Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2018:1058 ECLI:NL:PHR:2018:1058 AI generated

ECLI:NL:PHR:2018:1058 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2018:1058
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 16/05560 P Zitting: 15 mei 2018 Mr. D.J.C. Aben Conclusie inzake: [betrokkene] 1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 3 november 2016 – onder vernietiging van het beroepen vonnis – het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 72.087,- en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van datzelfde bedrag aan de staat.

Legislator headnote

AI generated

art. 511f Sv; ECLI:NL:PHR:2018:1058 · Parket bij de Hoge Raad: Deze conclusie heeft gevolgen voor de toepasselijkheid van bewijsmotiveringsregels. Voor de bepaling van de hoogte van het aan de staat te betalen geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel geldt niet de eis van art. 511f Sv dat die bepaling moet zijn ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Voldoende is dat de feiten en omstandigheden die hieraan ten grondslag liggen uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Omtrent de toepassing van die regel klaagt het middel niet.

Keywords

AI generated
art. 511f Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 511f Sv
Voor de bepaling van de hoogte van het aan de staat te betalen geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel geldt niet de eis van art. 511f Sv dat die bepaling moet zijn ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2013:BV9087
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene.
NJ 2013/544
HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544 m.nt.
ECLI:NL:HR:2013:BT6251
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene.
ECLI:NL:HR:2013:BT6374
4 juni 2013 Strafkamer nr. S 10/00953 P Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 september 2009, nummer 23/002838-08, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van: [Betrokkene], geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum] 1973. 1. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal J. Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van het arrest waarvan beroep, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof, teneinde opnieuw recht te doen op basis van het bestaande beroep. 2. Beoordeling van het eerste middel 2.1. Het middel klaagt dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd omdat de bestreden uitspraak niet de inhoud bevat van de bewijsmiddelen waaraan die schatting is ontleend. 2.2.1. Het Hof heeft een door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel van € 284.739,34 vastgesteld. Het verkorte arrest houdt dienaangaande het volgende in: "Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 430.861,34 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Door de raadsvrouw van de veroordeelde zijn de navolgende verweren aangevoerd die telkens aansluitend door het hof worden besproken. 1. Nu in het onderhavige geval de veroordeelde door dit gerechtshof op 8 juli 2004 voor negen feiten (bedrijfsinbraken) is vrijgesproken en voorts uit de bewijsmiddelen niet blijkt welk voordeel de veroordeelde heeft genoten uit de feiten waarvoor hij niet is veroordeeld, levert de gehanteerde methode van vermogensvergelijking een schending op van artikel 6, tweede lid, van het EVRM (vgl. EHRM 1 maart 2007, nr. 308I0/03, Geerings tegen Nederland, NJ 2007, 349). Uit het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2007 (LJN: AY 6714) blijkt immers dat een feit waarvan de verdachte is vrijgesproken 'niet meer ten grondslag kan worden gelegd' aan de ontnemingsmaatregel, ook als ter zake een ander ten laste gelegd strafbaar feit een veroordeling is gevolgd. Volgens de raadsvrouw van de veroordeelde kan uit dit arrest derhalve worden afgeleid dat de Hoge Raad de mogelijkheid uitsluit om het feit waarvan is vrijgesproken alsnog als een soortgelijk feit te verstaan bij de schatting en vaststelling van het ontnemingsbedrag. Voorts is door de raadsvrouw van de veroordeelde aangevoerd dat van het (gestelde) vermogen uit de periode anders dan tenlastegelegd en bewezen verklaard niet kan worden aangenomen dat deze wederrechtelijk is verkregen uit soortgelijke of andere strafbare feiten. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Blijkens het financieel rapport, inhoudende de berekening van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel, van 12 mei 2003, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], de daarbij behorende bijlagen èn het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep, is gebleken dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen uit de bewezenverklaarde feiten, soortgelijke feiten, feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en/of andere strafbare feiten èn waaromtrent voldoende aanwijzingen (weergegeven in het 'sfeer' proces-verbaal van 26 februari 2003 [p.325-375] en het proces-verbaal van vermoedelijke overtreding van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van 6 februari 2003 [p.376-389]) bestaan dat deze in de periode van 1 januari 2000 tot en met 4 november 2002 door de veroordeelde zijn begaan. Het in deze periode wederrechtelijk verkregen voordeel is daarbij bepaald door middel van een vermogensvergelijking, waarbij een negatief verschil is geconstateerd tussen de uitgaven van de veroordeelde en zijn legale inkomsten, welk verschil de veroordeelde niet op aannemelijke wijze verklaarbaar heeft gemaakt. Geen rechtsregel staat er in zijn algemeenheid aan in de weg het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van een dergelijke vermogensvergelijking te berekenen. Nu het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve niet is gebaseerd op feiten waarvan de veroordeelde is vrijgesproken, doch op een vermogensvergelijking, waarbij naar het oordeel van het hof omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel uit soortgelijke en/of andere strafbare feiten voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan, is de onderhavige gevolgde ontnemingsprocedure in lijn met de post-Geerings-jurisprudentie. Het verweer wordt verworpen. 2. Specifieke kosten van de vermogensvergelijking a. Dagelijkse uitgaven en sieraden Namens de veroordeelde heeft de raadsvrouw van de veroordeelde betwist dat de dagelijkse uitgaven boven bijstandsniveau lagen. De enkele aaname op basis van dure kleding is volgens de raadsvrouw onvoldoende, nu gegevens hieromtrent in het dossier ontbreken. Voorts is door de raadsvrouw van de veroordeelde aangevoerd dat de sieraden die bij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn aangetroffen ten onrechte in het kader van de vermogenscomponenten zijn meegenomen, aangezien op geen enkele wijze vaststaat dat de veroordeelde deze heeft verworven gedurende de terzake relevante periode met gelden met een criminele herkomst. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Gelet op de inhoud van de processen-verbaal van bevindingen van 16 april 2003, 24 april 2003 en 12 mei 2003, opgemaakt door [verbalisant 2] (respectievelijk 1.4, 1.3 en 1.5 van het dossier), in onderling verband en samenhang beschouwd met de daarbij behorende bijlagen, is het hof van oordeel dat de raadsvrouw haar stellingen onvoldoende concreet en gemotiveerd heeft onderbouwd. Gelet op een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast was het aan de verdediging om genoemde stelling aannemelijk te maken. Het verweer wordt derhalve verworpen. b. Huur [a-straat 1] te Amsterdam De raadsvrouw van de veroordeelde heeft gesteld dat de helft van de huur van [a-straat 1] te Amsterdam voor de periode van januari 2002 tot hooguit november 2002 mag worden meegenomen voor de berekening van het voordeel. Volgens [betrokkene 3] heeft de veroordeelde immers tezamen met een ander persoon (volgens de buurman: [betrokkene 4]) de flat gehuurd. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Gelet op de inhoud van de verklaring van de verhuurder van de woning [a-straat 1] te Amsterdam, [betrokkene 3], van 22 januari 2003 is het hof, gelijk de rechtbank, van oordeel dat de veroordeelde over de periode vanaf 2002 een huur diende te betalen van € 1.250,- per maand, in totaal € 12.500,-, waarvan door de veroordeelde slechts de helft is betaald. Het verweer treft derhalve doel. c. Huur [b-straat 1] te Amsterdam Volgens de raadsvrouw van de veroordeelde is in het financieel rapport het bedrag van de huur [b-straat 1] ten onrechte gesteld op een bedrag van € 28.804,-. De huurovereenkomst is immers aangegaan voor de duur van drie maanden tegen een huurprijs van € 1.750,- per maand. Uit het dossier blijkt voorts dat de [b-straat 1] bestond uit twee woongedeelten, links en rechts. [B-straat 1] rechts werd volgens rapporteurs bewoond door [betrokkene 5]. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van 12 mei 2003, opgemaakt door [verbalisant 1] (1.9 van het dossier), blijkt dat de [b-straat 1] uit twee appartementen bestond, te weten links en rechts. De appartementen werden bewoond door de veroordeelde en de medeveroordeelde, [betrokkene 5]. Uit de huurovereenkomst [b-straat 1] rechts (2.20 van het dossier) blijkt dat dit appartement door [betrokkene 6] aan de veroordeelde werd verhuurd voor de periode van oktober 2001 tot en met oktober 2002 voor een bedrag van Fl. 2.550,-, zijnde € l.557,- per maand. Het appartement [b-straat 1] links werd voor de periode van april 2002 tot en met juli 2002 door [betrokkene 6] aan de veroordeelde verhuurd voor een bedrag van € l.750,-. Per maand kwam daar voor ongeveer € 90,- per appartement aan gas, water en licht bij. Berekening: [b-straat 1] rechts € 1.557,- x l3 maanden = € 20.241,- [b-straat 1] 1inks € 1.750,- x 4 maanden = € 7.000,- Gas, water en licht € 90,- x 17 maanden = € 1.530,-+ € 28.771,- d. Stuk grond in Suriname De raadsvrouw van de veroordeelde heeft aangevoerd dat het stuk grond in Suriname tezamen met [betrokkene 1] in 1998/1999, en daarmee vóór de periode waarin de strafbare feiten zijn gepleegd, is verkregen. Voorts is niet aannemelijk dat het geld voor het stuk grond (ca. € 7.700,-) is verkregen uit andere feiten. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van 24 april 2003, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (1.7 van het dossier), in onderling verband en samenhang beschouwd met de daarbij behorende bijlagen, is naar het oordeel van het hof aannemelijk dat de verkoop, koop en overdracht van een kavel in Suriname aan de veroordeelde en [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden in de periode van 1998 tot en met 1999. Nu de verkoop, koop en overdracht van het stuk grond daarmee heeft plaatsgevonden vóór de periode waarin de bewezenverklaarde, soortgelijke en/of andere strafbare feiten zijn gepleegd die aan het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag liggen, dienen de uitgaven met betrekking tot dit stuk grond buiten de vermogensvergelijking te blijven. Op de voordeelsberekening dient derhalve een bedrag van Fl. 17.000,-, zijnde € 7.714,- in mindering te worden gebracht. Het verweer treft in zoverre doel. e. Voertuigen De raadsvrouw van de veroordeelde heeft aangevoerd dat de Audi A-3 een waarde had van € l2.000,- en eigendom was van [betrokkene 2]. De BMW X-5 stond op naam van [betrokkene 1] en werd volgens de raadsvrouw door de veroordeelde van haar geleased voor € 400,-. Met betrekking tot de Mercedes SL is door de raadsvrouw van de veroordeelde gesteld dat uit het dossier [A] slechts blijkt dat in de administratie van [B] B.V. een ongenummerde factuur aanwezig was, waaruit is afgeleid dat de veroordeelde deze auto twee maanden lang zou hebben gehuurd. Voorts kan volgens de raadsvrouw uit het dossier niet worden afgeleid dat de bedragen zoals vermeld in de notities van het bedrijf [B] B.V. ook daadwerkelijk door de veroordeelde zijn betaald. Ten slotte is door de raadsvrouw aangevoerd dat de veroordeelde in 2002 slechts eenmaal een auto heeft gehuurd. De overige auto's zijn gehuurd in de periode vóór de door de rechtbank bewezen verklaarde feiten, zodat deze bedragen niet bij de vermogensvergelijking dienen te worden betrokken. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Gelet op de inhoud van de processen-verbaal van bevindingen van 12 mei 2003, 24 april 2003, 16 april 2003, opgemaakt door [verbalisant 2] (respectievelijk 1.2 en 1.5, 1.3 en 1.4 van het dossier) in onderling verband en samenhang beschouwd met de daarbij behorende bijlagen, is het hof van oordeel dat de raadsvrouw haar stellingen onvoldoende concreet en gemotiveerd heeft onderbouwd. Gelet op een redelijkeen billijke verdeling van de bewijslast was het aan de verdediging om genoemde stellingen aannemelijk te maken. Het verweer wordt derhalve verworpen. f. Uitgaven [betrokkene 2] en [betrokkene 1] De raadsvrouw van de veroordeelde heeft aangevoerd dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat de veroordeelde af en toe een rekening betaalde. [Betrokkene 2] zou tevens tegenover de rechter-commissaris hebben verklaard met mannen naar bed te zijn gegaan voor geld, zodat zij mooie spullen kon kopen. Voorts heeft de raadsvrouw van de veroordeelde aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] werkzaam was bij Woningstichting [C]. Uit bankafschriften zou blijken dat haar salaris ca. € 1.800,- bedroeg, in april 2002 zelfs € 2.689,-. Zij zou voorts bij de politie hebben verklaard dat zij altijd haar werkzaanheden heeft gehad en haar eigen vaste lasten en/of uitgaven heeft kunnen betalen. Blijkens de verklaring van [betrokkene 1] zou de veroordeelde af en toe een bedrag van € 50,- of € l00,- per maand aan haar hebben gegeven en zou hij af en toe kleding voor haar en hun gezamenlijke zoon hebben gekocht. Voorzover de raadsvrouw van de veroordeelde met voormeld verweer bedoeld heeft dat de uitgaven van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op de vermogensvergelijking in mindering dienen te worden gebracht, overweegt het hof als volgt. Gelet op de inhoud van de processen-verbaal van bevindingen van l6 april 2003 (1.4 van het dossier) en 12 mei 2003 (1.5 van het dossier), opgemaakt door [verbalisant 2], en de daarbij behorende bijlagen, wordt aannemelijk geacht dat de veroordeelde in de periode van 1 januari 2000 tot en met 4 november 2002 de verschillende in het financieel rapport opgenomen uitgaven voor [betrokkene 2] en [betrokkene 1] heeft betaald. Dat zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] in voormelde periode (mogelijk) eigen inkomsten verwierven, doet naar het oordeel van het hof hieraan niet af. Het verweer wordt derhalve verworpen. Het hof overweegt ambtshalve dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2003 (1.4 van het dossier), opgemaakt door [verbalisant 2], blijkt dat bij de voordeelsberekening zijn betrokken, alimentatiekosten die de veroordeelde over het jaar 1999 aan [betrokkene 1] zou hebben betaald. Nu deze alimentatie-uitgaven hebben plaatsgevonden vóór de periode waarin de bewezenverklaarde, soortgelijke en/of andere strafbare feiten zijn gepleegd die aan het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag liggen, dienen deze uitgaven buiten de vermogensvergelijking te blijven. Op de voordeelsberekening dient derhalve een bedrag van € 3.900,- (€ 75,- x 52 weken) in mindering te worden gebracht. g. Wisseltransacties Namens de veroordeelde wordt betwist dat de veroordeelde geld zou hebben gewisseld. Kennelijk zou iemand gebruik hebben gemaakt van zijn naan. Voorts is door de raadsvrouw van de veroordeelde aangevoerd dat de veroordeelde blijkens het dossier op 9 november 1999 een bedrag van USD 130.000,- zou hebben gewisseld, hetgeen een bedrag van USD 13.000,- moet zijn. De rechtbank zou daarbij ten onrechte een bedrag van het equivalent in euros in haar berekening tot bepaling van de omvang van het wederrechtelijk voordeel hebben betrokken. Ten slotte is door de raadsvrouw van de veroordeelde aangevoerd dat de periode van wisselen gelegen is vóór de periode waarin de strafbare feiten hebben plaatsgevonden. Ook om deze reden kunnen de bedragen die zijn gewisseld volgens de raadsvrouw niet worden betrokken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van 24 april 2003, opgemaakt door [verbalisant 2] (1.3 van het dossier), in onderling verband en samenhang beschouwd met de daarbij behorende bijlagen, is naar het oordeel van het hol aannemelijk dat de veroordeelde op 9 november l999 een bedrag van USD 13.000,- heeft gewisseld. Nu de wisseltransactie heeft plaatsgevonden vóór de periode waarin bewezenverklaarde, soortgelijke en/of andere strafbare feiten zijn gepleegd die aan het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag liggen, dienen de uitgaven met betrekking tot deze wisseltransactie buiten de vermogensvergelijking te blijven. Daarbij wordt in het bijzonder overwogen dat blijkens voormeld proces-verbaal en de daarbij behorende bijlagen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte is uitgegaan van een bedrag van USD 130.000,-, waarbij voorts ten onrechte het equivalent van dit bedrag in euro's in de berekening is betrokken. Op de voordeelsberekening dient derhalve een bedrag van in totaal € 130.000,- in mindering te worden gebracht. Het verweer treft in zoverre doel. Het hof overweegt ambtshalve dat de wisseltransacties d.d. 10 november l999 van een bedrag van in totaal Fl. 10.481,-, zijnde € 4.756,- eveneens buiten de vermogensvergelijking dienen te blijven, nu ook deze wisseltransacties hebben plaatsgevonden vóór de periode waarin bewezenverklaarde, soortgelijke en/of andere strafbare feiten zijn gepleegd die aan het wederreehtelijk verkregen voordeel ten grondslag liggen. Op de voordeelsberekening wordt derhalve tevens een bedrag van € 4.756,- in mindering gebracht. h. Geldlening [betrokkene 5] en belening sieraad Namens de veroordeelde is aangevoerd dat uit het dossier zou kunnen blijken dat aan [betrokkene 5] (het hof begrijpt [betrokkene 5]) geld is geleend. Uit dit tapgesprek kan men echter niet herleiden wanneer deze geldlening heeft plaatsgevonden. Daarnaast blijkt dat een bedrag van € 4.000,- is verkregen door belening van een sieraad. Dit sieraad is volgens de raadsvrouw van de veroordeelde reeds betrokken bij de post uitgaven van de veroordeelde, zodat sprake is van dubbeltelling. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit het financieel rapport van l2 mei 2003, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], met de daarbij behorende bijlagen, blijkt dat de veroordeelde in een gevoerd gesprek met [betrokkene 2] van 3 december 2002 heeft gezegd dat hij aan [betrokkene 5] (het hof begrijpt: [betrokkene 5]) kennelijk € 14.000,- heeft geleend en dat hij hiervoor zijn horloge voor een bedrag van € 4.000,- heeft verpand. Het hof acht aannemelijk dat voormelde geldlening heeft plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2000 tot en met 3 december 2002, zodat het bedrag van € 14.000,- in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden betrokken. De stelling van de raadsvrouw dat met betrekking tot de belening van een sieraad sprake is van een dubbeltelling, is naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet en gemotiveerd onderbouwd. Gelet op een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast was het aan de verdediging om genoemde stelling aannemelijk te maken. Het verweer wordt derhalve verworpen. 3. Benadeelde partijen De raadsvrouw van de veroordeelde heeft aangevoerd dat het door de veroordeelde aan de verschillende benadeelde partijen te betalen geldbedrag van € 56.798,66 op het ontnemingsbedrag in mindering dient te worden gebracht. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Bij arrest van dit gerechtshof van 8 juli 2004 is de veroordeelde veroordeeld tot betaling van in totaal een bedrag van € 62.140,45 aan verschillende benadeelde partijen. Voorts is bepaald dat de veroordeelde hoofdelijk aansprakelijk is voor de verschillende aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen, zodat telkens een evenredig deel daarvan voor aftrek uit hoofde van artikel 36e, lid 6, Sr in aanmerking komt. Derhalve dient naar het oordeel van het hof, gelijk de rechtbank, het geschat wederrechtelijk verkregen voordeel te worden verminderd met een bedrag van € 56.798,66. Berekening Het hof is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van € 284.739,34, heeft verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten, soortgelijke feiten, feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en/of andere strafbare feiten en waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan. Het hof ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en gaat uit van de volgende berekening. Blijkens het financieel rapport van 12 mei 2003 is het wederrechtelijk genoten voordeel gesteld op (afgerond) € 535.191,- (€ 548.918,- uitgaven van de veroordeelde minus de legale inkomsten in de periode van 1 januari 1999 tot en met 4 november 2002 van € 13.727,-). Dit bedrag wordt vermeerderd met € 9.000,- tot een bedrag van € 544.191,-, nu het hof van oordeel is dat enkel voor de periode van 1 januari 2000 tot en met 4 november 2002 voldoende aanwijzingen bestaan dat soortgelijke feiten en/of andere feiten door de veroordeelde zijn gepleegd, zodat derhalve ook enkel de inkomsten uit deze periode bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden betrokken. Het hof is van oordeel dat op dit bedrag in mindering dient te worden gebracht: - het geldbedrag dat de veroordeelde in de Staatsloterij heeft gewonnen van € 50.000,-; en voorts zoals hiervoor overwogen: - de helft van de uitgaven voor de huur van [a-straat 1] te Amsterdam vanaf 2002 van in totaal € 6.250,-; - het geconstateerde verschil van € 33,- met betrekking tot de uitgaven voor de huur van [b-straat 1] te Amsterdam; - de aankoop van een kavel in Suriname van € 7.714,-; - de door de veroordeelde aan [betrokkene 1] betaalde alimentatie over het jaar 1999 van € 3.900,-; - de wisseltransacties van 1999 van in totaal € 134.756,- (€ 130.000,- plus € 4.756,-); - een evenredig deel van het door de veroordeelde aan de benadeelde partijen te betalen bedrag, groot € 56.798,66." 2.2.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art 365a Sv houdt het volgende in: "Een geschrift, zijnde een financieel rapport contra [betrokkene] (parketnummer 15/0035602-02) van 12 mei 2003, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden werkzaam als financieel deskundige bij het Bureau Financiële Dienst, District Koninklijke Marechaussee Schiphol respectievelijk bij het Bureau Financiële Recherche van de politieregio Kennemerland, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, bladzijden 1 tot en met 10 (1.1 van het dossier). Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]: Onderzoeksperiode Van 1 januari 1999 tot en met 4 november 2002. Wederrechtelijk verkregen voordeel Inkomsten In de onderzoeksperiode heeft [betrokkene] alleen in 1999 en begin 2000 legale inkomsten gehad uit een bijstandsuitkering en werk wat daaruit voortkwam. In 2000 heeft [betrokkene] daarmee Fl. 10.417,- (€ 4.727,-) verdiend. Voor 1999 zal een bedrag van € 9.000,- worden aangenomen. Daarnaast heeft [betrokkene] in mei 2002 een bedrag van € 50.000,- in de Staatsloterij gewonnen. Omdat [betrokkene] dit lot heeft gekocht van de opbrengst van zijn criminele activiteiten, kan dit als de vrucht van wederrechtelijk verkregen voordeel worden beschouwd. Het (het hof begrijpt: het bedrag van € 50.000,-) zal derhalve buiten beschouwing worden gelaten. Uitgaven Uit de periode van 1 januari 1999 tot en met 4 oktober 2002 zijn de navolgende uitgaven bekend. Deze staan gerelateerd in verschillende processen-verbaal: Huur van de woning [a-straat 1] te Amsterdam: € 21.000,- Huur voor de appartementen aan de [b-straat 1] te Amsterdam: € 28.804,- Uitgaven voor de woning in Suriname: € 18.650,- Uitgaven aan [betrokkene 1]: € 26.650,- Uitgaven aan [betrokkene 2]: € 39.212,- Uitgaven van [betrokkene]: € 223.254,- Uitgaven aan de verschillende voertuigen: € 191.348,- Totaal: € 548.918,- Het wederrechtelijk verkregen voordeel van [betrokkene] bedraagt op grond van deze legale inkomsten minus de in dit onderzoek bekende uitgaven € 535.191,-." 2.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover hier van belang, in: "In het onderhavige geval is cliënt door het Gerechtshof van Amsterdam op 8 juli 2004 voor negen feiten (bedrijfsinbraken) vrijgesproken. De rechtbank heeft zich in deze gebaseerd op het Strafrechtelijk Financieel onderzoek en uit de bewijsmiddelen blijkt niet welk voordeel cliënt heeft genoten uit de feiten waarvoor hij niet is veroordeeld, zodat in dit geval de methode van berekening een schending oplevert van artikel 6 1id 2 van het EVRM. Periode berekening wederrechtelijk voordeel De verdediging verzoekt uw Hof de periode voor de berekening van het wederrechtelijk voordeel gelijk te stellen met de bewezenverklaarde periode derhalve. (...) De enkele verwijzing naar het sfeerprocesverbaal en het procesverbaal 140 Sr is gelet op hiervoor is betoogd daartoe onvoldoende, nu in dat sfeerverbaal cliënt slechts zijdeling voorkomt. Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen blijkt ook niet dat cliënt buiten de bewezenverklaarde periode enig wederrechtelijk voordeel heeft behaald uit soortgelijke dan wel andere feiten. De periode van het onderzoek wordt voorts nog gerechtvaardigd door de opstellers van het rapport door te relateren dat vermogensbestanddelen al in 1999 en 2000 zijn aangeschaft. Hier wordt dus iedere relatie met enig strafbaar feit losgelaten. Dit betekent dat van het (gestelde) vermogen uit de periode anders dan tenlastegelegd en bewezen verklaard - zonder concrete aanwijzingen - niet kan worden aangenomen dat deze wederrechtelijk is verkregen. Dagelijkse uitgaven Cliënt betwist dat zijn uitgaven boven bijstandsniveau lagen. De enkele aanname op basis van dure kleding is onvoldoende, nu gegevens hierover blijkens het dossier ontbreken (pv uitgaven blz 2 van 3). Cliënt maakt bezwaar tegen de periode waarover de uitgaven zijn berekend met verwijzing wat hiervoor is gesteld. Sieraden Van de sieraden die zijn aangetroffen bij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ontkent cliënt dat deze zijn gekocht van zijn geld. Het is derhalve tevens onjuist om de sieraden mee te nemen in het kader van de vermogenscomponenten, aangezien op geen enkele wijze vast staat dat cliënt die heeft verworven gedurende de terzake relevante perioden laat staan met gelden met een criminele herkomst (blz 6, 7 pv); integendeel, Cliënt heeft een aantal van die sieraden beleend, hetgeen temeer wijst op gebrek aan financiële middelen. Huur [a-straat] Volgens [betrokkene 3] heeft cliënt tezamen met een andere persoon (volgens de buurvrouw [betrokkene 4]) de flat gehuurd. De huur zou € 1.275 bedragen. Dit betekent dat de helft van deze huur van januari 2002 tot hooguit november 2002 mag worden meegenomen voor de berekening van het voordeel. Cliënt huurde deze woning voor mensen die uit Suriname overkwamen, die hem contant de huur terugbetaalde. Huur [b-straat] De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van drie maanden tegen een huurprijs van € 1.750,- per maand (bijlage 13 SFO pag. 11108). Uit het dossier blijkt voorts dat de [b-straat] bestond uit twee woongedeelten links en rechts. Rechts werd volgens rapporteurs bewoond door [betrokkene 5]. Ten onrechte is in het rapport het bedrag van deze huur gesteld op een bedrag van € 28.804,- Stuk grond in Suriname. Is verkregen tezamen met [betrokkene 1] in 1998/1999. Derhalve voor de periode waarin de strafbare feiten zijn gepleegd. Niet aannemelijk is dat het geld voor het stuk grond (ca 7.700 €) is verkregen uit andere feiten. Notities met betrekking tot betaling voertuigen. Uit de notities, waarvan niet vast staat van wie wiens hand de notities zijn. Daarnaast kan worden vastgesteld uit deze notities welke bedragen zijn betaald. Uit het dossier kan dus niet worden afgeleid dat de bedragen zoals die zijn weergegeven op een notitie blaadje ook daadwerkelijk aan [betrokkene 6] zijn betaald. AudiA-3 De auto had een waarde van € 12.000,- en was eigendom van [betrokkene 2]. Ter terechtzitting bij het Hof is dit nogmaals herhaald. [Betrokkene 2] (vervolgd terzake witwassen onder meer van deze auto) is niet veroordeeld terzake witwassen van deze auto. Het Hof heeft dienaangaande overwogen dat niet is komen vast te slaan dat de auto is verkregen door middel van crimineel geld. BMW X-5 Client heeft verklaard de X-5 die op naam staat van [betrokkene 1] voor € 400,- te hebben geleasd. Uit het dossier blijkt niet dat hij de eigenaar is van deze auto. Degene op wiens naam het kenteken staat wordt geacht eigenaar te zijn van een voertuig. [Betrokkene 1] had deze auto in gebruik. Mercedes SL Uit het dossier [A] blijkt slechts ten aanzien van de Mercedes SL dat er een ongenummerde factuur in de administratie van [B] zat, waaruit zou moeten blijken dat [betrokkene] twee maanden lang de auto heeft gehuurd. Uitgaven [betrokkene 2] Bij de politie op 15 januari 2003 verklaart [betrokkene 2] dat cliënt af en toe de rekening betaalde. Bij de RC heeft [betrokkene 2] verklaard: "Ik heb wel af en toe kleding gekregen en ook heeft hij mij wel eens geld geleend omdat ik een schuld had". [Betrokkene 2] heeft ook verklaard met mannen naar bed te gaan voor geld zodat zij mooie spullen kan kopen (verhoor RC). Autohuur Slechts een autohuur heeft betrekking op de periode 2002. Dit is een bedrag van € 79. Uitgaven [betrokkene 1] Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] werkzaam was bij Woningstichting [C]. Uit bankafschriften blijkt dat haar salaris ca € 1.800 bedroeg, in april 2002 zelfs € 2.689,- (deel III bladzijde 0315 e.v.). Zij heeft voorts bij de politie verklaard (SFO bijlage 4 blz 11051 e.v.) dat zij altijd haar eigen werkzaamheden heeft gehad en haar eigen vaste lasten en/of uitgaven heeft kunnen betalen. Voorts wordt er dan gesteld dat er in grote getale dure kleding en schoeisel in de woning van [betrokkene 1] zijn aangetroffen. Dit wordt niet nader gespecificeerd. Ook blijkt niet dat deze door [betrokkene] zijn aangeschaft en in welke periode. Zij verklaart dat cliënt af en toe geld gaf € 50 of € 100 per maand en af en toe kleding voor haar en hun gezamenlijke zoon heeft gekocht (bladzijde 11055). Wisselen Cliënt betwist dat hij geld heeft gewisseld. Kennelijk heeft iemand gebruik gemaakt van zijn naam. Cliënt zou (blijkens het dossier) op 9 november 1999 een bedrag van usd 130.000,- hebben gewisseld. Dit moet zijn usd 13.000,- (zie bijlage blz 11189). De rechtbank heeft ten onrechte een bedrag van het equivalent in Euro's in haar berekening to bepaling van de omvang van het wederrechtelijk voordeel betrokken. De periode van wisselen is ook gelegen voor de periode waarin de strafbare feiten hebben plaatsgevonden. Ook om deze reden kunnen de bedragen die zijn gewisseld niet worden betrokken bij de schatting. Geldlening [betrokkene 5] Uit het dossier zou kunnen blijken dat er geld is geleend aan [betrokkene 5]. (Tapgesprek bladzijde 0051 deel II SFO). Uit dit tapgesprek kan men echter niet herleiden wanneer deze geldlening heeft plaatsgevonden. Daarnaast blijkt dat een bedrag van € 4.000 is verkregen door belening van een sieraad. Dit sieraad is reeds betrokken bij de post uitgaven [betrokkene]. Er is dus sprake van dubbeltelling. Benadeelde partijen Het Hof heeft ten laste van cliënt bewezen verklaard dat hij zich in de periode 21 februari 2002 tot en met 11 september 2002 schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde diefstallen; in de periode december 2000 tot en met oktober 2002 aan opzetheling in vereniging evenals in de periode 1 januari 2002 lot en met 11 september 2002 aan deelname aan een criminele organisatie welke het oogmerk had tot het plegen van bedrijfsinbraken. Voorts zijn de navolgende vorderingen benadeelde partij toegewezen KLM € 170,- Nikon Europe B.V. € 375,- [D] B.V. € 809,97 [E] € 350,- Colt Telcom B.V. € 2.037,21 Minolta Camera Benelux B.V. € 545,77 Advisie Computer Consultans B.V. € 52.200,- Regus Amsterdam B.V. € 1.840,50 Agi Media Haarlem B.V. € 3.812,- -------------------- Totaal € 62.140,45 Ingevolge art. 36e lid 6 Sr. dienen op een eventueel vast te stellen wederrechtelijk verkregen voordeel alle aan derden toe te kennen rechten in mindering te worden gebracht (Zie Cleiren/Nijboer T&C Sr. aant. 11g en 14d bij art. 36e). Bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam d.d. 8 juli 2004 is aan rechten van derden toegekend een bedrag van € 62.140,45 De rechtbank heeft rekening gehouden met een bedrag van slechts € 56.798,66. De verdediging verzoekt uw Hof het gehele bedrag in mindering te brengen op de uiteindelijk vast te stellen ontnemingsbedrag." 2.4. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. (i) Krachtens art. 51lf Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 51lg, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden. (ii) Als wettig bewijsmiddel zal veelal een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport in het geding zijn gebracht met een beredeneerde, al dan niet door de methode van vermogensvergelijking verkregen, begroting van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. Een dergelijk rapport is doorgaans zo ingericht dat daarin onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens gevolgtrekkingen worden gemaakt omtrent de verschillende posten die door de opsteller(s) van het rapport aan het totale wederrechtelijk voordeel ten grondslag worden gelegd. In beginsel staat geen rechtsregel eraan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een financieel rapport als zojuist bedoeld te doen berusten. (iii) Indien en voor zover een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking - blijkens vaststelling door de rechter - door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport. (iv) Indien door of namens de betrokkene zo een gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, dienen aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel nadere eisen te worden gesteld. In dat geval zal de rechter in zijn overwegingen met betrekking tot die schatting moeten motiveren op grond waarvan hij ondanks hetgeen door of namens de betrokkene tegen die gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd, die gevolgtrekking aanvaardt. Indien de rechter de aan het financieel rapport of aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, die hij bij zijn oordeel daaromtrent betrekt en die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in de overwegingen (samengevat) weergeeft onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit art. 359, derde lid, Sv voortvloeiende verplichting voldaan (vgl. HR 26 maart 2013, LJN BV9087). 2.5. De bij 2.2.1 hiervoor weergegeven overwegingen in samenhang met de bij 2.2.2 weergegeven bewijsmiddelen voldoen aan de zojuist bij (iii) en (iv) vermelde eisen. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat in die overwegingen is vastgesteld dat een aantal in de vermogensvergelijking opgenomen posten, te weten dagelijkse uitgaven en sieraden, de gestelde dubbeltelling terzake van belening van een sieraad, alsmede uitgaven voor enkele auto's niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Verder is in die overwegingen naar behoren uiteengezet, telkens met opgave van de feiten en omstandigheden waaraan het Hof doorslaggevende betekenis heeft toegekend en met vermelding van het wettige bewijsmiddel waaraan het Hof die feiten en omstandigheden heeft ontleend, waarom de in de wettige bewijsmiddelen opgenomen berekening van dat wederrechtelijk verkregen voordeel op enkele punten terecht is bestreden zodat die berekening in de door de verdediging voorgestane zin moet worden herzien, en overige onderdelen van die berekening vruchteloos zijn bestreden in die zin dat aannemelijk is dat de daar genoemde uitgaven daadwerkelijk door de betrokkene zijn gedaan. 2.6. Het middel faalt. 3. Beoordeling van het tweede middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beoordeling van het derde middel 4.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden. 4.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 270.502,37. In de omstandigheid dat de Hoge Raad eerst uitspraak doet nadat meer dan 36 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde betalingsverplichting te verminderen als hierna vermeld. 5. Slotsom Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 260.000,- bedraagt; verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 4 juni 2013.
ECLI:NL:HR:2013:BU3984
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene.
ECLI:NL:HR:2013:BX8746
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 16/05560 P Zitting: 15 mei 2018 Mr. D.J.C. Aben Conclusie inzake: [betrokkene] 1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 3 november 2016 – onder vernietiging van het beroepen vonnis – het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 72.087,- en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van datzelfde bedrag aan de staat.

2. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingediend houdende twee middelen van cassatie.

3. Voor een beter begrip van de middelen, die beide de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanvechten, geef ik eerst de bestreden uitspraak voor zover relevant volledig weer: “Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 10 juni 2014 is de veroordeelde, voor zover hier van belang, onder andere ter zake van het in zijn strafzaak onder 2 bewezen verklaarde, gekwalificeerd als: tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte maken, veroordeeld tot straf. (…) Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat de veroordeelde uit het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Op grond van het vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 10 juni 2014 in de strafzaak tegen de veroordeelde alsmede het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, d.d. 13 november 2014, opgemaakt door rapporteur [verbalisant], hoofdagent van politie Rotterdam, stelt het hof de schatting van dat voordeel vast op een bedrag van € 104.447,-. Het hof neemt de berekening, zoals opgenomen in het bovengenoemde rapport op pagina 16 tot en met 21, over en maakt deze tot de zijne. Onder de veroordeelde zijn twee auto's met een totaalwaarde van € 26.180,-alsmede een geldbedrag van in totaal € 6.140,- in beslag genomen en door de rechtbank Rotterdam in de strafzaak tegen de veroordeelde verbeurd verklaard.

Het hof zal deze bedragen derhalve in mindering brengen op het bovengenoemde bedrag. Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op (€ 104.447,- -/- € 32.360,- =) € 72.087,-. Ter terechtzitting heeft de raadsman - overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities - aangevoerd (kort weergegeven) dat de aanschaf van de Mercedes, de Harley Davidson, de Audi S4 en het bij de veroordeelde thuis aangetroffen geldbedrag van € 14.500,- (deels) verklaarbaar zijn uit legale inkomsten en niet in de kasopstelling betrokken dienen te worden.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat de betreffende inbeslaggenomen en verbeurdverklaarde auto's niet voor marktconforme geldbedragen zijn verkocht. Het hof acht voorgaande stellingen van de verdediging onvoldoende onderbouwd en overigens ook niet aannemelijk geworden, zodat de verweren worden verworpen.” 4. Het door het hof genoemde rapport ‘berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling d.d. 13 november 2014’ bevindt zich onder de stukken die ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. De pagina’s 16 tot en met 21 bevatten een zogeheten ‘eenvoudige kasopstelling’ met enige toelichting op de daarin opgenomen posten, en per post met verwijzingen naar documenten met code.

Ik ben bij gebreke van enige klacht daarover in cassatie niet ambtshalve nagegaan of die verwijzingen verifieerbaar, correct en/of volledig zijn. Hoewel dat niet met zoveel woorden tot uitdrukking is gebracht, wijst de kasopstelling uit dat de rapporteur de betrokkene en zijn partner, [betrokkene 1], als economische eenheid heeft aangemerkt. Dat uitgangspunt is in feitelijke aanleg niet aangevochten en daarover wordt thans ook niet geklaagd. Evenmin wordt in cassatie opgekomen tegen de grondslag van de ontneming (het bewezen verklaarde witwassen).

Het gaat de steller van het middel uitsluitend om de motivering van de ontnemingsmaatregel in het licht van hetgeen ter terechtzitting is ingebracht tegen de begroting van posten die onderdeel zijn van de eenvoudige kasopstelling.

5. Het eerste middel klaagt over een gebrek aan respons op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, waarvan het hof is afgeweken, te weten (1) dat uit onder meer getuigenverklaringen blijkt dat requirant inkomsten heeft gehad in de vorm van een bruidsschat, (2) dat de aanschaf van de Mercedes, de Harley Davidson, de Audi S4 en de bij requirant aangetroffen contanten (deels) verklaarbaar zijn uit legale inkomsten, en (3) dat de verbeurdverklaarde auto’s niet op last van het OM voor marktconforme prijzen zijn verkocht.

6. Wat betreft de onder (1) en (2) genoemde standpunten het volgende. De raadsman heeft ter terechtzitting van 20 oktober 2016 volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal gepleit overeenkomstig zijn bij die gelegenheid overgelegde pleitnota. In de cassatieschriftuur heeft de steller van het middel de inhoud van deze pleitnotities voor zover relevant weergegeven.

7. Zoals hierboven reeds aangehaald heeft het hof op deze standpunten uitsluitend gerespondeerd met de overweging dat de “stellingen van de verdediging onvoldoende [zijn] onderbouwd en overigens ook niet aannemelijk [zijn] geworden.” Hieruit maak ik op dat het hof de hier bedoelde standpunten van de verdediging niet heeft aangemerkt als uitdrukkelijk en onderbouwd, althans niet als een zodanig gemotiveerde betwisting van een gevolgtrekking dat daarop bij aanvaarding van die gevolgrekking meer uitgebreid moest worden gerespondeerd dan zoals het hof in het bestreden arrest heeft gedaan.

8. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de raadsman zich ter terechtzitting wat betreft de standpunten onder (1) en (2) heeft beroepen op niet verifieerbaar bronmateriaal over de omvang van de gestelde bruidsschat en op een leenovereenkomst van een vriend van de betrokkene, waarvan de authenticiteit niet zonder meer vaststaat. De steller van het middel verlangt kennelijk dat het hof uitgebreid reageert op matig onderbouwde stellingen van de zijde van de verdediging, zoals de stellingen dat de bruiloft slechts duizend euro heeft gekost en dat de gasten twintig- tot dertigduizend euro hebben bijgedragen aan (uiteindelijk) de aanschaf van (dure) motorrijtuigen. Meer dan de overweging dat dit bewijsverweer onvoldoende is onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk is geworden, kan in casu niet van het hof worden geëist.

9. Onder (3) bevat het middel de klacht dat de verbeurdverklaarde voertuigen door justitie voor minder dan marktconforme prijzen zijn verkocht en dat als consequentie daarvan niet de verkoopopbrengst maar de (hogere) aanschafprijs van de verbeurdverklaarde voertuigen in mindering had moeten worden gebracht op de begroting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

10. Deze klacht steunt op een meer algemene notie, te weten dat de betrokkene binnen het bestek van de voordeelsontneming moet (of kan) worden gecompenseerd voor de vermogensstraf die hem in de hoofdzaak wegens het begaan van een delict (onherroepelijk) is opgelegd indien en voor zover die vermogensstraf strekt tot het ontnemen van voordeel dat voortvloeit uit hetzelfde delict als waarop de ontnemingsmaatregel is gegrond. De maatregel is immers gericht op de ontneming van het voordeel dat in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk is behaald als uitvloeisel van de strafbare gedraging die aan de schatting van dat voordeel ten grondslag ligt. De maatregel is wegens het reparatoire karakter ervan niet gericht op méér dan de ontneming van dat voordeel, en met name niet op de toevoeging van extra leed.

11. In ’s hofs overwegingen ligt als zijn – in cassatie onbestreden – vaststelling besloten dat de (onherroepelijk geworden) verbeurdverklaring van de Mercedes en de BMW M3 onverkort strekte tot de afroming van voordeel dat voortkomt uit hetzelfde delict als waarop de ontnemingsmaatregel is gegrond. Het hof heeft “de totaalwaarde” van de voertuigen – naar ik begrijp: de waarde op het moment van inbeslagneming onder de betrokkene – in mindering gebracht op het bedrag waarop het wederrechtelijke verkregen voordeel wordt geschat. Naar ik aanneem heeft het hof voor het bepalen van deze totaalwaarde – zonder enige toelichting – aansluiting gezocht bij het bedrag dat de voertuigen bij de latere verkoop door justitie zouden hebben opgebracht, naar ik begrijp: “€ 26.180,-” (het hof zal – als ik dat alles goed begrijp – hebben bedoeld: € 26.220,-).

12. In hoger beroep had de raadsman omtrent dit bedrag voor zover relevant het volgende aangevoerd: “Cliënt kan zich in deze relatief geringe aftrek niet vinden. De rechtbank merkt in haar ontnemingsvonnis ook al op dat er een aanzienlijk verschil zit tussen de aanschafprijzen en de verbeurd verklaarde som van die auto’s: De Mercedes op 26 juni 2012 is aangeschaft voor een bedrag van € 18.100,- en de BMW M3 op 9 september 2013 voor een bedrag van € 38.000,-. Dit betekent t.o.v. de aanschafprijs een enorm waardeverlies: € 56.100,- minus € 26.220,- maakt € 29.880,-. (…) De BMW M3 is op 9 sept 2013 aangeschaft en cliënt is al een kleine 3 maanden later op 27 nov 2013 aangehouden, waarbij o.a. deze auto in beslag is genomen.

Een dergelijk waardeverlies binnen drie maanden kan eenvoudigweg niet. Het pv bevindingen op p 48 van 30 okt 2013 vermeldt een verkoopwaarde voor de Mercedes tussen de € 16.950,- en € 18.950,-. En voor de BMW tussen de €44- en € 55.000,- e.e.a. afhankelijk van de staat van de auto en de kilometerstand (nu zal de staat van deze auto goed geweest zijn want deze auto was o.a. de reden om cliënt in kader ‘patseraanpak’ in okt 2013 staande te houden). Het rapport berekening wederrechtelijk voordeel van 13 nov 2014 (bijna jaar later) vermeldt onder kopje ‘inbeslaggenomen vermogenscomponenten’ nog aan geschatte dagwaarde voor de BMW van € 39.200,- (alleen dit is al veel meer dan het- totaalbedrag waarvoor de Staat beide auto ’s verkocht heeft) Doel van de ontnemingsprocedure is om veroordeelde terug te brengen in de financiële positie die hij zou hebben gehad als hij de strafbare feiten niet zou hebben gepleegd.

Voornoemd aftrekbedrag doet daar absoluut geen recht aan. Cliënt wordt zo onevenredig zwaar benadeeld. Kortom: de aanschafprijzen van deze auto ’s hadden in mindering gebracht moeten worden op het te ontnemen bedrag.” 13. Zoals gezegd heeft het hof – ook op dit punt – geoordeeld dat de stellingen van de verdediging “onvoldoende [zijn] onderbouwd en overigens ook niet aannemelijk [zijn] geworden”. De waarde van beide voertuigen heeft het hof zonder enige toelichting gesteld op € 26.180,-. In het licht van hetgeen hieromtrent ter terechtzitting is aangevoerd, acht ik dat oordeel niet begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.

De verwijzingen van de raadsman naar het verschil tussen aankoopprijs en verkoopprijs, en naar de in het proces-verbaal van bevindingen en het financiële rapport opgenomen (hogere) dagwaarden hadden het hof aanleiding moeten geven toe te lichten op welke gronden het afwijkt van het hier besproken standpunt van de verdediging. In zoverre slaagt het middel.

14. Het middel slaagt ten dele.

15. Het tweede middel bouwt voor een deel voort op het eerste middel. De steller van het middel staat in de toelichting stil bij de wijze waarop in eerste aanleg is gekomen tot de bepaling van de marktwaarde van de verbeurdverklaarde voertuigen. Hij wijst in dat verband op – door het hof overgenomen – rekenfouten die de officier van justitie en de rechtbank zouden hebben gemaakt, en klaagt ten slotte onder verwijzing naar rechtspraak dat ‘s hofs schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet berust op de inhoud van wettige bewijsmiddelen, althans dat het hof die schatting onvoldoende heeft gemotiveerd, mede doordat het hof een gevolgtrekking omtrent de waarde van de verbeurdverklaarde voertuigen heeft aanvaard ofschoon die gevolgtrekking door de verdediging ter terechtzitting ‘voldoende gemotiveerd’ was betwist.

16. In vervolg op mijn beschouwingen naar aanleiding van het eerste middel zie ik voetangels en klemmen in de bepaling van de waarde van de verbeurdverklaarde voertuigen die het hof in mindering heeft gebracht op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

17. Niettemin meen ik dat het middel niet kan slagen, en dat is vanwege het volgende. Het hof heeft zoals gezegd het bedrag waarop de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat verminderd met de waarde van de twee voertuigen die in de hoofdzaak waren verbeurdverklaard. Dogmatisch is dat niet juist. De waarde van de verbeurdverklaarde voorwerpen dient onder de geschetste condities niet in mindering te worden gebracht op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt begroot, doch op het bedrag van de betalingsverplichting aan de staat. Hetgeen met het oog op voordeelsontneming wordt verbeurdverklaard reduceert immers niet de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar alleen de omvang van hetgeen na de verbeurdverklaring nog moet worden ontnomen om de betrokkene in de vermogenspositie te brengen waarin hij zou hebben verkeerd indien hij géén wederrechtelijk voordeel zou hebben verkregen.

18. Deze conclusie heeft gevolgen voor de toepasselijkheid van bewijsmotiveringsregels. Voor de bepaling van de hoogte van het aan de staat te betalen geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel geldt niet de eis van art. 511f Sv dat die bepaling moet zijn ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Voldoende is dat de feiten en omstandigheden die hieraan ten grondslag liggen uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Omtrent de toepassing van die regel klaagt het middel niet.

19. Het eerste middel slaagt ten dele. Het tweede middel faalt.

20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544 m.nt. Borgers; HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT6251; HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT6374; HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU3984; HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8746; HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU2056, NJ 2013/547; HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1163;

HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:184; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3255; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3257; HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:8. De totstandkomingsgeschiedenis van de Wet van 31 maart 2011, Stb. 2011, 171 (Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming) brengt tot uitdrukking dat het mogelijk is om voordeel te ontnemen middels de toepassing van straf. Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 194, nr. 3 (MvT), p. 4: “Met de uitbreiding — zo luidt het voorstel — kunnen ook voorwerpen die niet rechtstreeks afkomstig zijn van het strafbare feit waarvoor een veroordeling is uitgesproken, maar die uit de baten daarvan zijn verkregen, worden verbeurdverklaard.

Ook voorwerpen die met de opbrengsten van dit strafbare feit zijn aangeschaft komen zo voor verbeurdverklaring in aanmerking. Hetgeen in het verband van de ontnemingsmaatregel als ‘vervolgprofijt’ pleegt te worden aangeduid, kan zo met het instrument van de bijkomende straf van verbeurdverklaring van de veroordeelde worden afgenomen. Met dit vervolgprofijt wordt de meeropbrengst aangeduid die met het primair behaalde voordeel is verkregen. Met de voorgestelde verruiming van de bijkomende straf van verbeurdverklaring, wordt uitvoering gegeven aan het gezichtspunt dat ook langs andere wegen dan door middel van de formele ontnemingsmaatregel kan worden bereikt dat aan de veroordeelde crimineel vermogen wordt ontnomen.” Zie tevens HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, NJ 2016/283 m.nt.

Reijntjes, waarin de Hoge Raad overwoog: “Uit de [hierboven, D.A.] weergegeven wetsgeschiedenis volgt dat ook door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Mede gelet daarop is in zijn algemeenheid onjuist het oordeel van het Hof dat het onder de betrokkene inbeslaggenomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde geldbedrag van € 5.020 niet in mindering moet worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting.

De bestreden beslissing is daarom ontoereikend gemotiveerd.” Zie ook HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:433; HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:429, r.o. 2.8, alsmede HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:1033. Zie HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714, NJ 1998/242, zulks onder verwijzing naar de memorie van toelichting, Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 78, alsmede naar de memorie van antwoord: “Uit de ratio van de oplegging van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel valt af te leiden wat voor ontneming in aanmerking komt.

Genoemde maatregel strekt ertoe te bereiken dat de veroordeelde in de vermogenspositie wordt gebracht die zou hebben bestaan indien hij niet onrechtmatig had gehandeld.” Kamerstukken II 1990/91, 21 504, nr. 5, p.

26. Ik kom hieronder nog terug op de kwestie dat de waarde van de verbeurdverklaarde voorwerpen onder de geschetste condities niet in mindering dient te worden gebracht op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, doch op het bedrag van de betalingsverplichting aan de staat. Het vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 28 januari 2016, p. 6, wijst uit dat naar de mededeling van de officier van justitie met het in beslag genomen en verbeurdverklaarde geldbedrag van 6.140 euro, tezamen met de verbeurdverklaarde voertuigen (Mercedes en BMW) een totaalbedrag van 32.360 euro was “gemoeid”.

Naar ik begrijp heeft zowel de rechtbank als het hof hieruit opgemaakt dat de voertuigen bij verkoop in totaal 26.180 euro hebben opgebracht. De steller van het middel wijst er terecht op dat deze rekenkundige operatie niet vlekkeloos is uitgevoerd. Een bedrag van 32.360 euro minus een bedrag van 6.140 euro levert een bedrag van 26.220 euro op. Deze rekenfout leidt overigens niet tot benadeling van de betrokkene doordat zowel de rechtbank als het hof het gehele bedrag van 32.360 euro in mindering heeft gebracht op het vastgestelde voordeelsbedrag.

HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, NJ 2016/283 m.nt. Reijntjes; HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:433; HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:429, r.o. 2.8, alsmede HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:1033.