Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2017:365 ECLI:NL:PHR:2017:365 AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:365 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2017:365
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 15/05114 Zitting: 18 april 2017 (bij vervroeging) Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 16 oktober 2015 door het hof 's-Hertogenbosch wegens “overtreding van artikel 4:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Cranendonck 2010 (2e wijziging)” veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 170,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door drie dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Er bestaat samenhang met de zaak 15/05115. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Legislator headnote

AI generated

art. 330 Sv, art. 415 Sv; ECLI:NL:PHR:2017:365 · Parket bij de Hoge Raad: Het in de cassatieschriftuur gedane beroep op de arresten van de Hoge Raad van 11 oktober 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT5663, NbSr 2005/406) en 14 december 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM9118) gaat gelet op de hiervoor geschetste feitelijke gang van zaken niet op. In voornoemde zaken werd door de verdediging een verzoek tot uitstel van de behandeling van de strafzaak gedaan, waarna het hof de verdachte bij verstek heeft veroordeeld zonder een beslissing te nemen op het verzoek tot uitstel. Het aanwezigheidsrecht van verdachte was dus in geding. Daarvan is in onderhavige zaak echter geen sprake. Gelet op de feitelijke gang van zaken is het verdedigingsrecht in de onderhavige zaak evenmin in het geding.

Keywords

AI generated
art. 330 Sv art. 415 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 330 Sv
Verzuim om op een dergelijk verzoek te beslissen heeft op grond van art. 330 Sv nietigheid tot gevolg.
art. 415 Sv
Uit dit samenstel van bepalingen, die ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn, volgt dat op een verzoek van de verdachte als bedoeld in art.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2005:AT5663
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 maart 2003 - de verdachte ter zake van "voortgezette handeling van afpersing terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor nachtrust bestemde tijd in een woning en door twee of meer verenigde personen" en "diefstal voorafgaand en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.
ECLI:NL:HR:2010:BM9118
Geding in cassatie Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van feit 1 - is ingesteld door de verdachte.
ECLI:NL:HR:2009:BI4742
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
ECLI:NL:HR:2014:1496
1 juli 2014 Strafkamer nr. 13/00445 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 2 januari 2013, nummer 23/003375-10, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
NJ 2014/441
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 15/05114 Zitting: 18 april 2017 (bij vervroeging) Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 16 oktober 2015 door het hof 's-Hertogenbosch wegens “overtreding van artikel 4:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Cranendonck 2010 (2e wijziging)” veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 170,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door drie dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Er bestaat samenhang met de zaak 15/05115. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Voor de bespreking van beide middelen is het volgende van belang. Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van de verdachte d.d. 1 oktober 2015. Voor zover voor de bespreking van de middelen relevant, houdt deze brief in: “Geachte heer, mevrouw van de enkelvoudige kamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, Hierbij verzoek ik de beide terechtzittingen van 16 oktober as, respectievelijk 13.30 uur en 14.00 uur uit te stellen tot een later door u te bepalen datum. Dit om mij voldoende gelegenheid te stellen zonder ernstige tijdsdruk een gedegen pleidooi op te kunnen stellen Tevens verzoek ik de advocaat generaal getuigen (ter;

PV) terechtzitting op te roepen t.a.v. P.nr. 20-001559-15 - [betrokkene 1] (…) - [verbalisant 1] (verbalisant 1) - [verbalisant 2] (verbalisant 2) (…)” 5. Tevens bevindt zich in het dossier een brief van de griffier van het hof aan de verdachte van 6 oktober 2010. Dit bericht houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in: “Geachte [verdachte]. Namens de voorzitter van het hof bericht ik u het navolgende. Bij de strafgriffie is binnengekomen fax d.d. 1 oktober 2015. waarin u verzoekt om aanhouding. Er wordt geen aanhouding verleend, er is tijd genoeg voor voorbereiding en verzoek om getuigen wordt op zitting bekeken.” 6.

Het eerste middel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het schriftelijke verzoek van verdachte tot uitstel van de behandeling van zijn zaak.

7. Vooropgesteld dient te worden dat indien door of namens verdachte om uitstel van de behandeling van zijn zaak is verzocht, de rechter op grond van art. 278, derde lid, jo. 329 Sv - nadat het openbaar ministerie omtrent dat verzoek is gehoord - beslist op het verzoek om uitstel. Verzuim om op een dergelijk verzoek te beslissen heeft op grond van art. 330 Sv nietigheid tot gevolg. Uit dit samenstel van bepalingen, die ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn, volgt dat op een verzoek van de verdachte als bedoeld in art. 278, derde lid, Sv ter terechtzitting moet worden beslist. Een en ander neemt niet weg dat om praktische redenen door (de voorzitter van) het gerecht reeds voorafgaande aan de terechtzitting aan degene die om aanhouding verzoekt kan worden kenbaar gemaakt wat het voorlopige oordeel van het gerecht omtrent het verzoek is. De uiteindelijke beslissing dient evenwel ter terechtzitting te worden genomen en in het proces-verbaal van die terechtzitting te worden vastgelegd.

8. Ondanks de (te) stellige bewoordingen in de door de griffier namens de voorzitter aan verdachte verzonden brief van 6 oktober 2015 heeft de daaraan vervatte mededeling dat niet zal worden aangehouden voor zover het erom gaat om verdachte gelegenheid te geven zijn verdediging voor te bereiden - zoals de steller van het middel terecht opmerkt - een voorlopig karakter. Verdachte behoudt de mogelijkheid ter terechtzitting een verzoek tot aanhouding in het belang van de verdediging te doen. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat een dergelijk verzoek is gedaan. Daaruit komt wel naar voren dat verdachte ter terechtzitting is verschenen, naar aanleiding van hem gestelde vragen zijn standpunt naar voren heeft gebracht alsmede het woord ter verdediging en het laatste woord heeft gevoerd.

9. Het in de cassatieschriftuur gedane beroep op de arresten van de Hoge Raad van 11 oktober 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT5663, NbSr 2005/406) en 14 december 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM9118) gaat gelet op de hiervoor geschetste feitelijke gang van zaken niet op. In voornoemde zaken werd door de verdediging een verzoek tot uitstel van de behandeling van de strafzaak gedaan, waarna het hof de verdachte bij verstek heeft veroordeeld zonder een beslissing te nemen op het verzoek tot uitstel. Het aanwezigheidsrecht van verdachte was dus in geding. Daarvan is in onderhavige zaak echter geen sprake. Gelet op de feitelijke gang van zaken is het verdedigingsrecht in de onderhavige zaak evenmin in het geding.

10. Het eerste middel faalt.

11. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte geen gemotiveerde beslissing heeft genomen op het verzoek van verdachte om een drietal getuigen te horen.

12. Verdachte heeft per brief van 1 oktober 2015 (zie hiervoor onder punt 5) de advocaat-generaal verzocht een drietal getuigen op te roepen. Per brief van 6 oktober 2015 (zie hiervoor onder punt 6) heeft de griffier van het hof verdachte bericht dat het “verzoek om getuigen op zitting wordt bekeken”. Het proces-verbaal van de zitting van het hof noch het arrest bevat een beslissing op het verzoek tot het horen van getuigen.

13. Het schriftelijk verzoek tot het horen van getuigen is onder meer blijkens de bewoordingen ervan gericht tot de advocaat-generaal bij het hof. Niet blijkt van enige beslissing van deze functionaris, zodat ervan moet worden uitgegaan dat er sprake is van een verzuim om te beslissen. In dat geval kan door of namens verdachte ter terechtzitting aan het hof worden verzocht de getuigen alsnog op te roepen om te worden gehoord. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat een dergelijk verzoek is gedaan en gelet daarop geldt als uitgangspunt dat het hof niet is gehouden enige beslissing op het verzoek te nemen.

14. Ik kan niet inzien dat dit anders wordt in het geval de griffier van het hof de verdachte antwoordt dat “verzoek om getuigen wordt op zitting bekeken.” De gekozen bewoordingen zijn minder gelukkig. Het verdient voorkeur te schrijven dat het verzoek desgewenst ter terechtzitting zal worden beoordeeld. Ik meen echter dat het antwoord wel zo kan worden gelezen dat het verzoek, voor zover het wordt gehandhaafd, ter terechtzitting zal worden bekeken. Alleen verdachte zelf is namelijk in het kader van de verdere voorbereiding van zijn verdediging in staat om te beoordelen of hij het nog nodig vindt de getuigen te doen horen. Dat geldt temeer nu het schriftelijke verzoek om de getuigen te horen niet voorzien is van enige grond waaruit blijkt waarom het nodig is de getuigen te horen. Of het horen van de getuigen van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing komt dus ook op geen enkele wijze uit de verf.

15. Het tweede middel faalt eveneens.

16. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Inmiddels treedt mr. R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, op. Vgl. HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5663, NbSr 2005/406; HR 1 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4742. De aanhef van de brief is na de in briefwisseling algemeen gebruikelijke vermelding van plaats en datum: resortsparket ‘s-Hertogenbosch. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. van M.J. Borgers, r.o. 2.13-2.18 (eerste aanleg) en 2.49-2.53 (hoger beroep). HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. van M.J. Borgers, r.o. 2.53. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. van M.J. Borgers, r.o. 2.6.