Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2018:1480 ECLI:NL:PHR:2018:1480 AI generated

ECLI:NL:PHR:2018:1480 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2018:1480
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 17/03439 Zitting: 11 december 2018 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 31 mei 2017 het vonnis van de kantonrechter waarbij de verdachte in het verzet tegen de strafbeschikking niet-ontvankelijk is verklaard, bevestigd met aanvulling van gronden. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Biemond, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel richt zich tegen de door het hof bevestigde niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte door de kantonrechter omdat hij kort gezegd geen verzet meer kon instellen tegen de strafbeschikking.

Legislator headnote

AI generated

art. 257e lid 1 Sv, art. 257e lid 8 Sv, art. 257e Sv; ECLI:NL:PHR:2018:1480 · Parket bij de Hoge Raad: Het voldoen aan de strafbeschikking vóórdat het verzet wordt gedaan staat aan ontvankelijkheid in de weg, aangezien dat ingevolge art. 257e lid 1 Sv neerkomt op het doen van afstand van het recht om verzet te doen. Maar de enkele omstandigheid dat wordt betaald nadat verzet is ingesteld, kan niet met het doen van afstand worden gelijkgesteld. Daarvoor geldt namelijk art. 257e lid 8 Sv, dat verwijst naar de leden 2 tot en met 7 van dat artikel. Men zie daarvoor HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3220.

Keywords

AI generated
art. 257e lid 1 Sv art. 257e lid 8 Sv art. 257e Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 257e lid 1 Sv
Het voldoen aan de strafbeschikking vóórdat het verzet wordt gedaan staat aan ontvankelijkheid in de weg, aangezien dat ingevolge art. 257e lid 1 Sv neerkomt op het doen van afstand van het recht om verzet te doen.
art. 257e lid 8 Sv
Daarvoor geldt namelijk art. 257e lid 8 Sv, dat verwijst naar de leden 2 tot en met 7 van dat artikel.
art. 257e Sv
Nu de verdachte eerst verzet heeft ingesteld en toen pas betaalde, is hij ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aangezien uit het samenstel van de bepalingen van art. 257e Sv volgt dat een eenmaal gedaan verzet niet vervalt enkel door vrijwillig te voldoen aan de strafbeschikking.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 17/03439 Zitting: 11 december 2018 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 31 mei 2017 het vonnis van de kantonrechter waarbij de verdachte in het verzet tegen de strafbeschikking niet-ontvankelijk is verklaard, bevestigd met aanvulling van gronden. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Biemond, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel richt zich tegen de door het hof bevestigde niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte door de kantonrechter omdat hij kort gezegd geen verzet meer kon instellen tegen de strafbeschikking.

De grond waarop het hof de verdachte overeenkomstig het vonnis niet-ontvankelijk heeft verklaard is door het hof aangevuld. De desbetreffende overwegingen in het arrest van het hof luiden: “Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte op de hoogte is geweest van het feit dat hij, door de strafbeschikking te betalen, afstand deed van zijn recht op verzet. Het hof overweegt, hiertoe het volgende. Uit de datum van ontvangst van de strafbeschikking van 15 maart 2015 in verband bezien met de datum, van het instellen van verzet op 16 maart 2015, leidt het hof af . dat de verdachte na ontvangst van de strafbeschikking direct de daaropvolgende dag zijn raadsman heeft geconsulteerd over het instellen van verzet, zodat het hof ervan uitgaat dat de raadsman de verdachte van de consequentie van betaling op de hoogte heeft gesteld.

Het hof stelt vast dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij na betaling van de strafbeschikking op 15 april 2015 "het toch niet eens was met de strafbeschikking". Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat de betaling zag op het ten laste gelegde strafbare feit. Het hof leidt uit dit alles af dat de verdachte impliciet afstand heeft gedaan van zijn recht om het verzet door te zetten, door - ondanks het op 16 maart 2015 ingestelde verzet - alsnog aan de, strafbeschikking te voldoen.” 5.

Uit deze overweging blijkt dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte nadat hij op 15 maart 2015 een strafbeschikking heeft gekregen, de dag erna verzet heeft ingesteld en dat hij op 15 april 2015, dus ongeveer aan maand nadat hij verzet heeft ingesteld, het bedrag van de strafbeschikking heeft betaald.

6. Het voldoen aan de strafbeschikking vóórdat het verzet wordt gedaan staat aan ontvankelijkheid in de weg, aangezien dat ingevolge art. 257e lid 1 Sv neerkomt op het doen van afstand van het recht om verzet te doen. Maar de enkele omstandigheid dat wordt betaald nadat verzet is ingesteld, kan niet met het doen van afstand worden gelijkgesteld. Daarvoor geldt namelijk art. 257e lid 8 Sv, dat verwijst naar de leden 2 tot en met 7 van dat artikel. Men zie daarvoor HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3220.

7. Nu de verdachte eerst verzet heeft ingesteld en toen pas betaalde, is hij ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aangezien uit het samenstel van de bepalingen van art. 257e Sv volgt dat een eenmaal gedaan verzet niet vervalt enkel door vrijwillig te voldoen aan de strafbeschikking. Het hof had de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte door de kantonrechter dus niet mogen bevestigen.

8. Het middel is terecht voorgesteld.

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Uit de stukken valt op te maken dat de strafbeschikking een geldboete ten bedrag van € 257 (incl. administratiekosten) betreft wegens heling van een (dames)fiets.