Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2018:1034 ECLI:NL:PHR:2018:1034 AI generated

ECLI:NL:PHR:2018:1034 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2018:1034
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Zaaknr: 17/04830 mr. R.H. de Bock Zitting: 7 september 2018 Conclusie inzake: Diavolezza B.V. 3. [eiser 3] 4. [eiseres 4] mr. F.E. Vermeulen tegen Nethave N.V. mr. J.W.H. van Wijk. 1Feiten In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan, grotendeels ontleend aan het arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 juli 2017 (rov.2.2). Enigszins verkort weergegeven gaat het om het volgende. 1.1 D-Age is een investerings- en beleggingsfonds. De aandelen van D-Age zijn grotendeels in handen van Palu Beleggingen BV. De aandelen van Palu Beleggingen zijn deels in handen van Diavolezza. [eiser 3] en [eiseres 4] zijn (indirect) bestuurders van zowel Palu als Diavolezza.

Legislator headnote

AI generated

art. 241 Rv, artikel 241 Rv, artikel 6:96 lid 2 BW, art. 6:96 lid 3 BW, art. 6 EVRM, art. 6:74 BW; ECLI:NL:PHR:2018:1034 · Parket bij de Hoge Raad: Volgens het hof is reeds om die reden het beroep van Diavolezza c.s. en D-Age op art. 12 van de vaststellingsovereenkomst niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (rov. 7.13). Daarbij komt dat het initiatief tot de schikking door Nethave werd genomen en D-Age slechts wilde schikken indien ‘het boek daarna definitief dicht kon’ (rov. 7.16-7.17). De directie en de raad van commissarissen waren vanwege twijfel over de betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 1] geen voorstander van schikking, maar zij hebben de wens van de aandeelhouders om te schikken, laten prevaleren (rov. 7.17 en 7.18).

Keywords

AI generated
art. 241 Rv artikel 241 Rv artikel 6:96 lid 2 BW art. 6:96 lid 3 BW art. 6 EVRM art. 6:74 BW

