Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2017:345 ECLI:NL:PHR:2017:345 AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:345 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2017:345
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 15/04449 P Zitting: 21 maart 2017 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene] Het Gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 17 september 2015 het vonnis bevestigd van de rechtbank Den Haag van 22 september 2014, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 12.075,- en de betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming. Er bestaat samenhang met de zaken 15/04453, 15/04654P en 15/04655. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen. De betrokkene heeft tijdig beroep in cassatie doen instellen.

Legislator headnote

AI generated

Art. 511h Sv; ECLI:NL:PHR:2017:345 · Parket bij de Hoge Raad: Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens hem geen middelen van cassatie voorgesteld. Art. 511h Sv schrijft in verbinding met art. 437, tweede lid, Sv voor dat op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie moet worden ingediend. Nu bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur is ingediend, moet de betrokkene niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep worden verklaard.

Keywords

AI generated
Art. 511h Sv

Cited Legislation

AI generated
Art. 511h Sv
Art. 511h Sv schrijft in verbinding met art.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 15/04449 P Zitting: 21 maart 2017 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene] Het Gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 17 september 2015 het vonnis bevestigd van de rechtbank Den Haag van 22 september 2014, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 12.075,- en de betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming. Er bestaat samenhang met de zaken 15/04453, 15/04654P en 15/04655. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen. De betrokkene heeft tijdig beroep in cassatie doen instellen.

Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens hem geen middelen van cassatie voorgesteld. Art. 511h Sv schrijft in verbinding met art. 437, tweede lid, Sv voor dat op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie moet worden ingediend. Nu bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur is ingediend, moet de betrokkene niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep worden verklaard.

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG