Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2017:841 ECLI:NL:PHR:2017:841 AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:841 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2017:841
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 15/05058 Zitting: 20 juni 2017 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 28 oktober 2015 de verdachte - met vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde - ter zake van 1. “Diefstal door twee of meer verenigde personen”, 2. “Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, en 3. “Diefstal door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest.

Legislator headnote

AI generated

art. 279 Sv; ECLI:NL:PHR:2017:841 · Parket bij de Hoge Raad: Het hof wil op grond van de toelichting van de raadsman en de overgelegde foto’s wel aannemen dat iemand in de omgeving van de verdachte is overleden, maar wij achten ons onvoldoende geïnformeerd over de precieze omstandigheden en de reden waarom verdachte als gevolg van dit overlijden thans niet op de zitting aanwezig kan zijn.” 3.3. Blijkens dat proces-verbaal heeft het hof vervolgens de strafzaak in afwezigheid van de verdachte behandeld. De op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman heeft daarbij het woord tot verdediging kunnen voeren.

Keywords

AI generated
art. 279 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 279 Sv
De op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman heeft daarbij het woord tot verdediging kunnen voeren.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1999:ZD1314
De bestreden uitspraak 1.1.
ECLI:NL:HR:2016:1406
5 juli 2016 Strafkamer nr. S 15/00625 ES Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 4 februari 2015, nummer 23/002905-14, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het middel 2.1. Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak. 2.2.
ECLI:NL:HR:2017:826
9 mei 2017 Strafkamer nr. S 15/05148 MD/DFL Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 3 augustus 2015, nummer 21/000750-15, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.
ECLI:NL:HR:2015:270
10 februari 2015 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2016:622
12 april 2016 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2017:974
30 mei 2017 Strafkamer nr. S 16/00151 CB/JHO Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 december 2015, nummer 22/001534-15, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 15/05058 Zitting: 20 juni 2017 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 28 oktober 2015 de verdachte - met vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde - ter zake van 1. “Diefstal door twee of meer verenigde personen”, 2. “Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, en 3. “Diefstal door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.S. Nan, advocaat te Den Haag, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie. Het middel 3.1. Het middel klaagt dat het hof het door de gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak op ontoereikende gronden heeft verworpen. 3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2015 houdt in dat de verdachte aldaar niet is verschenen.

Voorts houdt dit proces-verbaal - voor zover van belang voor de bespreking van het middel - het volgende in: “Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. B.J. Visser, advocaat te Breda. (…) De voorzitter deelt voorts mede, dat -gezien de processtukken- blijkt van een op de bij de wet voorgeschreven wijze van dagvaarden van de verdachte tegen de terechtzitting van heden. De oudste raadsheer deelt mede: Wij constateren dat uw cliënt vandaag niet ter terechtzitting is verschenen. Dat verbaast ons zeer, aangezien u het hof bij faxbericht d.d. 6 oktober 2015 heeft verzocht om de zaak van uw cliënt niet gelijktijdig te behandelen met de zaak tegen medeverdachte [betrokkene 1], gelet op de verstoorde relatie tussen hen.

Het hof heeft uw verzoek ingewilligd en de zaak tegen uw cliënt is op een ander tijdstip ingepland, zodat partijen elkaar niet treffen. Nu blijkt dat uw cliënt vandaag niet is verschenen. De raadsman deelt hierop mede: Het leek mij inderdaad wijselijk om beide partijen uit elkaar te houden. Mijn cliënt is vandaag niet ter terechtzitting verschenen omdat hij afgelopen weekend een goede vriend heeft verloren bij een auto-ongeluk. Hij is door dit nieuws erg van slag. Mijn cliënt is niet de meest stabiele persoon en hij zit momenteel in een zware periode.

Normaal gesproken is hij aanwezig bij de behandeling van een strafzaak, maar hij zit er nu helemaal doorheen. Ik zal aan het hof een aantal foto’s overleggen die ik van mijn cliënt heb ontvangen. Ik ben gemachtigd om namens mijn cliënt de verdediging te voeren, maar ik wil het hof verzoeken om de zaak aan te houden. Hij wil graag aanwezig zijn bij de behandeling van zijn zaak. Hierop overlegt de raadsman een aantal foto’s aan de voorzitter (noot griffier: deze foto’s zijn aan dit proces-verbaal gehecht). De voorzitter deelt hierop mede: U overlegt aan het hof een aantal foto’s van een aanrijding waarbij iemand om het leven is gekomen.

Maar we weten niet wie dat is en in welke relatie hij tot verdachte staat. De raadsman deelt hierop mede: Ik heb mijn cliënt gevraagd om een nadere onderbouwing te geven, maar dit zijn de enige stukken die ik aan u kan overleggen. Mijn cliënt heeft mij verteld dat het gaat om een hele goede vriend. Hierop onderbreekt de voorzitter het onderzoek en trekt het hof zich terug in raadkamer voor beraad. Na hervatting deelt de voorzitter mede: Het hof heeft zich beraden. Het hof wijst het aanhoudingsverzoek af, nu dit verzoek onvoldoende is onderbouwd.

Het hof wil op grond van de toelichting van de raadsman en de overgelegde foto’s wel aannemen dat iemand in de omgeving van de verdachte is overleden, maar wij achten ons onvoldoende geïnformeerd over de precieze omstandigheden en de reden waarom verdachte als gevolg van dit overlijden thans niet op de zitting aanwezig kan zijn.” 3.3. Blijkens dat proces-verbaal heeft het hof vervolgens de strafzaak in afwezigheid van de verdachte behandeld. De op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman heeft daarbij het woord tot verdediging kunnen voeren.

Tenslotte heeft de voorzitter van het hof het onderzoek gesloten verklaard. 3.4. Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. 3.5. Het hof heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen op de grond dat het verzoek door de verdediging onvoldoende is onderbouwd.

Het hof acht zich daarbij “onvoldoende geïnformeerd over de precieze omstandigheden en de reden waarom verdachte als gevolg van dit overlijden thans niet op de zitting aanwezig kan zijn.” 's Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting schiet echter tekort, nu daaruit niet kan blijken of het hof de hiervoor onder 3.4 bedoelde weging van belangen heeft gemaakt. Bovendien is voor zover het hof in zijn motivering een poging heeft gedaan in te gaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd, diens oordeel, in het licht van hetgeen is aangevoerd door de raadsman, niet zonder meer begrijpelijk.

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof immers ter onderbouwing van het aanhoudingsverzoek - kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte niet is verschenen omdat in het weekend voor de zitting een goede vriend van hem is omgekomen bij een auto-ongeluk, dat de verdachte daardoor erg van slag was en dat de verdachte op dat moment in een zware periode zat en niet de meest stabiele persoon is. Daarbij heeft de raadsman een aantal foto’s van het ongeval overgelegd. Voorts heeft de raadsman gesteld dat hij weliswaar door de verdachte is gemachtigd om de verdediging te voeren, maar dat de verdachte graag gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht.

Ten overvloede teken ik nog aan dat de onderhavige zaak geen betrekking heeft op oude feiten en dat geen sprake is geweest van eerdere aanhoudingen van de behandeling van de zaak. Het voorgaande brengt mee dat de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak ontoereikend is gemotiveerd. 3.6. Het middel slaagt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. o.m. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1406 en HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:826. De drie bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd op 1 oktober 2014. Vgl. bijv. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:270, HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:622 en HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:974.