Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2018:491 ECLI:NL:PHR:2018:491 AI generated

ECLI:NL:PHR:2018:491 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2018:491
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 16/04704 Zitting: 27 maart 2018 (bij vervroeging) Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 10 juni 2016 door het hof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt over schending van - naar ik begrijp - art. 51 oud Sv omdat de raadsman niet onverwijld een afschrift van de processtukken is toegezonden.

Legislator headnote

AI generated

artikel 39 Sv, art. 48 Sv, art. 38 Sv; ECLI:NL:PHR:2018:491 · Parket bij de Hoge Raad: Gelet op het toen geldende artikel 39 Sv diende de raadsman zijn stelbrief aan de griffier van het behandelend gerecht te richten. Nu de zaak aanhangig was bij het hof Den Haag heeft de raadsman zijn stelbrief naar het verkeerde hof gestuurd. Volgens de steller van het middel heeft dit echter niet tot gevolg dat hij zich niet heeft gesteld. Voor gerechtshoven zou namelijk een doorzendplicht gelden wanneer een stelbrief naar het verkeerde hof is toegestuurd.

Keywords

AI generated
artikel 39 Sv art. 48 Sv art. 38 Sv

Cited Legislation

AI generated
artikel 39 Sv
Gelet op het toen geldende artikel 39 Sv diende de raadsman zijn stelbrief aan de griffier van het behandelend gerecht te richten.
art. 48 Sv
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Met ingang van 1 maart 2017 is de regel van het toezenden van processtukken aan de raadsman te vinden in art. 48 Sv (Wet van 20 februari 2017, Stb.
art. 38 Sv
2017/66) is art. 38 Sv van toepassing.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2013:BZ3924
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
NJ 2013/416
HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, NJ 2013/416 m.nt.
ECLI:NL:HR:2017:2250
5 september 2017 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2014:856
8 april 2014 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2016:1178
14 juni 2016 Strafkamer nr.
ECLI:NL:PHR:2016:480
Zie in dit kader ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld bij HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1178 (ECLI:NL:PHR:2016:480).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 16/04704 Zitting: 27 maart 2018 (bij vervroeging) Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 10 juni 2016 door het hof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt over schending van - naar ik begrijp - art. 51 oud Sv omdat de raadsman niet onverwijld een afschrift van de processtukken is toegezonden.

4. Aan de cassatieschriftuur is een afschrift gehecht van een faxbericht met bijbehorend transactierapport van 6 januari 2016 van mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam, aan de strafgriffie van het hof Arnhem-Leeuwarden. Dit bericht houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: "Betreft: [verdachte] / OM - hoger beroep Onze ref.: NO/16.01/010 Uw ref.: 96/112042-15 Geachte heer, mevrouw, Hierbij wens ik mij te stellen als raadsman van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats]. Ik moge u hierdoor vriendelijk verzoeken de processtukken zo spoedig mogelijk aan mij te doen toekomen. Vertrouwende u hiermede naar behoren te hebben geïnformeerd en in afwachting van uw spoedige berichten.” 5. Uit het transactierapport kan worden afgeleid dat het bericht op “06/jan/2016” om “14:28” is verstuurd naar het faxnummer “00883610089”, zijnde het faxnummer van de strafgriffie van het hof Arnhem-Leeuwarden. Dit biedt voldoende grond voor het ernstig vermoeden dat de stelbrief ter griffie van het hof Arnhem-Leeuwarden is ontvangen.

6. Gelet op het toen geldende artikel 39 Sv diende de raadsman zijn stelbrief aan de griffier van het behandelend gerecht te richten. Nu de zaak aanhangig was bij het hof Den Haag heeft de raadsman zijn stelbrief naar het verkeerde hof gestuurd. Volgens de steller van het middel heeft dit echter niet tot gevolg dat hij zich niet heeft gesteld. Voor gerechtshoven zou namelijk een doorzendplicht gelden wanneer een stelbrief naar het verkeerde hof is toegestuurd.

7. Bij het op de juiste wijze instellen van een rechtsmiddel wordt de verdachte geholpen, maar de raadsman niet. Vanwege zijn rol als professionele rechtsbijstandverlener mag immers worden verwacht dat een advocaat voor het instellen van een rechtsmiddel de juiste administratieve weg weet te bewandelen. Niet valt in te zien waarom dit voor het versturen van een stelbrief anders zou zijn.

8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het ingestelde cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Met ingang van 1 maart 2017 is de regel van het toezenden van processtukken aan de raadsman te vinden in art. 48 Sv (Wet van 20 februari 2017, Stb. 2017/66). In de schriftuur wordt de klacht gestoeld op die bepaling en dat is niet juist, maar ook niet fataal omdat de inhoud van de regel van art. 51 oud Sv is behouden in het gewijzigde art. 48 Sv. HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, NJ 2013/416 m.nt. Borgers (r.o. 3.2.2).

Met ingang van 1 maart 2017 (Wet van 20 februari 2017, Stb. 2017/66) is art. 38 Sv van toepassing. Zie daaromtrent HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2250. Zie HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:856. Hoewel een doorzendplicht geldt wanneer de verdachte aan het verkeerde (justitiële) adres een brief verstuurt waaruit blijkt dat hij een rechtsmiddel wil aanwenden, heeft de Hoge Raad niet een doorzendplicht willen aannemen indien de raadsman een dergelijke brief naar het verkeerde adres verstuurt. Zie in dit kader ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld bij HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1178 (ECLI:NL:PHR:2016:480).