Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2018:1318 ECLI:NL:PHR:2018:1318 AI generated

ECLI:NL:PHR:2018:1318 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2018:1318
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 18/00061 Zitting: 27 november 2018 Mr. D.J.M.W. Paridaens Conclusie inzake: [verdachte] 1. De verdachte is bij verstek bij arrest van 1 september 2017 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling”, veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf.

Legislator headnote

AI generated

art. 43a Sr; ECLI:NL:PHR:2018:1318 · Parket bij de Hoge Raad: Het eerste middel berust kennelijk op de opvatting dat het hof enkel acht mag slaan op eerdere veroordelingen indien die vallen onder het bereik van de recidivebepaling uit art. 43a Sr. Die stelling vindt geen steun in het recht aangezien eerdere veroordelingen kunnen gelden als nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010, 586). De bepaling is niet als zodanig in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen. Er zijn – zoals de steller van het middel ook erkent – eerdere onherroepelijke veroordelingen voor bedreigingen en daarmee mag de rechter rekening houden bij het bepalen van de (hoogte en aard van de) straf.

Keywords

AI generated
art. 43a Sr

Cited Legislation

AI generated
art. 43a Sr
Het eerste middel berust kennelijk op de opvatting dat het hof enkel acht mag slaan op eerdere veroordelingen indien die vallen onder het bereik van de recidivebepaling uit art. 43a Sr.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 18/00061 Zitting: 27 november 2018 Mr. D.J.M.W. Paridaens Conclusie inzake: [verdachte] 1. De verdachte is bij verstek bij arrest van 1 september 2017 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling”, veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/00062. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. B.H.S. Brinkman, advocaat te Heerlen, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel berust kennelijk op de opvatting dat het hof enkel acht mag slaan op eerdere veroordelingen indien die vallen onder het bereik van de recidivebepaling uit art. 43a Sr. Die stelling vindt geen steun in het recht aangezien eerdere veroordelingen kunnen gelden als nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010, 586). De bepaling is niet als zodanig in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen. Er zijn – zoals de steller van het middel ook erkent – eerdere onherroepelijke veroordelingen voor bedreigingen en daarmee mag de rechter rekening houden bij het bepalen van de (hoogte en aard van de) straf.

5. Het eerste middel faalt.

6. Het tweede en het derde middel berusten op onjuiste rechtsopvatting dat een responsieplicht bestaat voor verzoeken/verweren die in een appelschriftuur staan vermeld en niet uitdrukkelijk op de zitting zijn herhaald.

7. Er zijn geen verweren gevoerd op de zitting van het hof. De aanwezige raadsman was ook niet gemachtigd.

8. Deze middelen falen dus eveneens en evident.

9. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat verdachte hierbij klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft en/of de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. AG Over de bewezenverklaring en kwalificatie wordt niet geklaagd. In het algemeen geldt dat een zogenoemde alternatieve bewezenverklaring toelaatbaar is voor zover een keuze uit de in de tenlastelegging alternatief vermelde kwalificaties voor de strafrechtelijke betekenis van het feit van geen belang is, HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691, waarin wordt verwezen naar HR 22 april 1986, NJ 1986/827, rov. 6.4). Dat lijkt hier het geval te zijn, zo ook mijn ambtgenoot AG Vegter in zijn conclusie van 12 februari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ5602. HR: art. 81.1 RO.