Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2018:76 ECLI:NL:PHR:2018:76 AI generated

ECLI:NL:PHR:2018:76 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2018:76
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

De rit begint om 16 uur en eindigt om 23.00 uur: volgens [eiseres] heeft de chauffeur geen recht op de toeslag voor nachtritten; volgens FNV heeft hij dat recht wel voor de drie uur van 20.00 tot 23.00 uur. De rit begint om 19 uur en eindigt om 02.00 uur: volgens [eiseres] heeft de chauffeur recht op de toeslag voor nachtritten gedurende zes uur (van 20.00 uur tot 02.00 uur); FNV heeft het zelfde standpunt. 3.4 [eiseres] staat dus een interpretatie voor waarbij een toeslag alleen moet worden betaald indien na middernacht moet worden gereden. Zij stelt niet: indien en voor zover er na middernacht wordt gereden, omdat dan in het tweede voorbeeld slechts over twee uur (van 24.00 tot 02.00 uur) een toeslag verschuldigd zou zijn. Als deze uitleg wordt gevolgd, hangt het recht op een toeslag over de uren vóór 24.00 uur dus af van het toevallige – en mogelijk te beïnvloeden – moment waarop de rit eindigt.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2018:76 · Parket bij de Hoge Raad: Als in de brief van [betrokkene 1], medewerkster van FNV, van 28 maart 2012 al een erkenning valt te lezen van de juistheid van het oordeel van de betreffende kantonrechter - FNV heeft dat gemotiveerd betwist - is dat gezien het karakter van een (overigens ook nog algemeen verbindend verklaarde) CAO niet van belang. 3.4.6 Het feit dat in de door het hof voorgestane uitleg de toevoeging “nacht” aan het begrip “eendaagse ritten” in artikel 37 CAO ook weggelaten had kunnen worden weegt onvoldoende op tegen de hiervoor gegeven argumentatie om tot een ander oordeel te komen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2004:AO1427
voor recht te verklaren dat het pensioenfonds niet het spaartegoed zoals opgebouwd krachtens de AOV-regeling mag korten op het pensioen; het pensioenfonds te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 137,65 verschuldigd voor elke maand vanaf 1 december 1999 tot 31 maart 2006, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede van een bedrag van ƒ 500,-- verschuldigd als buitengerechtelijke incassokosten. Het pensioenfonds heeft de vorderingen bestreden. De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 mei 2001 de vorderingen afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Maastricht. Bij vonnis van 4 april 2002 heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter van 2 mei 2001 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [verweerder] grotendeels toegewezen. Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:RBAMS:2015:6383
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 3740103 CV EXPL 15-297 vonnis van: 24 september 2015 fno.: 869 vonnis van de kantonrechter I n z a k e FNV Bondgenoten gevestigd te Utrecht, eiseres, nader te noemen: FNV Bondgenoten, gemachtigde: mr. J.H. Mastenbroek, t e g e n [gedaagde] gevestigd te [plaats] , gedaagde, nader te noemen: [gedaagde] gemachtigde: mr. P.M.M. Massuger (TLN Consultancy). VERLOOP VAN DE PROCEDURE dagvaarding van 11 december 2014 met producties; antwoord met producties; instructievonnis; repliek met producties, tevens voorwaardelijke wijziging van eis; dupliek met producties; akte uitlating producties van FNV Bondgenoten; dagbepaling vonnis. GRONDEN VAN DE BESLISSING 1Feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast: 1.1 [gedaagde] oefent een transportonderneming uit en is lid van de Vereniging Transport en Logistiek Nederland (TLN). [gedaagde] heeft met FNV Bondgenoten reeds jarenlang CAO’s voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de CAO) afgesloten. De CAO die is gesloten voor de periode vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 (hierna de CAO 2012/2014) is algemeen verbindend verklaard geweest van 1 februari 2013 tot 1 januari 2014. Met ingang van 1 januari 2014 hebben partijen een CAO afgesloten voor de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016. Deze CAO is algemeen verbindend verklaard met ingang van 12 februari 2015. 1.2 In de CAO zoals geldend van 1991 tot en met 1993 is in artikel 2 een definitie van het begrip “dagdienst” opgenomen: “Het ingedeeld zijn voor werkzaamheden op de dagen van maandag t/m vrijdag, liggend in de periode van 06.00 tot 20.00 uur daaropvolgend.” 1.3 In de CAO 2012/2014 is onder meer het volgende bepaald: “(…) Artikel 37 voor ééndaagse nachtritten [wordt] voor de diensturen gelegen tussen 20.00 en 04.00 uur een vergoeding […] toegekend. (…) Artikel 40 3.a Bij ééndaagse ritten¹ (…) Ad ¹ Onder een ééndaagse rit wordt verstaan een rit waarbij het vertrek en de aankomst binnen 24 uur plaatsvinden (…)” In eerdere CAO’s is een soortgelijke bepaling opgenomen. 1.4 In de einduitspraak van rechtbank Middelburg, locatie Terneuzen van 18 oktober 2006, dat is gevolgd op tussenvonnissen van 15 februari 2006 en 7 juni 2006, heeft de kantonrechter het volgende overwogen: “(…) 4. de kantonrechter stelt vast dat partijen nog steeds verschillen van standpunt met betrekking tot de uitleg die gegeven moet worden aan het begrip ééndaagse nachtrit. De kantonrechter heeft in het vorig tussenvonnis deze uitleg gegeven en wel in de navolgende bewoordingen: “een rit die zich afspeelt binnen 24 uur en waarvan de uitvoering geheel of gedeeltelijk plaatsvindt in de periode gelegen tussen 00.00 en 06.00 uur. (…)” 1.5 In de brief van 28 maart 2012 van [naam 1] , medewerkster van FNV Bondgenoten, aan Transport en Logistiek Nederland B.V. staat onder meer het volgende: “(…) De toeslag eendaagse nachtritten is een ander verhaal. U geeft aan dat ik de mening ben toegedaan dat over alle diensturen tussen 20.00 en 04.00 uur een toeslag moet worden betaald. Deze vaststelling is niet helemaal correct. De toeslag eendaagse nachtritten dient betaald te worden wanneer de chauffeur na 24.00 uur nog aan het werk is, eindigt de rit voor 24.00 uur dan heeft hij geen recht op toeslag. De uren tussen 20.00 en 23.59 uur hebben wij dan ook niet meegenomen in de berekening.”(…)” 1.6 In de brief van 1 oktober 2014 heeft FNV Bondgenoten [gedaagde] gesommeerd om uiterlijk 8 oktober 2014 schriftelijk aan haar te bevestigen dat zij de nachttoeslag aan haar chauffeurs zal uitbetalen conform de uitleg die FNV Bondgenoten aan het desbetreffende CAO-artikel geeft. 2De vordering en het verweer 2.1 FNV Bondgenoten vordert - na wijziging van eis - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] veroordeelt art. 37 CAO 2012/2013 (op de juiste wijze) na te leven, door haar chauffeurs over de uren gelegen tussen 20.00 en 04.00 uur (daaropvolgend) een nachttoeslag te betalen wanneer zij in de uren gelegen tussen 20.00 en 04.00 uur (daaropvolgend) werkzaamheden verrichten, ongeacht of hun dienst (ook) loopt tussen 0.00 en 06.00 uur, binnen zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag en per keer dat [gedaagde] daaraan geen gevolg geeft. II. [gedaagde] veroordeelt om binnen 60 dagen na het in deze te wijzen vonnis met afgifte van afschriften van loonspecificaties aan FNV aan te tonen dat aan de in dienst zijnde en in dienst geweest zijnde werknemers de toeslag van art. 37 CAO is nabetaald indien zij in de periode vanaf 1 oktober 2009 voor die toeslag in aanmerking kwamen en betaling daarvan ten onrechte uitbleef, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] daaraan geen gevolg geeft; III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure. 2.2 FNV Bondgenoten legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Zij stelt dat [gedaagde] ten onrechte geen “nachttoeslag” betaalt aan werknemers die ten behoeve van een (niet-meerdaagse) nachtrit na 20.00 uur, maar voor 00.00 uur werkzaamheden hebben verricht. Dit is in strijd met art. 37 CAO 2012/2014, welk artikel bepaalt dat voor alle uren die gewerkt worden tussen 20.00 en 04.00 uur een toeslag betaald moet worden. FNV Bondgenoten verwijst ook naar de CAO’s van vóór 1994, waarin hetzelfde bepaald is en waarin onder een “dagdienst” werd verstaan de periode tussen 06.00 en 20.00 uur. Met ingang van 1 januari 1994 is weliswaar geen definitie van “dagdienst” meer opgenomen in de CAO en is het tijdvak van 20.00 tot 06.00 uur teruggebracht tot een tijdvak van 20.00 tot 04.00 uur, doch dat brengt niet mee dat partijen afstand hebben gedaan van de betekenis van de begrippen “dagdienst” en “nachtdienst”. FNV Bondgenoten stelt bij repliek dat het standpunt dat [naam 1] namens FNV innam in haar brief van 28 maart 2012 niet de juiste uitleg van art. 37 CAO bevat en dat zij slechts ter oplossing van die individuele zaak het - van het standpunt van de FNV afwijkende - standpunt van de kantonrechter Terneuzen heeft gevolgd. Bovendien was [naam 1] niet bevoegd om FNV Bondgenoten te binden voor wat de CAO betreft. FNV Bondgenoten betwist voorts ten aanzien van het subsidiaire standpunt van [gedaagde] dat er geen gronden zijn om aan een toewijzende beslissing terugwerkende kracht te verbinden. Zij betwist tevens dat een termijn van zeven dagen om de nachttoeslag te betalen te kort zou zijn. Tenslotte weerspreekt FNV Bondgenoten het standpunt van [gedaagde] dat afgifte van loonspecificaties in strijd met de privacyregels zou zijn. Onderscheid tussen leden en niet-leden doet niet ter zake, omdat de CAO’s algemeen verbindend zijn verklaard en [gedaagde] door haar lidmaatschap van TLN indirect partij is bij de CAO. Bovendien heeft FNV, indien wordt vastgesteld dat [gedaagde] de CAO niet juist naleeft en dat de chauffeurs alsnog recht hebben op een toeslag, een belang om te verifiëren of [gedaagde] aan het gevorderde heeft voldaan. 2.3 [gedaagde] heeft het volgende verweer gevoerd. Zij stelt primair met een beroep op de uitspraak van Hoge Raad 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427 dat een puur grammaticale uitleg van art. 37 CAO te beperkt is. Zij meent dat onder een nachtrit in de zin van art. 37 CAO 2012/2014 moet worden verstaan een rit tussen 00.00 uur en 04.00 uur. Dit omdat onder het begrip “nachtrit” niet werkzaamheden tussen 20.00 en 00.00 uur kunnen worden verstaan. De nacht begint om 00.00 uur. De CAO 2012/2014 geeft weliswaar geen definitie van “nachtrit”, doch [gedaagde] stelt dat moet worden aangesloten bij art. 1:7 lid 1 sub d Arbeidstijdenwet waarin onder het begrip “nachtdienst” wordt verstaan: een dienst waarin meer dan een uur arbeid wordt verricht tussen 00.00 en 06.00 uur. [gedaagde] is derhalve slechts verplicht de nachttoeslag te betalen indien er gewerkt wordt tussen 00.00 en 04.00 uur. Dit standpunt sluit ook aan bij de uitspraak van de kantonrechter Terneuzen van 18 oktober 2006 (zie rov 1.3) en bij de inhoud van de brief van FNV Bondgenoten, bij monde van [naam 1] , aan [gedaagde] van 28 maart 2012 ten behoeve van een individuele werknemer (zie rov. 1.5). [gedaagde] is alleen een toeslag verschuldigd indien er tussen 00.00 en 06.00 uur gewerkt wordt. Is hieraan voldaan, dan ontvangt de werknemer de toeslag voor de uren die hij gewerkt heeft tussen 20.00 en 04.00 uur. [gedaagde] stelt subsidiair dat de vordering van FNV Bondgenoten, indien deze wordt toegewezen, alleen naar de toekomst kan werken, omdat de dagvaarding niet aangeeft op welke periode de vordering betrekking heeft. Meer subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de vordering niet verder kan teruggaan dan 28 maart 2012, omdat FNV Bondgenoten op die datum nog het standpunt verkondigde dat is vermeld in de brief van FNV Bondgenoten voornoemd (zie rov. 1.4) en de CAO sindsdien niet veranderd is. Voorts stelt [gedaagde] dat de termijn van zeven dagen na het vonnis om de toeslag te betalen onredelijk kort is en verzoekt de termijn op vier weken na betekening van het vonnis te bepalen. Een dwangsom kan niet ter zake van een geldvordering worden opgelegd en voorts is de dwangsom disproportioneel in verhouding tot de toe te wijzen toeslag. De vordering tot afgifte van loonspecificaties dient afgewezen te worden, omdat dit in strijd is met de privacyregels, nu FNV Bondgenoten geen onderscheid maakt tussen leden en niet-leden en [gedaagde] niet weet welke werknemers wel en niet lid zijn van FNV Bondgenoten. Er is daarnaast geen grond om een dwangsom toe te wijzen en deze is buitenproportioneel. [gedaagde] verzoekt dan ook de dwangsom af te wijzen, dan wel deze te matigen. [gedaagde] stelt dat aan het bewijsaanbod van FNV Bondgenoten voorbij gegaan kan worden, omdat het hier om uitleg van de CAO gaat, alsmede dat FNV Bondgenoten in de proceskosten veroordeeld moet worden. 3De beoordeling 3.1 FNV Bondgenoten heeft [gedaagde] gedagvaard, omdat zij zich op het standpunt stelt dat [gedaagde] art. 37 CAO 2012/2014, welk artikel reeds jaren in de opeenvolgende CAO’s is opgenomen, niet naleeft. 3.2 Partijen zijn het er over eens dat onder “ééndaagse” rit in art. 37 CAO wordt verstaan een rit die verricht wordt binnen een tijdsbestek van 24 uur. Zij zijn echter verdeeld over de vraag wat moet worden verstaan onder het begrip “nachtrit”. FNV Bondgenoten gaat uit van een grammaticale uitleg van art 37 CAO, welke erop neerkomt dat een toeslag betaald moet worden wanneer er werkzaamheden worden verricht in de uren gelegen tussen 20.00 en 04.00 uur. Deze uitleg komt er op neer dat onder een nachtrit wordt verstaan de in art. 37 CAO genoemde periode tussen 20.00 en 04.00 uur. [gedaagde] beroept zich op de uitspraak van de kantonrechter Terneuzen (zie hierboven in rov. 1.4), die heeft beslist dat een werkgever alleen een toeslag op grond van art. 37 CAO dient te betalen over de uren, gelegen tussen 20.00 en 04.00 uur, wanneer de chauffeur werkzaamheden verricht tussen 0.00 uur en 06.00 uur. Verwijzend naar de definitie in de Dikke van Dale en de Arbeidstijdenwet, wordt in deze uitspraak geconcludeerd dat onder het begrip “nacht” moet worden verstaan: de tijd gelegen tussen middernacht (00.00 uur) en 06.00 uur. 3.3 De kantonrechter overweegt daarover het volgende. In ieder geval kan worden vastgesteld dat art. 37 CAO niet duidelijk is: enerzijds staat daarin een tijdsperiode van 20.00 uur tot 04.00 uur vermeld, anderzijds spreekt het artikel over “nachtrit”, zonder dat in het artikel zelf of elders in de CAO aangegeven wordt wat daaronder moet worden verstaan. Alleen al daarom levert een puur grammaticale lezing van het artikel geen oplossing voor de vraag wat onder een nachtrit moet worden verstaan. Nu de tekst van de CAO niet duidelijk is, dient de vraag wat de betekenis moet zijn van het begrip nachtdienst te worden beoordeeld aan de hand van de vraag hoe de werknemer de betreffende tekst in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht begrijpen. Daarbij dient acht geslagen te worden op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de CAO en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (vgl. HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427). 3.4 In de eerste plaats is de kantonrechter van oordeel dat uit de definitie van “nacht” in de definitie in de Dikke van Dale niet ondubbelzinnig afgeleid kan worden dat de nacht niet eerder dan om 00.00 uur begint. De door de kantonrechter Terneuzen uit de Dikke Van Dale geciteerde definitie: “tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst, m.n. na middernacht en zes uur ’s morgens.” is multi-interpretabel: enerzijds wordt de periode tussen zonsondergang en zonsopgang genoemd, (die ook nog sterk wisselt), anderzijds kan uit het begrip “middernacht” even goed afgeleid worden dat 00.00 uur het midden van de nacht is en een deel van de nacht dus voor 00.00 uur gelegen is. Daarnaast heeft FNV Bondgenoten onbetwist gesteld dat in de CAO die van 1991 tot en met 1993 gold, een definitie van het begrip “dagdienst” is gegeven, te weten de periode van 06.00 tot 20.00 uur, terwijl in het in die CAO opgenomen artikel 32 (voorganger van art. 37 CAO) werd bepaald dat de nachttoeslag gold voor werkzaamheden verricht in de periode tussen 20.00 en 06.00 uur. Deze onderscheiding lijkt erop te duiden dat in deze CAO de werkdag verdeeld is in twee perioden: de dagdienst en de nachtdienst. [gedaagde] heeft gesteld dat de periode tussen 20.00 en 00.00 uur aan te duiden is als “avonddienst”, doch gesteld noch gebleken is dat het begrip “avonddienst” ergens voorkomt in de CAO. Weliswaar is de definitie van “dagdienst” na 1993 uit de CAO verdwenen, doch daarvoor is niet expliciet een andere indeling in soorten diensten en daarvoor geldende tijden in de plaats gekomen, terwijl de tekst van het huidige art. 37 CAO is gehandhaafd. Daarbij geldt eveneens dat de onderhandelingspartners bij de CAO in art. 37 CAO (en daaraan voorafgaande gelijkluidende CAO-artikelen) uitdrukkelijk hebben opgenomen dat werknemers al vanaf 20.00 uur recht hebben op de nachttoeslag. Indien het de bedoeling was geweest dat zij alleen een toeslag vanaf 20.00 uur zouden ontvangen, indien er ná 00.00 uur met werken wordt gestart, dan had het voor de hand gelegen om dat expliciet in art. 37 CAO of in een definitieartikel vast te leggen. Dit geldt temeer nu, ondanks het feit dat al - in ieder geval - sinds 1991 de tekst van art. 37 CAO vragen oproept, en er kennelijk geen aanleiding is gezien om art. 37 CAO duidelijker te formuleren conform de door [gedaagde] voorgestane uitleg. Een en ander komt echter voor risico van de werkgever. Om dezelfde reden gaat, bij gebrek aan verwijzing naar deze wet in de CAO, ook de verwijzing van FNV Bondgenoten naar het begrip “nachtdienst” in de Arbeidstijdenwet niet op. Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat het begrip “nachtrit” in art. 37 CAO moet worden uitgelegd als een rit waarin tussen 20.00 en 04.00 uur werkzaamheden worden verricht. Daaruit volgt dat de hierboven in rov 2.1 sub I weergegeven vordering van FNV Bondgenoten toewijsbaar is. 3.5 Wel dient nog de vraag beantwoord te worden vanaf wanneer [gedaagde] art. 37 CAO op de hierboven aangegeven wijze dient na te leven. Nu [gedaagde] niet heeft weersproken dat FNV Bondgenoten de verjaringstermijn als bedoeld in art. 3:307 BW heeft gestuit in haar brief van 1 oktober 2014, stelt FNV Bondgenoten terecht dat [gedaagde] de CAO dient na te leven vanaf 1 oktober 2009. Het standpunt van [gedaagde] dat FNV Bondgenoten niet kan vorderen dat [gedaagde] art. 37 CAO eerder naleeft dan na 28 maart 2012, omdat namens FNV Bondgenoten in de brief van deze datum van medewerkster [naam 1] (zie rov. 1.5) het standpunt van de kantonrechter Terneuzen is ingenomen, verwerpt de kantonrechter. FNV Bondgenoten stelt terecht dat het feit dat [naam 1] in deze brief voortborduurt op de uitspraak van de kantonrechter, nog niet betekent dat FNV Bondgenoten haar eigen standpunt heeft gewijzigd. Het spreekt voor zich dat [naam 1] , na de uitspraak van de kantonrechter Terneuzen, bij een poging om tot een schikking tussen partijen, het oordeel van de kantonrechter tot uitgangspunt diende te nemen. [gedaagde] stelt terecht dat uit het door FNV Bondgenoten sub I gevorderde niet blijkt vanaf wanneer art 37 CAO nageleefd zou moeten worden. Nu dat uit het sub II gevorderde wel blijkt, zal het sub I eveneens vanaf 1 oktober 2009 worden toegewezen. Hieruit volgt dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om vanaf 1 oktober 2009 art. 37 CAO uit te voeren in de hierboven in rov. 3.4 weergegeven zin. 3.6 De kantonrechter zal [gedaagde] wel een termijn van vier weken geven om art 37 CAO na te leven op de hierboven aangegeven wijze. Ook de gevorderde dwangsom is toewijsbaar. Het standpunt van [gedaagde] dat een dwangsom niet toewijsbaar is, omdat het hier om de betaling van een geldsom gaat, is niet juist. [gedaagde] dient welswaar toeslagen aan haar werknemers uit te betalen, doch de vordering van FNV Bondgenoten betreft een veroordeling tot naleving van art. 37 CAO. De dwangsom zal worden beperkt tot een maximum van € 50.000,00. 3.7 Met betrekking tot de vordering sub II van FNV Bondgenoten heeft [gedaagde] gesteld dat deze afgewezen moet worden, omdat daarmee de privacyregels worden geschonden voor zover het gaat om werknemers die geen lid van de FNV zijn. [gedaagde] stelt bovendien dat art. 78 CAO FNV Bondgenoten geen recht geeft op afgifte van stukken in het kader van art. 37 CAO. FNV Bondgenoten betwist dat met de afgifte van loonspecificaties enigerlei privacyregel wordt geschonden en dat het niet uitmaakt of werknemers al dan niet lid van FNV Bondgenoten zijn, omdat de CAO’s algemeen verbindend zijn verklaard en daarmee voor alle werknemers gelden. Voor de perioden dat de CAO’s niet algemeen verbindend waren geldt bovendien nog dat [gedaagde] ook in die perioden aan de CAO’s gebonden is, omdat zij lid is van de Vereniging TLN en daarmee (indirect) partij is bij de CAO. [gedaagde] dient derhalve de CAO ook toe te passen op werknemers die geen lid zijn van FNV Bondgenoten, dan wel een andere vakbond. De kantonrechter is met FNV Bondgenoten van oordeel dat zij op grond van art. 843a Rv recht en belang heeft om te verifiëren of [gedaagde] de veroordeling om de CAO op de in deze uitspraak aangegeven wijze na te leven, nakomt. [gedaagde] heeft niet onderbouwd op grond waarvan daarmee privacyregels zouden worden geschonden. Nu zij als werkgever gehouden is voornoemd artikel na te leven, ongeacht of de werknemers lid van FNV Bondgenoten dan wel een andere vakbond zijn, ligt daarin het belang van FNV Bondgenoten bij het door haar gevorderde. Ook de gevorderde dwangsom is toewijsbaar, zij het dat deze zal worden beperkt tot een maximum van € 50.000,00. 3.8 [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast, alsmede de nakosten. BESLISSING De kantonrechter: I. veroordeelt [gedaagde] art. 37 CAO 2012/2014 (op de juiste wijze) na te leven, door haar chauffeurs vanaf 1 oktober 2009 over de uren gelegen tussen 20.00 en 04.00 uur (daaropvolgend) een nachttoeslag te betalen, wanneer zij in de uren gelegen tussen 20.00 en 04.00 uur (daaropvolgend) werkzaamheden verrichten, ongeacht of hun dienst (ook) loopt tussen 0.00 en 06.00 uur, binnen vier weken na het in deze te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag en per keer dat [gedaagde] daaraan geen gevolg geeft, tot een maximum van € 50.000,00; II. veroordeelt [gedaagde] om binnen 60 dagen na het in deze te wijzen vonnis met afgifte van afschriften van loonspecificaties aan FNV aan te tonen dat aan de in dienst zijnde en in dienst geweest zijnde werknemers de toeslag van art. 37 CAO is nabetaald indien zij in de periode vanaf 1 oktober 2009 voor die toeslag in aanmerking kwamen en betaling daarvan ten onrechte uitbleef, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] daaraan geen gevolg geeft, tot een maximum van € 50.000,00; III. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding tot op heden begroot op: - griffierecht: € 116,00 - dagvaardingskosten € 102,87 - salaris gemachtigde € 500,00 -------------------------- € 718,87 voor zover van toepassing inclusief BTW, IV. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw; V. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; VI. wijst het meer of anders gevorderde af. Aldus gewezen door mr. Y.A.M. Jacobs, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.
ECLI:NL:GHAMS:2017:18
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.183.723/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 3740103 CV EXPL 15-297 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 januari 2017 inzake [X] TRANSPORT B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] , appellante, advocaat: mr. R.A.A. Duk te ‘s-Gravenhage, tegen FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING, gevestigd te Utrecht, geïntimeerde, advocaat: mr. J.H. Mastenbroek te Groningen.
ECLI:NL:HR:2017:772
FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING, gevestigd te Amsterdam, 2.
ECLI:NL:HR:2016:2687
25 november 2016 Eerste Kamer 15/03022 EE Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1.
NJ 2017/114
HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 (FNV/Condor), NJ 2017/114, m.nt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Zaaknr: 17/01687 mr. B.J. Drijber Zitting: 26 januari 2018 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [eiseres] , eiseres tot cassatie, advocaat: mr. R.A.A. Duk tegen Federatie Nederlandse Vakbeweging, verweerster in cassatie, advocaat: mr. S.F. Sagel Deze zaak gaat over de uitleg van een bepaling uit de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer met betrekking tot toeslagen voor nachtritten. Er bestaat een parallel met de zaak 17/00384, FNV/ [A] , waarin eveneens de uitleg van een CAO-bepaling aan de orde is. Het leek mij doelmatig om de conclusie in deze zaak te vervroegen zodat beide zaken gelijk op kunnen lopen. 1Feiten 1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 1.2 Eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres] ) oefent een transportonderneming uit en is lid van de Vereniging Transport en Logistiek Nederland (TLN).

TLN heeft met FNV Bondgenoten jarenlang CAO’s voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen afgesloten. De CAO voor de periode 2012 – 2013 (hierna: de CAO) is op dit geschil van toepassing. De CAO is algemeen verbindend verklaard geweest van 1 februari 2013 tot 1 januari 2014. De opvolgende CAO’s zijn eveneens algemeen verbindend verklaard. 1.3 In de CAO is onder meer het volgende bepaald: “Artikel 37 Toeslag ééndaagse nachtritten. Per 1 januari 2012 wordt voor ééndaagse nachtritten voor de diensturen gelegen tussen 20.00 en 04.00 uur een vergoeding […] toegekend. (…)” Onder een ééndaagse rit wordt verstaan een rit waarbij vertrek en aankomst binnen 24 uur plaatsvinden.

Het begrip ‘nachtrit’ is niet gedefinieerd. 1.4 In eerdere CAO’s was een soortgelijke bepaling opgenomen. In een vonnis van de rechtbank Middelburg, locatie Terneuzen, van 18 oktober 2006 heeft de kantonrechter daaromtrent het volgende overwogen: “4. (…) De kantonrechter heeft in het vorige tussenvonnis deze uitleg gegeven en wel in de navolgende bewoordingen: ‘een rit die zich afspeelt binnen 24 uur en waarvan de uitvoering geheel of gedeeltelijk plaatsvindt in de periode gelegen tussen 00.00 en 06.00 uur.’ 1.5 FNV heeft vastgehouden aan het standpunt dat voor ritten tussen 20.00 en 04.00 uur voor elk gewerkt uur een toeslag is verschuldigd.

Bij brief van 1 oktober 2014 heeft FNV Bondgenoten [eiseres] gesommeerd om uiterlijk 8 oktober 2014 schriftelijk aan haar te bevestigen dat zij de nachttoeslag aan haar chauffeurs zal uitbetalen conform de uitleg die FNV Bondgenoten aan het desbetreffende CAO-artikel geeft. 2Procesverloop 2.1 In eerste aanleg heeft FNV - na wijziging van eis - gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. [eiseres] veroordeelt art. 37 CAO 2012/2013 (op de juiste wijze) na te leven, door haar chauffeurs over de uren gelegen tussen 20.00 en 04.00 uur (daaropvolgend) een nachttoeslag te betalen wanneer zij in de uren gelegen tussen 20.00 en 04.00 uur (daaropvolgend) werkzaamheden verrichten, ongeacht of hun dienst (ook) loopt tussen 00.00 en 06.00 uur, binnen zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag en per keer dat [eiseres] daaraan geen gevolg geeft; 2. [eiseres] veroordeelt om binnen 60 dagen na het in deze te wijzen vonnis met afgifte van afschriften van loonspecificaties aan FNV aan te tonen dat aan de in dienst zijnde en in dienst geweest zijnde werknemers de toeslag van art. 37 CAO is nabetaald indien zij in de periode vanaf 1 oktober 2009 voor die toeslag in aanmerking kwamen en betaling daarvan ten onrechte uitbleef, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat [eiseres] daaraan geen gevolg geeft, een en ander met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure. 2.2 Volgens FNV betaalt [eiseres] ten onrechte geen “nachttoeslag” aan werknemers die ten behoeve van een (niet-meerdaagse) nachtrit na 20.00 uur, maar voor 00.00 uur, werkzaamheden hebben verricht.

Dit is volgens haar in strijd met art. 37 CAO. FNV verwijst ook naar de CAO’s van vóór 1994, waarin hetzelfde is bepaald en waarin onder dagdienst werd verstaan: “werkzaamheden op de dagen van maandag t/m vrijdag, liggend in de periode van 06.00 tot 20.00 uur daaropvolgend. 2.3 [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat een puur grammaticale uitleg van art. 37 CAO te beperkt is. Zij meent dat onder een nachtrit in de zin van voornoemde bepaling moet worden verstaan een rit tussen 00.00 uur en 04.00 uur. Onder het begrip nachtrit kunnen niet tevens werkzaamheden tussen 20.00 en 00.00 uur worden verstaan; die werkzaamheden dienen volgens haar te worden aangemerkt als avonddienst.

De CAO geeft weliswaar geen definitie van nachtrit, maar [eiseres] stelt dat moet worden aangesloten bij art. 1:7 lid 1 sub d Arbeidstijdenwet. Daarin wordt onder nachtdienst verstaan een dienst waarin meer dan een uur arbeid wordt verricht tussen 00.00 en 06.00 uur. [eiseres] stelt dat zij derhalve slechts verplicht is de nachttoeslag te betalen indien er gewerkt wordt tussen 00.00 en 04.00 uur. 2.4 Bij vonnis van 24 september 2015 heeft de kantonrechter binnen de rechtbank Amsterdam - kort gezegd - geoordeeld dat het begrip nachtrit in art. 37 CAO moet worden uitgelegd als een rit waarin tussen 20.00 en 04.00 uur werkzaamheden worden verricht en de vorderingen van FNV toegewezen.

Daarbij is de dwangsom gemaximeerd op een bedrag van € 50.000,-. 2.5 [eiseres] is in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis bij het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof). 2.6 Bij arrest van 3 januari 2017 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd, met dien verstande dat met betrekking tot de vordering van FNV tot afgifte van salarisspecificaties (in cassatie niet relevant) is overwogen dat [eiseres] kan volstaan met het overleggen van geanonimiseerde salarisspecificaties. De voor de beoordeling in cassatie relevante overwegingen houden het volgende in:

“3.4.1 De eerste vijf grieven hebben de kennelijke strekking te betogen dat de door de kantonrechter gebezigde uitleg van artikel 37 van de CAO onjuist is en dat de uitleg van dat artikel als door [eiseres] voorgestaan dient te worden gevolgd. Ter toelichting heeft [eiseres] daarbij samengevat het volgende gesteld. De kantonrechter heeft ten onrechte betekenis toegekend aan de CAO’s tot 1994, nu sedertdien het begrip ‘dagdienst’ is geschrapt terwijl ook de tijden waarover voorheen een nachttoeslag betaald diende te worden zijn gewijzigd.

Voorts is het door de kantonrechter gebezigde toetsingscriterium ‘hoe de werknemer de tekst in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen begrijpen’ onjuist. Voor zover daarbij is gedoeld op de Haviltex-uitlegmaatstaf dan wel een uitleg van de tekst ‘contra proferentem’ wordt beoogd, miskent de kantonrechter dat de toetsing uitsluitend aan de zogenoemde cao-norm dient plaats te vinden. Zelfs indien voor de uitleg van het betreffende artikel toch enig gewicht zou toekomen aan de cao’s tot 1994 dan sluit het in die cao’s gebezigde begrip dagdienst (06.00 tot 20.00 uur) noch aan bij het standpunt van FNV over wat dan een nachtdienst is (20.00 tot 04.00 uur) noch bij het standpunt van [eiseres] (00.00 tot 06.00 uur), zodat deze uitleg als zodanig niet van belang is voor het onderhavige geschil.

Ten slotte is de kantonrechter eraan voorbijgegaan dat de rechtbank Middelburg, locatie Terneuzen, in zijn vonnis van 18 oktober 2006 reeds had geoordeeld dat de door [eiseres] voorgestane uitleg, te weten slechts uren vergoeden die in een eendaagse rit daadwerkelijk in de nacht vallen, derhalve na 00.00 uur, de juiste is. FNV heeft deze uitleg destijds ook omarmd. 3.4.2 Het hof overweegt als volgt. Artikel 37 CAO bepaalt dat een (extra) vergoeding is verschuldigd over de uren tussen 20.00 en 04.00 uur en voorts dat dit geldt voor nachtritten. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het verrichten van werkzaamheden (deels of geheel) vallend in de periode 20.00 tot 04.00 uur dient te worden beschouwd als een nachtrit (FNV) dan wel dat eerst van een nachtrit sprake is als (ook) in de periode 00.00 tot 04.00 uur is gewerkt ( [eiseres] ).

Nu een afzonderlijke definitie van het begrip nachtrit in de CAO ontbreekt dient de bepaling te worden uitgelegd. Als uitgangspunt voor de daarbij aan te leggen toets geldt het volgende. Bij de uitleg van de bepalingen van een cao zijn de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis. Dit betekent echter niet - de woorden ‘in beginsel’ duiden daarop - dat bij het bepalen van inhoud en strekking van een cao-bepaling onder alle omstandigheden alleen gelet mag worden op de letterlijk (grammaticale) betekenis van de bewoordingen.

Een uitleg naar objectieve maatstaven houdt tevens in dat acht mag worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend (vergelijk HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427). 3.4.3 Het hof stelt allereerst vast dat uit artikel 37 CAO in ieder geval volgt dat de werkzaamheden vallend tussen 20.00 en 04.00 in beginsel - het element “nachtrit” daargelaten - voor een toeslag in aanmerking komen.

Het gaat daarbij naar zijn aard om een inconveniëntentoeslag. FNV stelt zich op het standpunt dat alle werkzaamheden vallend binnen dit tijdsbestek voor deze extra vergoeding in aanmerking komen, terwijl [eiseres] betoogt dat dit enkel geldt voor het geval de desbetreffende werkzaamheden - al dan niet ook - vallen binnen het tijdsbestek van 00.00 tot 04.00 uur. Die laatste lezing kan niet worden gevolgd. Een dergelijke nadere voorwaarde komt in de CAO als zodanig niet voor en het ligt voorts meer voor de hand een rit die valt in het in de CAO genoemde tijdsbestek van 20.00 en 04.00 aan te merken als een nachtrit in de zin van de CAO waarover toeslag is verschuldigd.

Deze uitleg strookt ook met de duidelijkheid (lees: de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen) in die zin dat de werkzaamheden verricht in de uren (niet enkel tussen 00.00 en 04.00 maar ook die) gelegen tussen 20.00 en 00.00 uur altijd worden vergoed, waar in de visie van [eiseres] de vergoeding voor laatstbedoelde werkzaamheden nog afhankelijk is van de vraag of tevens na 00.00 uur is gewerkt. Laatstbedoelde uitleg zou er bovendien toe leiden dat de uren gewerkt tussen 20.00 en 00.00 uur de ene keer wel en de andere keer niet voor vergoeding in aanmerking komen, hetgeen op gespannen voet staat met de hiervoor aangeduide aard van de toeslag. 3.4.4 Bij de aldus voorgestane uitleg heeft het hof tevens acht geslagen op de systematiek van de CAO’s geldend vóór 1994, waarin laatstelijk in artikel 32 van de desbetreffende CAO de uren tussen 06.00 en 20.00 uur werden aangeduid als dagdienst, waarbij geen toeslag was verschuldigd in tegenstelling tot de uren gelegen tussen 20.00 en 06.00 uur waarvoor wel een toeslag gold.

Partijen zijn het er over eens dat het terugbrengen van de eindtijd van 06.00 uur tot 04.00 uur slechts was ingegeven door de wens tegemoet te komen aan de economische realiteit van de 24-uurseconomie. Voor de uitleg van artikel 37 CAO is dat laatste overigens verder niet van belang. Voor de door [eiseres] bepleite uitleg van het element “nachtrit” in artikel 37 CAO aan de hand van de Arbeidstijdenwet (waarin het begrip ‘nachtdienst’ wordt gedefinieerd als arbeid gelegen tussen 00.00 en 06.00 uur) ziet het hof geen aanleiding, nu de CAO daarvoor geen enkel aanknopingspunt biedt. 3.4.5 De verwijzing naar het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Middelburg, locatie Terneuzen, kan [eiseres] niet baten nu de in dat vonnis gegeven uitleg van artikel 37 van de CAO niet strookt met hetgeen hiervoor is overwogen.

Als in de brief van [betrokkene 1], medewerkster van FNV, van 28 maart 2012 al een erkenning valt te lezen van de juistheid van het oordeel van de betreffende kantonrechter - FNV heeft dat gemotiveerd betwist - is dat gezien het karakter van een (overigens ook nog algemeen verbindend verklaarde) CAO niet van belang. 3.4.6 Het feit dat in de door het hof voorgestane uitleg de toevoeging “nacht” aan het begrip “eendaagse ritten” in artikel 37 CAO ook weggelaten had kunnen worden weegt onvoldoende op tegen de hiervoor gegeven argumentatie om tot een ander oordeel te komen.

Het hof merkt in dit verband nog op dat het niet de eerste keer zal zijn dat CAO-partijen iets over het hoofd hebben gezien. 3.4.7 Dit alles betekent dat de eerste vijf grieven falen”. 2.7 Bij op 3 april 2017 ingediende procesinleiding heeft [eiseres] - tijdig - cassatieberoep ingesteld. FNV heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Namens [eiseres] is gerepliceerd.

3Bespreking van het cassatiemiddel

Inleiding 3.1 Het valt op dat het standpunt van [eiseres] in de verschillende instanties niet volledig gelijkluidend is. Blijkens rov. 3.4 van het vonnis van 24 september 2015 heeft de kantonrechter begrepen dat zij een uitleg bepleit waarbij alleen een toeslag vanaf 20.00 wordt ontvangen, indien er na 00.00 uur met werken wordt gestart. In hoger beroep heeft [eiseres] gesteld dat die uitleg van haar stellingen onjuist is en verdedigd dat voor de verschuldigdheid van een vergoeding vereist is dat een werknemer tenminste één uur na 00.00 moet hebben gewerkt.

Het thans in cassatie ingenomen standpunt wijkt daar weer enigszins van af: de toeslag voor de uren tussen 20.00 en 24.00 uur is (alleen) verschuldigd als een rit ten minste gedeeltelijk na 24.00 valt. Ik ga van die laatste versie uit. 3.2 Ik verklap nu al dat ik de door FNV toegestane uitleg juist acht omdat de tekst van art. 37 CAO duidelijk is. Er staat: voor de diensturen gelegen tussen 20.00 en 04.00 uur wordt een vergoeding toegekend. Daaraan is niet gevoegd: indien na 24.00 uur moet worden doorgewerkt. We hebben hier dus de luxe van een cao-bepaling die eigenlijk niet voor verschillende uitleg vatbaar is.

The provision means what it says. 3.3 Daarmee zijn we er nog niet helemaal, want we moeten vervolgens kijken of de letterlijke tekst niet een onbillijk resultaat te zien geeft. Dat is niet het geval. Integendeel: de door [eiseres] verdedigde uitleg kan juist leiden tot onbillijke uitkomsten. Ik illustreer dat aan de hand van twee voorbeelden:

1. De rit begint om 16 uur en eindigt om 23.00 uur: volgens [eiseres] heeft de chauffeur geen recht op de toeslag voor nachtritten; volgens FNV heeft hij dat recht wel voor de drie uur van 20.00 tot 23.00 uur.

2. De rit begint om 19 uur en eindigt om 02.00 uur: volgens [eiseres] heeft de chauffeur recht op de toeslag voor nachtritten gedurende zes uur (van 20.00 uur tot 02.00 uur); FNV heeft het zelfde standpunt. 3.4 [eiseres] staat dus een interpretatie voor waarbij een toeslag alleen moet worden betaald indien na middernacht moet worden gereden. Zij stelt niet: indien en voor zover er na middernacht wordt gereden, omdat dan in het tweede voorbeeld slechts over twee uur (van 24.00 tot 02.00 uur) een toeslag verschuldigd zou zijn. Als deze uitleg wordt gevolgd, hangt het recht op een toeslag over de uren vóór 24.00 uur dus af van het toevallige – en mogelijk te beïnvloeden – moment waarop de rit eindigt.

De chauffeur die om 23.45 binnen is krijgt geen toeslag, zijn collega die om 00.15 klaar is krijgt die toeslag wél. Deze uitleg leidt tot ongelijke behandeling van (sterk) vergelijkbare situaties en daarmee tot onaannemelijke rechtsgevolgen. Het middel 3.5 Art. 37 was in het relevante tijdvak algemeen verbindend verklaard en is daarom aan te merken als ‘recht’ in de zin van art. 79 RO. De aan de bepaling te geven uitleg kan derhalve in cassatie op juistheid worden getoetst. 3.6 Het cassatiemiddel is gericht tegen de door het hof in rov. 3.4.1 tot en met 3.4.7 aan art. 37 CAO gegeven uitleg. [eiseres] klaagt dat, anders dan het hof aanneemt, van een nachtrit in de zin van die bepaling eerst sprake is als een ééndaagse rit als hier aan de orde tenminste deels na middernacht plaatsvindt, omdat het spraakgebruik meebrengt dat een rit die vóór 00.00 uur (middernacht) eindigt, niet een nachtrit maar een avondrit is.

Derhalve berust het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting, aldus het middel. Ter nadere onderbouwing van haar klacht wijst [eiseres] naar de door haar in feitelijke aanleg betrokken stellingen, die zij als volgt samenvat: “Het begrip ‘nachtrit’ is in de CAO niet gedefinieerd. In een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis van 18 oktober 2006 is de hier voorgestane uitleg gevolgd. Dat vonnis was aan partijen bekend, toen zij opvolgende CAO’s, met daarin art. 37 en zijn voorgangers, afsloten. In het verleden, vóór 1994, sprak de CAO van ‘dagdienst’, maar uit de wijziging daarvan mag niet worden afgeleid dat wat eertijds geen ‘dagdienst’ was, daarmee nu ‘nachtdienst’ c.q. een nachtrit zou zijn (…).

Aan het (…) argument dat partijen, bekend met het vonnis van 18 oktober 2006 én de reactie van ( [betrokkene 1] , medewerkster van) FNV, de uitleg van dat vonnis kenden en geen aanleiding vonden de tekst van art. 37 (grote) betekenis toe. De uitleg waartoe Kantonrechter en Hof zijn gekomen, leidt tot het onaannemelijk resultaat dat het begrip ‘nachtritten’ geen (materiële) betekenis toekomt. De door [eiseres] aan art. 37 CAO gegeven uitleg is bovendien in overeenstemming met de Arbeidstijdenwet waarin ‘nachtdienst’ wordt gedefinieerd als een dienst waarin arbeid wordt verricht tussen 00:00 en 06:00 uur.” 3.7 Achtereenvolgens klaagt [eiseres] nog dat: (i) het begrip ‘nachtrit’ zelfstandige betekenis heeft, in die zin dat de regeling van art. 37 CAO alleen geldt als de rit mede na 00.00 voortduurt of aanvangt, en dat het hof die betekenis ten onrechte niet heeft aanvaard, waarbij wordt opgemerkt dat het door het hof genoemde inconveniënt nu eenmaal in veel sterkere mate optreedt wanneer ook na middernacht wordt gereden; (ii) het hof in het licht van hetgeen in de memorie van grieven onder 20 tot en met 22 is gesteld ten onrechte in rov. 3.4.4 argumenten heeft ontleend aan het feit dat vóór 1994 bepaalde uren als dagdienst werden aangemerkt; (iii) het hof het spraakgebruik, conform de neerslag daarvan in de Arbeidstijdenwet, doorslaggevend had dienen te achten; (iv) dat anders dan het hof in rov. 3.4.5 heeft aangenomen, het vonnis van 18 oktober 2006 van de kantonrechter Terneuzen en wat daarop is gevolgd, het door haar ontwikkelde betoog ondersteund; (v) dat het hof in het licht van het voorgaande, anders dan het in rov. 3.4.6 doet, (beslissende) betekenis had moeten toekennen aan het feit dat in de door FNV bepleite en door het hof aanvaarde lezing van art. 37 CAO het gebruik van het begrip nacht in dat artikel iedere onderscheidende betekenis ontbeert. 3.8 Het hof heeft terecht vooropgesteld dat bij de uitleg van de bepalingen van een CAO de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn.

Dit betekent niet dat bij het bepalen van inhoud en strekking van een CAO-bepaling onder alle omstandigheden alleen gelet mag worden op de letterlijk (grammaticale) betekenis van de bewoordingen. Een uitleg naar objectieve maatstaven houdt tevens in dat acht mag worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend.

Deze zogenoemde CAO-norm strekt ertoe te voorkomen dat een niet kenbare partijbedoeling wordt tegengeworpen aan derden en heeft verder tot doel te verzekeren dat een CAO voor alle onder de werkingssfeer daarvan vallende partijen op dezelfde wijze wordt uitgelegd. Deze dubbele ratio (derdenbescherming en uniforme toepassing) kwam recent duidelijk naar voren in het arrest FNV/Condor. 3.9 Het hof heeft een juiste uitleg gegeven aan de onderhavige CAO-bepaling. Uit de bewoordingen volgt, zoals het hof in rov. 3.4.3 vooropstelt, dat werkzaamheden vallend tussen 20.00 en 04.00 in beginsel voor een toeslag in aanmerking komen (zie ook hiervoor onder 3.2).

De door [eiseres] gestelde voorwaarde komt in de CAO niet voor en leidt tot onaannemelijke rechtsgevolgen (zie hiervoor onder 3.4). Zoals het hof overweegt, zou de door [eiseres] voorgestane uitleg ertoe leiden dat ingeval van een eendaagse rit de uren gewerkt tussen 20.00 en 00.00 uur de ene keer wel en de andere keer niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dat staat op gespannen voet met het feit dat het gaat om een inconveniëntentoeslag. Het mag zo zijn - zoals het middel aanvoert - dat het inconveniënt zich sterker laat voelen na 00.00, het ongemak voor de werknemer verbonden aan het rijden tussen 20.00 en 00.00 uur varieert niet naar gelang er al dan niet ook na dat tijdstip moet worden gereden.

Namens FNV wordt er verder terecht op gewezen dat de door [eiseres] verdedigde uitleg strategisch gedrag van zowel de werkgever als de werknemer in de hand kan werken, in die zin dat er voor de werkgever een prikkel bestaat ritten aldus in te roosteren dat zij voor 00.00 uur eindigen en er voor werknemers een prikkel bestaat ritten over dat tijdstip heen te tillen. 3.10.1 De door [eiseres] in feitelijke aanleg aangevoerde argumenten voor de door haar aan de CAO-bepaling gegeven uitleg, overtuigen niet. Het hof heeft zulks voldoende toegelicht. Uitgaande van de daarvan door [eiseres] in cassatie gegeven samenvatting, kan nog het volgende worden opgemerkt. 3.10.2 De stelling dat het begrip nachtrit niet is gedefinieerd, ziet eraan voorbij dat de door het hof in rov. 3.4.3 aan art. 37 CAO gegeven uitleg impliceert dat dit begrip op die plaats wél nader is omlijnd: een rit die valt in het genoemde tijdsbestek van 20.00 en 04.00 uur is aan te merken als een nachtrit in de zin van de bepaling. 3.10.3 Wat betreft het vonnis van 18 oktober 2006 van de kantonrechter te Terneuzen (zie hiervoor onder 1.5) heeft het hof in rov. 3.4.5 terecht overwogen dat de verwijzing daarnaar [eiseres] niet kan baten omdat - kort gezegd - de in dat vonnis gegeven uitleg onjuist is.

Uit de omstandigheid dat de CAO-partijen de tekst nadien, toen zij opvolgende CAO’s afsloten, niet hebben gewijzigd, kan niet worden afgeleid dat zij de in genoemd vonnis aangenomen uitleg onderschrijven. 3.10.4 Ook de aangehaalde brief van [betrokkene 1] , medewerkster van FNV, aan TLN, waarin zij volgens [eiseres] de juistheid van het oordeel van de kantonrechter Terneuzen erkent, heeft het hof op goede grond bij de uitleg van de CAO-bepaling buiten beschouwing gelaten. Deze brief vormt immers niet een voor een ieder kenbare toelichting op de CAO. 3.10.5 Aan de Arbeidstijdenwet, waarin een nachtdienst wordt gedefinieerd als een dienst waarin arbeid wordt verricht tussen 00:00 en 06:00 uur, komt hier evenmin betekenis toe, zoals het hof in rov. 3.4.4 heeft overwogen.

Uit de CAO blijkt niet - [eiseres] stelt dat ook niet - dat de CAO-partijen voor het begrip nachtrit daarbij hebben willen aansluiten. 3.10.6 In de bepalingen waar in de CAO wordt gesproken van een nachtdienst, sluiten die diensten overigens niet aan bij de definitie in de Arbeidstijdenwet. Zo wordt in art. 36 lid 2 waar het de ploegendiensttoeslag betreft, gesproken van “een nachtdienst die begint op of na 22.00 uur danwel eindigt na 02.00 uur” en wordt in het hoofdstuk ‘Logistieke dienstverlening’ in art. 53 lid 4 gesproken van “een nachtdienst tussen 18.00 respectievelijk 19.00 uur en 06.00 respectievelijk 07.00 uur”.

Ook dit pleit er tegen het begrip nachtrit aan de hand van de Arbeidstijdenwet uit te leggen. 3.10.7 Dat bij de aangenomen uitleg aan de toevoeging ‘nacht’ in het begrip ‘nachtrit’ geen zelfstandige betekenis toekomt, weegt, zoals het hof in rov. 3.4.6 terecht overweegt, onvoldoende op tegen de argumenten die pleiten vóór deze uitleg. Uit de schriftelijke toelichtingen van partijen blijkt dat het begrip ‘nacht’ niet een eenduidig begrip is. De stelling van [eiseres] dat de uren tussen 20.00 en 24.00 uur avonduren zijn en de (inconveniënten) van de nacht pas na middernacht beginnen, miskent ook dat de ‘nacht’ dan kort duurt want al weer om 04.00 is afgelopen. 3.11 Uit het voorgaande volgt dat onder 3.6 weergegeven klacht moet falen, evenals de onder 3.7 opgesomde klachten voor zover die direct verband houden met de besproken argumenten voor de door [eiseres] bepleite uitleg. 3.12 De klacht onder (ii) (over de betekenis van oudere versies van een CAO) staat meer op zich zelf.

Naar ik hierna zal toelichten, klaagt [eiseres] er terecht over dat het hof in rov. 3.4.4 betekenis heeft toegekend aan de systematiek van de CAO’s geldend vóór 1994. Dit kan haar echter niet baten, nu de in rov. 3.4.3 gegeven motivering reeds volstaat om het oordeel van het hof over de juiste uitleg van art. 37 CAO te dragen. [eiseres] heeft derhalve geen belang bij deze klacht. 3.13 In het arrest De Heel/Huisman heeft de Hoge Raad beslist dat de tekst van een vorige, inmiddels vervallen verklaarde CAO-bepaling onder omstandigheden in aanmerking mag worden genomen bij de uitleg van een andere bepaling in een daaropvolgende CAO.

Bijzondere omstandigheid was destijds dat de tekst van de vervallen bepaling een objectief kenbare interpretatiefactor vormde doordat de latere CAO een van een toelichting voorziene vermelding van de vervallenverklaring bevatte. Bij het gebruik van een eerdere CAO als interpretatiefactor voor een latere CAO is terughoudendheid geboden. Die terughoudendheid heeft het hof hier onvoldoende betracht. In het onderhavige geval verwijst de uit te leggen CAO op geen enkele wijze naar de tekst van de CAO’s geldend vóór 1994. Daarbij komt dat de door het hof in aanmerking genomen CAO’s bijna twintig jaar ouder zijn dan de uit te leggen CAO.

Van een objectief kenbare interpretatiefactor is onder die omstandigheden geen sprake. 3.14 De stelling van FNV dat met latere versies (niet eerdere versies) van dezelfde CAO rekening kan worden gehouden volgt m.i. niet uit het door FNV genoemde arrest van 23 september 2016. De Hoge Raad merkt in dat arrest in rov. 3.4.4 slechts op dat de eerder in rov. 3.4.3 gegeven uitleg strookt met de latere versies van de CAO. Deze latere versies worden derhalve niet als argument bij de uitleg zelf betrokken. Voorts is nog van belang dat art. 37 lid 1 van de CAO 2017-2019, waarnaar door FNV in haar schriftelijke toelichting onder 25 wordt verwezen, slechts wat betreft het vermelde sub b algemeen verbindend is verklaard.

In zijn algemeenheid geldt dat voor een CAO-overstijgende blik in beginsel geen plaats is, gezien de eis van objectieve kenbaarheid. 3.15 In haar schriftelijke toelichting onder 10 klaagt [eiseres] dat het hof zou hebben heeft aangenomen dat de tekst van de CAO contra proferentem dient te worden uitgelegd. De klacht, die overigens niet is terug te vinden in het middel zelf, mist feitelijke grondslag nu het hof zulks niet heeft aangenomen. Slotsom 3.16 De slotsom luidt dat het oordeel van het hof dat de door FNV voorgestane uitleg van art. 37 CAO moet worden aangehouden, juist is en het daartegen gerichte middel faalt. 4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G In beide zaken worden partijen bovendien vertegenwoordigd door dezelfde cassatieadvocaten, zij het dat de rollen zijn omgedraaid: FNV wordt hier vertegenwoordigd door mr. Sagel en in de andere zaak door mr. Duk, die in de deze zaak optreedt voor de onderneming. Vgl. rov. 2.1 tot en met 2.6 van het bestreden arrest. Zie ook rov. 1.1 tot en met 1.6 van het vonnis van de kantonrechter binnen de rechtbank Amsterdam van 24 september 2015. Rechtbank en hof hebben in de vaststelling opgenomen dat [eiseres] reeds jarenlang CAO’s met FNV heeft afgesloten.

Ik neem aan dat hier TLN is bedoeld. Zie het Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 januari 2013 tot algemeen verbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen, Stcrt. 30 januari 2013, nr. 2496. De CAO is – gedeeltelijk, bij het kopiëren is een deel van de tekst weggevallen - als productie 1 bij de inleidende dagvaarding overgelegd. Vgl. voetnoot 1 bij art. 40 CAO. Dit (ongepubliceerde) vonnis is overgelegd als productie 3 bij de inleidende dagvaarding.

Vgl. de weergave van de vordering in rov. 3.1 van het bestreden arrest. Vgl. de weergave van de grondslag van de vordering in rov. 3.1 van het bestreden arrest. Zie ik het goed dan bedoelt het hof FNV waar twee keer wordt overwogen “- aldus [eiseres] -”. Art. 2 van de cao die van toepassing was van 1991 tot en met 1993. Vgl. de weergave van het door [eiseres] gevoerde verweer in rov. 3.2 van het bestreden arrest. ECLI:NL:RBAMS:2015:6383, AR-Updates 2015-0946. ECLI:NL:GHAMS:2017:18, AR-Updates 2017-0074. Zie het dictum van het bestreden arrest in samenhang met de slotzin van rov. 3.6.2.

Memorie van grieven onder 27 en 30. Zie schriftelijke toelichting van [eiseres] onder 1. Zie ook hierna, onder 3.9 (slot). Vgl. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/111 onder verwijzing naar vaste jurisprudentie. Zie recent Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:772, JAR 2017/137. Zie het middel, p. 1 onder aan en p.

2. Verwezen wordt naar de memorie van grieven onder 4, 5, 6, 11, 12, 14, 20 tot en met 22, 24 tot en met 27, 29 en 30 en de pleitnotities onder 3 tot en met 10 en 12 tot en met 17. HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 (FNV/Condor), NJ 2017/114, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JAR 2016/303, m.nt. R.L. van Heusden, OR 2017/88, m.nt. H.N. Schelhaas, JIN 2017/2, m.nt. I.D. Hoekerd, AR-Updates 2016-1356, m.nt. L.C.J. Sprengers, TRA 2017/17, m.nt. J.J.M. de Laat, met verdere verwijzingen naar eerdere jurisprudentie. Wat eventueel reden kan zijn voor de cao-partijen af te bespreken dat de toeslag tussen 00.00 uur en 04.00 uur hoger is dan tussen 20.00 uur en 00.00 uur.

Dat de bepaling ééndaagse ritten betreft, zodat in het geval van een meerdaagse rit over de relevante uren ook geen toeslag wordt vergoed doet, anders dan [eiseres] in haar schriftelijke toelichting onder 9 lijkt te willen aanvoeren, aan de onaannemelijkheid van dit rechtsgevolg van de door haar bepleite uitleg niet af. Vgl. de schriftelijke toelichting van FNV onder 19. Het hof overweegt dat FNV dit gemotiveerd heeft betwist. Daarbij heeft het hof vermoedelijk het oog op hetgeen in eerste aanleg in de conclusie van repliek onder 7 is aangevoerd.

Kort gezegd: [betrokkene 1] was als dossierbehandelaar niet bevoegd FNV wat betreft de uitleg van de CAO te binden en heeft alleen in het belang van haar cliënt in de zaak waarin zij optrad aansluiting gezocht bij de uitleg van de kantonrechter. Zie art. 1:7 lid 1 aanhef en onder d Atw. Vgl. de schriftelijke toelichting van FNV onder 34 in samenhang met hetgeen in de schriftelijke toelichting onder 20 tot en met 22 is aangevoerd. Geheel terzijde merk ik op dat art. 53 lid 4, als ik het goed zie, niet algemeen verbindend is verklaard. Dat het eind van ‘de nacht’ c.q. het begin van ‘de dag’ niet (meer) op 06.00 uur is gesteld heeft kennelijk te maken met de 24 uurs-economie en de drukte op de weg; zie ook rov. 3.4.4 van het bestreden arrest.

HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2376 (De Heel/Huisman), NJ 2003/110, JAR 2002/153, m.nt. E. Verhulp. Deze bijzondere omstandigheid wordt in rov. 3.8 van het arrest De Heel/Huisman benadrukt. Zie ook de annotatie van Verhulp onder JAR 2002/153 en S.F. Sagel, De objectief-tekstuele uitleg van CAO-bepalingen: betekenis en reikwijdte (I), ArbeidsRecht 2003/49, en dezelfde auteur in: DSM/Fox en de uitleg van arbeidsrechtelijke contracten - het laatste woord?, ArA 2004/3, p.

74. Schriftelijke toelichting onder 9. HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2171 (Van Oers/FNV), NJ 2016/427, JAR 2016/249, m.nt. E. Koot-van der Putte, TRA 2016/108, m.nt. J.N. Stamhuis. In die zin ook de conclusie van A-G De Bock voor het arrest onder 3.17. Anders: C.J. Loonstra, Uitleg van CAO-bepalingen: op weg naar een (objectieve) redelijkheidstoets, ArA 2003/2, p. 95:“Als - zoals de Hoge Raad in De Heel - bij de uitleg van een CAO bepaling mag worden teruggegrepen op voorheen geldende CAO’s, dan mogen eveneens teksten uit latere CAO’s gebruikt worden om tot de correcte meest objectief redelijke uitleg te komen.” In zaak 17/00384, FNV/ [A], is de betekenis van andere CAO’s voor de uitleg van een CAO-bepaling ook aan de orde.

In die zaak is geen klacht gericht tegen het door het hof van de kantonrechter overgenomen oordeel dat bij de uitleg van een CAO-bepaling rekening gehouden kan worden met de wijze waarop het onderwerp waarop de uit te leggen bepaling betrekking heeft, in andere CAO’s is geregeld, zodat zulks in die zaak in cassatie tot uitgangspunt strekt. [eiseres] verwijst naar HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3422 (Baron e.a./Terra Nigra), NJ 2003/430, rov. 3.5: “niet als regel kan worden aanvaard dat minder duidelijke CAO-teksten dienen te worden uitgelegd in het voordeel van degene wiens positie de CAO beoogt te beschermen.” Daarover:

C.J. Loonstra, Uitleg van CAO-bepalingen: op weg naar een (objectieve) redelijkheidstoets, ArA 2003/2.