veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Zie ook rov. 4.4 van het bestreden arrest. Nu rov. 5.5 in cassatie niet is bestreden, is vermelding van deze feiten in deze conclusie onder 1.1 achterwege gelaten. Het onderdeel verwijst naar mvg nr. 2.4, 3.3, 3.4, 3.10, 3.28, 3.29 en de aantekeningen t.b.v. comparitie van mrs. Sleijfer en Grijpma in hoger beroep nr.

1. Ik teken daarbij aan dat mvg nr. 2.4 (onder “2. Achtergrond”) slechts een citaat van de brief bevat, terwijl nr. 3.3 uitsluitend wijst op punt 2 van de brief en de overige vindplaatsen in de mvg bijgevolg uitsluitend betrekking hebben op punt 2. In de aantekeningen t.b.v. comparitie nr. 1 wordt voor het eerst (impliciet) een beroep gedaan op punt 10 van de brief. Zie par. 2.10 en voetnoot 25. Deze overweging bevat m.i. nog een reden waarom de getuigenverklaring van [betrokkene 2] volgens het hof niet afdoet aan het oordeel dat uit de getuigenverklaringen enkel blijkt dat partijen de intentie hebben gehad om te bouwen.

Zie o.a.: - mvg nr. 3.4, waarin Ludinga - na in nr. 3.3 de tekst van punt 2 uit de brief van 2 februari 2004 te hebben geciteerd - heeft gesteld: “Het gaat hier derhalve niet om een bevoegdheid van Accolade zelf om te beslissen of er wel of niet wordt ontwikkeld, enz., maar gelet op het woord “worden” om een harde afspraak tussen partijen, die geen ruimte laat voor een andere afweging zijdens Accolade. Blijkens deze bewoordingen rust op Accolade de verplichting om tot de ontwikkeling/ bouw van de appartementen over te gaan en kan zij zich niet eenzijdig aan deze verplichting onttrekken (…); en - mvg nr. 3.10, waarin staat:

“Accolade is o.m. blijkens de duidelijke bewoordingen van de brief van Accolade aan Ludinga d.d. 2 februari 2004 dan ook gehouden de ontwikkeling, realisatie en exploitatie van de beoogde appartementen op de vier bouwvlekken ter hand te nemen; en - mvg nr. 3.28, waarin Ludinga heeft gesteld: “In casu staat vast, dat partijen gelet op de meeraangehaalde brief van de directeur van Arqin, [betrokkene 3] , overeen zijn gekomen, dat de te realiseren appartementen door Arqin zullen worden ontwikkeld en door Arqin worden geëxploiteerd of worden verkocht.” Zie: - mva nr. 6, “(…) Nota Bene: anders dan Ludinga kennelijk van mening is, wordt de overeenkomst tussen partijen van 2 februari 2004 door Accolade (nog steeds) nagekomen.

Immers, uit die overeenkomst blijkt (slechts) dat indien Accolade tot de ontwikkeling/bouw overgaat, zij dat zelf voor eigen rekening en risico zal doen (…).” - mva nr. 12.2-12.3: “Eén en ander blijkt ook uit de overeenkomst van 2 februari 2004 zelf. Daaruit volgt immers dat, thans Accolade, de ontwikkeling voor eigen rekening en risico zou uitvoeren en dat uitsluitend zij zou exploiteren of verkopen. (…) Uit bovenstaande volgt dat de ontwikkeling van de vier bouwvlekken en alles wat daarmee samenhangt, uitsluitend het beleid van Accolade betreft.

Zo ook een besluit om wel of niet tot bouw/ontwikkeling over te gaan. (…)” - zie ook de conclusie van repliek in conventie van Accolade, nr. 6-9 en 12, onder verwijzing naar het daarbij als productie 21 overgelegde rapport van Heilen (aangehaald hiervoor onder 1.1 (xiii)). Conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie tevens houdende vermeerdering van eis in reconventie, nr.

95. Voluit: conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie tevens houdende vermeerdering van eis in reconventie. Zie rov. 4.22 van de het vonnis van 4 juni 2014, waarin de rechtbank - naar ik aanneem naar aanleiding van die stellingen van Ludinga - heeft overwogen: “Accolade betwist dat zij zich jegens Ludinga VG heeft verplicht om tot de bouw van de appartementen over te gaan. Ludinga VG erkent dat deze verplichting niet blijkt uit de bewoordingen van de in de brief van 2 februari 2004 neergelegde overeenkomst en evenmin uit andere schriftelijke stukken.

Ludinga VG voert evenwel aan dat mondeling is afgesproken dat op Accolade een bouwplicht rust”. Het onderdeel verwijst naar de vindplaatsen genoemd in onderdeel 1. Het onderdeel verwijst naar mvg nr. 3.6, 3.14 t/m 3.20, 3.32, 3.33 en prod. 5 t/m 18, waarin Ludinga er volgens het onderdeel op heeft gewezen dat: - Arqin aan G.C.M. Adviesbureau B.V. de opdracht heeft verleend om de aansturing van het project ter hand te nemen (mvg nr. 3.6 en prod. 5 en 6); - Arqin/Accolade medio 2005 dhr. J.B.M. Heilen, manager Strategie & Projecten bij Optimaal te Franeker, wat een onderdeel is van Accolade, heeft ingeschakeld, teneinde een voorstel te doen voor het opstarten van het voortraject en ontwikkeltraject (mvg nr. 3.14); - op 12 april 2006 overleg heeft plaatsgevonden tussen Optimaal, Accolade en Ludinga, naar aanleiding waarvan in opdracht van Accolade een plan is opgesteld dat op 30 mei 2006 ten kantore van Ludinga is gepresenteerd in aanwezigheid van vertegenwoordigers van Optimaal, Accolade, Ludinga en een architectenbureau (mvg nr. 3.15); - [betrokkene 5] , destijds directeur-bestuurder bij Accolade, in een e-mailbericht van 12 oktober 2007 heeft aangegeven LSWA Architecten opdracht te willen geven tot uitvoering van een vooronderzoek naar de bouw (mvg nr. 3.16 en prod. 9 en 10); - [betrokkene 5] voorts, blijkens een verklaring van de dhr.

A. Rietman, medio 2008 heeft aangegeven dat het de bedoeling van Accolade was nu zo spoedig mogelijk de bouwvergunning aan te vragen voor de eerste fase van de realisatie van de appartementen en dat na verlening daarvan direct met de bouw zou worden gestart (mvg nr. 3.18 en prod. 16); - [betrokkene 5] in zijn (aanvullende) verklaring (prod.

17) heeft aangegeven dat hij van Accolade opdracht had ontvangen om tot ontwikkeling over te gaan, en ten tweede in zijn interview met Integis (prod.

18) dat hij als directeur-bestuurder van Accolade voornemens was de bouwvlekken één voor één te ontwikkelen, dat Accolade daartoe de nodige voorbereidingen heeft getroffen, onder andere in de vorm van overleg met LSWA-architecten en gesprekken met zorggroep Noorderbreedte over de realisatie van een woon-zorg combinatie, en dat Accolade door deze ontwikkeling niet door te zetten, haar afspraken met Ludinga niet nagekomen is (mvg nr. 3.19, 3.33 en prod. 17 en 18); - de handelwijze van Accolade tijdens en na het sluiten van de overeenkomst (zoals die volgt uit de voorgaande punten) zodanig is geweest dat Ludinga mocht verwachten dat partijen met de inhoud van de brief van 2 februari 2004 hebben bedoeld overeen te komen dat Accolade tot bebouwing verplicht was (mvg nr. 3.20).