Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2017:880 ECLI:NL:PHR:2017:880 AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:880 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2017:880
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 16/01989 P Zitting: 27 juni 2017 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [betrokkene] Bij uitspraak van 29 juli 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 51.600,- en aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 46.600,-. Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de medebetrokkene [betrokkene 1] (16/02067), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:880 · Parket bij de Hoge Raad: Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend. De aanzegging in cassatie is op 12 mei 2016 uitgereikt aan de betrokkene in persoon op haar GBA-adres ([a-straat 1] in Amsterdam). Voorts blijkt uit de stukken van het geding dat mr. S.J. Jansen, advocaat te Amsterdam, zich in cassatie als raadsman van de betrokkene heeft gesteld. Vervolgens is op 23 mei 2016 mededeling van de betekening gedaan aan de raadsman van de betrokkene. Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1⁰, Sv rechtsgeldig betekend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 16/01989 P Zitting: 27 juni 2017 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [betrokkene] Bij uitspraak van 29 juli 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 51.600,- en aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 46.600,-. Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de medebetrokkene [betrokkene 1] (16/02067), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend. De aanzegging in cassatie is op 12 mei 2016 uitgereikt aan de betrokkene in persoon op haar GBA-adres ([a-straat 1] in Amsterdam). Voorts blijkt uit de stukken van het geding dat mr. S.J. Jansen, advocaat te Amsterdam, zich in cassatie als raadsman van de betrokkene heeft gesteld. Vervolgens is op 23 mei 2016 mededeling van de betekening gedaan aan de raadsman van de betrokkene. Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1⁰, Sv rechtsgeldig betekend.

5. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de betrokkene niet in haar cassatieberoep kan worden ontvangen.

6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Deze stelbrief is per fax op 20 mei 2016 bij de Hoge Raad ingekomen.