Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2017:370 ECLI:NL:PHR:2017:370 AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:370 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2017:370
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 16/04742 U Zitting: 4 april 2017 Mr. D.J.C. Aben Conclusie inzake: [de opgeëiste persoon] 1. De rechtbank Rotterdam heeft in haar uitspraak van 6 september 2016 de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard ter fine van strafvervolging ter zake van het “hiervoor genoemde feit”. Daarmee wordt verwezen naar de feiten “zoals nader omschreven in een door de griffier gewaarmerkt en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van het uitleveringsverzoek van 28 november 2014, uitgevaardigd door de vijfde meervoudige kamer in strafzaken van de rechtbank Bakirköy.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6 EVRM, artikel 13 EVRM, artikel 15 EVRM, artikel 1 EVRM, artikel 59 EVRM, art. 15 EVRM; ECLI:NL:PHR:2017:370 · Parket bij de Hoge Raad: De Minister kan een beslissing nemen tot weigering, ook als de rechter de uitlevering toelaatbaar had verklaard. De rechtbank begrijpt dat uitleveringen aan Turkije in individuele gevallen van verzoeken tot uitlevering ter vervolging blijkens een bericht van de Landsadvocaat (bericht in de Telegraaf van 22 juli 2016) zijn opgeschort. Voorts is van belang dat de Turkse Staat het EVRM niet opzij heeft gezet, maar gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 15 EVRM om in tijd van oorlog of in geval van enige andere algemene noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt, maatregelen te nemen die afwijken van zijn verplichtingen ingevolge dat Verdrag.

Keywords

AI generated
artikel 6 EVRM artikel 13 EVRM artikel 15 EVRM artikel 1 EVRM artikel 59 EVRM art. 15 EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 6 EVRM
artikel 13 EVRM
Ook zal hij geen toegang hebben tot een deugdelijk rechtsmiddel tegen de inbreuk (artikel 13 EVRM).
artikel 15 EVRM
Hun bedrijven zouden hem financiële steun hebben verleend.’ Er is in Turkije sinds de couppoging de noodtoestand van kracht Hierdoor is het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) tijdelijk buiten werking gesteld (artikel 15 EVRM).
artikel 1 EVRM
Het is overigens niet voor het eerst in het recente verleden dat Turkije toepassing geeft aan art. 15 EVRM.
artikel 59 EVRM
In een notificatie overeenkomstig artikel 59 EVRM heeft Turkije – met een beroep op artikel 15 EVRM – aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa overgelegd een gezamenlijke verklaring van de ‘Grand National Assemblee of Turkey’ met daarbij twee notities om aan de lidstaten te worden doorgegeven.
art. 15 EVRM
Het is overigens niet voor het eerst in het recente verleden dat Turkije toepassing geeft aan art. 15 EVRM.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2003:AE5288
8 juli 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U ABG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De procesgang 1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 20 mei 2003. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage vernietigd voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment, afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998, omschreven klacht ontoelaabaar is verklaard. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. 1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 is de opgeëiste persoon verschenen en is hij gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Wladimiroff, advocaat te 's-Gravenhage, die voor hem het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities. Ook heeft de opgeëiste persoon zelf het woord ter verdediging gevoerd. Zijn pleitnotities zijn eveneens aan voornoemd proces-verbaal gehecht. De Advocaat-Generaal Jörg heeft een schriftelijke samenvatting gegeven die ertoe strekt de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 toelaatbaar te verklaren. 2. Het verzoek tot uitlevering 2.1. Het hernieuwde verzoek tot uitlevering, verder aan te duiden als het verzoek, is gedaan bij nota no. 15 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 6 februari 2001, gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In dit verzoek wordt verwezen naar het hieronder onder 2.3 (i) nog te noemen, reeds eerder gedane, doch ingetrokken, verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon voor dezelfde strafbare feiten. 2.2. Het verzoek, voorzover thans nog aan de orde, strekt tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten 2 en 3, aangeduid als "prohibited foreign trade practices" en omschreven in de hieronder onder 2.3 (v) vermelde "affidavit in support of request for extradition" op p. 3 onder a t/m o. 2.3. De verzoekende staat heeft bij het verzoek de navolgende stukken overgelegd: (i) een nota no. 24 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 4 mei 2000 inhoudende een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging; (ii) een door de Assistant Authentication Officer, Department of State, gecertificeerde verklaring van Madeleine K. Albright, Secretary of State van 20 april 2000 dat het hierna onder (iii) genoemde document het zegel van het Department of Justice van de Verenigde Staten van Amerika draagt; (iii) een door de Director/Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division of the United States Department of Justice gecertificeerde verklaring van 19 april 2000 van Janet Reno, Attorney General of the United States, dat Russel Bikoff zowel ten tijde van de ondertekening van het daaraan gehechte document als ten tijde van het opmaken van de onderhavige verklaring Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division, U.S. Department of Justice, Washington DC, was; (iv) een verklaring van 19 april 2000 houdende de certificering door voornoemde Russel Bikoff van de onder (v) genoemde verklaring en onder (vi) genoemde bijlagen; (v) een door John M. Facciola, United States Magistrate Judge, beëdigd en door Philip Urofsky, employed by the United States Department of Justice as a Trial Attorney in the Criminal Division, op 31 maart 2000 afgelegde verklaring tot staving van het verzoek om uitlevering waarin is opgenomen de identiteit van de opgeëiste persoon, de nationaliteit, de vermoedelijke verblijfplaats, een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht met vermelding van plaats en tijd ervan, het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, de wettelijke omschrijving en de toepasselijke Amerikaanse strafbepalingen; (vi) de bijlagen, gevoegd bij de onder (v) genoemde verklaring: a. een gewaarmerkt afschrift van een Superseding Indictment van de United States District Court for the District of New Jersey, van 11 september 1998, houdende een nader overzicht van de feiten en het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, ondertekend door Nicholas R. Abitante, foreperson van de Grand Jury, en Faith S. Hochberg, United States Attorney; b. een gewaarmerkt afschrift van een door Anne E. Thompson, Chief, United States District Judge, te Trenton, New Jersey, gegeven Warrant for Arrest betreffende de opgeëiste persoon, inhoudende een korte aanduiding van de feiten (zonder datering); c. de tekst van de toepasselijke strafbepalingen van de desbetreffende Amerikaanse wet waarvoor uitlevering wordt verzocht en van de wetsbepalingen houdende de straf die op de feiten is gesteld; d. een foto van drie personen onder wie de opgeëiste persoon. Voorts bevinden zich bij de stukken de vertaling in het Nederlands van de hierboven onder (ii) t/m (vi) a t/m c aangeduide stukken. 3. Beoordeling van de gevoerde verweren 3.1.1. Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de bijzonderheden van de onderhavige zaak een inbreuk rechtvaardigen op het vertrouwensbeginsel dat de relatie tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden beheerst, aangezien de opgeëiste persoon het risico loopt te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op aan de opgeëiste persoon ingevolge het EVRM toekomende rechten. In het bijzonder wordt gesteld dat een plea agreement in strijd is met art. 6 EVRM. In dit verband wordt aangevoerd dat de verwachte duur van de procedure indien geen plea agreement wordt gesloten (full trial) onevenredig lang zal zijn in verhouding tot de situatie dat wel een plea agreement wordt gesloten. De opgeëiste persoon zou aldus in redelijkheid geen vrije keus hebben. Verder wordt gesteld dat gelet op de beschikbare gegevens de afdoening van de zaak, in geval van een full trial, vermoedelijk niet binnen een naar Nederlandse maatstaven redelijk te achten termijn zal plaatsvinden. Tot slot wordt betoogd dat de eventuele toepassing van de terugkeerregeling en omzettingsprocedure illusoir zal zijn, omdat de te verwachten vrijheidsstraf waarschijnlijk zodanig zal zijn dat deze reeds zal zijn ondergaan voordat terugkeer naar Nederland zal zijn geëffectueerd vanwege de procedurele complicaties en doorlooptijden. 3.1.2. Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (Trb. 1980, 111) heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika. De Hoge Raad neemt derhalve als uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren. Dat brengt mee dat evenzeer van dat vertrouwen uitgegaan moet worden bij toepassing in de Verenigde Staten van Amerika van het aldaar tot de strafprocessuele mogelijkheden behorende systeem dat een verdachte in voorkomend geval een plea agreement kan aangaan. Die mogelijkheid bestond immers ook reeds ten tijde van de bilaterale onderhandelingen die tot het onderhavige uitleveringsverdrag hebben geleid. Dit vertrouwensbeginsel kan uitzondering lijden, voor wat betreft art. 6 EVRM, indien blijkt dat de op-geëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het vermelde uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat. 3.1.3. Gelet op de door de raadsman hiervoor onder 3.1.1 gestelde omstandigheden, welke alle betrekking hebben op toekomstige gebeurtenissen waaromtrent nog niets met zekerheid is vast te stellen noch ten nadele noch ten voordele van de opgeëiste persoon, kan mede in het licht van het voorgaande niet worden gezegd, dat tussen de mogelijkheden waaruit de opgeëiste persoon zal moeten kiezen - het ondergaan van een full trial dan wel het aangaan van een plea agreement - gelet op de duur van de onderscheiden procedures en de mogelijke verschillen in uitkomst een zodanige flagrante wanverhouding bestaat, dat de opgeëiste persoon wordt gedwongen een plea agreement aan te gaan. Het verweer wordt derhalve verworpen. 3.1.4. Ten aanzien van het verweer dat, indien het tot een full trial in de Verenigde Staten van Amerika komt, er vermoedelijk geen sprake zal zijn van een berechting binnen een redelijke termijn, geldt dat dat enkele vermoeden niet dwingt tot het oordeel dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. 3.1.5. Het betoog tenslotte dat de terugkeerregeling illusoir kan blijken te zijn - gelet enerzijds op de te verwachten hoogte van de straf en anderzijds op de duur van de administratieve afhandeling van de terugkeer naar Nederland - wordt gevoerd met de kennelijke strekking dat op grond daarvan de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Dat betoog faalt, aangezien daarmee wordt miskend dat het de uitleveringsrechter niet vrijstaat bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering de vraag te betrekken of de opgeëiste persoon zal kunnen terugkeren naar Nederland teneinde aldaar de opgelegde vrijheidsstraf (verder) te ondergaan en of die terugkeer daartoe tijdig zal geschieden. 3.2.1. Verder is door de raadsman ten verwere aangevoerd dat het legaliteitsbeginsel wordt geschonden, indien de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika zou worden uitgeleverd. Nederland kan de opgeëiste persoon zelf niet vervolgen voor de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, aangezien deze feiten ten tijde van het begaan ervan niet strafbaar waren naar Nederlands recht, aldus de raadsman. 3.2.2. Met dit betoog wordt miskend dat de rechter de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft te beoordelen naar het tijdstip van de behandeling van het verzoek daartoe. In dit geval staat vast dat de feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht, inmiddels in Nederland strafbaar zijn gesteld. Derhalve faalt het betoog. 3.2.3. Voorzover het verweer tevens moet worden bezien in het verband van een te zijner tijd te nemen beslissing op een verzoek tot overdracht van de opgeëiste persoon naar Nederland teneinde hier de vrijheidsstraf (verder) te ondergaan, faalt het verweer op de door de Hoge Raad reeds in zijn te dezer zake gewezen tussenarrest van 20 mei 2003 gegeven gronden. 3.3.1. Tenslotte heeft de raadsman gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard, omdat niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 gehechte en daarvan deel uitmakende pleitnota heeft hij daartoe het volgende aangevoerd: "17. Overigens merk ik nog op dat de verdenkingen krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, aanvankelijk alleen de corrupte betaling van eigen onderdanen en van bedrijven gevestigd in de Verenigde Staten aan buitenlandse officials strafbaar stelde. Eerst sinds 1998 stelt deze wet dergelijk handelen van buitenlanders en buitenlandse bedrijven ook strafbaar. Kort en goed: hetgeen cliënt wordt verweten was ten tijde van de gedraging ook niet strafbaar in de Verenigde Staten (krachtens de FCPA)." 3.3.2. Uit de omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, blijkt dat de verdenking tegen de opgeëiste persoon bestaat ter zake van gedragingen van hem in zijn hoedanigheid van onder meer voorzitter van de raad van beheer van Saybolt North America Inc., een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde onderneming. De Foreign Corrupt Practices Act 1977 is derhalve ook op deze onderneming van toepassing. Het verweer mist dan ook feitelijke grondslag. 4. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering 4.1. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering ter strafvervolging als volgt. 4.2. De persoon die is gehoord ter zitting van 10 juni 2003 heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], de persoon op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft, en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. 4.3. De stukken voldoen aan de eisen die art. 9, tweede en derde lid, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika stellen. Ook is voldaan aan art. 18 Uitleveringswet. 4.4. De feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, zijn naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika strafbaar krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, United States Code, titel 15, art. 78DD-2 en titel 18, art. 2. Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.5. Naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar als het misdrijf van art. 177 Sr en/of het misdrijf van art. 177a Sr, in verbinding met art. 178a Sr (omkoping van buitenlandse ambtenaren). Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.6. Aan het in art. 2 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gestelde vereiste van dubbele strafbaarheid is derhalve voldaan. 5. Slotsom Aangezien de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg zouden staan, dient, gelet op het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, als volgt te worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad verklaart de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar voor de onder 2.2 bedoelde, in het verzoek onder 2 en 3 aangeduide, feiten. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 8 juli 2003. 20 mei 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/DAT Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het beroep en het middel zijn uitsluitend gericht tegen de weigering de verzochte uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de in het verzoek onder 2 en 3 genoemde feiten, te weten: - verboden buitenlandse handelspraktijken, in overtreding van titel 15, art. 78DD-2 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek; - reizen naar het buitenland en van Staat naar Staat ten behoeve van criminele ondernemingen, in overtreding van titel 18, art. 1952 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek. Namens de opgeëiste persoon is het cassatieberoep tegengesproken door mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep op grond dat de schriftuur niet is ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 2.2. Bij tussenarrest van 3 december 2002 heeft de Hoge Raad de Officier van Justitie ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Kort samengevat heeft de Hoge Raad geoordeeld: dat een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW meebrengt dat de officier van justitie in uitleveringszaken gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen, en dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak op 10 juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 2.3. De Hoge Raad gedraagt zich naar het tussenarrest. Weliswaar is nadien namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep op grond dat de uitspraak niet op 10 juni 2002, maar op 4 juni 2002 ter beschikking is gekomen, maar de juistheid van hetgeen aldus is aangevoerd kan in het midden blijven nu vaststaat dat het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank niet eerder dan eind juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen. 2.4. De Advocaat-Generaal Jörg heeft aanvullend geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en een dag zal bepalen waarop de zaak voor de Hoge Raad zal dienen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel komt met rechtsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 ontoelaatbaar dient te worden verklaard. 3.2. De Rechtbank heeft de uitlevering voor die feiten ontoelaatbaar verklaard en daartoe het volgende overwogen: "De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De Verenigde Staten van Amerika en Nederland zijn beide partij bij het op 21 maart 1983 gesloten Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. In verbinding met de exchange of letters of understanding, General Affairs Department DA2/J2-ISN-38245 No 81 van 11 juli 1991 zou dus technisch de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika ter zake van het feitencomplex sub 2 en sub 3, waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, teruglevering aan Nederland gegarandeerd kunnen worden om in Nederland tenuitvoerlegging van het gewijsde te ondergaan of verder te ondergaan. Ten tijde van de periode waarin het feitencomplex sub 2 en sub 3 volgens het uitleveringsverzoek zou zijn begaan, was dit complex als zodanig niet strafbaar naar Nederlands recht. De rechtbank zou door in casu uitlevering toe te laten, voorziend dat wegens het hierna te noemen legaliteitsbeginsel exequatur bij teruglevering in zoverre geweigerd zou moeten worden, inbreuk maken op het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht ongeclausuleerde en onvoorwaardelijk verbod tot berechting en bestraffing van iemand ter zake van feiten die ten tijde van begaan daarvan niet bij of krachtens de Nederlandse wet strafbaar waren gesteld. Immers, de opgeëiste persoon heeft, zoals overwogen, de Nederlandse nationaliteit en bij teruglevering van de opgeëiste persoon aan Nederland zou overneming en positieve erkenning van het veroordelend gewijsde een inbreuk inhouden van dit ongeclausuleerde verbod. Weliswaar kan het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 7 van het EVRM - waaraan Nederland als verdragsluitende partij gebonden is - vervatte legaliteitsbeginsel door verdragen of krachtens besluiten van volkenrechtelijke organisaties opzij worden gezet, zoals de Hoge Raad uitdrukkelijk overweegt in zijn arrest van 18 december 2001 in de zaak tegen [A] (de Hoge Raad leest: HR 18 september 2001, NJ 2002, 559), zulks op een voordracht tot cassatie in het belang der wet van een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 20 november 2000, maar in het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag is geen voorziening opgenomen waaruit deze terzijdestelling zou volgen. Derhalve staat vooralsnog vast dat aan enige veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika voor de sub 2 en 3 genoemde feiten als gekwalificeerd in het uitleveringsverzoek, bij teruglevering exequatur geweigerd zal moeten worden. De uitlevering dient mitsdien voor deze feiten op voornoemde gronden ontoelaatbaar verklaard te worden. Mochten de Verenigde Staten van Amerika slechts voornemens zijn geldboetes op te leggen, dan dient te gelden dat het te dezen toepasselijke verdrag niet voorziet in rechtshulp daartoe." 3.3. De eerste klacht van het middel, die in een aantal onderdelen uiteenvalt, is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat in geval van een veroordeling in de Verenigde Staten van Amerika ter zake van genoemde feiten het exequatur - waarmee de Rechtbank klaarblijkelijk doelt op het verlof tot tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) - geweigerd zou moeten worden. Het meest verstrekkende onderdeel van die klacht luidt dat de Rechtbank aldus ten onrechte is vooruitgelopen op de beslissing van de exequaturrechter. Dit onderdeel van de klacht treft doel. De beantwoording van de vraag of verlof dient te worden verleend tot tenuitvoerlegging van een vonnis van een buitenlandse rechter is voorbehouden aan de rechter die daaromtrent ingevolge de bepalingen van de WOTS heeft te oordelen. Het staat de uitleveringsrechter niet vrij de (te verwachten) beantwoording van die vraag bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering te betrekken. De gegrondheid van dit onderdeel van de klacht brengt mee dat de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven en de overige klachten geen bespreking behoeven. 3.4. Niettemin vindt de Hoge Raad aanleiding het middel nog te bespreken voorzover het kennelijk strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de exequaturrechter - na overdracht van de gevonniste persoon aan Nederland - het vereiste van strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht (art. 3, eerste lid onder c, WOTS) dient te beoordelen naar het moment waarop die feiten zijn gepleegd. Het middel bestrijdt dat oordeel terecht. De strekking van genoemd vereiste is immers te voorkomen dat Nederland medewerking zou moeten verlenen aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht. Voor de beantwoording van de vraag of aan dat vereiste is voldaan is daarom beslissend of de desbetreffende feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn ten tijde van de beslissing van de daartoe ingevolge de WOTS aangewezen rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging. Het verlenen door die rechter van een verlof tot tenuitvoerlegging kan niet worden aangemerkt als "berechting en bestraffing" van die feiten, zodat, anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, in geval van een dergelijk verlof ten aanzien van feiten die op het tijdstip waarop zij zijn gepleegd naar Nederlands recht nog niet strafbaar waren gesteld, van schending van het legaliteitsbeginsel geen sprake kan zijn. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998 omschreven aanklacht ontoelaatbaar is verklaard; Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 te 12:00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 mei 2003. ======================= 3 december 2002 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/SM Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De raadsvrouwe van de opgeëiste persoon, mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, heeft het cassatieberoep tegengesproken. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. In zijn verweerschrift tegen het cassatieberoep is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde beroep, aangezien de middelen niet zijn ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 3.2. Op grond van art. 31, derde lid, UW is de Officier van Justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie. 3.3. Het cassatieberoep is blijkens de daarvan opgemaakte akte ingesteld op 31 mei 2002. De schriftuur is blijkens een daarop geplaatst stempel op 9 juli 2002 bij de Hoge Raad ingekomen. De schriftuur is derhalve niet binnen de bij de wet bepaalde termijn ingediend. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter een schrijven van de Officier van Justitie van 19 juli 2002, inhoudende dat zij eerst op 10 juni 2002 kon beschikken over de uitgewerkte uitspraak. De Hoge Raad gaat uit van de juistheid van deze mededeling. Kennelijk heeft de Officier van Justitie aangenomen dat de wettelijke termijn van een maand voor het indienen van de schriftuur aanving op de datum van ontvangst van de uitgewerkte uitspraak waartegen het cassatieberoep was gericht. 3.4. In zijn beslissing van 16 april 1996, NJ 1996, 527, heeft de Hoge Raad in een strafzaak waarin het openbaar ministerie een van de kernstukken van het geding - het proces-verbaal van de terechtzitting - pas na verloop van de termijn voor het indienen van de schriftuur had ontvangen, beslist dat een redelijke toepassing van art. 433 (oud) Sv meebrengt dat die termijn pas begint te lopen na de ontvangst van het ontbrekende stuk. 3.5.1. Sedert de inwerkingtreding op 1 oktober 2000 van de wetswijziging van 28 oktober 1999, Stb. 467, is de regeling voor het indienen van de cassatieschriftuur in strafzaken neergelegd in art. 437 Sv. De termijn voor het indienen van de schriftuur van een maand vangt voor het openbaar ministerie thans aan nadat de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv aan hem is verzonden. Ook de verdachte is thans op straffe van niet-ontvankelijkheid gehouden zijn schriftuur binnen een termijn (twee maanden) nadat de aanzegging aan hem is betekend te doen indienen. 3.5.2. Voor de toepassing van art. 437 Sv heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 4 juli 2000, NJ 2000, 581, in een geval waarin de raadsman van een verdachte de kernstukken van het geding niet tijdig had ontvangen, beslist dat een dergelijk verzuim van de strafadministratie kan meebrengen dat de raadsman door de rolraadsheer (de enkelvoudige strafkamer van de Hoge Raad) desverzocht alsnog een termijn wordt gegund om een aanvullend middel in te dienen na toezending van de desbetreffende stukken voorzover kennisneming van die stukken onontbeerlijk is voor het formuleren van de middelen. Naar de stand van de huidige rechtspraak is het dan ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de officier van justitie onderscheidenlijk de verdachte een nadere termijn voor het indienen van de middelen wordt gegund en geldt niet meer de hiervoor onder 3.4 gegeven regel dat in ieder geval aanspraak kan worden gemaakt op de volle termijn vanaf de ontvangst van de kernstukken. 3.6. De te beantwoorden vraag is thans of het vorenstaande evenzeer geldt in uitleveringszaken. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. De regeling van art. 31, derde lid, UW wijkt in zoverre af van die van art. 437 Sv dat de termijn van een maand, waarbinnen de officier van justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid zijn schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad moet indienen, niet aanvangt na de verzending van een aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv, derhalve nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, maar nadat hij het beroep in cassatie heeft ingesteld. De opgeëiste persoon die beroep in cassatie instelt kan, anders dan de officier van justitie, een schriftuur indienen, en wel tot de dienende dag. 3.7. Dit verschil tussen de regeling van het Wetboek van Strafvordering en die van de Uitleveringswet heeft tot gevolg dat zaken waarin art. 437 Sv van toepassing is, reeds wel bij de Hoge Raad bekend zijn op het moment dat de termijn voor het indienen van de schriftuur begint te lopen, zodat de rolraadsheer dienaangaande in voorkomend geval kan beoordelen of er aanleiding is een nadere termijn te gunnen, terwijl de stukken van het geding in uitleveringszaken veelal nog niet bij de Hoge Raad ingekomen zijn in de fase waarin de wettelijke termijn voor het indienen van de schriftuur voor de officier van justitie loopt. De rolraadsheer zal in die gevallen dan ook niet in staat zijn een verzoek om verlenging van de termijn te beoordelen. 3.8. Gelet hierop brengt een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW mee dat de officier van justitie in uitleveringszaken, naar analogie van de hiervoor onder 3.4 weergegeven - voor strafzaken inmiddels achterhaalde - rechtspraak, gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen. 3.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 4. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat het door de Officier van Justitie ingestelde beroep in behandeling kan worden genomen. De zaak dient - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - te worden verwezen naar de rolzitting van de Hoge Raad voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel. 5. Beslissing De Hoge Raad: Verklaart de Officier van Justitie ontvankelijk in het cassatieberoep; Verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2003 voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel; Houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 december 2002.
ECLI:NL:HR:2017:363
3 maart 2017 Eerste Kamer 15/02384 LZ/AR Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 16/04742 U Zitting: 4 april 2017 Mr. D.J.C. Aben Conclusie inzake: [de opgeëiste persoon] 1. De rechtbank Rotterdam heeft in haar uitspraak van 6 september 2016 de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard ter fine van strafvervolging ter zake van het “hiervoor genoemde feit”. Daarmee wordt verwezen naar de feiten “zoals nader omschreven in een door de griffier gewaarmerkt en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van het uitleveringsverzoek van 28 november 2014, uitgevaardigd door de vijfde meervoudige kamer in strafzaken van de rechtbank Bakirköy.

