Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2018:1167 ECLI:NL:PHR:2018:1167 AI generated

ECLI:NL:PHR:2018:1167 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2018:1167
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 17/01397 Zitting: 16 oktober 2018 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 7 maart 2017 de verdachte bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 april 2015, waarbij de verdachte ter zake van “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, veroordeeld is tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, bestaande uit onbetaalde arbeid, subsidiair 30 dagen hechtenis. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr.

Legislator headnote

AI generated

art. 279 Sv; ECLI:NL:PHR:2018:1167 · Parket bij de Hoge Raad: De advocaat-generaal verzet zich tegen het verzoek om aanhouding. De dagvaarding is rechtsgeldig betekend. Het hof overweegt naar aanleiding van het verzoek het volgende. De dagvaarding in hoger beroep lijkt op de door de wet voorgeschreven wijze betekend en de verdachte is blijkens een door de advocaat-generaal overgelegd SKDB-formulier thans niet gedetineerd. Mr. Ettalhaoui heeft de verdachte eerder medegedeeld dat de zitting in hoger beroep op 7 maart 2017 zou dienen. De vergissing van de verdachte in de zittingsdatum van het hoger beroep komt in dit geval voor zijn eigen rekening.

Keywords

AI generated
art. 279 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 279 Sv

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2001:AD4727
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep, met vernietiging van twee vonnissen van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 16 juli 1999, a.
ECLI:NL:HR:1999:ZD1314
De bestreden uitspraak 1.1.
NJ 1999/294
HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294, rov 3.4, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1406, rov 2.4, HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:826, rov.
ECLI:NL:HR:2016:1406
5 juli 2016 Strafkamer nr. S 15/00625 ES Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 4 februari 2015, nummer 23/002905-14, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het middel 2.1. Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak. 2.2.
ECLI:NL:HR:2017:826
9 mei 2017 Strafkamer nr. S 15/05148 MD/DFL Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 3 augustus 2015, nummer 21/000750-15, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.
ECLI:NL:HR:2017:2404
19 september 2017 Strafkamer nr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 17/01397 Zitting: 16 oktober 2018 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 7 maart 2017 de verdachte bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 april 2015, waarbij de verdachte ter zake van “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, veroordeeld is tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, bestaande uit onbetaalde arbeid, subsidiair 30 dagen hechtenis. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr.

S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3.1. Het middel klaagt dat het hof het aanhoudingsverzoek op ontoereikende gronden heeft verworpen, nu het hof heeft verzuimd tot uitdrukking te brengen alle daartoe in aanmerking komende belangen te hebben afgewogen. 3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “ [verdachte] , (…) Ter terechtzitting is aanwezig mr. S. Ettalhaoui, advocaat te Amsterdam, die desgevraagd verklaart door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen.

Mr. Ettalhaoui heeft vlak voor de zitting telefonisch contact gehad met de verdachte. De verdachte wenst aanwezig te zijn bij de behandeling van het hoger beroep, maar heeft zich vergist in de datum van het hoger beroep. De datum van heden, 7 maart 2017, is eerder door mr. Ettalhaoui aan de verdachte meegedeeld. Op grond van de wens van de verdachte verzoekt hij het hof het onderzoek te schorsen en aan te houden tot een latere datum, teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog op die latere datum bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.

De advocaat-generaal verzet zich tegen het verzoek om aanhouding. De dagvaarding is rechtsgeldig betekend. Het hof overweegt naar aanleiding van het verzoek het volgende. De dagvaarding in hoger beroep lijkt op de door de wet voorgeschreven wijze betekend en de verdachte is blijkens een door de advocaat-generaal overgelegd SKDB-formulier thans niet gedetineerd. Mr. Ettalhaoui heeft de verdachte eerder medegedeeld dat de zitting in hoger beroep op 7 maart 2017 zou dienen. De vergissing van de verdachte in de zittingsdatum van het hoger beroep komt in dit geval voor zijn eigen rekening.

Onder deze omstandigheden acht het hof geen termen aanwezig het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak toe te wijzen. Het verzoek wordt afgewezen.” 3.3. Uit dat proces-verbaal blijkt dat vervolgens verstek is verleend tegen de niet-verschenen verdachte, waarna het onderzoek ter terechtzitting is voortgezet en vervolgens is gesloten. 3.4. Het arrest van het hof vermeldt dat het verzoek van de raadsman tot schorsing van het onderzoek en aanhouding van de zaak tot een latere datum, om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, “wordt afgewezen nu de datum van de behandeling van het hoger beroep voorafgaand aan het uitroepen van de zaak in hoger beroep bij de verdachte bekend was”. 3.5.

Vooropgesteld zij dat de Hoge Raad met betrekking tot art. 279 Sv heeft bepaald dat onder het in dat artikel besloten liggende stelsel dient te worden verstaan “dat de raadsman die ter terechtzitting niet uitdrukkelijk verklaart dat hij door de aldaar niet verschenen verdachte bepaaldelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, geen van de hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen, behoudens het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld; bij gebreke van een zodanige machtiging geldt de behandeling van de zaak als een procedure bij verstek”. 3.6.

Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht - waaronder begrepen het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde advocaat te doen verdedigen -, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. 3.7.

Uit ’s hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat het hof een zodanige afweging van belangen heeft gemaakt. Dientengevolge is de afwijzing door het hof van het verzoek ontoereikend gemotiveerd. 3.8. Het middel slaagt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 23 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4727, NJ 2002, 77, rov. 4.8. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294, rov 3.4, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1406, rov 2.4, HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:826, rov. 2.4. en HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2404, rov. 2.4. Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:65, rov. 2.4.