Cited Legislation

AI generated
art. 241 Rv
art. 241 Rv afwijkende regeling hebben willen treffen, namelijk een volledige proceskostenveroordeling in geval van schending van het ‘procedeerverbod’ (rov.
artikel 241 Rv
Deze rechtsoverweging luidt: “3.11 Over de proceskosten als bedoeld in artikel 241 Rv en de mogelijke afwijking van het liquidatietarief in het voordeel van D-Age en Diavolezza c.s.
artikel 6:96 lid 2 BW
Voor wat betreft de gevorderde kosten van rechtsbijstand geldt dat onvoldoende is gebleken dat partijen in de vaststellingsovereenkomst een van art. 6:96 lid 2 en 3 BW jo.
art. 6:96 lid 3 BW
In subonderdeel 2.3 wordt aangevoerd dat het opnemen van een procedeerverbod in de vaststellingsovereenkomst impliceert dat het niet nodig is om een van de art. 6:96 lid 3 BW en art.
art. 6 EVRM
Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.
art. 6:74 BW
zijn daarentegen rechtsvorderingen op de voet van art. 6:74 BW, die strekken tot het verkrijgen van schadevergoeding wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van het in de vaststellingsovereenkomst.
art. 237 Rv
In subonderdeel 3.2 wordt gesteld dat de rechterlijke begroting van de proceskosten alsmede een eventuele afwijking van het liquidatietarief op grond van art. 237 Rv in hoge mate discretionair is.
art. 236 Rv
3.20 Op grond van art. 236 Rv (in hoger beroep: jo.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHDHA:2017:1929
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.190.264/01 Zaaknummers rechtbank : C/10/469896/ HA ZA15-168, C/10/471173/ HA ZA15-224 arrest van 11 juli 2017 inzake 1D-Age B.V., gevestigd te Amersfoort, 2.
ECLI:NL:RBUTR:2007:BC0686
vonnis RECHTBANK UTRECHT Sector handels- en familierecht zaaknummer / rolnummer: 205124 / HA ZA 05-2519 Vonnis van 19 december 2007 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D-AGE B.V., gevestigd te Amersfoort, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, procureur mr. P.J. Soede, tegen de naamloze vennootschap NETHAVE N.V., gevestigd te Naarden, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, procureur mr. J.M. van Noort. Partijen zullen hierna D-Age en Nethave genoemd worden. 1. De procedure 1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit: -de dagvaarding -de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring -de conclusie van antwoord inzake het incident -het vonnis in incident -de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie -de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie -de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie -de conclusie van dupliek in reconventie -de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken. 1.2.Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten Partijen en betrokkenen 2.1. D-Age is een investeringsfonds dat op 12 oktober 1999 is opgericht door Palu Beleggingen B.V. (verder: "Palu") en VC Partners B.V. (verder: “VC Partners”). Palu is een onderneming van enkele leden van de familie V., waaronder de heer C.V.. VC partners is een vennootschap waarin de heer V.V.") en de heer alle aandelen hielden. Nadat de samenwerking tussen V.V. en L. was verbroken, is de naam VC Partners B.V. gewijzigd in D-Age Management B.V. (verder: "D-Age Management"). D-Age Management is enig bestuurder van D-Age. V.V. Communications B.V. is op haar beurt enig bestuurder van D-Age Management en bestuurder van V.V. Communications B.V. is V.V.. De aandelen in D-Age werden tot voor kort voor 90% gehouden door Palu en voor 10% door D-Age Management. 2.2. D-Age richt zich als investeringsmaatschappij op het doen van investeringen en beleggingen in bedrijven in de informatie- en communicatietechnologie en -diensten (ICT-bedrijven). 2.3. Nethave is een private equity fonds dat op 21 december 1998 is opgericht. Bestuurder van Nethave is Nethave Management B.V. Nethave Management B.V. is een 100% dochtervennootschap van Greenfield Capital Partners B.V. (verder: "Greenfield"). Het bestuur van Nethave Management B.V. werd ten tijde van de oprichting van Nethave gevormd door de heer F.M., de heer L.D. en P.J.. F.M. heeft deze functie tot 15 juli 2000 vervuld. 2.4. Nethave heeft een Investerings Advies Commissie (verder: “de IAC”). De IAC is kort gezegd belast met de beoordeling van door Nethave voorgenomen investeringen en het geven (of niet) van goedkeuring daarvoor. 2.5. Nethave heeft als bedrijfsdoelstelling het bijeenbrengen van gelden van particulieren en institutionele beleggers om deze aan te wenden voor investeringen in middelgrote niet beursgenoteerde bedrijven in de informatie- en communicatietechnologie sector (ICT-sector). De samenwerking 2.6. Op 12 mei 1999, derhalve vóór de oprichting van D-Age, is tussen Nethave Management B.V. voor zich en namens Nethave enerzijds en V.V. namens VC Partners anderzijds een samenwerkingsovereenkomst gesloten (verder: “de samenwerkingsovereenkomst”). In deze overeenkomst en de daarvan deeluitmakende bijlage, waarin Nethave Management wordt aangeduid als “NM” en VC Partners als “VCP”, is onder meer het volgende bepaald: “NM zal NETh@ve met ingang van datum oprichting managen en beheren. VCP zal met ingang van 1 april 1999 als adviseur ter beschikking stellen Prof. Dr. P.H.M. V.V., welke namens VCP zal optreden als lid van het Investment Advisory Committee (“IAC”) van NM. (…) De rol van de IAC is een adviserende waarbij in een vroeg stadium alle mogelijke transacties door de directie (NM) voor advies worden voorgelegd aan de IAC. (…) Deze overeenkomst wordt in beginsel aangegaan voor een looptijd gelijk aan de duur van NETh@ve, doch met een minimumperiode van 5 jaar. Tussentijdse beëindiging is eerst mogelijk na een periode van 2 jaar met een opzegtermijn van 12 maanden. (…) De IAC zal vervolgens NM adviseren over mogelijke verdere studie waarna besluitvorming wordt voorbereid door NM nadat opnieuw een definitief investeringsvoorstel voor een laatste (positief) advies aan de IAC is voorgelegd. Aldus wordt in twee stappen een toetsingsprocedure met de IAC uitgevoerd. Met betrekking tot de samenwerking met VCP wordt nadrukkelijk afgesproken dat beide partijen onafhankelijk van elkaar een investeringsbeleid zullen uitvoeren waarbij ernaar wordt gestreefd dat beide partijen passend binnen ieders strategie elkaar “co-investerings rights” te verlenen. Uiteraard dient hierbij de wens van de oorspronkelijke aandeelhouders van NETh@ve en mogelijke andere partijen te worden gerespecteerd indien zulks niet tot de mogelijkheden zou behoren. (…)” 2.7. Op 28 juni 1999 heeft F.M. het volgende aan V.V. geschreven: “Gaarne bevestig ik onze afspraak van afgelopen zondag waarin je mededeelde dat D-Age B.V. zal participeren in NETh@ve N.V. voor een bedrag van f. 5 mio. Wij zijn zeer verheugd dat deze zaak tot een afronding is gekomen (...) Voorts kwamen wij overeen dat D-Age in de gelegenheid wordt gesteld om als partner te participeren in de toekomstige investeringen voor in beginsel 25% van de investeringsmogelijkheid. Uiteraard zal hierbij in specifieke gevallen moeten kunnun worden afgeweken, doch dat laat zich regelen binnen het investment committee. (...)” 2.8. De toegezegde investeringen in Nethave, waaronder begrepen die van D-Age van NLG 5.000.000,00, zouden in vier zogenaamde “calls” moeten worden voldaan. Nadat de eerste drie calls waren betaald, dus in het geval van D-Age NLG 3.750.000,00, heeft Nethave tijdens de algemene ledenvergadering van 16 oktober 2002 besloten de 4e call vrijwillig te maken. Vervolgens kreeg iedere participant twee maanden de tijd om te kiezen of zij op de 4e call wilde storten of niet. D-Age heeft afgezien van het storten van de 4e call. 2.9. Nethave heeft op 25 september 2003 V.V. geïnformeerd over het feit dat de samenwerkingsovereenkomst per 1 april 2004 door tijdsverloop zal eindigen en dat Nethave niet voornemens is de overeenkomst te verlengen. 2.10. Tijdens een gesprek op 23 oktober 2003 heeft D-Age met betrekking tot een tweetal, hierna nog te bespreken, investeringen van Nethave een mondeling beroep op het volgens D-Age aan haar - in de brief van 28 juni 1999 toegekende - co-investeringsrecht gedaan. 2.11. Op 15 december 2003 heeft V.V., voor zover van belang, het volgende aan Nethave, ter attentie van P.J., geschreven: “In juni 1999 spraken D-Age BV en NETh@ve af dat D-Age BV zou participeren in NETh@ve voor een bedrag van NLG 5.000.000. Voorts werd overeengekomen dat D-Age BV in de gelegenheid zou worden gesteld om als partner te participeren in alle toekomstige investeringen van NETh@ve voor in beginsel 25%. De afspraken zijn bevestigd in een brief die jouw voorganger mij op 28 juni 1999 zond. (…) Voor zover ik kan nagaan, is aan de afspraak door NETh@ve geen, althans onvoldoende gevolg gegeven. Naar wij begrijpen heeft NETh@ve bijvoorbeeld in Telfort en Enertel investeringen gedaan zonder dat aan D-Age de gelegenheid is geboden voor 25% in die investeringen als partner te participeren. Wellicht zijn nog andere investeringen gedaan dan wel worden andere investeringen door NETh@ve voorgenomen zonder dat aan onze gemaakte afspraken op correcte wijze door NETh@ve NV uitvoering wordt gegeven. Ik verzoek je dan ook hierbij om te willen bewerkstelligen dat NETh@ve uiterlijk binnen veertien dagen na heden aan D-Age BV een gedetailleerde opgave doet van de investeringen die NETh@ve sedert 28 juni 1999 heeft gedaan en thans mogelijkerwijze voornemens is te doen. Daarbij verzoek ik je niet alleen aan te geven in welke ondernemingen voor welk percentage is deelgenomen, maar ook aan te geven welke prijs bij aanvang van de investering is betaald en welke waarde thans aan de investering wordt toegekend. Vervolgens zullen wij in onderling overleg kunnen bezien hoe alsnog op goede wijze uitvoering kan worden gegeven aan de tussen D-Age en NETh@ve gemaakte afspraken. De eenvoudigste wijze lijkt mij dat D-Age alsnog in de gelegenheid wordt gesteld indien zij dat wenst, voor in beginsel 25% in de door NETh@ve na 28 juni 1999 gedane investeringen te participeren op basis van een instapprijs die 25% bedraagt van de door Neth@ve voor haar investering betaalde prijs. Voor de toekomst dringen wij er graag bij jou op aan dat door NETh@ve op correcte wijze verdere uitvoering aan de gemaakte afspraken wordt gegeven.” De in het geding zijnde investeringen/ herkapitalisaties 2.12. Nethave heeft onder meer de navolgende investeringen/herkapitalisaties gedaan: 1. Op 15 augustus 2002 heeft Nethave voor een bedrag van EUR 500.000,00 een 100% (indirect) belang verworven in Enertel N.V. (verder: “Enertel”). Enige tijd later heeft Nethave dit belang verkocht. Het totale netto resultaat van de investering in Enertel heeft Nethave een bedrag van EUR 6.392.000,00 opgeleverd; 2. Op 3 juni 2003 heeft Nethave voor een bedrag van EUR 7.500.000,00 een 40% (indirect) belang in Telfort B.V. (verder: “Telfort”) verworven. In november 2004 heeft Nethave dit belang verkocht aan Boekhoorn Finance I B.V. Hiermee heeft Nethave een netto resultaat gerealiseerd van EUR 149.565.000,00; 3. Op 31 augustus 2004 heeft Nethave EUR 6.350.000,00 betaald voor een 35% (indirect) belang in Canal+/Canal Digitaal (verder: “Canal+”). Deze investering heeft - na verkoop van het 35% belang - een netto resultaat opgeleverd van EUR 72.970.000,00; 4. Ten slotte heeft Nethave, direct na dan wel gelijktijdig met de hiervoor onder 2. bedoelde verkoop van haar belang in Telfort, een belang van 23,55 % in Boekhoorn Finance I B.V. (de nieuwe 100% aandeelhouder in Telfort) gekocht voor een bedrag van EUR 16.500.000,00. In juni 2005 heeft Boekhoorn Finance I B.V. haar 100% belang in Telfort aan KPN verkocht, hetgeen Nethave als aandeelhouder van Boekhoorn Finance I B.V. een netto resultaat heeft opgeleverd van EUR 182.155.000,00. 2.13. Het totale netto resultaat van de onder 2. genoemde transacties bedraagt EUR 411.082.000,00. Een percentage van 25% van dit bedrag is EUR 102.770.500,00. 3. Het geschil in conventie 3.1. D-Age vordert na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, A. voor recht te verklaren dat: 1. Nethave aan D-Age in 1999 een co-investeringsrecht heeft toegekend, waarbij D-Age het recht heeft steeds voor in beginsel 25% (vijfentwintig procent), dit naar eigen keuze van D-Age, in alle investeringen die Nethave doet of heeft gedaan, te participeren op dezelfde condities (pro rata parte het door D-Age te nemen belang) als waarop Nethave het desbetreffende belang verwerft of heeft verworven en dat Nethave aan dat co-investeringsrecht van D-Age nog steeds gebonden is. en 2. Nethave toerekenbaar tekortgekomen is en in verzuim is met betrekking tot de nakoming van haar verplichtingen jegens D-Age op grond van dit co-investeringsrecht ten aanzien van de door Nethave gedane investeringen in Enertel Holding, Telfort Holding, Airfield Holding (Canal+/Canal Digitaal) en Telfort Beheer B.V. en dat Nethave gehouden is, voorzover mogelijk, alsnog haar verplichtingen na te komen met vergoeding aan D-Age van de schade die D-Age, als gevolg van de late nakoming door Nethave, heeft geleden en verder zal lijden, en dat Nethave voorts gehouden is, indien en voor zover nakoming niet meer mogelijk is, om welke reden dan ook, aan D-Age een vervangende schadevergoeding te betalen ter zake van de volledige door D-Age, als gevolg van het niet hebben kunnen co-investeren, geleden schade met inbegrip van alle terzake door D-Age geleden verliezen en gederfte winsten; en 3. het stelselmatig weigeren D-Age als co-investeerder in de gelegenheid te stellen in de investeringen van Nethave te laten participeren, terwijl Nethave wel andere aandeelhouders in de gelgenheid heeft gesteld om te co-investeren in Enertel Holding, Telfort Holding, AirField Holding en Telford Beheer, jegens D-Age, gezien de in de dagvaarding omschreven omstandigheden, eveneens strijd oplevert met het bepaalde in artikel 2:8 BW en 2:201 BW en tevens jegens D-Age een handelen oplevert in strijd met hetgeen volgens het maatschappelijk verkeer betaamt en mitsdien een onrechtmatige daad van Nethave jegens D-Age in de zin van artikel 6:162 BW vormt, en dat Nethave jegens D-Age gehouden is, de als gevolg van haar handelen in strijd met srtikel 2:8 BW en/of artikel 2:201 BW en/of in strijd met artikel 6:162 BW veroorzaakte schade volledig aan D-Age te vergoeden. en voorts B. primair nu nakoming door Nethave van de op haar rustende verplichtingen op grond van het aan D-Age gegeven co-investeringsrecht niet meer mogelijk is, Nethave te veroordelen aan D-Age te betalen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, bij wijze van vervangende schadevergoeding, uiterlijk binnen 2 (twee) dagen na betekening aan Nethave van het te dezen door de rechtbank te wijzen vonnis, een bedrag van EUR 102.770.500,00 (zegge: honderdtwee miljoen zevenhonderd zeventig duizend vijfhonderd euro), welk bedrag correspondeert met 25% (zegge: vijfentwintig procent) van de in de periode vanaf de datum van verwerving van de betreffende belangen tot en met 31 december 2006 door Nethave aan netto winst/inkomsten in de zin van artikel 6:104 BW ontvangen bedragen, daaronder begrepen de bedragen die Nethave in die periode heeft ontvangen ten titel van netto verkoopprijs en/of dividenden en/of terugbetaling van agio en/of terugbetalingen op leningen en/of renteontvangsten en/of ten welke andere titel dan ook, voortvloeiend uit en verbonden aan het aandeelhouderschap van Nethave in Enertel B.V. via Enertel Holding B.V., in Telford B.V. via Telford Holding B.V., in Canal+/Canal Digitaal via AirField Holding B.V. en in Telfort B.V. via Boekhoorn Finance I/Telfort Beheer B.V., nog te vermeerderen, voor wat betreft de na 31 december 2006 nog door Nethave ontvangen c.q. te ontvangen bedragen met 25% (zegge: vijfentwintig procent) van alle bedragen die Nethave aan winst in de zin van artikel 6:104 BW sedert 31 december 2006 nog ontvangen heeft c.q nog zal gaan ontvangen, daaronder begrepen de bedragen die Nethave zal gaan ontvangen ten titel van (aanvullende) netto verkoopprijs en/of dividenden en/of terugbetaling van agio en/of terugbetaling op leningen en/of rente-ontvangsten en/of ten welke titel dan ook, voortvloeiend uit en verbonden aan het aandeelhoudersschap van Nethave in Enertel B.V. via Enertel Holding B.V., in Telford B.V. via Telford Holding B.V., in Canal+/Canal Digitaal via AirField Holding B.V. en in Telfort B.V. via Boekhoorn Finance I/Telfort Beheer B.V., welke bedragen voldaan dienen te worden uiterlijk binnen 2 (twee) dagen nadat Nethave de betreffende bedragen zal hebben ontvangen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop Nethave de betreffende winsten c.q. inkomsten heeft dan wel zal hebben genoten c.q. de bedragen heeft dan wel zal hebben ontvangen tot aan de dag der voldoening door Nethave B. Subsidiair Nethave te veroordelen, aan D-Age over te dragen uiterlijk binnen 14 dagen na de betekening van het te dezen door de rechtbank te wijzen vonnis, tegen betaling door D-Age aan Nethave, tegen finale kwijting van een verkoopprijs, per aandeel, gelijk aan de door Nethave op het moment van de verwerving van het betreffende aandeel betaalde koopprijs, 25% (zegge vijfentwintig procent) van alle op het moment van betekening van het te dezen door de rechtbank te wijzen vonnis, door Nethave gehouden aandelen in (1) Enertel Holding B.V. (2) Telford Holding B.V. (3) AirField Holding B.V. en (4) Telford Beheer B.V., met alle aan die aandelen verbonden nevenrechten, een en ander overigens op dezelfde voorwaarden als waarop Nethave de betreffende aandelen zal hebben verkregen, voor zover die voorwaarden, gezien de nadien gewijzigde omstandigheden, thans nog van kracht zijn en/of relevant zijn, een en ander op straffe van verbeurte door Nethave aan D-Age van een dwangsom van EUR 100.000,00 (zegge honderdduizend euro) voor iedere dag dat Nethave in gebreke zal zijn met de nakoming van haar leveringsverplichting aan D-Age; en voorts Nethave te veroordelen, uiterlijk binnen twee dagen na betekening aan haar van het ten deze door de rechtbank te wijzen vonnis, om aan D-Age te betalen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, bij wijze van aanvullende schadevergoeding, als gedeeltelijke vergoeding voor de schade die D-Age heeft geleden als gevolg van het feit dat Nethave toerekenbaar tekort is gekomen in haar verplichting om aan D-Age tijdig te leveren 25% van de door Nethave in Enertel Holding B.V., Telford Holding B.V., Airfield Holding B.V. en Telford Beheer B.V. gehouden aandelen met alle daaraan verbonden nevenrechten, als gevolg waarvan D-Age rente, dividend en andere betalingen is misgelopen, alsmede fiscale schade heeft geleden, dan wel nog zal lijden (doordat zij eerst later een betaling zal verwerven in de desbetreffende vennootschappen, dan waartoe zij gerechtigd was indien Nethave D-Age tijdig in staat had gesteld te co-investeren), een en ander zoals gespecificeerd in de dagvaarding, een bedrag van EUR 102.770.500,00, welk bedrag correspondeert met 25% (zegge: vijfentwintig procent) van het tot op heden, voor zover D-Age bekend, door Nethave behaalde rendement, na aftrek van investeringskosten, op de door Nethave in Enertel Holding B.V., Telford Holding B.V., Airfield Holding B.V. en Telford Beheer B.V. gedane investeringen, een en ander zoals in de dagvaarding is aangegeven, te vermeerderen met de wettelijke rente over het voormelde bedrag dan wel de onderscheiden bedragen zoals in de aan de dagvaarding ter zake gehechte producties uitgesplitst, die tezamen het bovengenoemde bedrag vormen, vanaf 23 oktober 2003, althans vanaf de datum waarop Nethave de onderscheiden divindenden en/of andere betalingen heeft ontvangen tot aan de dag van voldoening door Nethave. en voorts C. Nethave te veroordelen om, eens per kwartaal, voor het eerst in het kwartaal waarin het in deze door de rechtbank te wijzen vonnis aan Nethave zal zijn betekend, schriftelijk aan D-Age opgave te doen, middels toesturen aan D-Age uitelijk binnen 2 (twee) weken na het verstrijken van het betreffende kwartaal, per aangetekend schrijven, van een door Nethave's registeraccountant op te stellen, schriftelijke, opgave van alle door Nethave in de, aan de datum waarop de verklaring wordt gegeven, voorafgaande periode sedert de datum waarop Nethave de onderscheiden belangen heeft verworven, ontvangen betalingen, voortvloeiend uit en verbonden aan het aandeelhouderschap van Nethave in Enertel Holding B.V., Telford Holding B.V., Airfield Holding B.V. en Telford Beheer B.V. dan wel de beëindiging daarvan, een en ander op straffe van verbeurte door Nethave aan D-Age van EUR 100.000,00 (zegge: honderdduizend euro) voor iedere dag dat Nethave in gebreke zal zijn met de nakoming van deze op haar rustende verplichting; en voorts D. Nethave te veroordelen aan D-Age te vergoeden alle overige schade die D-Age heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van Nethave's weigering D-Age te laten co-investeren, een en ander zoals aangegeven in de dagvaarding, welke schade thans nog niet (volledig) vast staat, en welke schade omvat doch niet beperkt is tot de schade die D-Age lijdt doordat zij, als gevolg van het feit dat zij niet als co-investeerder door Nethave werd toegelaten, niet in een gunstige positie verkeerde om bij vervolginvesteringen dan wel nieuwe investeringen van Nethave dan wel andere investeerders te worden toegelaten, welke schade thans nog niet begroot kan worden en derhalve zal moeten worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet; en voorts E. Nethave te veroordelen aan D-Age te vergoeden, steeds tegen behoorlijk bewijs van kwijting, de volledige schade die D-Age lijdt dan wel nog zal lijden als gevolg van het feit dat bedragen die aan D-Age op basis van het door de rechtbank in deze te wijzen vonnis zullen worden uitbetaald, niet door D-Age in fiscale zin kunnen worden ontvangen op de wijze waaop de bedragen zouden zijn ontvangen indien Nethave D-Age tijdig in staat had gesteld te co-investeren nadat D-Age ter zake aanspraak op co-investering had gemaakt, welke schade thans nog niet begroot kan worden en derhalve eveneens zal moeten worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet; en voorts F. Nethave te veroordelen tot betaling aan D-Age tegen behoorlijk bewijs van kwijting en uiterlijk binnen 7 (zeven) dagen na ontvangst door Nethave van een deugdelijk, door D-Age op te stellen, specificatie van alle betreffende kosten, alle redelijke, door D-Age gemaakte c.q. nog te maken kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid van Nethave, plus alle redelijke ksoten die D-Age heeft moeten maken ter verkrijgen van voldoening buiten rechte, deze laatste buitengerechtelijke kosten, bestaande uit een door D-Age naar redelijkheid vastgesteld bedrag van EUR 60.000,00 (zegge: zestigduizend euro) ter zake van het honorarium van de raadslieden van D-Age verband houdend met de inspanningen van D-Age on in der minne met Nethave tot een vergelijk te komen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening door Nethave; en voorts G. met veroordeling van Nethave in de kosten van de procedure, die van het salaris van de procureur en de raadslieden van D-Age daaronder begrepen. 3.2. Nethave voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.3. Nethave vordert na vermeerdering van eis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. de door D-Age gelegde conservatoire beslagen op de door Nethave gehouden aandelen in het kapitaal van Enertel Holding B.V., Telfort Holding B.V. en Misweka B.V. alsmede het ten laste van Nethave gelegde conservatoir beslag onder F. van Lanschot Bankiers en op de escrow-rekening inzake de verkoopopbrengst van de aandelen Airfield Holding B.V. op te heffen; 2. uitsluitend ingeval mocht worden geoordeeld dat aan D-Age het co-investerinsgrecht, zoals door haar gesteld daadwerkelijk is toegekend, te ontbinden de door D-Age vermeende wederkerige overeenkomst tussen Nethave en D-Age die volgens D-Age bij brief van 28 juni 1999 van de heer F.M. is bevestigd; 3. onder dezelfde voorwaarde als genoemd onder sub 2, D-Age te gelasten, op grond van de door de ontbinding ontstane ongedaanmakingsverbintenissen, de door haar gehouden aandelen in Nethave aan Nethave terug te leveren, binnen 7 dagen na betekening van het vonnis in eerste aanleg; 4. onder dezelfde voorwaarde als genoemd onder sub 2 en op dezelfde grond als genoemd onder sub 3, D-age eveneens te veroordelen aan Nethave te betalen een bedrag van EUR 9.182.829,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, binnen twee dagen na betekening van het vonnis in eerste aanleg. 3.4. D-Age voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling in conventie Uitleg co-investeringsrecht Stellingen D-Age 4.1. D-Age baseert haar hiervoor onder 3.1. omschreven vorderingen op de stelling dat aan haar door Nethave een co-investeringsrecht is toegekend, zoals omschreven in de brief van F.M. van 28 juni 1999 (zie 2.7.) In de nakoming van de daaruit voortvloeiende verplichtingen is Nethave volgens D-Age tekortgeschoten. 4.2. D-Age stelt dat de kernverplichting die voor Nethave uit het co-investeringsrecht voortvloeide, was dat zij D-Age in de gelegenheid moest stellen om als partner van Nethave te participeren in investeringen voor in beginsel 25% van de investering die Nethave zou doen. Nethave diende aan deze verplichting te voldoen door D-Age regelmatig de lijst met (voorgenomen) transacties te sturen, inclusief alle daarop betrekking hebbende relevante documentatie. Vervolgens was het aan D-Age om te besluiten of zij wel of niet in de investering van Nethave wenste te participeren. Gelet op deze afspraken, was het moment van uitoefening van het co-investeringsrecht door D-Age primair afhankelijk van het moment waarop de investeringsmogelijkheid door Nethave aan D-Age werd voorgelegd, dan wel, indien dat niet gebeurde, van het moment dat D-Age zelf aan Nethave verzocht in een concreet geval te mogen co-investeren. Stellingen Nethave 4.3. Nethave stelt zich op het standpunt dat de uitleg die D-Age geeft aan het in de brief van 28 juni 1999 geformuleerde investeringsrecht niet juist is. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Nethave - samengevat - het volgende aangevoerd: 1. Uit de enkele zinsnede “in de gelegenheid wordt gesteld om als partner te investeren” kan niet de conclusie worden getrokken dat daaruit een verplichting voor Nethave zou voortvloeien tot het verstrekken van een lijst met (voorgenomen) investeringen. 2. De zinsnede “als partner” impliceert niet dat op Nethave de verplichting zou rusten om te bewerkstelligen dat D-Age zou kunnen co-investeren onder dezelfde voorwaarden en bepalingen als waaronder Nethave zou gaan investeren, dan wel reeds had geïnvesteerd. 3. In ieder geval is evident dat de inhoud van de brief van 28 juni 1999 niet tot de conclusie kan leiden dat D-Age het recht had om op elk gewenst moment, dus ook nadat de investering door Nethave was gedaan, haar co-investeringsrecht in te roepen. D-Age zou anders immers risicoloos de krenten uit de pap kunnen vissen. 4. De woorden “voor in beginsel 25%” betekenen allerminst dat D-Age altijd, naar haar exclusieve keuze, zou kunnen investeren voor een percentage van 25%. Het ligt voor de hand dat met “in beginsel” tenminste mede werd bedoeld dat dit percentage lager zou kunnen uitvallen. 5. De toevoeging “Uiteraard zal hierbij in specifieke gevallen moeten kunnen worden afgeweken” en “dit laat zich regelen binnen het investment committee” maakt tot slot ondubbelzinnig duidelijk dat de mogelijkheid voor D-Age om te co-investeren van geval tot geval beoordeeld en vastgesteld zou moeten worden. Beoordeling 4.4. De rechtbank stelt voorop dat het bij de uitleg van op schrift gestelde afspraken, volgens vaste jurisprudentie aankomt op de zin die partijen daaraan over en weer in het licht van de omstandigheden van het geval mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien over en weer van elkaar mochten verwachten. Tussen partijen staat vast dat de in de brief van 28 juni 1999 neergelegde afspraken zijn gemaakt tussen V.V. namens D-Age i.o. en F.M. namens Nethave en dat V.V. en F.M. toentertijd bevoegd waren om D-Age i.o. respectievelijk Nethave te vertegenwoordigen. Met het oog hierop is het voor de uitleg van de in de brief van 28 juni 1999 vermelde afspraken - conform het hiervoor vermelde criterium - mede van belang wat F.M. en V.V. toen bedoeld hebben overeen te komen en tegen welke achtergrond dit gebeurde. Hierover heeft F.M. in een brief van 23 september 2005, naar aanleiding van enkele door de raadsman van D-Age gestelde vragen, het volgende verklaard: “In de periode 1998-1999 heb ik tezamen met de andere directieleden van Greenfield Capital Partners het fonds Nethave opgezet. De strategie van Greenfield was destijds om een aantal herkenbare investeringsfondsen op te zetten gericht op een specifieke sector of op een specifieke fase voor ontwikkeling van een onderneming. Nethave was in dit verband een zogehete sector fonds. Prof. Dr. P.H.M. V.V. (en ook zijn amerikaanse partner Prof. Dr. Ir. A. L.) heeft daarbij in veel opzichten geholpen, o.a. vanwege zijn kennis op het gebied van de informatie- en communicatietechnologie. Ik heb hem destijds uitgenodigd om als ‘special limited partner’ een rol te spelen, o.a. door lid te worden van het Investment Commitee van Nethave en om via zijn fonds (dat daarna D-Age is genoemd) in het nog op te zetten fonds “Nethave” te investeren. Daarover hebben wij na een lange periode van voorbereiding verschillende notities uitgewerkt en verschillende besprekingen afgerond middels een overeenkomst tot samenwerking met V.V. van 12 mei 1999 waarin zijn rol en beloning als lid van de Investerings Advies Commissie van Nethave is afgesproken. Tevens is e.e.a. nog eens gememoreerd in de brief van 28 juni 1999 waarin een aantal afspraken verder zijn vastgelegd. Het was in juni 1999 van groot belang dat het fonds D-Age zou deelnemen in Nethave: er waren toen een drietal partijen die een aanzienlijke investering in Nethave hebben toegezegd en D-Age was met haar toezegging een zeer belangrijke “fouding-partner”. Bovendien was het van belang om de naam van V.V. aan ons fonds te verbinden en onder meer door het netwerk van V.V. kon verder invulling aan de kring van adviseurs en bestuurders van het fonds worden gegeven. Om met Professor V.V. en zijn fonds goed te kunnen samenwerken – en omdat D-Age een belangrijk deel van haar te beleggen vermogen aan ons zou geven – is er afgesproken dat D-Age altijd de mogelijkheid zou hebben om tegen de kostprijs aan nieuwe investeringen te kunnen deelnemen, hetzij rechtstreeks dan wel via een tussenholding, voor in beginsel 25%, een afspraak die niet ongebruikelijk is in dergelijke situaties. Op uw vragen antwoord ik u als volgt: - De bedoeling van mijn brief van 28 juni 1999 is om het met D-Age overeengekomen “co-investment right” te bevestigen. D-Age had daarmee het recht aan investeringen van Nethave mee te doen voor in beginsel 25% tegen dezelfde voorwaarde als Nethave. Voor zover mij bekend werden daarbij een klein aantal voorinvesteringen niet in aanmerking genomen. Voor nieuwe transacties gold dit recht uiteraard wel. - Het fonds Nethave was toen nog erg nieuw en er was nog geen duidelijk omlijnd investeringsproces. Later heeft dit aldoende vorm gekregen. Het idee was dat D-Age regelmatig op de hoogte zou worden gebracht, o.a. door het geven van de lijst met de deadflow, en het aangeven van D-Age van de gedane investeringen (‘de investeringsmogelijkheden’). D-Age zou kunnen aangeven of en voor welk percentage zij zou willen investeren in de investeringsmogelijkheden dan wel de gedane investeringen. Wanneer de investering door D-Age moest plaatsvinden is niet echt in tijd gebonden. - (…) - De in mijn brief geïndiceerde mogelijke afwijking van de 25% afspraak had volgens mij te maken met de omvang van een investering (bijvoorbeeld als het om kleine bedragen zou gaan - te denken onder de 50.000 NLG -) danwel met een specifieke situatie waarbij wellicht ook grotere bedragen benodigd konden zijn (zo groot dat Nethave en D-Age die in combinatie niet aankonden) maar dat proces van besluitvorming werd overgelaten aan het overleg binnen het investment committee. Daarmee word niet bedoeld dat het co-investment recht zou worden bekort. - De passage uit de bijlage van de overeenkomst van 12 mei 1999 moet u plaatsen in de nauwe samenwerking die wij met D-Age wensten op te bouwen (D-Age hield in die tijd ook kantoor in ons pand in Utrecht). Formeel hadden wij andere aandeelhouders, de fondsen Nethave en D-Age hadden een andere investeringsstrategie, dus daar zijn de fonds managers aan gebonden. Vandaar dat ik heb geschreven dat wij ernaar streven om elkaar over en weer co-investment rights te geven. Het was echter een wens van management en aandeelhouders van D-Age dat die formeel zouden worden toegekend. Dat is wat ik heb bevestigd in mijn brief van 28 juni 1999. De uitzondering (uw puntje 7) slaat op de mogelijkheid dat een van de fondsen niet in staat zou zijn om dergelijke co-investment rights te verlenen maar dat was bij Nethave niet aan de orde.” 4.5. Op 2 februari 2006 heeft F.M. ten overstaan van een notaris verklaard dat zijn antwoorden, zoals in zijn brief van 23 september 2005 opgenomen, naar zijn herinnering de juiste, waarheidsgetrouwe weergave zijn van hetgeen destijds door hem is besproken en is overeengekomen met D-Age. 4.6. Voorts heeft F.M. over de strekking en de achtergrond van de inhoud van de brief van 28 juni 1999 - naar aanleiding van enkele vragen van de raadsvrouw van Nethave - bij brief van 8 maart 2007 schriftelijk het volgende verklaard: “Met mijn brief d.d. 28 juni 1999 beoogde ik de tot dan gemaakte afspraken over het co-investeringsrecht van D-Age, zoals vastgelegd in de 12 mei 1999 overeenkomst, weer te geven. Ik ben mij er niet van bewust dat in de periode tussen 12 mei 1999 en 28 juni 1999 hierover met D-Age verder is gesproken. Ik ben mij er dus niet van bewust dat er in die periode nadere, van de 12 mei 1999 overeenkomst afwijkende afspraken zijn gemaakt. (...) Het uitgangspunt was dat D-Age de gelegenheid had om te participeren in toekomstige investeringen van NEThave. Dit is in mijn brief vastgelegd. De wijze waarop dit zou plaatsvinden, behoefde nadere uitwerking. Dit blijkt ook uit mijn brief (zie de verwijzing naar het investment committee). (...) Mijn brief is niet geschreven voor de situatie dat er achteraf een geschil ontstaat over het al dan niet kunnen claimen van een co-investeringsrecht. Ik heb eenvoudig weg niet bij die situatie stilgestaan. Ik ben er vanuit gegaan dat een eventuele co-investering van tevoren zou worden besproken op het niveau van het investment committee (Investeringadviescommissie) en dat er dan altijd een redelijke oplossing zou worden bereikt die paste "binnen ieders strategie" (citaat uit de 12 mei 1999 overeenkomst). (...) De tweede vraag van vraag 2 betreft de reden van het versturen van de brief van 28 juni 1999 aan de heer V.V.. Dit is gebeurd op verzoek van de heer V.V.. Ik vermoed dat de heer V.V. behoefte had aan een vastlegging ten behoeve van zijn achterban. De 12 mei 1999 overeenkomst was daarvoor mogelijk niet geschikt omdat die overeenkomst over meerdere onderwerpen gaat, maar dit is speculatie, niet gebaseerd op concrete herinnering. De met D-Age gemaakte afspraken behoefden verdere uitwerking. Ik had voor ogen dat er een reglement of policy-overeenkomst zou komen met spelregels voor de vormgeving en uitoefening van het co-investeringsrecht. Denk daarbij aan zaken als aard en omvang van de investering, de omvang van het door D-age beoogde aandeel in de investering, welk aandeel NEThave zelf wilde, hoeveel invloed NEThave wenste te behouden in relatie tot de co-investereerders etc. (...) Het leek mij logisch dat de heer V.V. in voorkomende gevallen mogelijke co-investeringen door D-Age aan de orde zou stellen. (...) De in mijn brief van 28 juni 1999 genoemde co-investeringsmogelijkheid voor D-Age was in belangrijke mate bedoeld als tegenhanger van NLG 5 miljoen van D-Age in NEThave, maar daarnaast speelden ook de bij D-Age aanwezig geachte deskundigheid en netwerken een rol. Verder werden met de co-investering van D-Age investeringsmogelijkheden van NEThave verruimd. (...) De met D-Age gemaakte afspraak was gebaseerd op een onderlinge vertrouwensrelatie. Indien D-age mee zou willen doen aan een investering, terwijl NEThave niet voelde voor syndicering (de casus in uw vraag), zou er naar mijn idee overleg plaatsvinden binnen de investeringscommissie. Ik ging ervan uit dat er in het voorkomende geval een redelijke oplossing zou kunnen worden bereikt. (...) Mijn inziens was het de bedoeling dat bij een co-investering voor D-Age dezelfde voorwaarden en bepalingen zouden gelden als voor NEThave. Dit geldt ook voor wat u noemt de kostprijs van de investering (kosten van adviseurs, due dilligence etc.). (...)” 4.7. In 2007 hebben verschillende voorlopige getuigenverhoren plaatsgevonden, waarbij onder meer F.M. en V.V. zijn gehoord. De processen-verbaal van de verklaringen van deze getuigen van respectievelijk 20 en 27 maart 2007 zijn in deze procedure overgelegd. Partijen zijn bij de voorlopige getuigenverhoren aanwezig of vertegenwoordigd geweest. Ingevolge het bepaalde in artikel 192 lid 1 Rv hebben de daarin afgelegde verklaringen dezelfde bewijskracht als die welke op de gewone wijze in deze procedure zouden zijn afgelegd. F.M. heeft op 20 maart 2007 onder meer het volgende verklaard: “U houdt mij voor dat zich in het dossier een aantal verklaringen van mij bevindt. Het gaat om mijn brief van 23 september 2005, mijn verklaring van 2 februari 2006 en mijn brief van 8 maart 2007. Ik blijf bij de inhoud van die verklaringen. (…) Met de brief van 28 juni 1999 werd een traject afgerond van 5 of 6 maanden onderhandelen. In die periode werd dringend gezocht naar een founding partner en met D-Age hadden we een van de founding partners gevonden. In die brief bevestig ik de gemaakte afspraken. Die moesten nog wel nader worden uitgewerkt. Ik ben daar al op in gegaan in mijn eerdere verklaringen. In die tijd hebben we niet echt stilgestaan bij de vraag hoe D-Age in de gelegenheid gesteld zou moeten worden om als partner te participeren. Ook heb ik in ieder geval niet nagedacht over een situatie waarin D-Age wel zou willen participeren en Nethave niet. We spraken elkaar in die tijd ongeveer dagelijks en het lag dus redelijk voor de hand dat we een oplossing zouden vinden voor dit soort zaken. (…) In mijn antwoord op vraag 1 in mijn verklaring van 8 maart 2007 noem ik de datum van 12 mei 1999. Met die datum verwijs ik inderdaad naar de overeenkomst die op die datum tussen VCP en Nethave tot stand is gekomen. Ik kan me niet herinneren dat er tussen 12 mei en 28 juni 1999 nog nadere afspraken zijn gemaakt. (…) In mijn brief van 28 juni 1999 verwijs ik naar “onze afspraak van afgelopen zondag”. Ik heb geen herinneringen aan die afspraak. Bij vraag 2 bij de verklaring van 8 maart 2007 ga ik in op de reden van het versturen van de brief van 28 juni 1999. Mijn gevoel is nog steeds dat de reden is gelegen in iets interns bij D-Age maar ik weet dat niet precies meer. (…)” 4.8. Uit de hiervoor genoemde (getuigen)verklaringen van F.M. kunnen, voor zover thans van belang, de volgende conclusies worden getrokken. Nethave was voor de financiering van haar fonds op zoek naar investeerders, ook wel founding partners genoemd. Als gevolg van de toezegging van D-Age om een bedrag van NLG 5.000.000,00 in Nethave te investeren beschouwde F.M. D-Age als een belangrijke founding partner. Daarnaast achtte F.M. de bij D-Age aanwezige deskundigheid en netwerken, waarvan Nethave gebruik kon gaan maken, voor Nethave van belang. Als tegenhanger voor de toegezegde investering en de ter beschikking te stellen deskundigheid, van onder meer V.V., is door Nethave aan D-Age een co-investeringsrecht gegeven, zoals verwoord in de brief van F.M. van 28 juni 1999. 4.9. De wijze waarop het co-investeringsrecht door D-Age kon worden uitgeoefend diende nog nader te worden uitgewerkt binnen de IAC. Om die reden wordt in de brief van 28 juni 1999 ook naar de IAC verwezen, aldus F.M.. In ieder geval hield het co-investeringsrecht van D-Age in dat zij in beginsel ten aanzien van iedere nieuwe investering van Nethave voor 25% mocht meedoen. Dit co-investeren zou plaatsvinden onder dezelfde voorwaarden en bepalingen als die voor Nethave golden. In de situatie waarin D-Age wel zou willen co-investeren en Nethave daar niet voor voelde, zou er volgens F.M. overleg moeten plaatsvinden en naar een redelijke oplossing gezocht moeten worden. 4.10. De verschillende verklaringen van F.M. met betrekking tot de strekking van het co-investeringsrecht en de achtergrond waartegen de afspraken hierover zijn gemaakt, zijn door V.V. in zijn getuigenverklaring van 27 maart 2007 op onderdelen onderschreven. Zo verklaart V.V. onder meer “De brief van 28 juni 1999 van F.M. bevestigt een aantal van de afspraken die op 27 juni 1999 zijn gemaakt” en “F.M. is een ervaren fondsmanager en registeraccountant. Ik ga er dus vanuit dat hij wel voldoende bagage heeft om een overeenkomst te sluiten. Het gaat hier niet om een soort intentieovereenkomst. Waar staat in beginsel 25% ga ik ervan uit dat het ook 25% is (…)” en “In beginsel zou D-Age de gelegenheid krijgen om voor 25% te investeren, maar D-Age had het recht om voor een lager percentage te investeren. Zij had niet het recht om voor een hoger percentage te investeren. Ik heb dit destijds ook met F.M. besproken. Hij zij tegen mij dat als D-Age zou willen ze voor 25% kon deelnemen. In zijn getuigenverklaring van vorige week spreekt hij van een uniek recht.” 4.11. Gelet op de hiervoor genoemde (getuigen)verklaringen van F.M. en V.V. komt de rechtbank tot de tussenconclusie dat D-Age en Nethave in ieder geval - kort samengevat - een co-investeringsrecht ten behoeve van D-Age zijn overeengekomen, welk recht D-Age de gelegenheid gaf om voor in beginsel 25% in de investeringen van Nethave te participeren. Bij de beoordeling van de verschillende vorderingen van D-Age zal de rechtbank deze tussenconclusie als uitgangspunt nemen. Voor zover van belang zullen dan ook de verschillende weren van Nethave tegen de door D-Age verdedigde uitleg van het co-investeringsrecht aan de orde komen, waaronder begrepen de weren die onder 4.3. zijn omschreven. Brief 28 juni 1999 bezien in het licht van de samenwerkingsovereenkomst 4.12. Nethave heeft zich met betrekking tot de uitleg van het co-investeringsrecht erop beroepen dat de in de brief van 28 juni 1999 gemaakte afspraken gelezen moeten worden in samenhang met hetgeen in de samenwerkingovereenkomst van 12 mei 1999 over het co-investeringsrecht is afgesproken. In de samenwerkingsovereenkomst, althans in de bijlage daarvan, staat dat partijen onafhankelijk van elkaar een investeringsbeleid zullen voeren, waarbij ernaar wordt gestreefd elkaar - passend binnen ieders strategie - co-investeringsrechten te verlenen. Verder is in de samenwerkingsovereenkomst hierover afgesproken dat de wensen van de oorspronkelijke aandeelhouders en mogelijke andere partijen dienen te worden gerespecteerd, indien het verlenen van co-investeringsrechten niet tot de mogelijkheden zouden behoren (zie 2.6.). In het licht van deze afspraken stelt Nethave dat het verleende co-investeringsrecht in de brief van 28 juni 1999 niet een onvoorwaardelijk recht betrof, maar per investering afhankelijk was van de wensen van de aandeelhouders van Nethave en eventuele andere partijen. D-Age heeft tegen deze stellingen van Nethave ingebracht dat na 12 mei 1999 tussen V.V. en F.M. nadere afspraken zijn gemaakt over het aan D-Age te verstrekken co-investerinsgrecht, zoals uit de brief van 28 juni 1999 blijkt. Hierdoor zijn de in de samenwerkingsovereenkomst neergelegde afspraken, voor zover die zien op het co-investeringsrecht, nader ingevuld respectievelijk door de nieuwe afspraken vervangen. 4.13. Met betrekking tot de dit geschilpunt wordt het volgende overwogen. De inhoud van de brief van F.M. van 28 juni 1999 duidt erop dat in de periode tussen 12 mei 1999 en 28 juni 1999 tussen F.M. en V.V. nader over het te verstrekken co-investeringsrecht is gesproken. De brief van 28 juni 1999 (een maandag) vangt immers aan met de woorden “Gaarne bevestig ik onze afspraak van afgelopen zondag”. V.V. verklaart hierover “In het gesprek van 27 juni heb ik met Floor F.M. gesproken over het idee om over en weer in elkaar te investeren. F.M. gaf toen aan dat hij op dat moment niet in D-Age kon investeren. Ik heb toen voorgesteld om maar eens te beginnen met een eenzijdig co-investeringsrecht (…).” Verder heeft V.V. over de bespreking van 27 juni 1999 verklaard: “F.M. wilde graag dat ik me zou verplichten. Wij hebben vrij lang over het co-investeringsrecht zitten praten. Hij heeft op een gegeven moment aan mij gevraagd of het goed was als hij op een bepaalde manier zou verwoorden. Dat heeft hij ook met de hand uitgeschreven en op die wijze is het ook in de brief van 28 juni 1999 terecht gekomen.” 4.14. Naast de verklaring van V.V. en de hiervoor geciteerde aanhef van de brief van 28 juni 1999, waaruit blijkt dat over het co-investeringsrecht na 12 mei 1999 verder is gesproken, duiden ook de volgende omstandigheden erop dat in afwijking van dan wel in aanvulling op het bepaalde in de samenwerkingsovereenkomst afspraken tussen F.M. en V.V. zijn gemaakt. In de samenwerkingsovereenkomst wordt nog gesproken van “een intentie” om elkaar over en weer co-investeringsrechten te verlenen. In de brief van 28 juni 1999 is geen sprake meer van een intentie, maar is het recht aan D-Age definitief verleend en komt de bedoelde wederkerigheid van het recht niet meer terug. Ook het voorbehoud dat de wensen van de oorspronkelijke aandeelhouders van Nethave en mogelijke andere partijen dienen te worden gerespecteerd, indien het verlenen van co-investeringsrechten niet tot de mogelijkheden zouden behoren, is niet meer in de brief van 28 juni 1999 te lezen. F.M. heeft in zijn schriftelijke verklaring van 23 september 2005 over het in de samenwerkingsovereenkomst omschreven voorbehoud, dat F.M. “de uitzondering” noemt, geschreven: “De uitzondering (…) slaat op de mogelijkheid dat een van de fondsen niet in staat zou zijn om dergelijke co-investment rights te verlenen maar dat was bij Nethave niet aan de orde.”. In het licht van deze verklaring en gegeven de andere hiervoor genoemde omstandigheden in samenhang bezien, is de conclusie dat V.V. en F.M. in afwijking van hetgeen in de samenwerkingsovereenkomst staat nadere afspraken over het aan D-Age te verstrekken co-investeringsrecht hebben gemaakt, waarna deze afspraken in de brief van 28 juni 1999 schriftelijk zijn neergelegd. Dat F.M. zich een en ander niet meer kan herinneren, zoals hij tijdens het getuigenverhoor op 20 maart 2007 heeft verklaard, rechtvaardigt - anders dan Nethave stelt - niet een andere conclusie. Dit betekent dat bij de beoordeling van de vorderingen van D-Age de inhoud van de brief van 28 juni 1999 als uitgangspunt moet worden genomen en niet (mede) de in de samenwerkingsovereenkomst neergelegde afspraken. Brief 28 juni 1999 bezien in het licht van het introductiebericht van Nethave 4.15. Nethave heeft voorts het verweer gevoerd dat het nooit de bedoeling kan zijn geweest, althans dat V.V. niet heeft mogen verwachten, dat Nethave door de brief van 28 juni 1999 op voorhand 25% van al haar investeringsmogelijkheden aan D-Age zou weggeven. Een zo verstrekkend recht wijkt volgens Nethave namelijk af van de inhoud van het introductiebericht, dat Nethave bij haar oprichting aan haar (potentiële) aandeelhouders heeft verstrekt. Deze stelling van Nethave deelt de rechtbank niet. In het introductiebericht worden het beleggingsprofiel van Nethave en de daarbij te hanteren investeringscriteria omschreven. Daaruit blijkt onder meer dat Nethave als doelstelling had minderheidsbelangen in ondernemingen te verwerven en dat het per investering te financieren bedrag in beginsel zal worden beperkt tot 10% van het vermogen. Verder staat in het introductiebericht dat Nethave heeft besloten om samenwerking te ontwikkelen met strategische marktpartijen en verder te gaan met de uitbouw van nieuwe contacten met gespecialiseerde venture capital investeerders in de Verenigde Staten en Europa. F.M. beschouwde D-Age, gezien zijn verklaringen, als een strategische marktpartij voor Nethave. Voorts heeft F.M. in zijn brief van 8 maart 2007 (zie 4.6.) verkaard dat met de co-investeringsrechten van D-Age de investeringsmogelijkheden van Nethave werden verruimd. Anders gezegd: F.M., destijds bestuurder van Nethave, achtte het aan D-age te verstrekken co-investeringsrecht, waarbij D-Age het recht werd gegeven om in iedere investering van Nethave voor 25% te mogen co-investeren, goed binnen de strategie van Nethave passen. Met het oog hierop en gegeven het feit dat in het introductiebericht geen duidelijke aanknopingspunten zijn te vinden voor de thans andersluidende stelling van Nethave, heeft D-Age de reikwijdte van het aan haar in juni 1999 verstrekte co-investeringsrecht niet als in strijd met het introductiebericht behoeven te interpreteren. Brief 28 juni 1999 bezien in het licht van de gerealiseerde samenwerking 4.16. Nethave heeft verder gesteld dat de co-investeringsrechten tussen Nethave en D-Age medio 1999 aan de orde zijn gekomen in het kader van een voorgenomen brede samenwerking tussen partijen. Binnen dat kader dient het co-investeringsrecht ook te worden beoordeeld, aldus Nethave. De samenwerking is echter, zo stelt Nethave verder, nooit van de grond gekomen. Het is namelijk gebleven bij het tijdelijk delen van een kantoor, de toezegging tot deelneming van D-Age in Nethave voor NLG 5.000.000,00 en het lidmaatschap van V.V. van de IAC van Nethave. Vanwege het niet realiseren van de beoogde samenwerking is volgens Nethave het co-investeringsrecht, zoals omschreven in de brief van 28 juni 1999, niet verder uitgewerkt en heeft dat (voorgenomen) recht, zo dat al zou hebben bestaan, zijn werking verloren. Dit verweer slaagt niet. F.M. heeft verklaard dat het co-investeringsrecht aan D-Age is verstrekt in verband met de toezegging van D-Age om NLG 5.000.000,00 in Nethave te investeren en als tegenprestatie voor het ter beschikking stellen door D-Age van de bij haar aanwezige deskundigheid, waaronder die van V.V., en netwerken. Uit deze verklaring kan niet de conclusie worden getrokken dat het co-investeringsrecht afhankelijk is gesteld van een voorgenomen - door Nethave gestelde - bredere samenwerking tussen partijen, noch valt daaruit op te maken dat het co-investeringsrecht haar waarde zou verliezen als de beoogde bredere samenwerking niet zou worden gerealiseerd. Brief 28 juni 1999 bezien in het licht van de gedragingen van D-Age nadien 4.17. Verder heeft Nethave in het kader van de uitleg van het co-investeringsrecht gesteld dat (ook) D-Age van mening was dat zij aan de brief van 28 juni 1999 geen rechten kon ontlenen en dus geen co-investeringsrechten (meer) had. Dit volgt volgens Nethave uit het feit dat D-Age tot 23 oktober 2003, derhalve gedurende een periode van 4,5 jaar, nimmer een beroep op die brief heeft gedaan. Pas toen V.V. het bericht had ontvangen dat de samenwerking met hem zou worden beëindigd (zie 2.9.) heeft hij de brief van 28 juni 1999 uit zijn tas getoverd. Deze gang van zaken, zo stelt Nethave, is van belang bij de beoordeling van wat de bedoeling van de brief van 28 juni 1999 is geweest en wat Nethave en D-Age dienaangaande over en weer van elkaar mochten verwachten. Nethave heeft in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Gasunie/Gemeente Amloo (NJ 1994,574) verwezen, waarin is uitgemaakt dat de gedragingen van partijen na de totstandkoming van een overeenkomst mede bepalend zijn voor de uitleg daarvan. Met betrekking tot dit verweer stelt de rechtbank voorop dat D-Age op grond van de brief van 28 juni 1999 een recht had, en dus niet een plicht, om voor in beginsel 25% in de investeringen van Nethave mee te doen. Uit de enkele omstandigheid dat D-Age gedurende lange tijd geen gebruik maakte van haar co-investeringsrecht, heeft Nethave niet mogen concluderen dat D-Age daarvan afstand deed. Het vooralsnog niet aanspraak maken op een recht brengt immers nog niet mee dat het bestaan van dat recht teniet gaat dan wel dat de rechthebbende daarop geen beroep meer wenst te doen. De door Nethave aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad maakt deze conclusie niet anders. In het geschil tussen Gasunie en Gemeente Amloo ging het om de uitleg van een verplichting, waaraan Gasunie 15 jaar had voldaan en waarvan zij vervolgens stelt daartoe op grond van de oorspronkelijke afspraken niet gehouden te zijn geweest. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. Het gaat hier om de uitleg van een recht, waarbij de rechthebbende ervoor heeft gekozen van dat recht gedurende een bepaalde periode geen gebruik te maken. Dit enkele stilzitten rechtvaardigt, zoals reeds is overwogen, niet de door Nethave verdedigde uitleg dat het oorspronkelijk overeengekomen co-investeringsrecht niet heeft bestaan dan wel dat D-Age van dat recht afstand heeft gedaan. Interne bevoegdheden Nethave 4.18. De stelling van Nethave dat D-Age aan het co-investeringsrecht niet een ruime uitleg mag geven, omdat F.M. zou hebben nagelaten dat recht ter goedkeuring aan de andere bestuurders en/of de Raad van Commissarissen van Nethave voor te leggen wordt ook verworpen. Indien F.M. dat niet heeft gedaan, dan is dat te beschouwen als een omstandigheid die voor rekening en risico van Nethave behoort te komen. F.M. was immers bevoegd, ook alleen, om Nethave te vertegenwoordigen. Op D-Age rustte niet de verplichting om na te gaan of de afspraken die zij met een bevoegde vertegenwoordiger had gemaakt, en de uitleg daarvan, wel binnen Nethave werd gedragen. Dat het co-investeringsrecht voor D-age een verstrekkend en uniek recht opleverde, maakt dit niet anders. Ongebruikelijk recht (verklaring Schipper en gedragscode NVP) 4.19. Met betrekking tot de uitleg van het co-investeringsrecht heeft Nethave zich ten slotte op het standpunt gesteld dat D-Age en F.M. niet bedoeld kunnen hebben om D-Age het recht te geven om - naar eigen keuze van D-Age - in iedere investering van Nethave voor 25% te co-investeren. Dit omdat een zo verstrekkend recht volstrekt ongebruikelijk is in de wereld van private equity. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Nethave verwezen naar een verklaring van de heer R. Schipper, deskundige op het gebied van private equity, en de NVP Gedrags- en lidmaatschapscode voor Participatiemaatschappijen. Of een zo verstrekkend recht ongebruikelijk is, kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. F.M. vond de deelname van D-Age aan het fonds als founding partner en de kennis en het netwerk van V.V. kennelijk van zodanig belang dat hij bereid was als tegenprestatie een verstrekkend (en mogelijk ongebruikelijk) co-investeringsrecht aan D-Age te verstrekken. Dat Nethave daar thans niet gelukkig mee is, maakt dit niet anders en rechtvaardigt niet een andere uitleg dan F.M. en V.V. in juni 1999 aan de tussen hen gemaakte afspraken hebben gegeven. Bekrachtiging 4.20. Op het moment dat het co-investeringsrecht door Nethave aan D-Age is bevestigd was D-Age nog een besloten vennootschap in oprichting. Nethave stelt zich onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 2:203 BW lid 1 op het standpunt dat rechten uit hoofde van de brief van 28 juni 1999 voor D-Age alleen kunnen ontstaan, wanneer deze na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn bekrachtigd. Omdat deze bekrachtiging nooit heeft plaatsgevonden, zo stelt Nethave, komt D-Age geen beroep op de door haar gestelde co-investeringsrechten toe. Dit verweer wordt verworpen. Het co-investeringsrecht is, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, door Nethave aan D-Age verstrekt als gevolg van de toezegging van D-Age om voor een aanzienlijk bedrag in Nethave te participeren en om de naam van V.V. en zijn netwerk aan Nethave te binden. Het co-investeringsrecht betrof dus niet een losstaande afspraak, maar een onderdeel van deze voorgenomen samenwerking. Doordat D-Age na haar oprichting in Nethave is gaan participeren en V.V. tot de IAC van Nethave is toegetreden, heeft D-Age de door haar in de oprichtingsfase gemaakte afspraken bekrachtigd, waaronder begrepen het bedongen co-investeringsrecht. 4.21. Voorts overweegt de rechtbank in dit verband dat aan de bekrachtiging van een in de oprichtingsfase verrichte rechtshandeling in de wet geen termijn wordt gesteld. Het expliciete beroep dat D-Age op het co-investeringsrecht heeft gedaan op 23 oktober 2003 en 15 december 2003 kan derhalve ook als een bekrachtiging in de zin van artikel 2:203 BW worden aangemerkt. Wel is het zo dat, in het geval de wederpartij in onzekerheid mocht verkeren over de wel of niet plaatsgevonden bekrachtiging, die onzekerheid niet eindeloos in de lucht mag blijven hangen. Nergens blijkt echter uit dat Nethave na de oprichting van D-Age in onzekerheid heeft verkeerd omtrent de bekrachtiging door D-Age van het ten gunste van deze vennootschap overeengekomen co-investeringsrecht. Nimmer heeft Nethave na 12 oktober 1999 (oprichtingsdatum D-Age) immers aan D-Age om opheldering gevraagd ten aanzien van de in de brief van F.M. vastgelegde afspraken. Verval van recht door niet storten 4e call 4.22. Nethave heeft voorts gesteld dat het co-investeringsrecht van D-Age is komen te vervallen als gevolg van het feit dat D-Age niet heeft meegedaan aan de 4e call, waardoor D-Age niet het overeengekomen bedrag van NLG 5.000.000,00 in Nethave heeft geïnvesteerd maar een bedrag van NLG 3.750.000,00. Met betrekking tot dit verweer overweegt de rechtbank dat Nethave, en dus niet één van haar aandeelhouders, heeft besloten de 4e call vrijwillig te maken, in die zin dat de aandeelhouders in Nethave, waaronder D-Age, niet meer verplicht waren om het laatste deel van de toegezegde investering te storten. Dat Nethave dit besluit heeft genomen naar aanleiding van een verzoek daartoe van D-Age en mogelijke andere aandeelhouders, maakt dit niet anders. Het feit dat D-Age zelf mocht beslissen om wel of niet aan de 4e call mee te doen brengt mee dat het oorspronkelijke verplichte karakter aan die storting is komen te ontvallen. In de nakoming van die oorspronkelijke verplichting heeft D-Age, anders dan Nethave stelt, dus ook niet tekort kunnen schieten. Met het oog hierop heeft de door Nethave in conclusie van dupliek gedane (voorwaardelijke) ontbinding van de in de brief van 28 juni 1999 gemaakte afspraken geen rechtsgevolg. Dit betekent dat de uit die afspraken voortvloeiende rechten en verplichtingen, waaronder het co-investeringsrecht, hun gelding hebben behouden. Deze conclusie wordt bevestigd door het feit dat Nethave in oktober 2002, toen de 4e call vrijwillig werd gemaakt, noch daarna aan D-Age te kennen heeft gegeven dat zij aan het niet storten door D-Age van het bedrag van EUR 1.125.000,00 het gevolg zou verbinden dat daardoor het co-investeringsrecht van D-Age zou komen te vervallen. Dat Nethave dat mogelijk niet heeft gedaan, omdat de toenmalige bestuurders van Nethave van het co-investeringsrecht niet op de hoogte waren, is een omstandigheid die voor rekening en risico van Nethave komt. 4.23. Ook heeft Nethave in het kader van haar beroep op verval van het co-investeringsrecht gesteld dat de investeringen in Telfort en Canal+ gefinancierd zijn met de kapitaalstortingen naar aanleiding van de 4e call. Het is volgens haar niet redelijk als D-Age vervolgens op grond van haar co-investeringsrecht wel van deze succesvolle investeringen, die dus door andere aandeelhouders zijn gefinancierd, mag meeprofiteren. De rechtbank overweegt als volgt. Nethave heeft er zelf voor gekozen om aan het niet storten door D-Age van de 4e call geen gevolgen te verbinden ten aanzien van het voortbestaan van het co-investeringsrecht. Verder is het zo dat het belang van D-Age in Nethave als gevolg van het niet storten van de 4e call is verminderd (verwaterd) ten opzichte van de partijen die er wel voor hebben gekozen aan de 4e call mee te doen. Hierdoor heeft D-Age als (verwaterde) aandeelhouder in Nethave minder winst uitgekeerd gekregen uit de investeringen in Telfort en Canal+ dan de deelnemers aan de 4e call. Door middel van deze constructie is binnen Nethave dus gewaarborgd dat de grootste investeerders ook het meeste krijgen. Het co-investeringsrecht staat los van deze constructie. Als D-Age namelijk voorafgaand aan een voorgenomen investering een beroep op dat recht doet en 25% in een specifieke investering co-financiert, loopt zij voor die volledige co-financiering risico. Als die investering vervolgens een succes wordt, profiteert zij derhalve niet zozeer van de kapitaalstortingen van de aandeelhouders in Nethave, maar plukt zij de vruchten van haar beslissing om te co-investeren. In het licht van dit een en ander acht de rechtbank het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat D-Age ten aanzien van de investeringen in Telfort en Canal+ in beginsel het recht had te co-investeren. Of dit recht tot toewijzing van de vorderingen van D-Age moet leiden zal, mede gezien het tijdstip waarop het beroep op het co-investeringsrecht is gedaan, hieronder per investering worden beoordeeld. Enertel Feiten 4.24. In het voorjaar van 2002 is Nethave zich gaan oriënteren op het doen van een investering in Enertel (ook genoemd: “Energis”). Op 24 juni 2002 schrijft V.V. hierover aan P.J.: “Ik heb geen bevestiging meer gekregen van de afspraak met Energis die jij voor morgenavond probeert te plannen (…). 4.25. Op 18 juli 2002 is door Nethave aan haar IAC-leden, waaronder V.V., de vooraankondiging gedaan dat het investeringsvoorstel inzake Enertel op 19 juli 2002 aan de IAC zal worden verstuurd, hetgeen is gebeurd. Vervolgens heeft de IAC van Nethave in een vergadering van 22 juli 2002 unaniem groen licht gegeven voor de transactie. 4.26. De transactie is uiteindelijk op 15 augustus 2002 geëffectueerd voor een bedrag van EUR 500.000,00, onder de voorwaarde dat een bestaand geschil dat Enertel met een handelspartner had zou worden geschikt. Dit is gebeurd op 5 november 2002. Op 3 december 2002 heeft Nethave haar 100% deelneming in Enertel uitgesyndiceerd. Nethave behield 50% van de aandelen, het management van Nethave heeft 10% verworven en andere partijen, niet zijnde D-Age, hebben de andere 40% van de aandelen gekocht. 4.27. Nethave heeft haar belang in Enertel later verkocht, hetgeen - na aftrek van de oorspronkelijke investering - tot een netto resultaat heeft geleid van EUR 6.392.000,00. Stellingen partijen 4.28. D-Age stelt - zeer kort samengevat - dat Nethave tekort is geschoten in de nakoming van de hiervoor onder 4.2. omschreven verplichtingen uit hoofde van het overeengekomen co-investeringsrecht. Op geen enkel moment voorafgaand aan, ten tijde van of na de transactie heeft Nethave D-Age namelijk in de gelegenheid gesteld te co-investeren. In het licht hiervan en gegeven het feit dat D-Age op 23 oktober 2003 mondeling (zie 2.10.) en later op 15 december 2003 schriftelijk (zie 2.11.) een beroep op haar co-investeringsrecht heeft gedaan, welk beroep door Nethave niet is gehonoreerd, is Nethave gehouden 25% van de opbrengst die zij met de investering in Enertel heeft gerealiseerd, te weten EUR 1.598.000,00 aan D-Age te vergoeden. 4.29. Nethave heeft tegen deze stellingen van D-Age onder meer het volgende ingebracht. V.V. was als lid van het IAC volledig op de hoogte van de voorgenomen investering van Nethave in Enertel. Ondanks deze wetenschap, heeft D-Age niet willen investeren in Enertel, althans V.V. heeft tot 23 oktober 2003 (meer dan een jaar na de in Enertel gedane investering) nimmer aan Nethave laten weten dat D-Age van haar co-investeringsrecht met betrekking tot de investering in Enertel gebruik wenste te maken. Ook heeft D-Age zich gedurende deze periode nimmer op het standpunt gesteld dat Nethave tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van het co-investeringsrecht. Dit een en ander brengt mee dat D-Age in relatie tot de investering in Enertel geen beroep op het co-investeringsrecht (meer) toekomt. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 6:89 BW. Bovendien heeft D-Age door gedurende meer dan een jaar na de gedane investering in Enertel stil te zitten haar schadebeperkingsplicht geschonden en gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Beoordeling 4.30. V.V. was op de hoogte van de voorgenomen investering van Nethave in Enertel. Dit blijkt genoegzaam uit de hiervoor onder 4.24. en 4.25. genoemde feiten. Hij werd betrokken bij de gesprekken met Enertel en heeft als lid van de IAC van Nethave het investeringsvoorstel bestudeerd en goed bevonden. Ondanks deze wetenschap, heeft D-Age zich niet bij Nethave gemeld met de mededeling dat zij met betrekking tot de voorgenomen investering in Enertel van haar co-investeringsrecht gebruik wenste te maken. D-Age geeft hiervoor - kort samengevat - de verklaring dat V.V. als lid van de IAC op grond van het IAC reglement volledige geheimhouding moest betrachten met betrekking tot hetgeen hem in zijn functie van IAC lid onder ogen kwam. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst D-Age naar de volgende bepaling in het IAC reglement van Nethave: “Geheimhouding 10. Ieder lid is zich er van bewust dat Nethave incidenteel een 'non disclosure agreement' tekent, waarbij NEThave instaat voor de geheimhouding van de IAC leden. Ieder lid zal derhalve volstrekte geheimhouding jegens enige derde betrachten inzake enigerlei informatie welke hij van NEThave heeft ontvangen, tenzij met NEThave voor een specifieke (potentiële) investering anders overeengekomen. 11. Indien een lid van NEThave informatie ontvangt over een specifieke (potentiële) investering en dit een 'conflict of interest' of een vermeend 'conflict of interest' oplevert met zijn overige werkzaamheden, zal hij de directie hierover zo spoedig mogelijk van op de hoogte brengen en terstond alle informatie inzake deze specifieke (potentiële) investering vernietigen en niet verder deelnemen in het betreffende investeringsproject indien zij vermoedt dat dit een 'conflict of interest' kan opleveren. 12. De directie en de leden van de IAC zullen besprekingen en besluitvormingen van ieder lid inzake enig investeringstraject welke binnenkamers zijn genomen, volstrekt geheim houden voor derden. Aan derden kan enkel worden medegedeeld of de IAC al dan niet instemt met het investeringsvoorstel en indien niet wordt ingestemd de voornaamste redenen daartoe, zonder dat dit tot enig lid van de IAC herleidbaar is.” 4.31. De rechtbank verwerpt de stelling van D-Age, dat het V.V. uit hoofde van zijn IAC lidmaatschap te allen tijde verboden was om D-Age over voorgenomen investeringen in te lichten. Deze stelling komt er namelijk - kort gezegd - op neer dat V.V. zijn kennis over voorgenomen investering van Nethave in Enertel niet mocht gebruiken om te bepalen of D-Age wenste te co-investeren. Dat Nethave een zover strekkende geheimhouding heeft willen regelen respectievelijk aan V.V. heeft willen opleggen kan niet worden aangenomen. Ook F.M. geeft aan de geheimhoudingsplicht niet een dergelijke verstrekkende interpretatie, zo blijkt uit zijn schriftelijke verklaring van 8 maart 2007. Daarin antwoordt hij op de vraag of V.V. de informatie die hij als IAC verkreeg omtrent de voorgenomen investering mocht gebruiken om te bepalen of D-Age wenste te co-investeren het volgende: “Het leek mij logisch dat de heer V.V. in voorkomende gevallen mogelijke co-investeringen door D-Age aan de orde zou stellen”. De andersluidende, zeer stringente, uitleg van de door D-Age gestelde geheimhoudingsverplichting valt ook niet in het IAC reglement te lezen. Daarnaast had V.V. als IAC lid aan Nethave kunnen vragen of hij zijn kennis over de investering in Enertel met de IAC van D-Age mocht delen, om zodoende te kunnen beoordelen of D-Age in Enertel wenste te co-investeren. Dat het doen van dit verzoek tot de mogelijkheden behoorde blijkt uit het feit dat V.V. daarvan in de hierna nog te bespreken investering in Canal+ gebruik heeft gemaakt. D-Age is echter stil blijven zitten en heeft pas een beroep op het co-investeringsrecht gedaan toen uit de pers genoegzaam was gebleken dat de investering in Enertel een succes was geworden. De rechtbank acht deze gang van zaken, die als resultaat zou hebben dat D-Age (door enkel stil te blijven zitten) zonder het nemen van enig risico de vruchten van een door Nethave gedane (risicovolle) investering zou mogen plukken, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het enkele feit dat Nethave ten tijde van het voornemen om in Enertel te investeren geen officieel briefje daarover aan D-Age heeft gestuurd, zo Nethave die verplichting op grond van de brief van 28 juni 1999 zou hebben gehad, maakt dit niet anders. Op die gestelde tekortkoming komt D-Age dan ook geen beroep toe. Nu de vorderingen van D-Age met betrekking tot de investering in Enertel op bovenstaande grond worden afgewezen, behoeft het debat van partijen over de vraag of het bepaalde in artikel 6:89 BW (het tijdig moeten klagen over een gebrekkige prestatie) in deze zaak van toepassing is, geen behandeling. Telfort feiten 4.32. In het voorjaar van 2003 kreeg Nethave de kans om in Telfort te investeren. Op 26 maart 2003 is aan de leden van de IAC per e-mail een vooraankondiging gestuurd van het investeringsvoorstel inzake Telfort. Vervolgens hebben de IAC-leden op 28 maart 2003 het investeringsvoorstel ontvangen, waarna de leden van de IAC op 1 april 2003 unaniem met de investering in Telfort hebben ingestemd. 4.33. Op 26 maart 2003 schrijft C.V. over deze (voorgenomen) deal aan P.J.: “mag ik je al feliciteren?”. V.V. deelt P.J. op zijn beurt per email van 14 april 2003 het volgende mede: “enorm gefeliciteerd aan jou en het gehele team, veel succes, mvgr Peter” 4.34. Op 14 april 2003 is de koopovereenkomst getekend en op 3 juni 2003 is de transactie van de aandelen geëffectueerd. Nethave verwierf via een 40% aandeelhoudersschap in Telfort Holding B.V. een indirect belang in Telfort van eveneens 40% en zij heeft daarvoor een bedrag betaald van EUR 7.500.000,00. Daarnaast ontving Nethave als gevolg van de transactie een meer indirect belang in Telfort van 10,67%, omdat Enertel, waarvan Nethave aandeelhouder was, ook in Telfort investeerde (EUR 9.300.000,00 voor 26,67% van de aandelen in Telfort Holding B.V.). Naast Nethave en Enertel hebben ook Friesland Bank en Fidessa aan de transactie meegedaan, elk 6,67% van de aandelen in Telfort Holding voor elk EUR 2.300.000,00. 4.35. Nethave heeft haar belang in Telfort in november 2004 verkocht aan Boekhoorn Finance I B.V., welke transactie Nethave een netto resultaat heeft opgeleverd van EUR 149.565.000,00. 25% van dat belang bedraagt EUR 37.391.250,00. Stellingen van partijen 4.36. D-Age heeft terzake haar vordering van EUR 37.391.250,00 (25% van de netto opbrengst transactie Telfort) dezelfde stellingen ten grondslag gelegd als met betrekking tot de transactie in Enertel. Nethave heeft op haar beurt dezelfde weren gevoerd. Beoordeling 4.37. Met betrekking tot de vorderingen van D-Age, voor zover die zien op de investering van Nethave in Telfort, komt de rechtbank tot hetzelfde oordeel als zij hiervoor - terzake de investering in Enertel - is gekomen. De omstandigheden in beide zaken zijn nagenoeg hetzelfde. V.V. kende als lid van de IAC het voornemen van Nethave om in Telfort te investeren. Ook C.V., betrokkene bij Palu (oprichter van D-Age) was van dit voornemen op de hoogte. Dit blijkt reeds uit zijn felicitatie over de nieuwe investering richting Nethave. Ondanks deze wetenschap, heeft D-Age niets gezegd over haar wens om mee te investeren. Ook heeft zij niet geklaagd over het feit dat zij nog niet een officieel briefje van Nethave had gekregen over de nieuw voorgenomen investering. Die klacht had V.V., bijvoorbeeld in zijn felicitatiebericht van 14 april 2003, eenvoudig kunnen uiten zonder zijn geheimhoudingsplicht te schenden. Pas op 23 oktober 2003, derhalve ruim zes maanden nadat V.V. en C.V. over de nieuwe investering van Nethave waren geïnformeerd, heeft D-Age met betrekking tot deze investering een beroep op haar co-investeringsrecht gedaan. In het licht van deze gang van zaken komt D-Age naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep op haar co-investeringsrecht toe. Telfort II feiten 4.38. Nethave heeft in november 2004 haar aandelen in Telfort voor een bedrag van EUR 127.980.000,00 verkocht aan Boekhoorn Finance I B.V. Kort daarna dan wel gelijktijdig met deze verkoop heeft Nethave voor een bedrag van EUR 16.500.000,00 een belang van 23,55% in Boekhoorn Finance I B.V verworven, welke onderneming later haar naam heeft veranderd in Telfort Beheer B.V. (verder: “Telfort Beheer”). Telfort Beheer heeft eind juni 2005 haar 100% belang in Telfort voor een bedrag van EUR 980.000.000,00 (de basis-kooppijs, in een later stadium te vermeerderen met een resultaatsafhankelijke gedeelte van EUR 140.000.000,00) verkocht aan KPN. Deze verkoop heeft Nethave als 23,55% aandeelhouder in Telfort Beheer een netto resultaat opgeleverd van EUR 182.155.000,00. Een percentage van 25% van dit bedrag is EUR 45.538.750,00. 4.39. Tijdens een op 3 juli 2005 tussen D-Age en Nethave gehouden bespreking is door D-Age een beroep gedaan op haar co-investeringsrecht met betrekking tot de -volgens haar- nieuwe investering in Telfort Beheer. De raadsman van D-Age heeft hierover het volgende aan de raadsman van Nethave geschreven: “(…) de participatie door Nethave in de nieuw opgerichte vennootschap tezamen met de heer Boekhoorn, waarin (een belangrijk deel van) de door Nethave gehouden Telfort-participatie is ondergebracht, een investering opleverde in de zin van de gemaakte co-investeringsafspraken. Dat betekent dat cliënte in de gelegeheid had moeten worden gesteld om 25% van de door Nethave in de nieuwe vennootschap gedane investering voor haar rekening te nemen. Dat is niet gebeurd. De claim van cliënte wordt op dit punt dan ook hierbij formeel verhoogd.” Stellingen partijen 4.40. Uit de brief van de raadsman van D-Age blijkt dat D-Age zich ook met betrekking tot de participatie in Boekhoorn Finance I B.V. op het standpunt stelt dat Nethave haar in de gelegenheid had moeten stellen om te co-investeren. Nethave betwist daartoe verplicht te zijn geweest. Het door Nethave verkregen belang van 23,55% in Boekhoorn Finance I B.V. betrof volgens haar namelijk geen nieuwe investering, maar een herkapitalisatie van het reeds op 3 juni 2003 door Nethave verworven belang in Telfort. Met het oog hierop komt D-Age geen co-investeringsrecht toe, aldus Nethave. Beoordeling 4.41. Het verweer van Nethave slaagt op grond van de navolgende omstandigheden. De verschillende aandelenoverdrachten die in november 2004 hebben plaatsgevonden hebben er niet toe geleid dat Nethave door middel van een investering een belang in Telfort heeft verworven, maar hebben daarentegen het gevolg gehad dat Nethave een deel van haar belang in Telfort van de hand heeft gedaan respectievelijk heeft verzilverd. Tussen partijen staat immers vast dat Nethave voorafgaand aan de verkoop van haar aandelen in Telfort Holding B.V. aan Boekhoorn Finance I B.V, later omgedoopt tot Telfort Beheer, een indirect belang van meer dan 50% in Telfort had (het meer indirecte belang via Enertel daaronder begrepen). Direct na verkoop van dit belang voor een bedrag van EUR 127.980.000,00 heeft Nethave een belang van 23,55% in de nieuwe eigenaar van Telfort verworven. Hiervoor heeft Nethave EUR 16.500.000,00 betaald. Anders gezegd: De respectievelijke aandelentransacties in november 2004 hebben er voor Nethave in geresulteerd dat haar indirecte belang in Telfort met meer dan de helft is verminderd en dat hiertegenover een opbrengst is komen te staan van EUR 111.480.000,00. Dit is derhalve te beschouwen als het gedeeltelijk afstoten van een reeds gedane investering met een daaraan gerelateerde opbrengst en niet als het doen van een nieuwe investering. Dat Nethave om haar moverende (boekhoudkundige) redenen ervoor heeft gekozen om eerst het gehele belang in Telfort te verkopen en direct daarna een gedeelte weer terug te kopen, maakt dit niet anders. 4.42. Nu de conclusie is dat de in november 2004 plaatsgevonden aandelenoverdrachten in relatie tot Telfort II niet als een nieuwe investering van Nethave is aan te merken, rustte op Nethave geen plicht om D-Age daarin te laten co-investeren. De vorderingen van D-Age dienaangaande zullen dan ook worden afgewezen. Canal+ Feiten 4.43. De laatste te bespreken investering van Nethave betreft de investering in Canal+, ook wel project Bingo genaamd. Op 29 april 2004 is door Nethave aan de leden van de IAC medegedeeld dat een investering in Canal+ in voorbereiding was. Het investeringsvoorstel is vervolgens per e-mail van 6 mei 2004 aan de leden van de IAC toegestuurd. Op 10 mei 2004 vond de IAC vergadering over de investering in Canal+ plaats. V.V. was daarbij aanwezig. De dag daarna, derhalve op 11 mei 2004, heeft V.V., voor zover van belang, onder verwijzing naar het co-investeringsrecht het volgende aan P.J. geschreven: “D-Age wil graag beoordelen om mee te doen met project Bingo. Als lid IAC kan ik de bescheiden pas aan de Investment Committee D-Age geven na jullie goedkeuring/ ontslag van mijn geheimhoudingplicht als lid IAC. (…)” 4.44. Op 16 mei 2004 heeft V.V. zijn verzoek in de volgende bewoordingen herhaald: “Aangezien tijdens de AvA Neth@ve van afgelopen donderdag vooralsnog besloten is om de investeringskans in project x als Neth@ve fonds verder te vervolgen – bij deze een herhaling van mijn verzoek de bij mij als lid van de IAC bekende Investment Proposal met de investeringscommissie van D-Age te bespreken. Graag zouden we ook overige informatie willen kunnen ontvangen/inkijken.” 4.45. In reactie op dit verzoek heeft P.J. per e-mail van 25 mei 2004 aan V.V. geschreven: “Wij willen inderdaad de optie openhouden om eventueel een deel van de investering in project x uit te syndiceren. Na ontvangst van een getekende non-disclosure zoals bijgevoegd, is het jou toegestaan het investmentproposal dat je als IAC lid ontvangen hebt aan de investeringscommissie van D-Age te verstrekken. Voor de goede orde merken wij op dat dit geenszins dient te worden geïnterpreteerd als een erkenning onzerzijds van de besproken co-investment rights.” 4.46. Op 25 juni 2004 heeft de heer de Winter (verder: “de Winter”), een vertegenwoordiger van D-age, voor zover van belang, aan Nethave bericht: “Namens D-Age bericht ik u hierbij dat de heer V.V. ons op de hoogte heeft gebracht van de voortgang ten aanzien van het “Project Bingo” Hierbij delen wij u mede dat D-Age in principe graag gebruik maakt van haar co-investeringsrechten en overweegt in het “Project Bingo” mede te investeren. Ik ben u erkentelijk indien u kunt bewerkstelligen dat aan D-Age alle relevante informatie over het “project Bingo” ter hand wordt gesteld. Met name ontvangen wij graag afschriften van due dilligence rapporten, voor zover voorradig, documenten terzake van het project die aan Neth@ve zijn overhandigd etc. Zodra wij de aanvullende documentatie zullen hebben ontvangen, zullen wij u ten spoedigste berichten of wij nog nadere vragen hebben en, zo neen, tot welk percentage wij zouden willen co-investeren.” 4.47. Op 30 juni 2004 volgde de schriftelijke reactie van P.J. op het verzoek van de Winter. Deze reactie werd gericht aan V.V.. “Nu blijkt dat de investering in project Bingo niet meer dan EUR 6 mln zal bedragen en dat NEThave dit zelf volledig kan financieren, zijn wij voornemens (mede gezien het aangenomen voorstel van de voorzitter van de IAC) deze investering niet te syndiceren. Dit houdt in dat er voor D-age geen mogelijkheid is mee te investeren. Ik verzoek je dit mee te delen aan jouw investeringscommittee. (…)” 4.48. De investering van Nethave in Canal+ heeft op 31 augustus 2004 haar beslag gekregen. Toen heeft Nethave voor een bedrag van EUR 6.350.000,00, waarvan EUR 2.000.000,00 een lening betrof, een aandelenpercentage van 35% in Airfield Holding B.V. verworven (verder: “Airfield Holding”). De resterende aandelen (65%) kwamen in handen van AirBridge Investments B.V. (verder: “AirBridge”), waarin een zogenaamd “management buy-in team” was vertegenwoordigd. Airfield Holding was op haar beurt 100% aandeelhouder in Canal+. 4.49. Omdat de hiervoor onder 4.47. genoemde e-mail van 30 juni 2004 niet aan de Winter, maar aan V.V., was gericht, heeft de Winter op 9 november 2004 het volgende aan P.J. geschreven: “Zoals reeds eerder is aangegeven stelt D-Age zich op het standpunt dat aan haar co-investeringsrechten zijn toegekend. Op 25 juni 2004 heb ik u namens D-Age bericht dat D-Age in principe graag gebruik maakt van haar co-investeringsrechten en overweegt in het “Project Bingo mede te investeren. Hierop heb ik van u geen reactie mogen ontvangen. Uit de media hebben wij inmiddels mogen vernemen dat een syndicaat waar Nethave deel van uitmaakt van Vivendi “The Dutch Canal Plus activities and Canal Digitaal B.V.” heeft overgenomen. Hierbij verzoek ik u dan ook vriendelijk doch dringend D-Age onverwijld in het bezit te stellen van alle informatie betreffende bovengenoemde investering en D-Age te bevestigen dat zij per direct (met terugwerkende kracht) in staat zal worden gesteld haar co-investeringsrechten uit te oefenen, indien en voor zover de door u ter beschikking te stellen informatie D-Age daar aanleiding toe zou geven. Indien en voor zover D-Age (wederom) niet in de gelegenheid wordt gesteld haar co-investeringsrechten uit te oefenen stel ik, wederom, namens D-Age Neth@ve hierbij aansprakelijk voor de schade die D-Age als gevolg van het, wederom, niet kunnen co-investeren zal lijden” 4.50. Op 30 november 2004 heeft Nethave onder verwijzing naar de e-mail van P.J. van 30 juni 2004 als volgt gereageerd: “Hierbij hebben wij aangegeven dat gezien de relatief beperkte omvang van de investering er voor NEThave geen noodzaak was om deze deal verder uit te syndiceren. Deze e-mail is tevens verzonden aan de heer V.V., met het verzoek dit aan de investeringscommittee van D-Age te melden.” 4.51. De dag voorafgaand aan laatstgenoemd emailbericht, derhalve op 29 november 2004, is tijdens de aandeelhoudersvergadering van Nethave medegedeeld dat (een deel van) de activiteiten van Canal+ was doorverkocht aan UPC. Nadat de Nederlandse Mededingsautoriteit op 28 juni 2005 haar goedkeuring aan deze transactie had gegeven, is de verkoop aan UPC door middel van een activa/passiva transactie gerealiseerd. De verkoop van haar totale belang in Canal+ heeft Nethave uiteindelijk een netto opbrengst opgeleverd van EUR 72.970.000,00. Een percentage van 25% hiervan is EUR 18.242.500,00. Stellingen partijen 4.52. D-Age stelt zich met betrekking tot de investering in Canal+ wederom op het standpunt dat zij door Nethave niet in de gelegenheid is gesteld om voor in beginsel een percentage van 25% te co-investeren. Als gevolg hiervan is Nethave tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de in de brief van F.M. van 28 juni 1999 neergelegde afspraken. De schade die D-Age hierdoor stelt te hebben geleden is onder meer EUR 18.242.500,00 exclusief de daarover door Nethave verschuldigde rente. 4.53. Nethave heeft tegen de door D-Age ingestelde vorderingen in relatie tot de investering in Canal+ - kort samengevat - de navolgende weren gevoerd: 1. D-Age heeft geen co-investeringsrecht; 2. Binnen de IAC is besloten de investering in Canal+ niet uit te syndiceren; 3. Airfield Holding/AirBrigde stond naast Nethave geen andere aandeelhouder/co-investeerder toe; 4. De redelijkheid en billijkheid brengen mee dat D-Age geen beroep op het co-investeringsrecht toekomt; 5. Tussen de eventuele tekortkoming en gestelde schade bestaat geen causaal verband. D-Age heeft geen co-investeringrecht 4.54. De rechtbank heeft in al het vorenstaande reeds overwogen (1) dat D-Age op grond van de brief van 28 juni 1999 een recht heeft verkregen om in beginsel voor 25% in iedere nieuwe investering van Nethave te co-investeren, (2) dat dit recht in het licht van de samenwerkingsovereenkomst, het introductiebericht, de uiteindelijk gerealiseerde samenwerking en de gedragingen van D-Age na 28 juni 1999 niet tot een andere uitleg aanleiding geeft, (3) dat D-Age het recht heeft bekrachtigd en (4) dat het recht daarna niet is vervallen noch dat D-Age daarvan afstand heeft gedaan. Dit betekent dat bij de beoordeling van de vorderingen van D-Age, voor zover die betrekking hebben op de investering van Nethave in Canal+, hiervan wordt uitgegaan. Gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven tussen partijen gevoerde correspondentie wordt voorts geoordeeld dat D-Age tijdig, dat wil zeggen voordat de investering in Canal+ is gerealiseerd, een beroep op haar co-investeringsrecht heeft gedaan. Dat D-Age toen nog niet definitief aan Nethave heeft bericht daadwerkelijk voor 25% te willen participeren, doet hieraan niet af. Binnen de IAC is besloten de investering in Canal+ niet uit te syndiceren 4.55. In reactie op het door D-Age gedane beroep op haar investeringsrecht heeft Nethave aan D-Age in eerste instantie bericht de optie open te willen houden om eventueel een deel van de investering in Canal+ uit te syndiceren. Aan die mededeling voegt Nethave toe dat het openhouden van deze optie geenszins dient te worden geïnterpreteerd als een erkenning van het bestaan van co-investeringsrechten. Anders gezegd: Nethave betwist medio 2004 dat D-Age een afdwingbaar co-investeringsrecht heeft en Nethave vond het aan haar om te beoordelen of D-Age wel of niet mocht meedoen. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wordt dit destijds (en ook thans) door Nethave ingenomen standpunt verworpen. Het co-investeringsrecht bestond in 2004 nog en uit hoofde daarvan was het niet aan (uitsluitend) Nethave om te beoordelen of D-Age zou mogen co-investeren. Het feit dat de co-investering van D-Age medio 2004 niet meer binnen de strategie van Nethave paste, leidt niet tot een andere conclusie. F.M. heeft verklaard dat hij bij het opstellen van de brief niet heeft stilgestaan bij de situatie dat een geschil zou ontstaan over het al dan niet kunnen claimen van het co-investeringsrecht. Hij heeft daaropvolgend verklaard: “Ik ben er vanuit gegaan dat een eventuele co-investering van tevoren zou worden besproken op het niveau van het investment committee (Investeringadviescommissie) en dat er dan altijd een redelijke oplossing zou worden bereikt die paste "binnen ieders strategie". Deze verklaring van F.M. duidt erop dat in de situatie dat D-Age wel wilde co-investeren en Nethave niet, in ieder geval overleg zou worden gevoerd ten behoeve van het bereiken van een voor iedere partij passende oplossing. Dit overleg heeft niet plaatsgevonden. Nethave heeft namelijk, zoals uit haar emailberichten blijkt, het bestaan van het co-investeringsrecht enkel ontkend en vervolgens besloten om de investering in Canal+ alleen te doen zonder met de strategie van D-Age rekening te houden. Deze handelwijze is in strijd met het co-investeringsrecht van D-Age te beschouwen. Het feit dat de IAC van Nethave het niet nodig vond om een co-investeerder te zoeken kan hier geen rechtvaardiging voor zijn. Ook volgens F.M. niet. Hij verklaart immers dat de mogelijke afwijking van de 25% afspraak zich wel liet regelen binnen de IAC van Nethave, maar dat met die afspraak niet is bedoeld het co-investeringsrecht van D-Age te bekorten. Airfield Holding/AirBrigde stond naast Nethave geen andere aandeelhouder/co-investeerder toe 4.56. Op 22 mei 2006 hebben J.H. Wolfert (verder: "Wolfert") en C.F. Bohnenn (verder: Bohnenn), beide deeluitmakend van het management van Airfield Holding, het volgende aan Nethave, ter attentie van P.J., verklaard: "In het kader van de claim van D-Age B.V. op Nethave N.V. inzake vermeende co-investeringsrechten vroeg u ons of het management team van Airfield Holding B.V. meer dan één financiële investeerder (rechtstreeks dan wel via een tussenholding) wenste te betrekken bij de aquisitie van Canal Digitaal B.V. en de Nederlandse Canal+ activiteiten van Vivendi in augustus 2004. Wij hebben destijds aangegeven dat we dat niet wilden. Wij wilden slechts met één partij te maken hebben met één aanspreekpunt. Een actieve bijdrage werd verwacht van de andere aandeelhouder. Wij hebben destijds, na uw verzoek of NEThave N.V. een deel mocht uitsyndiceren (al dan niet via een tussenholding), aangegeven dat wij dat niet zagen zitten. Wij wilden geen derde aandeelhouder en wij wilden ook niet dat de andere aandeelhouder een tussenholding zou zijn die de belangen van NEThave en nog een andere partij zou hebben te dienen. Wij hebben u toen ook aangegeven dat wij een aantrekkelijk alternatief voor de financiering van de acquisitie hadden ontvangen van een partij die bereid was deze financiering in zijn eentje te verstrekken. Later bleek de totale benodigde financiering geen 8 mln te zijn, maar EUR 6 mln en is over een mogelijke uitsyndicering niet meer gesproken." 4.57. Wolfert heeft op 20 maart 2007 tijdens het toen gehouden voorlopig getuigenverhoor een getuigenverklaring afgelegd. Ook voor deze verklaring geldt dat het proces-verbaal daarvan in deze procedure is overgelegd, zodat die verklaring ingevolge het bepaalde in artikel 192 lid 1 Rv dezelfde bewijskracht heeft als die welke op de gewone wijze in deze procedure zou zijn afgelegd. Wolfert heeft, voor zover van belang, tijdens dat getuigenverhoor het volgende verklaard: “(…) mr. Te winkel vraagt mij of wij D-Age er bij hadden willen betrekken. Ik zie niet in waarom wij dat zouden hebben willen doen. Ik denk ook niet dat we dat gedaan zouden hebben. (…) Ik weet niet of de situatie anders zou zijn geweest als Nethave gelijk in het begin, dus vanaf augustus/september 2003, met een derde partij was gekomen. In beginsel wilden wij de deal met zo weinig mogelijk mensen doen maar anderzijds was ook nog niet helemaal duidelijk hoeveel geld we nodig zouden hebben. Dan ben je wat voorzichtiger in het afwijzen van potentiële partners. Het is dus speculeren wat we dan gedaan zouden hebben. (…) Nethave heeft ons nooit gevraagd of ook een andere partij mee mocht doen. Nethave heeft ook nooit een concreet verzoek gedaan of D-Age mee mocht doen. (…) Op vragen van mr. Te Winkel ben ik ingegaan op een aantal mogelijke vormen waarin met een derde partij zou kunnen worden samengewerkt en heb ik aangegeven waarom wij dat waarschijnlijk niet zouden hebben gedaan. Die alternatieven zijn nooit concreet aan de orde geweest. (…)” 4.58. Mede onder verwijzing naar de schriftelijke verklaring van Wolfert en Bohnenn van 22 mei 2006 en de door Wolfert afgelegde getuigenverklaring heeft Nethave zich op het standpunt gesteld dat D-Age terzake de investering in Canal+ niet mee kon/mocht investeren. Het managementteam van Airfield Holding, althans Airbridge, stond dat namelijk niet toe. Het kan volgens Nethave niet zo zijn dat het aan D-Age verstrekte recht om te co-investeren onvoorwaardelijk was, in die zin dat D-Age dat recht ook zou kunnen uitoefenen als de partij waarin geïnvesteerd zou worden dat niet toeliet. Met betrekking tot dit verweer van Nethave wordt het volgende overwogen. D-Age had het recht om voor in beginsel 25% in de investeringen van Nethave te participeren. Nethave heeft zich ten tijde van de investering in Canal+ enkel op het standpunt gesteld dat D-Age geen recht op co-investeren had. Over de bezwaren van Airbridge/Airfield Holding aangaande de eventuele participatie van D-Age in Canal+ zijn in de tussen Nethave en D-Age gevoerde correspondentie medio 2004 geen aanknopingspunten te vinden. Pas bij de conclusie van antwoord heeft Nethave de schriftelijke verklaring van Wolfert en Bohnenn in het geding gebracht en onder verwijzing daarnaar gesteld dat D-Age terzake de investering in Canal+ niet mee had mogen doen, ook niet indien aangenomen zou worden dat zij daartoe in beginsel wel recht zou hebben gehad op grond van de brief van 28 juni 1999. 4.59. Wolfert en Bohnenn verklaren in hun brief dat zij destijds aan Nethave hebben bericht dat zij niet wensten dat een deel van de investering van Nethave in Canal+ zou worden uitgesyndiceerd. Deze mededeling moet na 25 mei 2004 zijn gedaan, omdat Nethave op deze datum nog aan D-Age heeft geschreven de optie tot uitsyndiceren open te houden. Nadien heeft Nethave, zo blijkt uit de getuigenverklaring van Wolfert, geen enkele moeite gedaan om Airbridge/Airfield Holding op andere gedachten te brengen dan wel een oplossing aan te bieden waardoor de bezwaren van Airbridge/Airfield Holding zouden worden weggenomen. Wolfert verklaart immers dat door Nethave aan hem noch aan de andere betrokkenen is gevraagd of ook een andere partij mee mocht doen. Nethave heeft ook nooit een concreet verzoek gedaan of D-Age zou mogen participeren, aldus Wolfert. Ten tijde van het pleidooi heeft mr. Te Winkel namens Nethave bevestigd dat Nethave zich niet heeft ingespannen om D-Age bij de investering in Canal+ te betrekken, ondanks het verzoek daartoe van de zijde van D-Age. Dit heeft Nethave volgens mr. Te Winkel niet gedaan, omdat Nethave zich daartoe niet verplicht voelde vanwege het feit dat D-Age volgens Nethave geen recht op co-investeren had (en heeft). Hieruit volgt dat Nethave haar beslissing om het co-investeringsverzoek van D-Age af te wijzen niet heeft gebaseerd op de wensen van Airbridge/Airfield Holding, maar op haar stelling dat D-Age geen co-investeringsrecht had. Dit wordt bevestigd door het emailbericht van Nethave van 30 juni 2004. Daarin schrijft Nethave niets over de onmogelijkheid om D-Age te laten co-investeren, maar bericht zij D-Age slechts de investering zelf te kunnen doen als gevolg waarvan uitsyndiceren niet nodig is. 4.60. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat Nethave onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat D-Age met betrekking tot de investering in Canal+ niet mee heeft kunnen/mogen doen. Een andersluidende conclusie volgt niet uit de verklaring van Wolfert. Desgevraagd verklaart Wolfert wel dat hij denkt dat Airbridge/Airfield Holding D-Age niet bij de investering in Canal+ had willen betrekken, maar of deze gedachte ten tijde van het getuigenverhoor in 2007 er ook toe zou hebben geleid dat D-Age medio 2004 op geen enkele wijze bij de investering in Canal+ betrokken had mogen/kunnen worden, als Nethave zich daartoe (enigszins) zou hebben in gespannen, valt uit de verklaring van Wolfert niet op te maken. Te minder, omdat Wolfert eveneens heeft verklaard dat alternatieven voor het betrekken van een derde bij de investering in Canal+ nimmer zijn besproken. De conclusie is dan ook dat Nethave tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van het aan D-Age toegekende co-investeringsrecht, waaronder begrepen de verplichting van Nethave om zich in te spannen om D-Age in de gelegenheid te stellen te co-investeren in het geval D-Age op dat recht een beroep deed, zoals D-Age met betrekking tot de investering in Canal+ heeft gedaan. Met het oog op deze conclusie kan in het midden blijven of het co-investeringsrecht van D-Age een onvoorwaardelijk karakter had dan wel onder bepaalde omstandigheden aan voorwaarden was gebonden. De redelijkheid en billijkheid 4.61. Resteert de vraag of het gegeven de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat D-Age terzake de investering in Canal+ een beroep op het co-investeringsrecht toekomt, zoals door Nethave bij pleidooi is betoogd. De rechtbank beantwoordt deze vraag negatief. Voor Nethave was het vanaf 13 oktober 2003 duidelijk dat D-Age op haar co-investeringsrecht een beroep wenste te doen. Het moet voor Nethave dan ook geen verrassing zijn geweest dat D-Age medio 2004 aangaf in de investering in Canal+ te willen participeren. Kennelijk achtte Nethave het op dat moment niet redelijk dat D-Age zou mogen co-investeren, maar dat maakt nog niet dat het beroep van D-Age medio 2004 op haar co-investeringsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is geweest. De door Nethave genoemde omstandigheid dat D-Age niet aan de 4e call heeft meegedaan brengt hierin geen verandering, zoals de rechtbank reeds onder 4.23. heeft overwogen. Feit blijft dat D-Age een co-investeringsrecht had en dat Nethave dat recht ten tijde van de investering in Canal+ eenvoudig weg niet heeft willen erkennen. Hierdoor heeft Nethave zelf het risico genomen dat D-Age (in rechte) de vorderingen zou instellen, zoals zij nu heeft gedaan. Onaanvaardbaar is dit niet. Daar komt bij dat Nethave niet concreet heeft onderbouwd tot welke onaanvaardbare consequenties het co-investeren van D-Age in Canal+ zou hebben geleid. Het enkele feit dat D-Age mee zou gaan delen in de winst als de investering een succes zou worden, hetgeen ook is gebeurd, is in ieder geval niet een onaanvaardbare consequentie. Die consequentie is immers juist bij het toekennen van het co-investeringsrecht beoogd. Mogelijk hadden Nethave en haar aandeelhouders tegen dat gevolg in 2004 grote bezwaren, maar dat brengt nog niet mee dat het gevolg ook onaanvaardbaar is. Conclusie Canal+ en causaal verband 4.62. Samenvattend is op grond van al het vorenstaande de conclusie dat Nethave met betrekking tot de investering in Canal+ in de nakoming van haar verplichtingen jegens D-Age tekort is geschoten en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is dat D-Age met betrekking tot die investering een beroep op haar co-investeringsrecht heeft gedaan. De gevorderde verklaring voor recht als omschreven onder 3.1. sub A. onder 2. zal dan ook in zoverre worden toegewezen. Als gevolg van haar tekortschieten is Nethave gehouden de door D-Age geleden schade te vergoeden. D-Age heeft haar schade in relatie tot de investering in Canal+ begroot aan de hand van het jaarverslag van Nethave op een bedrag van EUR 18.242.500,00, te weten 25% van het netto resultaat dat de investering in Canal+ Nethave heeft opgeleverd. Tegen de juistheid van deze berekening heeft Nethave geen verweer gevoerd, zodat genoemd bedrag eveneens kan worden toegewezen. Wel heeft Nethave bij pleidooi het verweer gevoerd dat er geen causaal verband bestaat tussen de door D-Age gestelde wanprestatie en de door haar gestelde geleden schade. Nethave stelt in dit verband dat D-Age niet in Canal+ zou hebben geco-investeerd als zij daartoe wel van Nethave de mogelijkheid zou hebben gekregen. Dit verweer wordt verworpen. D-Age heeft in haar correspondentie duidelijk aangegeven te willen co-investeren in Canal+, maar daartoe pas een definitieve beslissing te willen nemen na bestudering van nadere documentatie. Nethave heeft D-Age voor deze nadere bestudering geen kans gegeven, hetgeen blijkt uit het feit dat zij (1) Nethave op 30 juni 2004 reeds heeft bericht dat D-Age niet zou mogen co-investeren en (2) uit de brief van de Winter van 9 november 2004 blijkt dat Nethave de verzochte documentatie nimmer aan D-Age heeft verzonden. Als gevolg hiervan komt het voor rekening en risico van Nethave dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of D-Age in Canal+ zou hebben geco-investeerd als zij daartoe de kans zou hebben gekregen. Dit brengt mee dat als uitgangspunt wordt genomen dat in het geval Nethave haar verplichtingen uit hoofde van de brief van 28 juni 1999 zou zijn nagekomen, D-Age zou hebben geco-ïnvesteerd in Canal+ en dat D-Age daarmee winsten zou hebben gerealiseerd. De schade die D-Age lijdt doordat zij niet heeft mogen co-investeren in Canal+ is dus een direct gevolg van het tekortschieten van Nethave in de nakoming van haar verplichtingen. Hiermee is het causale verband gegeven. Wellicht is onduidelijk of D-Age voor 25% zou hebben meegedaan, maar concrete omstandigheden waarom D-Age met betrekking tot de investering in Canal+ minder dan 25% zou hebben geïnvesteerd zijn de rechtbank niet gebleken. Artikel 22 Rv en 843a Rv 4.63. In de inleidende dagvaarding heeft D-Age - kort gezegd - aan Nethave het verzoek gedaan alle informatie aan D-Age te verstrekken met betrekking tot de door Nethave gedane investeringen. Dit om D-Age in staat te stellen haar vorderingen exact en in detail te kunnen omschrijven. In het geval Nethave deze informatie niet zou willen verstrekken, verzoekt D-Age aan de rechtbank om met het oog op het bepaalde in artikel 22 Rv Nethave te gelasten die informatie in het geding te brengen. Daarnaast heeft D-Age met een beroep op artikel 843a Rv de rechtbank verzocht Nethave te bevelen om een kopie van de volledige documentatie betrekking hebbend op de investeringen in Enertel, Telfort, Canal+ en Telfort Beheer te verschaffen, opdat aan de hand van die documentatie de precieze voorwaarden waaronder Nethave de betreffende transacties heeft gedaan kenbaar worden en D-Age haar eis, desnodig, nader kan aanscherpen c.q. aanvullen. 4.64. De rechtbank wijst beide verzoeken af. Voor de beoordeling in deze zaak acht de rechtbank het niet nodig dat nadere informatie door Nethave met betrekking tot de door haar gedane investeringen in het geding wordt gebracht. De rechtbank acht zich door partijen namelijk voldoende geïnformeerd om tot een beslissing in deze zaak te komen. Vorderingen 4.65. Mede met inachtneming van al het vorenstaande zal de rechtbank de respectievelijk door D-Age ingestelde vorderingen hieronder afzonderlijk bespreken. A. Verklaringen voor recht en vordering betaling geldsom 4.66. De gevorderde verklaring voor recht dat Nethave D-Age een co-investeringsrecht heeft toegekend zal worden toegewezen in de hieronder in het dictum vermelde zin. 4.67. Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.62. heeft overwogen, zal de gevorderde verklaring voor recht dat Nethave toerekenbaar tekort is geschoten en in verzuim is met betrekking tot de nakoming van haar verplichtingen jegens D-Age op grond van het co-investeringsrecht ten aanzien van de door Nethave in Canal+ gedane investering eveneens worden toegewezen. 4.68. De onder 3.1. sub A. onder 3. gevorderde verklaring voor recht, inhoudende dat het stelselmatig weigeren van Nethave om D-Age in de gelegenheid te stellen in de investeringen van Nethave te participeren strijd oplevert met het bepaalde in artikel 2:8 BW en 2:201 BW en overigens onrechtmatig is jegens D-Age, wordt afgewezen. D-Age heeft deze vordering en haar belang daarbij onvoldoende concreet toegelicht. B. primair 4.69. De vordering tot betaling van een geldsom wordt, zoals reeds is beslist, toegewezen voor een bedrag van EUR 18.242.500,00. Het in combinatie daarmee gevorderde wordt toegewezen respectievelijk afgewezen op de wijze als in het dictum onder 5.3. is geformuleerd. B. subsidiair 4.70. Omdat de primaire vordering onder B. gedeeltelijk wordt toegewezen en gegeven het feit dat de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van het co-investeringsrecht niet meer mogelijk is, komt de rechtbank aan de beoordeling van de subsidiaire vorderingen onder B. niet toe. C. Verstrekken overzichten 4.71. Tegen de vordering, zoals vermeld onder 3.1. sub C., heeft Nethave geen verweer gevoerd. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen, voor zover die vordering betrekking heeft op het verstrekken van een opgave in relatie tot de investering in Airfield Holding. D. Overige schade 4.72. De vordering tot vergoeding van overige schade, nader op te maken bij staat, wordt afgewezen. Voor een veroordeling tot vergoeding van schade op te maken bij staat dient de eiser de mogelijkheid dat schade is geleden aannemelijk te maken. Aan dit vereiste heeft D-Age niet voldaan. D-Age heeft namelijk op geen enkele wijze toegelicht respectievelijk geconcretiseerd waaruit de door haar gestelde “overige schade” - anders dan de onder A. en hieronder onder E. te bespreken schade - bestaat. E. Fiscale schade 4.73. D-Age heeft de mogelijkheid dat zij fiscale schade lijdt als gevolg van het feit dat zij het toegewezen bedrag later ontvangt dan zij het zou hebben ontvangen in het geval Nethave haar verplichtingen jegens haar correct zou zijn nagekomen, voldoende aannemelijk gemaakt. Met het oog hierop en gegeven het feit dat Nethave tegen deze vordering geen specifiek verweer heeft gevoerd, zal deze onder 3.1. sub E. omschreven vordering worden toegewezen. F. Buitengerechtelijke kosten 4.74. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal – mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II – worden afgewezen. D-Age heeft de door haar gestelde gemaakte kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid niet onderbouwd. Daarnaast heeft D-Age nagelaten een omschrijving te geven van de voor de rekening van D-Age verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden noch heeft zij die kosten op een andere wijze geconcretiseerd. De kosten waarvan D-Age vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. G. Proceskostenveroordeling 4.75. Nethave zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begoot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van D-Age op basis van het toegewezen bedrag, met inbegrip van de met het voorlopig getuigenverhoor gemoeide kosten, op: - dagvaarding EUR 71,93 - vast recht EUR 4.584,00 - getuigenkosten EUR 1.000,00 - salaris procureur EUR 16.055,00 (5,0 punten x tarief EUR 3.211,00) ------------------- Totaal EUR 21.710,93 4.76. Nethave heeft in conventie en reconventie gevorderd dat D-Age wordt veroordeeld in de kosten van de tegen F.M. ingestelde vrijwaringsprocedure. Voor een zodanige veroordeling is alleen plaats in het geval de hoofdvordering (in haar geheel) wordt afgewezen en de vrijwaringsvordering dus ook. Deze situatie doet zich hier niet voor, zodat bedoelde vordering niet voor toewijzing vatbaar is. in reconventie Opheffing beslag 4.77. Tot zekerheid van betaling van het in conventie gevorderde bedrag heeft D-Age conservatoire (derden)beslagen gelegd op de door Nethave gehouden aandelen in het kapitaal van Enertel Holding, Telfort Holding en Misweka B.V. (voorheen: Telfort Beheer) en onder F. van Lanschot Bankiers en op de escrow-rekening inzake de verkoopopbrengst van de aandelen in Airfield Holding. Nethave vordert in reconventie om deze beslagen op te heffen, omdat die beslagen volgens haar onrechtmatig zijn gelegd, nu de vorderingen van D-Age in conventie moeten worden afgewezen. 4.78. Tegen de vordering tot opheffing van genoemde beslagen heeft D-Age onder meer het verweer gevoerd dat, indien de vorderingen waarvoor de beslagen zijn gelegd (gedeeltelijk) worden afgewezen, de gelegde beslagen toch moet worden gehandhaafd totdat bij een in kracht van gewijsde gegane eindbeslissing in deze zaak zal zijn besloten. Dit omdat een afweging van de wederzijdse belangen van partijen daartoe aanleiding geeft. 4.79. Met betrekking tot dit geschilpunt wordt overwogen dat een (gedeeltelijk) afwijzend vonnis niet noodzakelijk tot opheffing van het ter verzekering van de ingestelde vordering gelegde conservatoire beslagen behoeft te leiden. Bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen. Het afwijzende vonnis speelt echter wel een rol bij de belangenafweging, maar aanvullende omstandigheden zijn vereist. 4.80. Nethave heeft haar belang bij opheffing van de beslagen gegrond op het kunnen doen van een uitkering aan haar aandeelhouders. Nethave stelt dat haar aandeelhouders zich in toenemende mate beginnen te roeren en hun geld willen. Bij niet betaling kan dit voor Greenfield buitengewoon schadelijk zijn, aldus Nethave. D-Age stelt zich op het standpunt dat bij uitbetaling van de door Nethave gerealiseerde winsten aan haar aandeelhouders al haar verhaalmogelijkheden verdwijnen. Alsdan komt D-Age, zo stelt zij, met lege handen te staan in de situatie dat zij bij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak (alsnog geheel) gelijk krijgt. Op grond van deze over en weer gestelde belangen bij opheffing respectievelijk handhaving van de gelegde beslagen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de beslagen niet zullen worden opgeheven. Daartoe geldt dat het belang dat Nethave heeft bij het vrij maken van de beslagen gelden (betaling aan aandeelhouders) ertoe leidt, gelijk D-Age heeft gesteld, dat Nethave geen verhaal meer biedt bij een mogelijk ten gunste van D-Age in kracht van gewijsde gegane uitspraak. D-Age heeft er belang bij dat deze situatie wordt voorkomen en dat belang weegt zwaarder dan het door Nethave gestelde belang bij opheffing van de beslagen. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat uitbetaling aan de aandeelhouders van de door Nethave gerealiseerde winst alsnog kan geschieden nadat dit vonnis dan wel een daarop volgende uitspraak onherroepelijk is geworden. Handhaving van de gelegde beslagen heeft dus geen onomkeerbaar gevolg. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn door Nethave niet gesteld respectievelijk onvoldoende onderbouwd. Zo heeft Nethave niet toegelicht waaruit haar schade bestaat dan wel zal bestaan bij handhaving van de gelegde beslagen. Het enkele feit dat aandeelhouders van Nethave zich beginnen te roeren is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, in ieder geval niet als voldoende onderbouwing van het door Nethave gestelde belang bij opheffing van de beslagen (ter voorkoming van schade) te beschouwen. Ontbinding 4.81. De vorderingen in reconventie, zoals omschreven in 3.3 onder 2,3 en 4, vloeien allen voort uit de stelling van Nethave dat D-Age haar verplichting tot het investeren van een bedrag van NLG 5.000.000,00 in Nethave niet is nagekomen. D-Age heeft immers slechts een bedrag van NLG 3.750.000,00 geïnvesteerd door niet deel te nemen aan de 4e call. Als gevolg hiervan, zo stelt Nethave, dienen de in juni 1999 tussen partijen gemaakte afspraken te worden ontbonden en is D-Age gehouden de reeds verrichte prestaties ongedaan te maken. Onder 4.22. en 4.23. heeft de rechtbank reeds overwogen dat Nethave haar aandeelhouders heeft vrijgesteld van hun verplichting om de vierde storting te doen. Hierdoor is het oorspronkelijke verplichte karakter aan die verplichting komen te ontvallen. In de nakoming daarvan heeft D-Age dan ook niet tekort kunnen schieten. Dit brengt mee dat voor ontbinding van de in juni 1999 tussen partijen gemaakte afspraken geen rechtsgrond is. De gevorderde ontbinding en daarmee verbandhoudende vorderingen tot ongedaanmaking van de reeds verrichte prestaties zal de rechtbank dan ook afwijzen. Proceskostenveroordeling 4.82. Nethave zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van D-Age worden begroot op: - salaris procureur EUR 6.422,00 (4 punten x factor 0,5 x EUR 3.211,00) 5. De beslissing De rechtbank In conventie 5.1. verklaart voor recht dat Nethave aan D-Age in 1999 een co-investeringsrecht heeft toegekend, waarbij D-Age het recht heeft steeds voor in beginsel 25% (vijfentwintig procent) in alle investeringen die Nethave doet te participeren en dat Nethave aan dat co-investeringsrecht van D-Age nog steeds gebonden is, 5.2. verklaart voor recht dat Nethave toerekenbaar tekortgekomen is en in verzuim is met betrekking tot de nakoming van haar verplichtingen jegens D-Age op grond van dit co-investeringsrecht ten aanzien van de door Nethave gedane investeringen in Airfield Holding (Canal+/Canal Digitaal) en dat Nethave gehouden is aan D-Age een vervangende schadevergoeding te betalen ter zake van de volledige door D-Age, als gevolg van het niet hebben kunnen co-investeren, geleden schade met inbegrip van alle terzake door D-Age geleden verliezen en gederfte winsten, 5.3. veroordeelt Nethave, nu nakoming door Nethave van de op haar rustende verplichtingen op grond van het aan D-Age gegeven co-investeringsrecht niet meer mogelijk is ten aanzien van de investering in Canal+/Canal Digitaal via AirField Holding B.V., aan D-Age te betalen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, bij wijze van vervangende schadevergoeding, uiterlijk binnen 2 (twee) dagen na betekening aan Nethave van dit vonnis, een bedrag van EUR 18.242.500,00, nog te vermeerderen, voor wat betreft de na 31 december 2006 nog door Nethave ontvangen c.q. te ontvangen bedragen met 25% (zegge: vijfentwintig procent) van alle bedragen die Nethave aan winst in de zin van artikel 6:104 BW sedert 31 december 2006 nog ontvangen heeft c.q nog zal gaan ontvangen, daaronder begrepen de bedragen die Nethave zal gaan ontvangen ten titel van (aanvullende) netto verkoopprijs en/of dividenden en/of terugbetaling van agio en/of terugbetaling op leningen en/of rente-ontvangsten en/of ten welke titel dan ook, voortvloeiend uit en verbonden aan het aandeelhoudersschap van Nethave in Canal+/Canal Digitaal via AirField Holding B.V., welke bedragen voldaan dienen te worden uiterlijk binnen 2 (twee) dagen nadat Nethave de betreffende bedragen zal hebben ontvangen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop Nethave de betreffende winsten c.q. inkomsten heeft dan wel zal hebben genoten c.q. de bedragen heeft dan wel zal hebben ontvangen tot aan de dag der voldoening door Nethave, 5.4. veroordeelt Nethave om, eens per kwartaal, voor het eerst in het kwartaal waarin het in deze door de rechtbank te wijzen vonnis aan Nethave zal zijn betekend, schriftelijk aan D-Age opgave te doen, middels toesturen aan D-Age uitelijk binnen 2 (twee) weken na het verstrijken van het betreffende kwartaal, per aangetekend schrijven, van een door Nethave's registeraccountant op te stellen, schriftelijke, opgave van alle door Nethave in de, aan de datum waarop de verklaring wordt gegeven, voorafgaande periode sedert de datum waarop Nethave de onderscheiden belangen heeft verworven, ontvangen betalingen, voortvloeiend uit en verbonden aan het aandeelhouderschap van Nethave in Airfield Holding B.V. dan wel de beëindiging daarvan, een en ander op straffe van verbeurte door Nethave aan D-Age van EUR 100.000,00 (zegge: honderdduizend euro) voor iedere dag dat Nethave in gebreke zal zijn met de nakoming van deze op haar rustende verplichting, 5.5. veroordeelt Nethave aan D-Age te vergoeden, steeds tegen behoorlijk bewijs van kwijting, de volledige schade die D-Age lijdt dan wel nog zal lijden als gevolg van het feit dat bedragen die aan D-Age op basis van dit vonnis zullen worden uitbetaald, niet door D-Age in fiscale zin kunnen worden ontvangen op de wijze waaop de bedragen zouden zijn ontvangen indien Nethave D-Age tijdig in staat had gesteld te co-investeren nadat D-Age ter zake aanspraak op co-investering had gemaakt, welke schade thans nog niet begroot kan worden en zal moeten worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, 5.6. veroordeelt Nethave in de proceskosten, aan de zijde van D-Age tot op heden begroot op EUR 21.710,93, 5.7. verklaart dit vonnis in conventie tot zover, met uitzondering van de beslissingen onder 5.1. en 5.2., uitvoerbaar bij voorraad, 5.8. wijst het meer of anders gevorderde af, In reconventie 5.9. wijst de vorderingen af, 5.10. veroordeelt Nethave in de proceskosten, aan de zijde van D-Age tot op heden begroot op EUR 6.422,00, 5.11. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, mr. R.J. Praamstra en mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2007. w.g. griffier w.g. rechter?
ECLI:NL:GHARL:2013:7152
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.104.515 en 200.104.517 (zaaknummers rechtbank Utrecht 284460 en 275515) arrest van de eerste kamer van 7 mei 2013 in de zaak met nummer 200.104.515 van de naamloze vennootschap Nethave N.V., gevestigd te Utrecht, appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, hierna: Nethave, advocaat: mr. G. te Winkel, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D-Age B.V., gevestigd te Amersfoort, geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, hierna:
ECLI:NL:RBUTR:2011:BU9666
De procedure 1.1. Tussen partijen zijn behalve deze procedure (“de verklaring voor recht-zaak”) nog twee procedures aanhangig. In de zaak met nummer 269150/09-1420 (“de herroepingszaak”) is [W] de eisende partij en [Z] de gedaagde. In de zaak met nummer 275512/09-2381 (“de terugbetalingszaak”) is [W] ook de eisende partij en zijn de gedaagde partijen [Z], [Y] B.V. (hierna: [Y]), [A] (hierna: [A]), [B] (hierna: [B]), [V] Beheer B.V. (hierna: [V]) en [C] (hierna: [C]). Tegen laatstgenoemde twee partijen is verstek verleend. 1.2. Tijdens de comparitie van 6 januari 2011 heeft de rechtbank in overleg met partijen beslist dat de stellingen en producties die een (in het geding verschenen) partij in een van de zaken heeft ingenomen dan wel overgelegd, worden beschouwd als mede te zijn ingenomen respectievelijk te zijn overgelegd in de overige zaken.
ECLI:NL:RBUTR:2011:BU9173
De procedure 1.1. Tussen Nethave en D-Age zijn behalve deze procedure (“de terugbetalingszaak”) nog twee procedures aanhangig. In de zaak met nummer 269150/09-1420 (“de herroepingszaak”) is Nethave ook de eisende partij en in de zaak met nummer 284460/10-765 (“de verklaring voor recht-zaak”) is Nethave de gedaagde partij. 1.2. Tijdens de comparitie van 6 januari 2011 heeft de rechtbank in overleg met partijen beslist dat de stellingen en producties die een (in het geding verschenen) partij in een van de zaken heeft ingenomen dan wel overgelegd, worden beschouwd als mede te zijn ingenomen respectievelijk te zijn overgelegd in de overige zaken.
ECLI:NL:HR:2014:2631
5 september 2014 Eerste Kamer nr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Zaaknr: 17/04830 mr. R.H. de Bock Zitting: 7 september 2018 Conclusie inzake:

1. D-Age B.V.

2. Diavolezza B.V. 3. [eiser 3] 4. [eiseres 4] mr. F.E. Vermeulen tegen Nethave N.V. mr. J.W.H. van Wijk. 1Feiten In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan, grotendeels ontleend aan het arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 juli 2017 (rov.2.2). Enigszins verkort weergegeven gaat het om het volgende. 1.1 D-Age is een investerings- en beleggingsfonds. De aandelen van D-Age zijn grotendeels in handen van Palu Beleggingen BV. De aandelen van Palu Beleggingen zijn deels in handen van Diavolezza. [eiser 3] en [eiseres 4] zijn (indirect) bestuurders van zowel Palu als Diavolezza.

Diavolezza, [eiser 3] en [eiseres 4] worden hierna aangeduid als Diavolezza c.s. 1.2 Nethave is een private equityfonds dat eind 1998 is opgericht. Nethave richt zich op investeringen in multimediabedrijven, met name in de groeifase. Enig aandeelhouder van Nethave Management is Greenfield Capital Partners B.V. (hierna: Greenfield). Van 31 maart 1995 tot 15 juli 2000 is [betrokkene 1] bestuurder geweest van Nethave en Greenfield. 1.3 Tussen D-Age en Nethave is een geschil ontstaan over de vraag of Nethave aan D-Age een co-investeringsrecht had toegekend.

In een brief van 23 september 2005 heeft [betrokkene 1] , als voormalig bestuurder van Nethave, in verband hiermee een verklaring afgelegd, naar aanleiding van enkele door de raadsman van Nethave gestelde vragen. Op 2 februari 2006 heeft [betrokkene 1] onder ede een notariële verklaring afgelegd, die ter zake het co-investeringsrecht aansloot op zijn verklaring van 23 september 2005. 1.4 Op 14 december 2005 heeft D-Age een procedure tegen Nethave aanhangig gemaakt met betrekking tot het co-investeringsrecht. D-Age had kort daarvoor beslag gelegd op de vermogensbestanddelen van Nethave ter waarde van ongeveer € 130.000.000,-.

In die procedure zijn op verzoek van Nethave voorlopige getuigenverhoren gehouden, waarbij onder meer [betrokkene 1] als getuige is gehoord en hij onder meer heeft verklaard dat hij blijft bij de inhoud van zijn verklaringen van 23 september 2005 en 2 februari 2006. Tijdens dit getuigenverhoor werd [betrokkene 1] bijgestaan door zijn toenmalige raadsman mr. H.J. Blaisse. D-Age heeft de kosten die mr. Blaisse heeft gemaakt in het kader van de bijstand voor dit getuigenverhoor vergoed. Het totaal van deze declaraties bedraagt € 97.165,81. 1.5 In die procedure heeft de rechtbank Utrecht bij vonnis van 19 december 2007 voor recht verklaard dat Nethave aan D-Age in 1999 een co-investeringsrecht heeft toegekend, waarbij D-Age het recht heeft steeds voor in beginsel 25% te participeren in alle investeringen die Nethave doet.

Tevens heeft de rechtbank voor recht verklaard dat Nethave toerekenbaar tekortgekomen is en in verzuim is met betrekking tot de nakoming van haar verplichtingen jegens D-Age op grond van dit co-investeringsrecht ten aanzien van de door Nethave gedane investeringen in Airfield Holding (Canal+/Canal Digitaal). Voorts heeft de rechtbank Nethave veroordeeld tot (onder meer) betaling van € 18.242.500,- aan D-Age, omdat nakoming door Nethave van de op haar rustende verplichtingen op grond van het aan D-Age gegeven co-investeringsrecht niet meer mogelijk was ten aanzien van de investering in Canal+/Canal Digitaal via Airfield Holding.

De vordering van Nethave tot opheffing van de door D-Age gelegde beslagen is door de rechtbank afgewezen. Nethave is veroordeeld in de proceskosten. Zowel D-Age als Nethave hebben hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. 1.6 Uiteindelijk hebben D-Age en Nethave op 10 november 2008 een vaststellingsovereenkomst gesloten, onder de opschortende voorwaarde van een goedkeurend besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van Nethave. De in deze vaststellingsovereenkomst opgenomen artikelen 8, 12 en 14 luiden als volgt: “8. Deze Overeenkomst strekt ertoe de Procedure en alle onzekerheid en geschillen daarmee samenhangend definitief te beëindigen alsmede alle onzekerheid en geschillen omtrent hetgeen rechtens tussen Partijen geldt ten aanzien van de totstandkoming, het bestaan, de uitleg en de uitoefening van het Co-investeringsrecht, het Geschil en de in het kader daarvan over en weer gelegde conservatoire (derden)beslagen, en over en weer over elkaar gedane mededelingen, alsmede de al dan niet bestaande twijfel bij Partijen omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de (wijze van totstandkoming van de) ter zake van het Geschil afgelegde verklaringen definitief te beëindigen en elke verdere onzekerheid of geschil terzake al het hierboven sub 8 vermelde te voorkomen. (...) 12.

Partijen zullen elkaar, noch elkaars directeur, noch enig aan elkaar of aan elkaars directeur, direct of indirect, gelieerde (rechts)person, in de ruimste zin des woords, daaronder mede verstaan elkaars aandeelhouders, (directe of indirect) aandeelhouders van aandeelhouders en/of directie en leden van de raad van commissarissen en/of investeringscommissies, aansprakelijk stellen voor enige vorm van schade, inclusief gevolgschade, ter zake van waardevermindering van het door ieder der Partijen gehouden aandelenbelang in NEThave dan wel voor enigerlei schade welke direct of indirect het gevolg is van het Geschil en/of de Procedure en/of de over een weer gelegde conservatoire (derden)besalgen, en/of over wen weer over elkaar gedane mededelingen en/of de ter zake van het Geschil afgelegde verklaringen.

Nethave en D-Age trekken hierbij elke mogelijke aansprakelijkstelling zijdens elkander uit het verleden uitdrukkelijk in. (…) 14. Partijen doen over en weer uitdrukkelijk afstand van hun recht deze Overeenkomst geheel dan wel gedeeltelijk op grond van dwaling te (doen) vernietigen dan wel geheel dan wel gedeeltelijk te (doen) ontbinden op welke grond dan ook.” 1.7 De algemene vergadering van aandeelhouders van Nethave heeft de vaststellingsovereenkomst op 10 november 2008 goedgekeurd. Beide partijen hebben het tegen het vonnis van de rechtbank van Utrecht van 19 december 2007 ingestelde hoger beroep vervolgens ingetrokken. 1.8 In januari 2009 heeft een medeaandeelhouder van Nethave in de boeken bij een van zijn participaties geconstateerd dat Diavolezza in 2006 in totaal € 600.000,- had overgemaakt naar Hooglanden Beheer B.V., een vennootschap waarvan [betrokkene 1] de enige bestuurder is en waarvan zijn kinderen de aandeelhouders zijn. 1.9 Bij brief van 4 juni 2009 heeft Nethave aan D-Age meegedeeld dat zij de vaststellingsovereenkomst vernietigt op grond van bedrog.

Volgens Nethave heeft D-Age in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 19 december 2007 van de rechtbank Utrecht een belangrijke getuige ( [betrokkene 1] ) omgekocht om een valse verklaring af te leggen in het nadeel van Nethave. Verder was volgens Nethave sprake van bedrog omdat D-Age had nagelaten bij de onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst te melden dat D-Age aan [betrokkene 1] een onkostenvergoeding voor het verstrekken van de getuigenverklaring had betaald en dat op de dag waarop de getuigenverklaring van [betrokkene 1] door de notaris is opgetekend aan een door [betrokkene 1] beheerste vennootschap een lening was verstrekt door Diavolezza. 1.10 Vervolgens heeft D-Age een procedure tegen Nethave aanhangig gemaakt, waarin D-Age vorderde dat voor recht wordt verklaard dat Nethave gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst (de ‘verklaring voor recht procedure’). 1.11 Nethave heeft vervolgens twee procedures aanhangig gemaakt: een procedure waarin zij vordert dat D-Age en Diavolezza c.s. het op grond van de vaststellingsovereenkomst betaalde bedrag van € 30 miljoen terugbetalen (de ‘terugbetalingsprocedure’) en een procedure waarin Nethave herroeping van het vonnis van 19 december 2007 vordert (de ‘herroepingsprocedure’).

D-Age vorderde in die zaken een vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. 1.12 Bij vonnis van 21 december 2011 heeft de rechtbank Utrecht in de ‘verklaring voor recht procedure’ voor recht verklaard dat de vaststellingsovereenkomst van 10 november 2008 tussen D-Age en Nethave en al hetgeen daarin is overeengekomen onverkort van kracht is en partijen nog steeds bindt. De vordering van D-Age tot veroordeling van Nethave in haar volledige proceskosten is door de rechtbank afgewezen, omdat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van misbruik van procesrecht (rov. 4.24).

Bij vonnis van eveneens 21 december 2011 heeft de rechtbank in de ‘terugbetalingsprocedure’ de vordering van Nethave tot betaling van € 30.000.000,- afgewezen, omdat, kort gezegd, Nethave bewust het risico heeft aanvaard dat D-Age tegen haar heeft gelogen en aspecten heeft verzwegen die voor haar van belang waren. Ook in deze procedure is de vordering van D-Age en Diavolezza c.s. tot veroordeling van Nethave in de volledige proceskosten door de rechtbank afgewezen, omdat geen sprake is van misbruik van procesrecht (rov. 4.27-4.28). 1.13 In de ‘herroepingsprocedure’ is geen uitspraak gedaan.

Deze procedure is op enig moment doorgehaald. 1.14 Nethave is in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 21 december 2011. D-Age en Diavolezza c.s. hebben verweer gevoerd en zijn in incidenteel hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Bij arrest van 7 mei 2013 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, de vonnissen van 21 december 2011 bekrachtigd. Het hof heeft daartoe – voor zover thans van belang – het volgende overwogen: “7.4 In artikel 12 van de vaststellingsovereenkomst hebben partijen zich jegens elkaar geëxonereerd voor aansprakelijkheid voor elke vorm van schade die het gevolg is van het geschil of de procedure inzake het co-investeringsrecht en de over en weer over jegens elkaar gedane mededelingen of de ter zake het geschil afgelegde verklaringen.

Deze bepaling dient (…) aldus te worden begrepen dat partijen jegens elkaar elke vorm van aansprakelijkheid hebben willen uitsluiten, inclusief een mogelijke aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad en/of bedrog. (…) 7.6 Het beroep op artikel 12 doet in beginsel elke grond onder de vorderingen van Nethave jegens D-Age en Diavolezza c.s. ontvallen. Dit is slechts anders indien, zoals Nethave stelt en D-Age en Diavolezza c.s. betwisten, een beroep op het bepaalde in artikel 12 van de vaststellingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 7.7 Nethave heeft haar beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid onderbouwd door te stellen dat er bedrog aan de zijde van D-Age en Diavolezza c.s. is gepleegd, nu zij zouden hebben verzwegen dat de ten behoeve van [betrokkene 1] aan mr.

Blaisse betaalde kosten van rechtsbijstand bijna € 100.000,- bedroegen en zij voorts de op 2 februari 2006 notarieel verleden lening van Diavolezza aan Hooglanden Beheer B.V. hebben verzwegen. Volgens Nethave heeft de raadsman van D-Age haar bewust misleid met diens mededelingen in de brief van 22 oktober 2008 (zoals geciteerd in de bestreden vonnissen onder 2.23). 7.8 Naar het oordeel van het hof valt het achterwege laten van mededelingen over de hoogte van de aan mr. Blaisse betaalde kosten en de door Diavolezza aan Hooglanden Beheer B.V. verschafte lening echter noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang, noch tegen de achtergrond van de brief van 22 oktober 2008 van de raadsman van D-Age bezien, aan te merken als (een) omstandighe(i)d(en), die tot het oordeel zou(den) moeten leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Diavolezza c.s. en – in navolging van hen – D-Age zich zouden beroepen op artikel 12 van de vaststellingsovereenkomst.

Daartoe is het navolgende redengevend.(…)” 1.15 In de daarop volgende rechtsoverwegingen overweegt het hof, kort samengevat, dat Nethave vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst bekend was met het feit dat D-Age de door [betrokkene 1] gemaakte kosten van rechtsbijstand had betaald en dat Diavolezza een geldlening aan Hooglanden Beheer B.V. had verstrekt en dat van andere concrete feiten of omstandigheden waaruit valt af te leiden dat [betrokkene 1] door D-Age of Diavolezza c.s. is omgekocht om een voor hen gunstige getuigenverklaring te verkrijgen, niet is gebleken (rov. 7.9-7.12).

Volgens het hof is reeds om die reden het beroep van Diavolezza c.s. en D-Age op art. 12 van de vaststellingsovereenkomst niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (rov. 7.13). Daarbij komt dat het initiatief tot de schikking door Nethave werd genomen en D-Age slechts wilde schikken indien ‘het boek daarna definitief dicht kon’ (rov. 7.16-7.17). De directie en de raad van commissarissen waren vanwege twijfel over de betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 1] geen voorstander van schikking, maar zij hebben de wens van de aandeelhouders om te schikken, laten prevaleren (rov. 7.17 en 7.18).

Ook om die reden is het beroep van Diavolezza c.s. en D-Age op art. 12 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. 1.16 Het incidentele beroep tegen de afwijzing van de vordering van D-Age en Diavolezza c.s. tot veroordeling van Nethave tot betaling van haar volledige proceskosten heeft het hof in zijn arrest van 7 mei 2013 afgewezen. Daartoe is het volgende overwogen: “8.1 Zowel D-Age als Diavolezza c.s. komen in incidenteel hoger beroep op tegen de afwijzing door de rechtbank van de door hen gevorderde daadwerkelijk gemaakte proceskosten in de onderhavige procedures.

Bij de beoordeling van deze incidentele hoger beroepen geldt het navolgende als uitgangspunt. Er is slechts dan aanleiding om de wederpartij te veroordelen in de werkelijke proceskosten die een partij heeft moeten maken, als deze wederpartij haar vordering heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of had behoren te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. 8.2 In de onderhavige procedure is niet komen vast te staan dat Nethave de onjuistheid behoorde te kennen van de door haar gepresenteerde feiten en omstandigheden, dan wel dat zij op voorhand moest begrijpen dat haar stellingen geen kans van slagen hadden.

Evenmin is komen vast te staan dat Nethave haar procesbevoegdheden met geen ander doel heeft aangewend dan om D-Age en/of Diavolezza c.s. te schaden, omdat zij wist, althans behoorde te weten dat zij niet was bedrogen. De enkele omstandigheid dat Nethave bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst haar positie jegens D-Age en Diavolezza c.s. zonder enig voorbehoud volledig had prijs gegeven, rechtvaardigt niet de conclusie dat Nethave had behoren te begrijpen dat haar stellingen geen kans van slagen hadden. De door Nethave ingenomen stelling dat D-Age en/of Diavolezza c.s. [betrokkene 1] zouden hebben omgekocht, is weliswaar in hoger beroep niet komen vast te staan, doch is niet dermate van realiteitszin ontbloot dat Nethave als gevolg van het innemen van deze stelling de daadwerkelijk door D-Age en Diavolezza c.s. gemaakte proceskosten moet vergoeden.

De door Diavolezza c.s. gestelde omstandigheid dat Nethave [betrokkene 1] zelf onder druk zou hebben gezet om zijn getuigenverklaring in haar voordeel aan te passen, rechtvaardigt dit evenmin.” 1.17 Tegen dit arrest is door Nethave cassatieberoep ingesteld. Het cassatieberoep is bij arrest van 5 september 2014 door de Hoge Raad verworpen, met toepassing van artikel 81 RO. 2Procesverloop 2.1 Bij inleidende dagvaarding van 9 februari 2015 heeft D-Age zich op het standpunt gesteld dat Nethave door het aanhangig maken van de ‘herroepingsprocedure’ en ‘de terugbetalingsprocedure’, de vaststellingsovereenkomst van 10 november 2008 heeft geschonden.

Ook het hebben moeten aanspannen van de ‘verklaring voor recht procedure’ door D-Age is toe te rekenen aan het toerekenbaar tekortschieten door Nethave in de nakoming van haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst, omdat Nethave, in strijd met de overeenkomst, de nietigheid van de overeenkomst heeft ingeroepen. 2.2 Op grond hiervan vordert D-Age van Nethave vergoeding van de schade die zij door deze drie procedures heeft geleden, in totaal € 1.836.791,80, vermeerderd met rente en (na)kosten. Deze schade is als volgt gespecificeerd: i. de directe kosten van rechtsbijstand in de drie procedures van € 854.256,29,-; ii. indirecte kosten voor juridische bijstand van € 11.339,93,-; iii. kosten voor juridisch advies aan de directie van D-Age, begroot op € 26.624,80; iv. kosten voor managementtijd omdat haar indirect bestuurder Vervest, tijd heeft moeten besteden aan de door Nethave ingeroepen vernietiging en de daaruit voortvloeiende juridische procedures; deze kosten worden begroot op € 450.292,50,-; v. kosten die zijn gemaakt omdat Vervest buiten zijn vaste tijden extra uren aan de procedures heeft moeten besteden, zijnde een bedrag van € 254.550,-; vi. kosten die zijn gemaakt vanwege het inschakelen van (financieel) adviseurs en een accountant, namelijk € 103.265,46; vii. beslagschade van € 250,-.

Op deze kosten strekt in mindering een bedrag van € 66.903,09, dat Nethave als forfaitaire proceskosten aan D-Age heeft voldaan. 2.3 Bij inleidende dagvaarding van 24 februari 2015 hebben Diavolezza c.s. verklaringen voor recht gevorderd dat Nethave alsmede haar huidige en voormalige bestuurders toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst en onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld, alsmede betaling van € 2.046.701,58 aan schadevergoeding. Daarnaast hebben zij een bedrag van € 580.958,90 vanwege reputatieschade gevorderd. 2.4 Op 13 januari 2016 heeft de rechtbank Rotterdam in beide zaken vonnis gewezen.

Daarbij zijn zowel de vorderingen van D-Age als van Diavolezza c.s. afgewezen. 2.5 D-Age en Diavolezza c.s. hebben gezamenlijk hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Nethave heeft verweer gevoerd. Vervolgens heeft pleidooi plaatsgevonden. 2.6 Bij arrest van 11 juli 2017 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. 2.7 D-Age en Diavolezza c.s. hebben tegen het arrest tijdig cassatieberoep ingesteld. Nethave heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben een schriftelijke toelichting genomen. Vervolgens hebben partijen geconcludeerd voor re- en dupliek. 3Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het bestreden arrest van 11 juli 2017 laat zich als volgt samenvatten. a.

Uit art. 12 van de vaststellingsovereenkomst volgt dat partijen en hun (indirecte) bestuurders en aandeelhouders elkaar niet aansprakelijk zullen stellen voor enige vorm van schade verband houdende met de vaststellingsovereenkomst. Uit art. 14 volgt dat vernietiging van de vaststellingsovereenkomst niet mogelijk is (rov. 3.5). b. Partijen zijn het erover eens dat vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van bedrog in beginsel wel is toegestaan. Dat betekent dat de vaststellingsovereenkomst er niet aan in de weg staat dat Nethave als onverschuldigd betaald terugvordert wat zij uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst heeft voldaan, wanneer deze overeenkomst eenmaal is vernietigd (rov. 3.5). c.

Het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 7 mei 2013 moet zo worden begrepen (rov. 3.6):i. dat partijen iedere vorm van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad en/of bedrog hebben willen uitsluiten, zodat een beroep van D-Age en Diavolezza c.s. op art. 8 en art. 12 van de vaststellingsovereenkomst in beginsel in de weg staat aan toewijzing van de vorderingen van Nethave; ii. dat dit anders is als een beroep op deze bepalingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is; iii. dat zich dat voordoet als vast zou komen te staan dat D-Age en Diavolezza c.s. Nethave hebben misleid; iv. dat echter niet is komen vast te staan dat D-Age en Diavolezza c.s. Nethave hebben misleid. d.

Uit het voorgaande volgt dat de in de vaststellingsovereenkomst aan Nethave gestelde beperkingen om een procedure aanhangig te maken, niet zo ver gaan dat Nethave D-Age en Diavolezza c.s. niet aansprakelijk zou mogen stellen op grond van bedrog. Het aanspannen van een procedure op grond van bedrog is dan ook niet strijdig met art. 12 van de vaststellingsovereenkomst, ook niet als achteraf blijkt dat Nethave het bewijs van bedrog (toch) niet kan leveren (rov. 3.7). e. Dit betekent dat het instellen van een procedure door Nethave, voortvloeiend uit de vernietiging van de overeenkomst wegens bedrog, niet in strijd is met de vaststellingsovereenkomst (rov. 3.8 en 3.15). f.

Ook als moet worden aangenomen dat wél sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, kunnen de vorderingen van D-Age en Diavolezza c.s. niet worden toegewezen. Voor wat betreft de gevorderde kosten van rechtsbijstand geldt dat onvoldoende is gebleken dat partijen in de vaststellingsovereenkomst een van art. 6:96 lid 2 en 3 BW jo. art. 241 Rv afwijkende regeling hebben willen treffen, namelijk een volledige proceskostenveroordeling in geval van schending van het ‘procedeerverbod’ (rov. 3.10). g. Daarbij komt dat het hof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 7 mei 2013 reeds een afwijzende beslissing heeft gegeven over de vordering tot betaling van de volledige proceskosten.

Deze beslissing heeft gezag van gewijsde in de onderhavige procedure (rov. 3.11). h. Zelfs als dit laatste anders zou zijn, dan nog is er geen reden voor toewijzing van een volledige proceskostenveroordeling, omdat D-Age en Diavolezza c.s. daarvoor onvoldoende hebben gesteld, gelet op het feit dat het hof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat Nethave op voorhand had behoren te begrijpen dat haar stellingen geen kans van slagen hadden (rov. 3.12). i. Ook als zou worden aangenomen dat wel sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, dan nog geldt dat D-Age en Diavolezza onvoldoende hebben toegelicht dat de opgevoerde (overige) schadeposten kunnen worden toegerekend aan de (gestelde) tekortkoming van Nethave (rov. 3.13). 3.2 Het hof heeft dus verschillende, alternatieve argumenten aan de afwijzing van de vorderingen van D-Age en Diavolezza c.s. ten grondslag gelegd: (1) er is geen sprake van toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst door Nethave, zodat er geen grond is voor toewijzing van enige schade (a-e);

Voor zover het gaat om directe kosten van rechtsbijstand heeft bovendien te gelden: (2) dat onvoldoende is onderbouwd dat partijen beoogd hebben in de vaststellingsovereenkomst een van het wettelijke systeem afwijkende regeling, strekkende tot toekenning van volledige proceskosten op te nemen (f); (3) dat de beslissing tot afwijzing van de volledige proceskosten door het hof Arnhem-Leeuwarden gezag van gewijsde toekomt in de onderhavige procedure (g); (4) er onvoldoende is gesteld voor toewijzing van een volledige proceskostenveroordeling (h); Voor zover het gaat om de overige schadeposten geldt bovendien: (5) dat het causaal verband tussen een veronderstelde tekortkoming en de opgevoerde schadeposten onvoldoende is toegelicht (i).

Dit betekent dat D-Age en Diavolezza c.s. om in cassatie succes te kunnen boeken, voor wat betreft de gevorderde kosten van rechtsbijstand, cumulatief, de argumenten 1 tot en met 4 met succes zullen moeten bestrijden, en voor wat betreft de overige schadeposten, eveneens cumulatief, de argumenten 1 en 5. 3.3 Het cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen. Het eerste onderdeel richt zich tegen het oordeel van het hof dat geen sprake is van schending van art. 12 van de vaststellingsovereenkomst door Nethave. Het tweede onderdeel heeft betrekking op de afwijzing van de vordering tot betaling van de volledige proceskosten.

Het derde onderdeel ziet op het oordeel dat over de volledige proceskosten al een beslissing is genomen door hof Arnhem-Leeuwarden, die gezag van gewijsde heeft. Het vierde onderdeel is gericht tegen ‘s hofs oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van het wettelijke systeem voor vergoeding van proceskosten moet worden afgeweken. Het vijfde onderdeel heeft betrekking op de afwijzing van de gevorderde bijkomende kosten. 3.4 Het eerste onderdeel, dat uit drie subonderdelen bestaat, richt zich tegen rov. 3.6 en 3.7 van ’s hofs arrest.

Volgens subonderdeel 1.1 volgt uit het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 7 mei 2013 níet “dat het Nethave contractueel zou vrijstaan om D-Age en Diavolezza c.s. aansprakelijk te stellen en tegen hen te procederen, indien zij van mening is dat zij kan aantonen dat het bedrog daadwerkelijk gepleegd is” (cursivering van D-Age). Volgens het subonderdeel volgt uit het arrest van hof Arnhem-Leeuwarden dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming tenzij Nethave kan aantonen dat bedrog gepleegd. Dat is wat anders dan dat zij van mening is dat zij dat kan aantonen.

Rov. 3.7 is daarmee onbegrijpelijk en/of voldoende gemotiveerd. 3.5 Bij de bespreking van de klachten uit het eerste onderdeel is voorop te stellen dat in cassatie geen klachten zijn gericht tegen de door het hof in rov. 3.5 gegeven uitleg aan art. 12 en 14 van de vaststellingsovereenkomst. Die uitleg sluit aan bij de uitleg die het hof Arnhem-Leeuwarden daaraan gegeven heeft in zijn arrest van 7 mei 2013. Volgens deze uitleg gaat het ‘procedeerverbod’ in de vaststellingsovereenkomst niet zó ver, dat Nethave niet de vernietiging van de overeenkomst zou mogen inroepen op grond van bedrog.

Het ‘procedeerverbod’ is dus niet absoluut. In cassatie moet derhalve tot uitgangspunt worden genomen dat de vaststellingsovereenkomst niet in de weg staat aan het instellen van een vordering tot vernietiging van de overeenkomst wegens bedrog. 3.6 Daarvan uitgaande, is er onvoldoende grond om het door D-Age en Diavolezza c.s. gewenste onderscheid te maken, namelijk tussen enerzijds het instellen van een vordering omdat Nethave kan aantonen dat sprake is van bedrog, en anderszijds het instellen van een vordering omdat Nethave van mening is dat zij kan aantonen dat sprake is van bedrog.

Het onderscheid zou impliceren dat alleen wanneer van te voren vast staat dat sprake is van bedrog een vordering kan worden ingesteld. Dat is echter een onmogelijke eis; het zou vergen dat Nethave van te voren zeker weet dat de rechter haar vordering gaat toewijzen. Los daarvan is op te merken dat D-Age en Diavolezza c.s. in feitelijke instanties een dergelijk onderscheid niet hebben bepleit. De klacht van subonderdeel 1.1. faalt daarmee. 3.7 Volgens subonderdeel 1.2 is het oordeel van het hof bovendien onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van D-Age en Diavolezza c.s., dat uit het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden volgt dat de bepalingen van art. 8 en 12 van de vaststellingsovereenkomst afdwingbaar waren nu bedrog niet is komen vast staan en Nethave D-Age en Diavolezza c.s. dus niet aansprakelijk had mogen stellen.

De verwijzing in rov. 3.7 naar rov. 8.2 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden kan ’s hofs oordeel niet dragen, omdat die overweging in een andere context is geplaatst, namelijk in het kader van de vraag of Nethave misbruik van procesrecht heeft gemaakt en om die reden veroordeeld moet worden in de volledige proceskosten. 3.8 Uit ’s hofs overwegingen in rov. 3.6 blijkt dat het hof het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden zo interpreteert – en die interpretatie acht ik juist – dat weliswaar in beginsel de artt. 8 en 12 van de vaststellingsovereenkomst iedere grond onder de vorderingen van Nethave doen vervallen, maar dat dit anders is indien een beroep op die bepalingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Daarvan zou sprake kunnen zijn indien D-Age of Diavolezza c.s. zich schuldig hebben gemaakt aan bedrog (door omkoping van [betrokkene 1] ). Nu echter niet is komen vast te staan dat dat gebeurd is, doet zich niet voor dat een beroep op die bepalingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (zie ook hierboven onder 3.1, sub c). Voor zover in het onderdeel wordt uitgegaan van een andere lezing van rov. 3.6 van het hofarrest, is die lezing onjuist. 3.9 Dat het hof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 7 mei 2013 de bewuste overwegingen heeft gedaan in verband met de vraag of D-Age en Diavolezza c.s. aanspraak konden maken op een volledige proceskostenvergoeding, maakt ’s hofs oordeel in rov. 3.7, dat geen sprake is van schending van de vaststellingsovereenkomst omdat, kort gezegd, die overeenkomst geen absoluut ‘procedeerverbod’ bevatte, niet onbegrijpelijk.

De verwijzing naar rov. 8.2 van hof Arnhem-Leeuwarden vindt plaats na de vaststelling dat geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van Nethave en is slechts als bijkomend argument gebruikt. Daarbij is het hof zich ervan bewust dat die overweging in een iets andere context plaatsvond, zo wordt immers letterlijk overwogen. Maar ook overigens is de verwijzing niet onbegrijpelijk. Uit de overweging van het hof Arnhem-Leeuwarden dat de vordering van Nethave ‘niet dermate van realiteitszin [is] ontbloot dat Nethave als gevolg van het innemen van deze stelling de daadwerkelijk door D-Age en Diavolezza c.s. gemaakte proceskosten moet vergoeden’, kan immers worden afgeleid dat ook het hof Arnhem-Leeuwarden van oordeel was dat het (tevergeefs) aanspannen van de procedure geen toerekenbare tekortkoming van de vaststellingsovereenkomst oplevert.

Het subonderdeel faalt daarmee. 3.10 In subonderdeel 1.3 wordt betoogd dat D-Age en Diavolezza c.s. gemotiveerd hebben aangevoerd dat het ‘procedeerverbod’ in de overeenkomst is opgenomen, omdat zij ‘het boek definitief wilden sluiten’ en niet de ene procedure voor de andere wilden verruilen. Nethave heeft daarmee welbewust ingestemd, ondanks signalen over de onbetrouwbaarheid van de door [betrokkene 1] afgelegde verklaring. Nu Nethave het ‘procedeerverbod’ heeft geschonden, is zij gehouden om schadevergoeding te betalen. 3.11 Het subonderdeel stuit af op het gegeven dat, zoals onder 3.5 uiteen is gezet, ervan moet worden uitgegaan dat de vaststellingsovereenkomst geen absoluut ‘procedeerverbod’ behelst. 3.12 Zoals gezegd berust ’s hofs oordeel dat de vorderingen van D-Age en Diavolezza c.s. moeten worden afgewezen op verschillende gronden, die elk voor zich dragend zijn.

Nu de klachten uit het eerste onderdeel niet kunnen slagen, blijft het oordeel van het hof reeds daarom in stand. De hierna volgende bespreking van de andere klachten is dus ten overvloede. 3.13 Het tweede onderdeel, dat uit twee subonderdelen bestaat, richt zich tegen rov. 3.10 van het arrest. Het hof overweegt daarin het volgende: “3.10 Uit artikel 6:96 lid 2 en 3 BW blijkt dat onder schade onder meer vallen de “redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid” en de “redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte”, maar dit geldt niet voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 Rv de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn.

Op grond van artikel 241 Rv geldt dat kosten voor verrichtingen als bedoeld in de artikelen 237 tot en met 240 Rv, zoals voorbereiding van gedingstukken en instructie van de zaak, niet op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen, maar dat daarvoor alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn. Het hof verwerpt de stelling van D-Age en Diavolezza c.s. dat partijen in de vaststellingsovereenkomst een afwijkende regeling hebben willen treffen, nu Nethave dat heeft bestreden. D-Age en Diavolezza hebben onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat Nethave redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat D-Age een werkelijke proceskostenveroordeling wenste overeen te komen in geval van schending van het “procedeerverbod”.

De omstandigheid dat dit verbod een essentieel onderdeel van de overeenkomst is, is daarvoor niet voldoende.” 3.14 In subonderdeel 2.1 wordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat de vordering is gegrond op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, waarmee deze aan de exclusieve en limitatieve regeling van art. 6:96 lid 3 BW jo. art. 241 Rv is onttrokken en het opnemen van een afwijkende regeling in de vaststellingsovereenkomst niet nodig was. Subonderdeel 2.2 houdt in dat, voor zover het hof die grondslag niet heeft miskend, het een onbegrijpelijke uitleg aan de gedingstukken heeft gegeven.

In subonderdeel 2.3 wordt aangevoerd dat het opnemen van een procedeerverbod in de vaststellingsovereenkomst impliceert dat het niet nodig is om een van de art. 6:96 lid 3 BW en art. 241 Rv afwijkende regeling te treffen. In een dergelijk geval moeten de gewone regels van het schadevergoedingsrecht worden toegepast. 3.15 Volgens vaste rechtspraak is er alleen plaats voor een volledige proceskostenvergoeding indien sprake is van buitengewone omstandigheden, waarbij te denken is aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven.

Dit doet zich pas voor als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM. Dit betekent dat de regeling van de proceskostenvergoeding (artt. 237-240 Rv) derogeert aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander daardoor lijdt volledig te vergoeden. 3.16 Tegen deze achtergrond moet ’s hofs oordeel zo worden begrepen, dat de enkele schending van een contractueel procedeerverbod, onvoldoende grondslag biedt voor toewijzing van een volledige proceskostenveroordeling.

Dit zou anders kunnen zijn indien contractueel is vastgelegd dat schending van het procedeerverbod ertoe leidt dat de volledige proceskosten zijn verschuldigd, maar, zoals het hof terecht overweegt, dat doet zich niet voor. De vaststellingsovereenkomst houdt daarover immers niets in. Daarbij komt, zoals het hof – in cassatie onbestreden – heeft overwogen, dat onvoldoende omstandigheden zijn gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat Nethave redelijkerwijs had moeten begrijpen dat D-Age een werkelijke proceskostenveroordeling overeen had willen komen bij schending van het procedeerverbod. 3.17 Dit betekent dat de subonderdelen 2.1 en 2.2, die ervan uitgaan dat het treffen van een van de artt. 237-240 Rv afwijkende regeling niet nodig was, falen.

Subonderdeel 2.3 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen bespreking. 3.18 Onderdeel 3 richt zich tegen rov. 3.11 van het arrest. Deze rechtsoverweging luidt: “3.11 Over de proceskosten als bedoeld in artikel 241 Rv en de mogelijke afwijking van het liquidatietarief in het voordeel van D-Age en Diavolezza c.s. is reeds een beslissing gegeven door het hof Arnhem-Leeuwarden. Deze houdt in dat er onvoldoende reden was om Nethave in de werkelijke proceskosten te veroordelen. Deze beslissing heeft gezag van gewijsde. D-Age en Diavolezza c.s. hebben nog aangevoerd dat het hof Arnhem-Leeuwarden slechts heeft getoetst of sprake was van misbruik van recht.

Nu de huidige vordering is gegrond op toerekenbare tekortkoming, kan volgens hen opnieuw aan de orde worden gesteld of er op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding is om af te wijken van de hoofdregel dat proceskosten worden vergoed overeenkomstig het liquidatietarief. Het hof verwerpt deze stelling. De ingestelde vordering is identiek aan de vordering die D-Age en Diavolezza c.s. eerder hebben ingesteld. Dat zij voor deze vordering thans een andere juridische grondslag hebben gekozen, maakt voor het gezag van gewijsde van de beslissing van het hof Arnhem-Leeuwarden geen verschil.” 3.19 Onderdeel 3 bestaat uit twee subonderdelen.

In subonderdeel 3.1 wordt aangevoerd dat, anders dan het hof aanneemt, het hof Arnhem-Leeuwarden niet heeft geoordeeld over de onderhavige vordering omdat de vordering destijds gebaseerd was op onrechtmatige daad en misbruik van recht, met als feitelijke grondslag dat de vordering van Nethave in de door haar aangespannen procedures evident kansloos was. De onderhavige vorderingen van D-Age en Diavolezza c.s. zijn daarentegen rechtsvorderingen op de voet van art. 6:74 BW, die strekken tot het verkrijgen van schadevergoeding wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van het in de vaststellingsovereenkomst.

In subonderdeel 3.2 wordt gesteld dat de rechterlijke begroting van de proceskosten alsmede een eventuele afwijking van het liquidatietarief op grond van art. 237 Rv in hoge mate discretionair is. Aan de negatieve beslissing hierover mag dan ook niet (althans niet al te snel) gezag van gewijsde te worden toegekend ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding wegens schending van het ‘procedeerverbod’. 3.20 Op grond van art. 236 Rv (in hoger beroep: jo. art. 353 Rv) hebben rechterlijke beslissingen over de rechtsbetrekking tussen partijen, vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht.

Voor een geslaagd beroep op het gezag van gewijsde is niet vereist dat in beide procedures dezelfde vorderingen zijn ingesteld. Het is voldoende dat tussen partijen dezelfde rechtsbetrekking in geschil is, ongeacht welke vorderingen uit hoofde van die rechtsbetrekking geldend worden gemaakt. Daarmee gaat het er in feite om of aan de rechter hetzelfde geschilpunt wordt voorgelegd. Als dat het geval is, moet de rechter zich richten naar de eerdere (inhoudelijke) rechterlijke beslissing over dat geschilpunt. 3.21 In het onderhavige geval lijdt het geen twijfel dat sprake is van een eerdere, inhoudelijke rechterlijke beslissing over hetzelfde geschilpunt tussen dezelfde partijen, namelijk of D-Age en Diavolezza c.s. recht hebben op vergoeding van hun volledige proceskosten door Nethave wegens schending door Nethave van het ‘procedeerverbod’ uit de vaststellingsovereenkomst.

Ook in de procedure die geleid heeft tot het hofarrest van 7 mei 2013 hadden D-Age en Diavolezza c.s. immers (in het incidenteel appel) vergoeding van de volledige proceskosten gevorderd van Nethave. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft die vordering op grond van een inhoudelijke beoordeling afgewezen (zie onder 1.16). Daarmee is sprake van een eerdere rechterlijke beslissing over hetzelfde geschilpunt. Het hof Den Haag heeft in de onderhavige procedure dan ook terecht geoordeeld dat aan die beslissing gezag van gewijsde toekomt. Dat de vorderingen thans op een andere grondslag berusten – een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst terwijl in de vorige procedure de vordering was gebaseerd op misbruik van procesrecht –, maakt dit niet anders.

Daarmee faalt subonderdeel 3.1. 3.22 Ook subonderdeel 3.2 kan niet slagen. De mogelijkheid die de rechter heeft om in voorkomende gevallen van het liquidatietarief af te wijken – waarvan overigens in de praktijk zelden gebruik wordt gemaakt en die onder omstandigheden een zwaardere motiveringsplicht vereist – kan niet afdoen aan het gezag van gewijsde van de eerdere rechterlijke beslissing over de gevorderde volledige proceskosten. Het in voorkomende gevallen afwijken van het liquidatietarief is overigens van geheel andere orde dan toewijzing van de volledige proceskosten. 3.23 Onderdeel 4, dat bestaat uit twee subonderdelen, is gericht tegen rov. 3.12.

In deze rechtsoverweging zet het hof uiteen dat, zelfs al zou de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden over de proceskostenvergoeding géén gezag van gewijsde hebben, het hof nog steeds geen aanleiding ziet om de gevorderde kosten van rechtsbijstand toe te wijzen: “3.12 Zelfs al zou dit laatste anders zijn, dan nog ziet het hof geen reden om in het onderhavige geval een volledige proceskostenveroordeling toe te wijzen. De omstandigheid dat sprake is van een schending van een “procedeerverbod” in een vaststellingsovereenkomst is daarvoor niet voldoende, ook niet als daarbij de door D-Age en Diavolezza c.s. genoemde bijzondere omstandigheden van het geval (samengevat weergegeven in de pleitaantekeningen in hoger beroep onder de nrs. 44 e.v.) worden betrokken.

Meer in het bijzonder hecht het hof hierbij belang aan het feit dat in het onderhavige geval een vordering is ingesteld op grond van bedrog, over welke vordering het hof Arnhem-Leeuwarden heeft overwogen dat er geen aanleiding is aan te nemen dat Nethave op voorhand had behoren te begrijpen dat haar stellingen geen kans van slagen hadden. Het beroep van D-Age en Diavolezza c.s. op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt dus niet.” 3.24 In subonderdeel 4.1 wordt opnieuw betoogd dat de gevorderde schadevergoeding aan de exclusieve en limitatieve regeling van de artt. 237 t/m 240 Rv is onttrokken.

Ik verwijs wat dit betreft naar de bespreking van onderdeel 2 (zie onder 3.15-3.16). 3.25 Bij subonderdeel 4.2 wordt aangevoerd dat het oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is, omdat de vraag of er aanleiding is om aan nemen dat Nethave op voorhand had moeten begrijpen dat haar stellingen geen kans van slagen hadden, niet relevant is voor de beoordeling of D-Age en Diavolezza c.s. recht hebben op schadevergoeding. Voorts heeft het hof ten onrechte niet gemotiveerd waarom de door D-Age en Diavolezza c.s. gestelde bijzondere omstandigheden, met name de welbewuste wanprestatie van Nethave, ontoereikend zijn om een volledige kostenveroordeling toe te wijzen. 3.26 Het hof heeft in rov. 3.12 getoetst of sprake is van bijzondere omstandigheden die met zich zouden kunnen brengen dat, in afwijking van het liquidatietarief, een volledige proceskostenvergoeding moet worden toegewezen.

Zoals hiervoor is vermeld (zie onder 3.15), is voor een volledige proceskostenvergoeding alleen plaats indien sprake is van buitengewone omstandigheden, waarbij te denken is aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Dat kan aan de orde zijn als de eisende partij wist of had moeten begrijpen dat de procedure geen enkele kans van slagen had. Dit betekent dat wel degelijk relevant is of Nethave wist of had moeten begrijpen daar haar vorderingen geen enkele kans van slagen hadden.

Het hof legt dan ook het juiste criterium aan. Daarmee faalt de eerste klacht uit het subonderdeel. 3.27 Voor wat betreft de motiveringsklacht van subonderdeel 4.2 zij opgemerkt dat het hof in de geciteerde overweging verwijst naar de omstandigheden die D-Age en Diavolezza c.s. hebben aangevoerd in hun pleitaantekeningen in hoger beroep onder nrs. 44 e.v. Deze omstandigheden komen erop neer dat (i) Nethave in de ogen van D-Age en Diavolezza c.s. wanprestatie heeft gepleegd door het welbewust overeengekomen ‘procedeerverbod’ te schenden, en (ii) dat de wettekst van art. 6:96 lid 3 BW en die van de artt. 237 t/m 241 Rv niet aan toewijzing van de volledige proceskosten in de weg staan.

In de voorafgaande overwegingen heeft het hof echter ruimschoots aandacht besteed aan deze omstandigheden. Zij behoefden dan ook geen verdere bespreking meer. Dat betekent dat ook onderdeel 4 faalt. 3.28 Onderdeel 5 ziet op de gevorderde bijkomende kosten, te weten advieskosten van de advocaat, accountantskosten alsmede de managementvergoeding die D-Age na 1 januari 2009 aan haar bestuurder Vervest moest doorbetalen. Het onderdeel bestaat uit drie subonderdelen. Aangevoerd is dat het de bedoeling was om D-Age na de vaststellingsovereenkomst te liquideren.

Dit was echter niet mogelijk vanwege de door Nethave geëntameerde procedures. Vervest heeft in verband met de procedures veel tijd moeten besteden aan de procedures van Nethave. Deze schade is dan ook een direct gevolg van de wanprestatie van Nethave. 3.29 Zoals gezegd, zou onderdeel 5 alleen tot vernietiging kunnen leiden als ook onderdeel 1 slaagt. Dat is echter niet het geval, waarmee het navolgende slechts ten overvloede geldt. 3.30 Het hof heeft de gevorderde bijkomende kosten afgewezen in rov. 3.13. Het hof oordeelt daarin dat – ook als wel sprake was geweest van een toerekenbare tekortkoming – dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat onvoldoende is onderbouwd dat de gevorderde kosten in een toereikend causaal verband staan met de gestelde tekortkoming.

Het hof overweegt als volgt: “3.13 Ook de overige gevorderde kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, ook niet als zou worden aangenomen dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Het hof is van oordeel dat D-Age en Diavolezza c.s. onvoldoende hebben gesteld om te concluderen dat de gestelde kosten in een zodanig verband staan met de (gestelde) tekortkoming van Nethave, dat zij hieraan kunnen worden toegerekend. - D-Age en Diavolezza c.s. stellen wel dat D-Age en Diavolezza als gevolg van de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst en de daarop volgende procedures niet geliquideerd konden worden, maar zij onderbouwen dat niet, althans niet voldoende.

Dat Nethave aansprakelijk zou zijn voor (vrijwel) alle advocaat-, accountants- én managementkosten (naar het hof begrijpt) in de periode vanaf 1 januari 2009, kan het hof dan ook niet als vaststaand aannemen. D-Age en Diavolezza c.s. hebben bij pleidooi in hoger beroep weliswaar aangeboden te bewijzen dat de vennootschappen eerder geliquideerd hadden kunnen worden, maar het hof acht dit aanbod onvoldoende concreet. - Enige inhoudelijke specificatie waaruit blijkt wat de werkzaamheden - waartegenover forse kosten staan - inhouden, ontbreekt. Dat alle opgevoerde kosten samenhangen met de bedrog-procedures en noodzakelijk waren voor de instandhouding van de vennootschappen gedurende de gerechtelijke procedures, is dan ook onvoldoende toegelicht.

De omstandigheid dat D-Age en Diavolezza niet in 2009 konden worden geliquideerd, betekent nog niet dat Nethave alle kosten die zij daarna hebben gemaakt, dient te vergoeden. - Voor zover D-Age en Diavolezza c.s. vergoeding vragen van de kosten die [betrokkene 2] , [eiser 3] en [eiseres 4] en de (financieel) adviseurs en accountants hebben gemaakt in het kader van de gerechtelijke procedures, hebben zij onvoldoende toegelicht welke concrete werkzaamheden tegen over de gevorderde bedragen staan. De overgelegde facturen bieden onvoldoende aanknopingspunten omdat daarin slechts omschrijvingen staan als “directiewerkzaamheden”, “fiscaliteiten” en “advies”.

Het hof kan dan ook niet als vaststaand aannemen dat D-Age en Diavolezza c.s. de gevorderde kosten voor deze procedures hebben moeten maken, laat staan in deze omvang. - Het bedrag van € 250,- aan kosten wegens door Nethave gelegde beslagen, is niet onderbouwd en komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.” 3.31 In subonderdeel 5.1 wordt betoogd dat het hof bij de beoordeling van deze schadeposten een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, omdat het op grond van art. 6:98 BW mede acht had moeten slaan op de door D-Age en Diavolezza c.s. benadrukte ernst van Nethave’s welbewuste wanprestatie en de aard van de door hen gevorderde schadeposten.

Aan die schadeposten is een bepaalde mate van onzekerheid inherent. 3.32 De klacht kan niet slagen, alleen al omdat het hof niet heeft vastgesteld dat van ‘ernstige en welbewuste wanprestatie’ sprake is. Volgens het hof had het ‘procedeerverbod’ geen absolute strekking en was de ingestelde vordering ‘niet van realiteitszin ontbloot’. Als er dus al uitgegaan zou moeten worden van een tekortkoming, dan is nog steeds geen sprake van een ‘ernstige tekortkoming’. Bovendien is niet in te zien waarom D-Age en Diavolezza c.s. in feitelijke instanties niet beter hadden kunnen toelichten waarom de door hen gevorderde schadeposten als een gevolg van het moeten voeren van de procedures kunnen worden aangemerkt en welk deel van de opgevoerde advieskosten en managementtijd aan die procedures moet worden toegerekend. 3.33 Subonderdeel 5.2 houdt in dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht, nu D-Age en Diavolezza c.s. specifiek hebben aangegeven dat D-Age na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst nog drie lopende investeringen had die in 2009 respectievelijk 2011 zijn afgewikkeld en dat D-Age door de procedure van Nethave slapend gehouden moest worden.

Daarnaast is ’s hofs oordeel dat D-Age en Diavolezza c.s. een onvoldoende concreet bewijsaanbod hebben gedaan, onjuist althans onvoldoende gemotiveerd, omdat D-Age en Diavolezza c.s. concreet hebben aangegeven op welke stellingen het aanbod betrekking heeft en wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. 3.34 Op grond van art. 150 Rv rusten de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de schade en het causaal verband in beginsel op D-Age en Diavolezza c.s. De omvang van de stelplicht is afhankelijk van hetgeen daar door de wederpartij tegen in gebracht wordt.

Naar mate de betwisting door de wederpartij meer gedetailleerd is, worden hogere eisen gesteld aan de stelplicht van de eisende partij. 3.35 Nethave heeft het causaal verband tussen de gevorderde schadeposten en de gestelde tekortkoming, en met name de stelling dat D-Age uitsluitend vanwege de geëntameerde procedures in de lucht gehouden werd, gemotiveerd weersproken. D-Age en Diavolezza c.s. hebben in reactie daarop volstaan met de herhaling van het eerdere ingenomen standpunt en zijn niet ingegaan op de concrete stellingen van Nethave. Onder die omstandigheden kon het hof oordelen dat D-Age en Diavolezza c.s. hun stellingen onvoldoende hebben onderbouwd.

Het niet voldoen aan de stelplicht kan tot gevolg hebben dat een partij niet wordt toegelaten tot bewijslevering. In dat licht is het oordeel van het hof dat het bewijsaanbod ten aanzien van de stelling dat Nethave aansprakelijk is voor (vrijwel) alle advocaat-, accountants- en managementkosten in de periode vanaf 1 januari 2009, niet voldoende concreet is, zeker niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Dit geldt temeer nu het bewijsaanbod slechts inhield dat D-Age haar stellingen kon bewijzen ‘door het horen van getuigen, waaronder de advocaten die voor haar in deze zaak zijn opgetreden en haar bestuurder [betrokkene 2] , als ook [eiser 3] en [eiseres 4] , die allen kunnen getuigen over de omvang en de noodzakelijkheid van de gemaakte kosten en het directe causale verband tussen het ontstaan van deze kosten en de toerekenbare tekortkoming van Nethave’, en dat bewijs wordt aangeboden van hun stelling ‘dat, waren de procedures achterwege gebleven, D-Age en Diavolezza eerder geliquideerd zouden zijn, zodat extra management-, accountants en publicatiekosten etc. achterwege hadden kunnen blijven.’ 3.36 In subonderdeel 5.3 wordt betoogd dat het hof de gestelde schadeposten ten onrechte volledig heeft afgewezen op de enkele grond dat onvoldoende is toegelicht dat alle opgevoerde kosten samenhangen met de geëntameerde procedures.

Op grond van hetgeen door D-Age en Diavolezza c.s. is gesteld, was op zijn minst een deel van de schade aannemelijk. Het hof had op grond van art. 6:97 BW dat deel van de schade moeten schatten. 3.37 Het subonderdeel miskent dat het schatten van de hoogte van de schade pas aan de orde is indien het causale verband tussen de gestelde tekortkoming en de schade voldoende onderbouwd is en concrete schadebegroting niet mogelijk is. Aangezien het hof van oordeel is dat het causale verband onvoldoende onderbouwd is, is het niet toegekomen aan het schatten van de schade, nog daargelaten dat niet wordt onderbouwd waarom de gevorderde schade niet nader geconcretiseerd zou kunnen.

Daarmee faalt ook deze klacht. 3.38 Nu alle onderdelen falen, concludeer ik tot verwerping van het beroep. 4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Hof Den Haag 11 juli 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1929. S.t. D-Age, onder 7. Inleidende dagvaarding, onder 9. Rechtbank Utrecht 19 december 2007, ECLI:NL:RBUTR:2007:BC0686. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, 7 mei 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7152, rov. 5.3 en 6.4. Uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat dit hoger beroep later is ingetrokken.

De weergave betreft een letterlijk citaat van de bepalingen (inclusief de aanwezige typefouten). Prod. 7A bij conclusie van antwoord. Rechtbank Utrecht 21 december 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BU9666. Rechtbank Utrecht 21 december 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BU9173. Voorts zijn Hooglanden Beheer BV en [betrokkene 1] bij verstek veroordeeld tot betaling van € 30.000.000,- aan Nethave, vermeerderd met rente en kosten. Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, 7 mei 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7152. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2631, met conclusie A-G Wissink ECLI:NL:PHR:2014:529.

In hoger beroep is de procedure tegen de bestuurders van Nethave niet doorgezet. Rechtbank Rotterdam 13 januari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:514. Gerechtshof Den Haag 11 juli 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1929. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233 (Duka/Achmea), rov. 5.1; HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, RvdW 2017/947 ([.../...]), rov. 5.3.3. Voor een overzicht zij verwezen naar A.N.A. Buyserd, De volledige proceskosten-veroordeling: voor-en nadelen in beleidsmatig perspectief. In: Tijdschrift voor de Procespraktijk 2015-6, p. 163.

Zie ook P. Sluijter, Sturen met proceskosten (diss.), Kluwer 2011, p. 329 e.v.; C. Vrendenbarg, Proceskostenveroordeling en toegang tot de rechter in IE-zaken (diss.), Kluwer 2018, p. 118. HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600, NJ 2016/380 (K./Rabobank). HR 18 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0683, NJ 1992/747 (Keizer/Van Andel), rov. 3.3. Zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2016 2/147. T.F.E. Tjong Tjin Tai, Groene Serie Burgerlijke rechtsvordering, aant. 5.1 bij art. 236 Rv. Als in de eerdere procedure geen inhoudelijke beslissing is genomen over het geschilpunt, heeft die beslissing geen gezag van gewijsde.

Zie onder meer HR 19 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1151, NJ 1994/175 (Van Raalte/S.H. Beheer) en HR 28 april 1995, ECLI:NL:1995:ZC1719, NJ 1995/483; T.F.E. Tjong Tjin Tai, Groene Serie Burgerlijke rechtsvordering, aant. 5.3 bij art. 236 Rv. P. Sluijter, Sturen met proceskosten (diss.) (BPP nr. XII) 2011/4.3.5, p.

52. HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7995, NJ 2009/234 m.nt. S.F.M. Wortman. Inleidende dagvaarding D-Age, onder 95; pleitaantekeningen hoger beroep van mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh, onder 81. Memorie van antwoord, 5.6-5.12. Daar wijst Nethave erop dat D-Age in 2009 nog een zestal deelnemingen had met een boekwaarde van ruim 2,5 miljoen en dat zij tot eind 2014 een dochtervennootschap had, D-Age II, die op haar beurt ook weer voor enkele miljoenen aan deelnemingen had. “Dit toont al aan dat niet juist kan zijn de stelling dat D-Age nog niet geliquideerd kon worden ‘conform plan’ als gevolg van de door Nethave aangespannen procedures”, zo stelt Nethave. Inleidende dagvaarding D-Age onder 95. Pleitnota hoger beroep D-Age onder 81.