Het in de bijlage tussen haken geplaatste gedeelte dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.” De rechtbank Rotterdam heeft de (vertaalde) stukken naar de letter genomen correct weergegeven, maar in de vertaalde beslissing van de rechtbank te Bakirköy zelf ligt een misverstand besloten. Uitleveringsverzoeken zijn afkomstig van een staat en worden, op grond van het toepasselijke Europees Verdrag betreffende uitlevering, door de verzoekende staat aan de aangezochte staat gedaan via het ministerie van Buitenlandse Zaken, of op grond van het Tweede Aanvullend Protocol bij dit verdrag, via het ministerie van Justitie (in Nederland: het ministerie van Veiligheid en Justitie), maar niet via of uitgevaardigd door een rechtbank.

Aangezien de Turkse autoriteiten de uitleveringsbescheiden langs reguliere weg aan Nederland hebben toegezonden, mag worden aangenomen dat Turkije het verzoek van de rechtbank te Bakirköy heeft overgenomen. De rechtbank Rotterdam heeft kennelijk bedoeld de uitlevering toelaatbaar te verklaren ter zake van de feiten zoals die zijn uiteengezet in de beslissing van de vijfde meervoudige kamer in strafzaken van de rechtbank van Bakirköy van 28 november 2014. De uitspraak van de rechtbank kan op dit punt verbeterd worden gelezen. De rechtbank heeft de feiten samengevat als “deelname aan handel in verdovende middelen door bemiddeling in handel in cocaïne”.

2. De opgeëiste persoon heeft cassatieberoep doen instellen. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam, een schriftuur houdende twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister van Veiligheid en Justitie bij de beoordeling van – kort gezegd – een beroep op mensenrechtenschendingen. Het tweede middel behelst de klacht dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd toelaatbaar heeft verklaard en dat er geen sprake is van een dreigende flagrante inbreuk op de artikelen 6 en 13 EVRM. De middelen richten zich beide tegen de beoordeling door de rechtbank van het beroep op mensenrechtenschendingen en kunnen gezamenlijk worden besproken.

4. Ter zitting van de rechtbank van 23 augustus 2016, heeft de raadsman van de opgeëiste persoon een beroep gedaan op een dreigende flagrante inbreuk op de artikelen 6 en 13 EVRM. De ter zitting overgelegde pleitnota, die aan het proces-verbaal is gehecht en daarvan deel uitmaakt, houdt het volgende in (vetgedrukt, cursivering en onderstreping in het origineel): “WEIGERING VAN DE UITLEVERING WEGENS DREIGENDE FLAGRANTE SCHENDING VAN ARTIKEL 6 jo 13 EVRM Indien cliënt aan Turkije wordt uitgeleverd dan zal hij een reëel risico lopen op een flagrante schending van zijn rechten onder artikel 6 EVRM jo 13 EVRM.

De politieke situatie in Turkije is sinds de mislukte coup dusdanig gewijzigd dat thans de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Turkse rechterlijke macht niet langer kan worden verzekerd. Gelet op de politieke toestand van Turkije is het risico erg groot dat indien cliënt aan Turkije wordt uitgeleverd hij geen eerlijk proces zal genieten en of onevenredig lang in voorarrest zal moeten verblijven. Ook zal hij geen toegang hebben tot een deugdelijk rechtsmiddel tegen de inbreuk (artikel 13 EVRM). Sinds de mislukte coup is er sprake van een ware hetze tegen iedereen en alles die kritisch en onafhankelijk is.

De berichtgevingen uit Turkije liegen er niet om: Turkije wordt gezuiverd van de vermoedelijke coupplegers en tegenstanders van president Erdogan. Er zijn duizenden mensen opgepakt waaronder militairen, journalisten en leden van de rechterlijke macht. Inmiddels zijn er ook duizenden rechters op non-actief gesteld. Dit zonder enige vorm van proces (bijlage 1). Zodoende zijn er 1 week geleden diverse invallen geweest in de rechtbanken van Istanbul (bijlage 2): ‘…Daarbij werden er 136 medewerkers aangehouden en hun kantoren en computers doorzocht.

De actie was onderdeel van een groot onderzoek naar de daders van de mislukte coup van 15juli. Dinsdag deed de politie opnieuw een inval in een rechtbank in Istanbul, nadat er arrestatiebevelen tegen 83 medewerkers waren uitgevaardigd. Tegelijkertijd viel de politie ook 44 bedrijven binnen in IstanbuL 120 hooggeplaatste medewerkers worden verdacht van banden met Gülen. Hun bedrijven zouden hem financiële steun hebben verleend.’ Er is in Turkije sinds de couppoging de noodtoestand van kracht Hierdoor is het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) tijdelijk buiten werking gesteld (artikel 15 EVRM).

De garanties in het kader van EVRM zijn hierdoor niet langer ewaarborg4. Alleen al gelet op de noodtoestand en de opschorting van de EVRM dient de uitlevering van cliënt aan Turkije te worden geweigerd!!! Ook in Nederland is de politieke onrust in Turkije niet onopgemerkt gebleven. In diverse zaken is de uitlevering van verdachten aan Turkije geweigerd dan wel opgeschort (bijlage 3). Gelet op de politieke toestand van Turkije is het risico erg groot dat indien cliënt aan Turkije wordt uitgeleverd hij geen eerlijk proces zal genieten en of onevenredig lang in voorarrest zal moeten verblijven.

Om voornoemde redenen dient de uitlevering van cliënt aan Turkije te worden geweigerd.” 5. De rechtbank heeft het beroep dat is gedaan op dreigende flagrante inbreuken op de artikelen 6 en 13 EVRM in haar uitspraak als volgt samengevat en verworpen: “Verweer inzake dreigende flagrante schending van artikel 6 en 13 EVRM De raadsman heeft primair gesteld dat het verzoek om uitlevering moet worden aangehouden en subsidiair dat het ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens dreigende flagrante schending van de artikelen 6 en 13 EVRM, met name het recht op een fair trial, onbelemmerde toegang tot een raadsman en berechting door een onafhankelijke rechter binnen een redelijke termijn.

Hij heeft daartoe stukken overgelegd die melding maken van het oppakken van 2.745 Turkse rechters, invallen van de Turkse politie op maandag 15 en dinsdag 16 augustus 2016 in verschillende rechtbanken in Istanboel, waaronder de rechtbank die het uitleveringsverzoek heeft uitgevaardigd, waarbij medewerkers werden aangehouden (bron: nrc.nl, 16 augustus 2016) alsmede berichten van Human Rights Watch met betrekking tot het in voorlopige hechtenis stellen van rechters en openbare aanklagers, naast berichten van mensenrechtenschendingen van Amnesty International sinds de staatsgreep van 15 juli 2016.

De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). Dit betekent dat de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering slechts dan moet wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en in dat geval voorts (b) naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel ten dienste staat ter zake van die inbreuk (vgl. HR 11 maart 2003, ECL1:NL:HR:2003:AF3312).

De door de raadsman overgelegde stukken alsmede de verontrustende informatie die via de media tot de rechtbank komt, wijzen op een politieke en maatschappelijke situatie waarin er onzekerheid is over de risico’s daarvan voor de rechtsorde en evenzeer voor een ordelijk en eerlijk proces voor verdachten in Turkije. Een eerlijk proces omvat de rechten die de raadsman noemt, zoals de vrije toegang tot een raadsman en het recht op een eerlijk proces bij een onafhankelijke rechter binnen een redelijke termijn. Met betrekking tot de beoordeling van de vraag of in concreto ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake zal zijn van een schending als door de advocaat gesteld, overweegt de rechtbank het volgende.

De beoordeling in het kader van het uitleveringsrecht is een bijzondere, geregeld in de nationaal en internationaal recht, alsmede Europese en nationale jurisprudentie waarbij het wederkerigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel een rol spelen. Van belang is dat er sprake is van een verdeling van bevoegdheid bij de beoordeling van de weigeringsgronden tussen de uitleveringsrechter en de Minister van Veiligheid en Justitie (de Minister). De rechtbank kan de uitlevering ontoelaatbaar verklaren, aan welk oordeel de Minister gebonden is. Indien de rechtbank de uitlevering wel toelaatbaar verklaart, adviseert zij de Minister over het aan het verzoek te geven gevolg, welk advies niet bindend is.

De Minister kan een beslissing nemen tot weigering, ook als de rechter de uitlevering toelaatbaar had verklaard. De rechtbank begrijpt dat uitleveringen aan Turkije in individuele gevallen van verzoeken tot uitlevering ter vervolging blijkens een bericht van de Landsadvocaat (bericht in de Telegraaf van 22 juli 2016) zijn opgeschort. Voorts is van belang dat de Turkse Staat het EVRM niet opzij heeft gezet, maar gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 15 EVRM om in tijd van oorlog of in geval van enige andere algemene noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt, maatregelen te nemen die afwijken van zijn verplichtingen ingevolge dat Verdrag.

De strekking van deze bevoegdheid is in beginsel tijdelijk, zoals volgt uit het derde lid van voornoemd artikel. Daargelaten hoe lang deze tijdelijke situatie zal blijken voort te duren, is het bij deze stand van zaken naar het oordeel van de rechtbank aangewezen dat de Minister op grond van een actuele analyse van de politieke en juridisch situatie in Turkije in het algemeen en de concrete situatie van het te verwachten proces van de opgeëiste persoon, de nadere toetsing van de risico’s van de uitlevering voor schending van de rechten op grond van artikel 6 en 13 EVRM verricht.

Bij dit oordeel speelt mede een rol dat de verdenking waarvoor de uitlevering wordt verzocht in dit geval vervolging wegens een commuun delict betreft dat zou zijn gepleegd in een tijdsbestek waarin van een staatsgreep nog geen sprake was. […] Advies aan de Minister Wel neemt de rechtbank de vrijheid de Minister te adviseren in het bijzonder na te gaan: - in welke mate de in de media berichte aanhouding en detentie van rechters en openbare aanklagers het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn in het geval van de opgeëiste persoon onder druk zet, waarbij de stelling van de raadsman dat er sprake is geweest van een politie-inval en aanhouding van medewerkers van de rechtbank die het uitleveringsverzoek heeft uitgevaardigd, nadere aandacht verdient; - in welke mate de vorengenoemde omstandigheid alsmede de in de media berichte aanhouding en detentie van advocaten het recht van de opgeëiste persoon op onbelemmerde toegang tot een raadsman van zijn keuze onder druk zet; - in welke mate de huidige situatie in Turkije invloed heeft op de detentieomstandigheden aldaar; - of er voldoende zekerheid is dat de door de Turkse autoriteiten gegeven terugkeergarantie na veroordeling gestand zal worden gedaan, gelet op de omstandigheid dat sprake is van een dubbele nationaliteit.” 6.

Het eerste middel klaagt terecht dat de rechtbank afwijkt van bestendige rechtspraak die erop neerkomt dat een beroep op een dreigend risico van een flagrante inbreuk op enig aan de opgeëiste persoon ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, door de uitleveringsrechter wordt beoordeeld indien tevens is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. De rechtspraak is op dit onderdeel recentelijk samengevat in HR 21 maart 2017.

Door geen oordeel te geven over de aanwezigheid van een dreigend risico van een flagrante inbreuk op het recht op een eerlijk proces – in combinatie met het ontbreken van een effectief rechtsmiddel ter zake van die inbreuk – heeft de rechtbank de aan haar opgedragen taak niet vervuld.

7. De vraag is of de gegrondheid van het middel tot cassatie dient te leiden. Om die vraag te beantwoorden moet een andere vraag worden beantwoord, namelijk of de uitleveringsrechter het beroep slechts had kunnen verwerpen.

8. Om die vraag te beantwoorden richt ik mij eerst op hetgeen ter zitting van de rechtbank ten grondslag is gelegd aan het beroep op – kort gezegd – dreigende mensenrechtenschendingen en het ter zake ontbreken van een effectief rechtsmiddel. Naar de kern genomen berust dit beroep op de in Turkije afgekondigde noodtoestand en de opschorting van het EVRM op de voet van artikel 15 EVRM, zoals tot uitdrukking komt in het volgende citaat uit de hierboven geciteerde pleitnota: “Alleen al gelet op de noodtoestand en de opschorting van de EVRM dient de uitlevering van cliënt aan Turkije te worden geweigerd!!!” 9.

Primair stel ik mij op het standpunt dat op grond van hetgeen namens de opgeëiste persoon ter zitting is aangevoerd, niet is komen “vast te staan” dat de jegens de opgeëiste persoon het risico dreigt van een flagrante inbreuk op enig aan de opgeëiste persoon ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht en evenmin dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Het enkele uitroepen van de noodtoestand in Turkije en (in de woorden van de raadsman) “het opschorten van het EVRM” zijn daarvoor ontoereikend.

Ik zeg niet dat de ontwikkelingen in Turkije sedert de staatsgreep van 15 juli 2016 (en wellicht al daaraan voorafgaand) en de zogeheten ‘zuiveringsrondes’ die sindsdien aldaar hebben plaatsgehad zonder enige betekenis zijn voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering aan dit land, maar het lijkt mij niet zinvol om daarbij elke nuance uit het oog te verliezen. Het gaat bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering steeds om de vraag of voor deze opgeëiste persoon bij uitlevering een flagrante schending van zijn door het EVRM gewaarborgde rechten dreigt, niet om de vraag of de Turkse rechtstaat zich in z’n algemeenheid op een hellend vlak bevindt.

Zo mag dus niet zonder meer worden aangenomen dat de positie van deze opgeëiste persoon vergelijkbaar is met de positie van individuen van wie door de Turkse autoriteiten wordt gesteld dat zij hebben deelgenomen aan de staatsgreep van 15 juli 2016 of dat zij aanhanger zijn van Fethullah Gülen.

10. Daarmee kom ik op mijn subsidiaire standpunt, waarvoor ik iets nader moet ingaan op de maatregelen die Turkije heeft getroffen met een beroep op artikel 15 EVRM.

11. Artikel 15 EVRM luidt als volgt: “1. In time of war or other public emergency threatening the life of the nation any High Contracting Party may take measures derogating from its obligations under this Convention to the extent strictly required by the exigencies of the situation, provided that such measures are not inconsistent with its other obligations under international law.

2. No derogation from Article 2, except in respect of deaths resulting from lawful acts of war, or from Articles 3, 4 (paragraph 1) and 7 shall be made under this provision.

3. Any High Contracting Party availing itself of this right of derogation shall keep the Secretary-General of the Council of Europe fully informed of the measures which it has taken and the reasons therefor. It shall also inform the Secretary-General of the Council of Europe when such measures have ceased to operate and the provisions of the Convention are again being fully executed.” 12. Turkije heeft de secretaris-generaal van de Raad van Europa op 21 juli 2016 laten weten dat Turkije hem zal berichten een beroep te doen op de in artikel 15 EVRM gegeven mogelijkheid tot derogatie van de uit het EVRM voortkomende verplichtingen. De mogelijkheid tot derogatie houdt in dat Turkije – met een beroep op artikel 15 EVRM – maatregelen mag nemen die afwijken van zijn verplichtingen ingevolge het EVRM, behoudens maatregelen die afwijken van de verplichtingen waarnaar wordt verwezen in artikel 15, tweede lid, EVRM die zogenoemd ‘Notstandfest’ zijn.

13. In een notificatie overeenkomstig artikel 59 EVRM heeft Turkije – met een beroep op artikel 15 EVRM – aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa overgelegd een gezamenlijke verklaring van de ‘Grand National Assemblee of Turkey’ met daarbij twee notities om aan de lidstaten te worden doorgegeven. De notificatie is gedateerd 25 juli 2016 en effectief met ingang van 24 juli 2016.

14. De gezamenlijke verklaring van de Grote Nationale Assemblee van Turkije, houdt het volgende in: “JOINT DECLARATION BY THE GRAND NATIONAL ASSEMBLY OF TURKEY 16 JULY 2016 Grand National Assembly of Turkey (GNAT) has fulfilled its duty as the representative of the glorious and heroic nation under the threat of bombs and bullets. It has once again demonstrated that it is an Assembly worthy of its people. GNAT led the War of Liberation, built up the democratic parliamentary system and elevated a nation from poverty and destitution to the level of contemporary civilizations.

And now, our Assembly responded to the coup attempt with one heart and one soul. The resolute attitude of GNAT to the heinous coup attempt is extremely important for the further establishment of democracy in Turkey. The Iron Will of GNAT will always stand against every attempt targeting our nation and its veteran Assembly, as it has done so far. It was an historic moment that all of the political parties of the Assembly stood together with common stance and language and this will be recorded as such in history. This common stance and language will further strengthen our nation and national will.

GNAT is on duty as one heart, and in its capacity as the Assembly of the nation, GNAT will make those who have attempted this coup pay the heaviest price within the rule of law. This declaration is the evidence that nothing will be the same again in Turkey. […]” 15. De ene notitie betreft het uitroepen van de noodtoestand naar aanleiding van de staatsgreep van 15 juli 2016. De andere overgelegde notitie betreft informatie over de “terrorist attempt on 15 July 2016”, en de onderzoeken die zijn gericht tegen rechters en openbaar aanklagers.

16. De notitie die betrekking heeft op het uitroepen van de noodtoestand geeft aan welke maatregelen in dat kader zijn genomen: “STATE OF EMERGENCY DECLARED IN TURKEY FOLLOWING THE COUP ATTEMPT ON 15 JULY 2016 Fethullah Terrorist Organisation (FETÖ) has staged a coup attempt in Turkey on 15 July 2016. This bloody attempt against the democratically-elected Government as well as against the constitutional order was defeated by the Turkish State, through its resolve, acting together with its people and security forces. Despicable murderers attacked civilian people, crushed the democracy defenders on the streets under tank palettes, and even bombed the Turkish Parliament, the Grand National Assembly of Turkey. 246 Turkish citizens lost their lives and 2,185 were wounded.

In order to fight against the FETÖ terrorist organisation in a comprehensive and effective manner which poses a grave threat to survival and security of the nation through its clandestine infiltration to state mechanisms, the Council of Ministers of Turkey decided on 20 July 2016 that a nationwide state of emergency be declared as from 21 July 2016 for a period of ninety days, pursuant to Article 120 of the Constitution and Article 3 § 1 (b) of the Law on the State of Emergency (Law No. 2935). […] The purpose of the state of emergency is to take required measures in the most speedy and effective manner in the fight against FETÖ terrorist organisation in order to save the nation from this ferocious terror network and return to normalcy as soon as possible.

Meanwhile, utmost care will will be maintained with a view to upholding democracy standards as well as respecting the fundamental rights of citizens. […] In this context, Turkey resorted to the right of derogation from the obligations in the Convention as prescribed in the European Convention on Human Rights, permissible under Article 15 of the Convention. As stated in the Convention, a derogation is not a suspension of rights. It brings certain limitations to the exercise of certain rights to the extent strictly required by the exigencies of the situation.” 17.

De notitie die betrekking heeft op de onderzoeken die zijn uitgevoerd tegen rechters en openbaar aanklagers, biedt ook een overzicht van maatregelen die zijn genomen: “FETÖ has been especially organized within the judicial institutions for decades. By way of producing false evidence in the investigations into the issues such as Ergenekon initiated in 2007 and Balyoz and military espionage initiated thereafter, dismissal operations started against the persons that are not members of the organisation within the armed forces. It was found established by the judgments of the Court of Cassation that false evidence had been produced in those investigations.

The power that FETÖ obtained in the judiciary due to the operations in question reached its peak with re-structuring of the High Council of Judges and Prosecutors in 2010. They infiltrated the Council and appointed members of the organisation were to critical positions in the judiciary. […] For these reasons, the relevant authorities had been carrying out researches in order to identify the members of FETÖ before the failed coup attempt. As a consequence of the terrorist act committed with the purpose of staging a coup on 15 July 2016, suspension procedures and disciplinary have been initiated with the purpose of removing the members of FETÖ terrorist organisation that infiltrated into the State bureaucracy, mainly the judicial institutions, through structuring as cells.

In this respect, on 16 July 2016 investigations have been initiated and arrest warrants have been issued in respect of the members of FETÖ in the High Council of Judges and Prosecutors, the Constitutional Court and the other high courts by the Chief Public Prosecutor’s Office of Ankara and in respect of its members taking office as judges and prosecutors in court-houses by the relevant Chief Public Prosecutor’s Office with the charges of being an accomplice in the attempt of overthrowing the government and the legislative organ, attempting to abolish the Constitution, fomenting an armed insurrection and establishing an armed organisation. […] On 16 July 2016, in the extraordinary session, the 3rd Chamber of the High Council of Judges and Prosecutors granted authorization to launch an investigation against a number of judges and prosecutors for being accomplice of attempt of overthrowing the government and the legislative organ, attempting to abolish the Constitution, fomenting an armed insurrection and establishing an armed organisation.” 18.

De beide notities wijzen uit dat de tot dan toe genomen maatregelen, waarvan Turkije melding heeft gemaakt aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa, waren gericht tegen de FETÖ, een organisatie die in Nederland bekend staat als de ‘Gülen-beweging’.

19. Nadien heeft Turkije aan de secretaris-generaal de maatregelen overgelegd als bedoeld in artikel 15 EVRM. Het gaat om decreten met nummer 679, 680, 681 en 685. De teksten van deze decreten zijn in de Engelse taal overgelegd aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa, met uitzondering van decreet 681 waarover een toelichtende notitie is overgelegd.

20. Naar mijn inzicht kan uit de toelichtingen op de maatregelen die Turkije met een beroep op art. 15 EVRM heeft getroffen niet, althans niet zonder meer, worden afgeleid dat in Turkije naar verwachting een inbreuk zal worden gemaakt op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces in strafzaken die betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. De maatregelen zijn in het bijzonder civielrechtelijk en administratiefrechtelijk van aard, en zij richten zich tegen – kort gezegd – de Gülen-beweging. Uit het treffen van die maatregelen kan niet zonder meer volgen dat in strafzaken in het algemeen en in de strafzaak tegen [de opgeëiste persoon] in het bijzonder een flagrante inbreuk dreigt, aangezien niet is aangevoerd noch aannemelijk is geworden dat [de opgeëiste persoon] door de Turkse autoriteiten in verband wordt gebracht met de genoemde Gülen-beweging.

Uit de toelichtingen kan ik evenmin opmaken dat [de opgeëiste persoon] na uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zal staan ter zake van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM.

21. Hiermee ga ik niet voorbij aan de mogelijkheid dat Turkije (andere) maatregelen kan hebben genomen die op gespannen voet staan met het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces en het bestaan van een effectief rechtsmiddel ter zake van zo een inbreuk. Ik kan dat echter niet vaststellen op basis van hetgeen ter zitting is aangevoerd en evenmin uit de toelichtingen op de maatregelen die Turkije heeft doen toekomen aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa. Ook overigens behoort het niet tot het takenpakket van de uitleveringsrechter, en dus ook niet tot dat van mij, om in algemene zin oordelen te geven over de actuele toestand van de Turkse rechtstaat voor zover dat het bestek van de uitleveringszaak te buiten gaat.

22. Gelet op hetgeen door de verdediging ten grondslag is gelegd aan het beroep op een dreigende flagrante schending van het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces, en het ontbreken van een effectief rechtsmiddel ter zake als bedoeld in artikel 13 EVRM, had de rechtbank dit beroep slechts kunnen verwerpen. Hierbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat de verdediging ten overstaan van de rechtbank te Rotterdam aan het beroep slechts ten grondslag heeft gelegd dat alleen al de noodtoestand en “het opschorten van het EVRM” de uitlevering aan Turkije belemmert, terwijl (1) het enkele inroepen van artikel 15 EVRM door Turkije niet zonder meer uitwijst dat de in artikel 6 EVRM gegarandeerde rechten opzij zullen worden gezet, en terwijl (2) de verdediging evenmin heeft gespecificeerd welke door Turkije toegelichte maatregelen in de onderhavige zaak enig aan de opgeëiste persoon ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht zullen treffen.

23. Zoals ik al eerder opmerkte, is met mijn conclusie dat de middelen falen niet gezegd dat de mensenrechtensituatie in Turkije geen betekenis kan hebben voor de onderhavige zaak. Indien de Hoge Raad het cassatieberoep in de onderhavige zaak zou verwerpen, zal de minister van Veiligheid en Justitie de mensenrechtensituatie in Turkije (moeten) meewegen bij zijn beslissing op het uitleveringsverzoek. De rechtbank heeft met het oog daarop in haar advies gewezen op een aantal punten die verband houden met het recht op een eerlijk proces. Indien de minister van Veiligheid en Justitie het uitleveringsverzoek zou inwilligen, staat daartegen eveneens beroep op de civiele rechter open.

24. De middelen falen.

25. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zou moeten leiden.

26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het Vierde Aanvullend Protocol bij het EUV 2012 voorziet in de mogelijkheid dat het uitleveringsverzoek wordt gedaan door “another competent authority” die door de betreffende verdragsluitende staat is aangewezen en aan de Raad van Europa is gecommuniceerd. Turkije, voor wie het protocol in werking is getreden, heeft echter van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt en Nederland heeft dit protocol nog niet ondertekend. Art. 2 lid 1 Vierde Aanvullend Protocol bij het EUV 2012 (www.coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/treaty/212):

“Article 2 – The request and supporting documents 1. Article 12 of the Convention shall be replaced by the following provisions: ‘The request and supporting documents 1 The request shall be in writing. It shall be submitted by the Ministry of Justice or other competent authority of the requesting Party to the Ministry of Justice or other competent authority of the requested Party. A State wishing to designate another competent authority than the Ministry of Justice shall notify the Secretary General of the Council of Europe of its competent authority at the time of signature or when depositing its instrument of ratification, acceptance, approval or accession, as well as of any subsequent changes relating to its competent authority.” HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:363, r.o. 3.6 onder B sub (iii).

HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:363, r.o. 3.7. Ik wijs in dat verband op de ‘Statement on the position of the Turkish High Council for Judges and Prosecutors in the ENCJ’: “The ENCJ reiterates its unreserved condemnation of the recent attempted coup in Turkey. The loss of life incurred in this attack on a democratically elected government is inexcusable. Those responsible should be made accountable through an open, fair and impartial judicial process conforming with international standards. The ENCJ has expressed its concern, both before and after the attempted coup, that the approach of the High Council for Judges and Prosecutors to the transfer, suspension, removal and prosecution of judges has not been consistent with the principles of judicial independence.

The ENCJ has received persuasive information that these procedures have taken place without respecting the principles referred to above. The board of the ENCJ has repeatedly requested the Turkish High Council for Judges and Prosecutors for details of the procedures followed relating to the extraordinary mass dismissal of thousands of judges and prosecutors and to demonstrate that minimum international standards in relation to disciplinary proceedings against judges and prosecutors have been followed. To date no satisfactory response has been received to these vital inquiries.

As a result of the information that the ENCJ has received and the failure of the Turkish High Council to provide any satisfactory response to it, the board is forced to conclude that the Turkish High Council for Judges and Prosecutors no longer meets the requirements of the ENCJ that it is independent of the executive and legislature so as to ensure the independence of the Turkish Judiciary. The board of the ENCJ has accordingly resolved unanimously to propose to its General Assembly the suspension of the status of Observer to the ENCJ of the HSYK.

To this end it has called an extraordinary general meeting which will take place in December 2016.” Zie: www.encj.eu/index.php?option=com_content&view=article&id=222%3Ahsykencjposition&catid=22%3Anews&lang=en. Zie: https://wcd.coe.int/com.instranet.InstraServlet?command=com.instranet.CmdBlobGet&InstranetImage=2930083&SecMode=1&DocId=2380796&Usage=2. Het is overigens niet voor het eerst in het recente verleden dat Turkije toepassing geeft aan art. 15 EVRM. Een artikel met een jurisprudentieanalyse over de mate waarin het EHRM toezicht houdt op de naleving van art. 15 EVRM is:

B. van der Sloot, ‘Langs lijnen van geleidelijkheid: een jurisprudentie-analyse van artikel 15 EVRM’, NJCM Bulletin 2012 (2), p. 208-229. Zie ook: https://rm.coe.int/CoERMPublicCommonSearchServices/DisplayDCTMContent?documentId=090000168069538a. Zie: https://wcd.coe.int/ViewDoc.jsp?p=&Ref=NotificationJJ8289C&Language=lanEnglish&Ver=original&Site=COE&BackColorInternet=F7F8FB&BackColorIntranet=F7F8FB&BackColorLogged=F7F8FB&direct=true, en https://wcd.coe.int/com.instranet.InstraServlet?command=com.instranet.CmdBlobGet&InstranetImage=2957170&SecMode=1&DocId=2394756&Usage=2.

Zie W.A. Schabas, The European Convention on Human Rights. A Commentary, Oxford: Oxford University Press 2015, p. 602, waaruit ik citeer: “There are no formal requirements for the notice of derogation.”