ECLI:NL:PHR:2017:394 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 16/01380 P Zitting: 18 april 2017 (bij vervroeging) Mr. P.C. Vegter Standpunt/conclusie inzake: [betrokkene] Het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, zittingsplaats Zwolle heeft bij uitspraak van 9 maart 2016 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 13.835,14 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (16/01379), waarin ik vandaag eveneens concludeer. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG
Legislator headnote
AI generatedart. 511h Sv; ECLI:NL:PHR:2017:394 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 16/01380 P Zitting: 18 april 2017 (bij vervroeging) Mr. P.C. Vegter Standpunt/conclusie inzake: [betrokkene] Het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, zittingsplaats Zwolle heeft bij uitspraak van 9 maart 2016 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 13.835,14 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (16/01379), waarin ik vandaag eveneens concludeer. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
Nr. 16/01380 P Zitting: 18 april 2017 (bij vervroeging) Mr. P.C. Vegter Standpunt/conclusie inzake: [betrokkene] Het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, zittingsplaats Zwolle heeft bij uitspraak van 9 maart 2016 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 13.835,14 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (16/01379), waarin ik vandaag eveneens concludeer. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG