ECLI:NL:PHR:2018:1244 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 17/00796 P Zitting: 18 september 2018 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene] Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 16 november 2016 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 23.000,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.000,00. Er bestaat samenhang met de zaak 17/00795. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen. Tegen de uitspraak van het hof is namens de betrokkene tijdig beroep in cassatie ingesteld.
Legislator headnote
AI generatedArt. 511h Sv; ECLI:NL:PHR:2018:1244 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 17/00796 P Zitting: 18 september 2018 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene] Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 16 november 2016 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 23.000,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.000,00. Er bestaat samenhang met de zaak 17/00795. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen. Tegen de uitspraak van het hof is namens de betrokkene tijdig beroep in cassatie ingesteld.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
Nr. 17/00796 P Zitting: 18 september 2018 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene] Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 16 november 2016 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 23.000,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.000,00. Er bestaat samenhang met de zaak 17/00795. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen. Tegen de uitspraak van het hof is namens de betrokkene tijdig beroep in cassatie ingesteld.
Art. 511h Sv schrijft in verbinding met art. 437, tweede lid, Sv voor dat op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman van de betrokkene een schriftuur houdende middelen van cassatie moet worden ingediend. Nu bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur is ingediend, moet de betrokkene niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn cassatieberoep. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG