Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2017:325 ECLI:NL:PHR:2017:325 AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:325 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2017:325
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 15/03549 Zitting: 4 april 2017 Mr. G. Knigge Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 25 juni 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “Overtreding van het bepaalde bij artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990”, veroordeeld tot een geldboete van € 600,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor drie maanden. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3.1. Het middel klaagt dat het hof bij de strafoplegging ten bezware van de verdachte heeft meegewogen dat deze “eerder veroordeeld” is voor een RVV-overtreding, terwijl uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat het hier gaat om een onherroepelijke strafbeschikking. 3.2.

Legislator headnote

AI generated

art. 78b Sr; ECLI:NL:PHR:2017:325 · Parket bij de Hoge Raad: De verdachte had in het arrest van de Hoge Raad tenslotte aanleiding kunnen vinden zijn beroep in te trekken, hetgeen hij niet heeft gedaan. 3.4. Het middel is klaarblijkelijk ongegrond.

Keywords

AI generated
art. 78b Sr

Cited Legislation

AI generated
art. 78b Sr
Die opvatting is gelet op het bepaalde in art. 78b Sr onjuist.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 15/03549 Zitting: 4 april 2017 Mr. G. Knigge Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 25 juni 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “Overtreding van het bepaalde bij artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990”, veroordeeld tot een geldboete van € 600,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor drie maanden. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3.1. Het middel klaagt dat het hof bij de strafoplegging ten bezware van de verdachte heeft meegewogen dat deze “eerder veroordeeld” is voor een RVV-overtreding, terwijl uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat het hier gaat om een onherroepelijke strafbeschikking. 3.2.

Het middel steunt op de opvatting dat een door het OM opgelegde strafbeschikking in het kader van de strafmotivering niet gelijkgesteld mag worden aan een veroordeling door de rechter. Die opvatting is gelet op het bepaalde in art. 78b Sr onjuist. Zie HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:7. 3.3. Gelet op het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad is de klacht klaarblijkelijk ongegrond. Dat betekent dat het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet ontvankelijk kan worden verklaard. Het feit dat het bedoelde arrest is gewezen nadat de schriftuur in deze zaak binnenkwam, levert naar mijn mening geen reden op om van die niet-ontvankelijkverklaring af te zien, aangezien voor de toepassing van art. 80a RO het moment waarop de Hoge Raad oordeelt beslissend is, niet het moment waarop de schriftuur werd ingediend.

De verdachte had in het arrest van de Hoge Raad tenslotte aanleiding kunnen vinden zijn beroep in te trekken, hetgeen hij niet heeft gedaan. 3.4. Het middel is klaarblijkelijk ongegrond.

4. Deze conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG