Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2017:849 ECLI:NL:PHR:2017:849 AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:849 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2017:849
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 16/00841 Zitting: 20 juni 2017 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 7 december 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf personen opzettelijk discrimineren wegens hun ras”, veroordeeld tot een geldboete van € 1.750,00, subsidiair 27 dagen hechtenis, waarvan € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Er bestaat samenhang met de zaken 15/05757 en 16/00843.

Legislator headnote

AI generated

art. 342 lid 2 Sv, art. 365a lid 2 Sv; ECLI:NL:PHR:2017:849 · Parket bij de Hoge Raad: Voor zover het middel klaagt dat deze bewezenverklaring, in strijd met art. 342 lid 2 Sv, enkel steunt op verklaringen van aangever [betrokkene 1] , is het evident ongegrond. Ik volsta met een verwijzing naar de acht bewijsmiddelen die het hof in de aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv heeft opgenomen. 4.3. Ook voor zover het middel verder klaagt dat uit die bewijsmiddelen het bewezenverklaarde “tezamen en in vereniging met andere personen”, oftewel het door de verdachte hebben medegepleegd van de verweten gedraging niet kan volgen, is het evident ongegrond.

Keywords

AI generated
art. 342 lid 2 Sv art. 365a lid 2 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 342 lid 2 Sv
Voor zover het middel klaagt dat deze bewezenverklaring, in strijd met art. 342 lid 2 Sv, enkel steunt op verklaringen van aangever [betrokkene 1] , is het evident ongegrond.
art. 365a lid 2 Sv
Ik volsta met een verwijzing naar de acht bewijsmiddelen die het hof in de aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv heeft opgenomen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 16/00841 Zitting: 20 juni 2017 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 7 december 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf personen opzettelijk discrimineren wegens hun ras”, veroordeeld tot een geldboete van € 1.750,00, subsidiair 27 dagen hechtenis, waarvan € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Er bestaat samenhang met de zaken 15/05757 en 16/00843.

In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel 4.1. Het middel komt met motiveringsklachten op tegen het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde, te weten dat: “hij in de periode van 19 maart 2011 tot en met 5 april 2011 te Almere tezamen en in vereniging met andere personen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, namelijk als bedrijfsleider en/of beleidsmaker van discotheek/ uitgaansgelegenheid (VOF) [A] , [betrokkene 1] en andere onbekend gebleven personen opzettelijk heeft gediscrimineerd wegens hun ras en niet-Nederlandse etnische afkomst, door een beleid te voeren waarbij maar een bepaald/beperkt percentage mannelijke allochtonen/mensen met een donkere huidskleur, binnen wordt gelaten.” 4.2.

Voor zover het middel klaagt dat deze bewezenverklaring, in strijd met art. 342 lid 2 Sv, enkel steunt op verklaringen van aangever [betrokkene 1] , is het evident ongegrond. Ik volsta met een verwijzing naar de acht bewijsmiddelen die het hof in de aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv heeft opgenomen. 4.3. Ook voor zover het middel verder klaagt dat uit die bewijsmiddelen het bewezenverklaarde “tezamen en in vereniging met andere personen”, oftewel het door de verdachte hebben medegepleegd van de verweten gedraging niet kan volgen, is het evident ongegrond.

Ook hier volsta ik met een verwijzing naar de bewijsmiddelen, in het bijzonder de bewijsmiddelen 1 tot en met 7. 4.4. Het middel is - in al zijn onderdelen - evident tevergeefs voorgesteld, zodat de verdachte mijns inziens op grond van art. 80a RO niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen.

5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG